CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Inspraakreactie hoorzitting DPO leiding def anoniem

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding2.574 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 Hoorzitting toepassing Belemmeringenwet Privaatrecht ten behoeve van de voorgenomen aanleg van een brandstoftransportleiding op verzoek van Defensie Pijpleiding Organisatie 26 januari 2021 om 14.00 uur ten kantore van het provinciehuis in Arnhem Inleiding: Defensie Pijpleiding Organisatie heeft de wens een brandstofpijpleiding gelegen in het perceel kadastraal bekend gemeente Hedel sectie L nummer 343 te vervangen. Tussen partijen is overleg gevoerd maar geen overeenstemming bereikt omdat DPO niet bereid is gebleken zich te beperken tot een aanbod dat geen verdergaande inbreuken maakt dan strikt noodzakelijk. Zo was DPO bijvoorbeeld niet bereid het commercieel medegebruik zonder instemming van grondeigenaren uit te sluiten. Openbaar belang? Rechthebbenden zijn bereid te erkennen dat een brandstofleiding ten behoeve van uitsluitend defensiedoeleinden kan worden aangemerkt als een openbaar werk, zoals bedoeld in de wet. Volgens gegevens ontleend aan de site van het Ministerie van Defensie is ongeveer 90% van het pijpleidingsysteem bestemd voor civiele transporten. Vliegvelden zoals Schiphol, en buiten Nederland de vliegvelden Zaventem en Frankfurt, zijn daarbij de grootste klanten. De brandstofleiding maakt deel uit van een Europees leidingnetwerk van ruim 5.200 km gelegen in Nederland, België, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk.

De leiding ontsluit 36 brandstofdepots in Europa waarvan 6 exclusief voor niet militair gebruik! In Nederland heeft men depots in Pernis, Lopikerkapel, Markelo en Leeuwarden. Het Nederlandse deel omvat een lengte van 550 kilometer. De leidingen gaan in Noord-Brabant bij Huijbergen en in Limburg bij Mamelis de grens over. Vast staat dat de leiding in praktijk vooral wordt gebruikt voor bevoorrading van meerdere internationale burgerluchthavens zoals Zaventem en Luik in België, Keulen/ Bonn en Frankfurt in Duitsland, Findel in Luxemburg en Schiphol en Eindhoven in Nederland. Rechthebbenden stellen vast dat sprake is van een overwegend commercieel gebruik dat niet onder de definitie van openbaar belang valt!

2

Op de website van DPO (zie p11 van de brochure op www.defensie.nl/onderwerpen/taken-innederland/downloads/brochures/2017/06/01/corporate-brochure-dpo-fueling-your-wings) staat vermeld dat DPO een sterk dienstverlenend karakter heeft en steeds meer civiele klanten bedient! DPO heeft desgevraagd bevestigd dat zij zich laat betalen voor het commerciële gebruik, maar heeft vooralsnog geen enkel inzicht geboden in de hoogte van de commerciële vergoedingen die zij periodiek ontvangt. Voor rechthebbenden is niet van belang of commerciële vergoedingen wel of niet met een winstoogmerk worden gegenereerd; enkel is van belang dat commerciële vergoedingen worden gegenereerd. DPO is niet bereid voor dit commerciële medegebruik te betalen en is evenmin bereid in de voorgelegde overeenkomst een bepaling op te nemen op basis waarvan commercieel medegebruik zonder de uitdrukkelijke instemming van rechthebbenden wordt uitgesloten. Rechthebbenden wijzen erop dat DPO ook als de wet- en regelgeving volgens het Europese mededingingsrecht in acht worden genomen normale commerciële prijzen betaald zullen moeten

3 worden, waarbij niet ondenkbaar is dat een marktconforme prijsvaststelling wegens gebrek aan alternatieven bepaald wordt middels vergelijking met prijzen op basis van transport over de weg. Los van de commerciële brandstofvoorziening wijzen rechthebbenden erop dat DPO haar (oude) brandstofleidingen in het recente verleden ook voor (geheel andere) commerciële doeleinden in gebruik gaf ten behoeve van bijvoorbeeld glasvezelcommunicatie (zie: www.ictmagazine.nl/glasvezel-ongebruikte-brandstofleidingen-defensie/). Gelet op het sterk commerciële (mede)gebruik van de beoogde brandstofleiding hebben rechthebbenden een gerechtvaardigd belang over de voorwaarden van het door DPO beoogde commerciële medegebruik tijdig / vooraf deugdelijke afspraken te maken. Daartoe bleek DPO niet bereid! Nut en Noodzaak Door DPO wordt aangegeven dat de bestaande leiding wordt vervangen omdat gebleken is dat de gronddekking van de in de jaren ’50 afgezonken leiding in de loop der jaren door erosie van de rivierbedding is losgekomen. Niet duidelijk wordt gemaakt waarom niet zou kunnen worden volstaan met de reeds aangebrachte zinkmatten en stortstenen ter plaatse van de huidige leidingzinker of vervanging van een en ander. Er wordt slechts gesteld dat de grondaanvulling als plaatselijke verhoging van de rivierbedding vatbaar is om opnieuw versneld te eroderen.

DPO stelt zelf vast dat de potentieel gevaarlijke situatie middels het treffen van maatregelen is opgelost. Een andere bedreiging wordt niet genoemd; er is derhalve geen sprake (meer) van gevaar, ook niet potentieel. Daarmee is het spoedeisende belang in ieder geval komen te vervallen. Dit geldt temeer nu vaststaat dat de al vanaf de jaren ’50 afgezonken DPO-leiding al bijna 70 jaar probleemloos heeft gefunctioneerd. Omdat de leiding pas na de Tweede Wereldoorlog werd aangelegd staat ook vast dat de bestaande DPO-leiding vanaf het moment van aanleg feitelijk nog nooit gebruikt is voor het specifieke doel waarvoor deze leiding werd aangelegd. Kort gesteld twijfelen rechthebbenden aan de noodzaak de bestaande leiding te moeten vervangen en vragen zij zich af waarom de bestaande leiding - na het treffen van de recente maatregelen - niet opnieuw enkele decennia ongestoord zou kunnen blijven functioneren. Vrijwel zeker houdt de wens om de capaciteit uit te breiden van 6 (15 cm) naar 10 inch (25 cm) verband met het sterk groeiende aantal commerciële klanten. De capaciteit van de leiding wordt in beginsel bepaald door de oppervlakte van de ronde buis. De oppervlakte van een cirkel is πr2.

Een vergroting van 15 naar 25 cm komt daarmee neer op een capaciteitsvergroting van maar liefst 278 %! Dit terwijl vaststaat dat de DPO-leiding vanaf het moment van aanleg feitelijk nimmer is gebruikt voor het primaire doel waarvoor de leiding werd aangelegd, te weten bevoorrading van defensiedoelen in een oorlogssituatie. Is immers geen sprake van een oorlogssituatie valt niet in te zien waarom bevoorrading buiten oorlogssituaties noodzakelijkerwijs alleen door een eigen DPObrandstofleiding zou kunnen plaatsvinden in plaats van de wijze van bevoorrading van vrijwel alle benzinestations in Nederland via de openbare weg. Indien de DPO-leiding niet commercieel gebruikt zou worden is vergroting van de capaciteit vrijwel zeker overbodig. Enig inzicht hierin is door DPO (nog) niet gegeven. Gebrek aan inzicht maakt dat een deugdelijke beoordeling van nut en noodzaak feitelijk niet mogelijk is.

4 Bovendien wijzen rechthebbenden erop dat Defensie reeds thans beschikt over een zakelijk recht ten behoeve van een brandstofleiding. Geconcludeerd kan worden dat ook om die reden geen noodzaak (en dus ook geen wettelijke mogelijkheid) bestaat tot het opleggen van een gedoogplicht. Minst bezwarende tracé? De wet bepaalt dat de belemmering ingeval van oplegging van een gedoogplicht niet groter mag zijn dan redelijkerwijs voor de aanleg en de instandhouding van het werk noodzakelijk is. De tracékeuze van DPO lijkt wellicht te zijn gemotiveerd vanuit het voor DPO minst bezwarend tracé maar uit de wet volgt dat gekozen dient te worden voor het voor eigenaar minst bezwarende tracé. Rechthebbenden wijzen erop dat Defensie reeds thans beschikt over een zakelijk recht dat voorziet in het leggen, hebben, houden, controleren en onderhouden alsmede het vervangen en verwijderen van een buisleiding met toebehoren ten behoeve van het transport van oliehoudende producten. Rechthebbenden zien niet in om welke reden de nieuwe leiding niet gewoon het tracé van de bestaande leiding kan volgen. Met de keuze voor een ander – veel langer - tracé op hetzelfde perceel wordt het perceel onnodig en voor een aanzienlijk grotere oppervlakte belast dan strikt noodzakelijk! In opdracht van DPO is door Lievense CSO Infra B.V.

een tracéstudie gemaakt, maar onduidelijk is of en zo ja op grond van welke (openbare?) afwegingen de tracékeuze werd gemaakt. Vast staat wel dat het perceel op basis van de bureaustudie van Lievense CSO infra voor een veel groter deel wordt belast en daarmee ook de toekomstige planologische belemmeringen (bijvoorbeeld zandwinning) veel groter zijn. Nergens blijkt op welke wijze dit belang is gewogen! Rechthebbenden wijzen in relatie hiertoe ook op artikel 2 van de bestaande zakelijk recht overeenkomst waarin werd overeengekomen dat: “als het belang van één der partijen met zich meebrengt de leiding te verleggen, zal dit in onderling overleg en ten koste van die partij door de Staat uitgevoerd worden”. Over de wijze van verlegging heeft echter geen enkel overleg plaatsgevonden (en al helemaal niet in het kader van de bestaande zakelijk recht overeenkomst!). De staat heeft slechts meegedeeld op welke (aanzienlijk méér bezwarende) wijze zij verlegging uit gaat voeren. Volgens de huidige zakelijk recht (zie artikel 4) bedraagt de bestaande belaste strook 8 meter breed (4 meter aan weerzijden van de leiding). Hoewel de leiding “slechts” 10 centimeter breder is (diameter wijzigt van 15 naar 25 cm) verlangt DPO thans opeens een 10 meter brede zakelijk recht strook (zie artikel 3 voorgestelde zakelijk recht overeenkomst). De huidige zakelijk recht strook is ca.

150 meter lang en 8 meter breed gelet waarop in de bestaande situatie sprake is van een belaste strook van afgerond 1200 m2 totaal. Op basis van de voorstellen van DPO zal in de nieuwe situatie sprake zijn van een belaste strook van ca. 450 meter bij een breedte van 10 meter ofwel 4500 m2 totaal. Nog los van de enorme toename van het belaste oppervlak met maar liefst 375% zijn de zakelijk recht voorwaarden waaronder DPO een geheel nieuwe zakelijk recht overeenkomst wenst aan te gaan aanzienlijk slechter dan de bestaande zakelijk recht voorwaarden. Desondanks heeft DPO in strijd met artikel 2 van de bestaande overeenkomst geen enkel overleg gepleegd over het nieuwe tracé.

5

Nu Defensie reeds beschikt over een zakelijk recht ten behoeve van het hebben houden en vervangen van een brandstofleiding kan niet gesteld worden dat er sprake is van een noodzaak voor de vestiging van eenzelfde/vergelijkbaar recht op hetzelfde perceel. Het bestaande recht is immers niet opzegbaar door grondeigenaren en zal slechts eindigen als de Staat schriftelijk meedeelt dat van het recht geen gebruik meer zal worden gemaakt. Tot heden hebben rechthebbenden een dergelijke mededeling niet van de Staat mogen ontvangen noch een aankondiging daartoe. In dit verband vragen rechthebbenden zich af of de commissie überhaupt wel bevoegd is in deze.

Vereiste plannen en vergunningen. Voorts blijkt dat voor de nieuwe leiding nog andere vergunningen op grond van Natuurbescherming, Wet Beheer Rijkswaterstaatwerken en watervergunningen etc. nodig zijn. Los daarvan voorziet het recent vastgestelde vigerende bestemmingsplan niet in de aanleg van de nieuwe DPO-leiding gelet waarop eerst nog een nieuw bestemmingsplan zal moeten worden vastgesteld. Vooralsnog zijn rechthebbenden niet bekend met de precieze stand van zaken hieromtrent en is een concrete planning hen nog niet bekend. Duidelijk is dat daarop inspraak mogelijk is en de bestuursrechter eventuele bezwaren eerst nog zal moeten afwegen. Op grond van vorenstaande overwegingen staat op dit moment allerminst vast of de DPO-leiding ook daadwerkelijk aangelegd kan worden. Oplegging van een gedoogplicht kan pas aan de orde zijn als zeker is dat de uitvoering 100 % gewaarborgd is en daarvan is op dit moment geen sprake. Geconcludeerd wordt dat op dit moment niet vaststaat of en zo ja op welke wijze de DPO-leiding gerealiseerd kan worden en het door DPO voorgestelde tracé in ieder geval niet het voor eigenaar minst bezwarende tracé betreft.

6 Serieuze onderhandelingen? In afwijking van hetgeen door DPO wordt gesteld of beweerd zijn geen serieuze pogingen door DPO ondernomen om tot een minnelijke overeenstemming te komen! Er is slechts voorgesteld een geheel nieuwe zakelijk recht overeenkomst af te sluiten op basis van de Gasunievoorwaarden. Daar komt bij dat het voorgestelde nieuwe zakelijk recht op tal van belangrijke punten nadelig afwijkt van het bestaande zakelijk recht. Rechthebbenden zien niet in waarom het redelijk zou zijn medewerking te verlenen aan een voor hen nadeliger recht ten opzichte van de reeds bestaande afspraken. Zo voorziet het huidige artikel 2 van de bestaande zakelijk recht overeenkomst bijvoorbeeld in de (onbeperkte) schadevergoeding (ook aan rechtsopvolgers onder bijzondere titel!) van toekomstschade ingeval van ontginningswerken.

Uit artikel 9 zoals opgenomen in de thans door DPO voorgestelde zakelijk recht overeenkomst volgt dat toekomstschade niet meer vergoed zal worden!

Dit is slechts één voorbeeld van de in voor rechthebbenden negatieve zin afwijkende bepalingen als het DPO-voorstel wordt vergeleken met de bepalingen uit de thans geldende overeenkomst. Voor een deugdelijke rechtsvergelijking verwijzen rechthebbenden naar de bestaande zakelijk recht overeenkomst geregistreerd te ’s-Hertogenbosch op 20 oktober 1954 deel 53 folio 12 nummer 153. Rechthebbende merken tot slot op dat het DPO-voorstel in strijd is met bijvoorbeeld artikel 7 van de tussen partijen bestaande zakelijk recht overeenkomst waarin is bepaald dat ingeval van vervanging de Staat al datgene zal nalaten wat eigenaar méér dan noodzakelijk in het gebruik van zijn eigendom zal hinderen en artikel 11 waarin is bepaald dat toekomstschade zoveel mogelijk in onderling overleg zal worden vastgesteld in plaats van – zoals nu voorgesteld – nooit meer iets vergoed zal worden! Rechthebbenden benadrukken dat zij zich bereid hebben verklaard medewerking te verlenen aan de vestiging van een (meer evenwichtige) zakelijk recht overeenkomst volgens het FPG-model. De FPG is een landelijk erkende standsorganisatie voor particuliere eigenaren van grond in Nederland: landbouwgrond, bos- en natuurterreinen, oude en nieuwe landgoederen. De leden zijn verantwoordelijk voor ca.

200.000 hectare en leveren daarmee een belangrijke maatschappelijke bijdrage aan voedselvoorziening, cultuurhistorie, natuurbeheer en recreatiemogelijkheden. De FPG bundelt hun krachten en staat voor belangenbehartiging, een sterk netwerk en kennisdeling.

7 Het stelt rechthebbenden teleur dat DPO dit voorstel ongemotiveerd heeft afgewezen met als enige stelling dat DPO wenst vast te houden aan haar eigen (t.o.v. de bestaande zeer nadelige overeenkomst). Rechthebbenden erkennen het belang van DPO om voor defensiedoeleinden vanwege rechtszekerheid en leveringszekerheid afspraken voor een lange duur te maken en zijn daartoe ook bereid! Aangeboden is om afspraken te maken voor bijvoorbeeld 30 of zelfs 50 jaar, maar DPO bleek daartoe niet bereid! De wereld is vandaag de dag zo volatiel dat een aanbod om in feite alleen maar afspraken voor de eeuwigheid te maken niet meer als redelijk kan worden beschouwd. Dit volgt alleen al uit de ontwikkeling van de volgens DPO redelijke schadevergoedingsregeling die op basis van het nieuwe DPO-voorstel aanzienlijk is ingeperkt ten opzichte van de bestaande afspraken zoals deze bijna 70 jaar geleden gemaakt zijn! Los van de duur is de door DPO voorgestelde overeenkomst zoals hiervoor betoogd ook op tal van andere punten (aansprakelijkheden/ beperking kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op en vergoeding van toekomstschade etc.) in vergelijking met de bestaande zakelijk recht overeenkomst zeer nadelig. Niet gebleken is dat de bestaande zakelijk recht overeenkomst in strijd met de wet is.

Daarom vragen rechthebbenden met nadruk aan de commissie om een deugdelijke rechtsvergelijking tussen de door DPO aangeboden ZRO en de bestaande ZRO te maken. T.o.v. het bestaande recht nadelige(r) voorwaarden leiden per saldo tot méér belemmering dan (op grond van de wet) noodzakelijk op grond waarvan oplegging van een gedoogplicht in strijd zou zijn met de wet. Immers dan zouden rechthebbenden onder dreiging van de oplegging van een gedoogplicht “gedwongen” worden een voor hen nadeliger recht te accepteren. Op grond van het vorenstaande vragen rechthebbenden de commissie met nadruk om een rechtsvergelijking te maken tussen het bestaande zakelijk recht en het voorgestelde zakelijk recht en de inhoud hiervan nadrukkelijk bij het advies aan de Minister te betrekken. Deze rechtsvergelijking is noodzakelijk om de redelijkheid van het aanbod van DPO überhaupt op waarde te kunnen beoordelen en daarmee of door DPO ondernomen pogingen tot overeenstemming te komen wel als voldoende serieuze pogingen zoals bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht kunnen worden beschouwd. Tot slot vragen rechthebbenden zich af of het verzoek tot oplegging van de gedoogplicht wel is gedaan door het juiste orgaan/de juiste persoon en of uw commissie in ten aanzien van de beoordeling van dit civiele geschil wel bevoegd is. Dank voor uw aandacht. Hemmen, 26 januari 2021

Aangehechte Bijlagen: Bijlage 1: bestaande zakelijk recht overeenkomst Bijlage 2: Artikel ICT magazine 29 december 2016

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10169706/1