Buitengebied herziening 2017 Luttel Inghweg 2 Toelichting (aangevuld)
Tekst van het document
De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht. 4.1.3.3 Conclusie De aanwezigheid van verontreiniging in de bodem onder de toekomstige bedrijfswoning dient na sloop van de huidige bedrijfswoning alsnog te worden onderzocht. De aanwezigheid van verontreiniging in de bodem wordt ter plaatse van de bedrijfsruimtes niet verwacht. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen legalisatie van de wachtruimte, was- en losplaatsen als ook de realisatie van de overkapping van de wachtruimte.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
27 - 49
4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Wettelijk kader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De regelgeving wordt binnen afzienbare termijn gewijzigd. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste (toekomstige) besluiten en regelingen. Het Besluit Externe veiligheid inrichtingen (Bevi): In het Bevi wordt gewerkt met normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor inrichtingen (bedrijven). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden de normen voor het PR en de oriënterende waarde voor het GR zoals hiervoor aangegeven. Het belangrijkste beleidsdocument is daarbij de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (NRVGS) uit 1996. De uitgangspunten van de NRVGS zullen op hoofdlijnen worden overgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Het gaat om het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev).
Als voorbode hiervan is op 4 augustus 2004 de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS) in de Staatscourant gepubliceerd. Het Btev zal de NRVGS en de CRVGS gaan vervangen. De CRVGS vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf een tracé voor het transport van gevaarlijke stoffen in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. 4.1.4.2 Onderzoek Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; het invloedsgebied van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
28 - 49
Volgens de risicokaart is in de directe omgeving van het plangebied een opslagplaats gelegen waar 10.000 kilo of meer verpakte gevaarlijke stoffen in emballage worden opgeslagen of 2500 kilo of meer verpakte bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen. De opslagplaats bevindt zich op circa 150 m vanaf het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de uitbreiding van de slachterij binnen het bestemmingsvlak. Slachterij Hooijmans is geen bedrijf waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er zijn voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4.3 Conclusie Er zijn voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
29 - 49
omgeving. 4.1.5.2 Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Er zijn argumenten om de omgeving aan te merken als gemengd gebied. Ten zuidoosten van de huidige planlocatie is een nieuwe woonwijk in ontwikkeling en al grotendeels gerealiseerd. Ten noorden van de planlocatie wordt aan de Grote Inghweg een intensiveringsgebied voor glastuinbouw voorzien. De Provincialeweg N831 is op minder dan 300 meter gelegen. Vervolgens kan nog worden gemeld dat de woningen aan de Veersteeg te beschouwen zijn als lintbebouwing. Voor de ontwikkeling van de zuidoostelijk gelegen woonwijk is met het akoestisch onderzoek Kinderdagverblijf / Buiten Schoolse Opvang uitgegaan van gemengd gebied met een toetsing aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Dit onderzoek is gekoppeld aan het bestemmingsplan “Kerkdriel Noord herziening 2015, Kersenbuurt”. Gesteld kan worden dat alhier sprake is van een gemengd gebied.
Omdat op de maatgevende locaties het achtergrondgeluidniveau laag is, is de geluidsituatie desondanks getoetst aan de waarden die behoren bij een rustige woonwijk/rustig buitengebied, ter bescherming van de omwonenden. Op een afstand van circa 12 meter van de slachterij staat de dichtstbijzijnde woning aan de noordzijde (Veersteeg 13). Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor de bedrijfsactiviteiten van Slachterij Hooijmans een minimale richtafstand van 100 meter. De milieucategorie is 3.2 op basis van de SBI-code 151. De maatgevende aspecten zijn geur en geluid. Voor gevaar geldt een indicatieve richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. Van de hiervoor genoemde indicatieve richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Bestaande situatie Aan deze richtafstanden kan met 12 meter tot Veersteeg 13 reeds in de huidige situatie niet worden voldaan. Onderhavige verzoek betreft naast uitbreiding van gebouwen (binnen het huidige bestemmingsvlak) en het uitbreiden van het bestemmingsvlak met verharding (zonder bebouwing). Verwacht mag worden dat het plan tot het afdekken van wachtruimte een gunstige invloed heeft op zowel de geluiduitstraling als geur, ten opzichte van de bestaande situatie. Gevaar Voor het aspect gevaar (vanuit Bedrijven en milieuzonering) wordt aangegeven dat bij slachterijen sprake is van een richtafstand voor gevaar.
In de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering is aan deze richtafstand voor gevaar echter een 'R' gekoppeld. Dat wil zeggen dat mogelijk sprake is van een Bevi-inrichting. Onderhavige slachterij is echter niet opgenomen op de risicokaart als zijnde een Bevi-inrichting. De in de VNG-brochure opgenomen richtafstand bij gevaar is dan ook niet van toepassing op deze inrichting. De eventuele te respecteren veiligheidsafstanden (bijv PGS15, opslag gevaarlijke stoffen < 10 ton) betreffen interne afstanden. Deze reiken niet tot buiten de inrichtingsgrens. Nu de slachterij geen Bevi-bedrijf is, is de richtafstand bij het aspect gevaar vanuit Bedrijven en Milieuzonering dus niet relevant. Geur In het kader van de bestemmingsplanherziening voor legalisatie van de was- en losplaats is een geuronderzoek uitgevoerd. De conclusies zijn terug te vinden in paragraaf 4.1.1. Er kan op basis van het uitgevoerde onderzoek worden gesteld dat ten aanzien van de uitbreiding van de slachterij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de omliggende woningen. Geluid In opdracht van de heer W. Hooijmans is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de inrichting aan de Luttel Inghweg 2 te Kerkdriel (zie Bijlage 2 Akoestisch onderzoek industrielawaai).
Omdat op de maatgevende locaties het achtergrondgeluidniveau laag is, is de geluidsituatie getoetst aan de waarden die behoren bij een rustige
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
30 - 49
woonwijk/rustig buitengebied, ter bescherming van de omwonenden. Op basis van de inventarisatie van de activiteiten, is een geluidsmodel opgezet waarbij het langtijdgemiddelde geluidsniveau, het maximaal geluidsniveau en de indirecte hinder is berekend. Tevens wordt een uitspraak gedaan over het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen. Representatieve bedrijfssituatie Ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie kan worden voldaan aan het langtijdgemiddelde geluidniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde. Uitzondering hierop betreffen de woningen Veersteeg 51, 53 en 55 en de Luttel Inghweg 1 en 4 in de avond- en nachtperiode. De overschrijding worden hier met name veroorzaakt door het laden van het vlees (mobiele bron 01 en puntbron 01), het laden van afval (puntbron 06), het lossen van vee (puntbron 03), de geluiduitstraling van de wasruimte (puntbron 19) en het geluid van de technische ruimte (puntbron 15). Ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie vinden er ook enkele overschrijdingen plaats van het maximale geluidsniveau van 65 dB(A) etmaalwaarde plaats. Deze overschrijding worden met name veroorzaakt door de transportbewegingen met een vrachtwagen binnen de inrichting. De indirecte hinder voldoet ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode aan de streefwaarde van 50 dB(A).
In de avond- en nachtperiode kan niet worden voldaan aan de etmaalwaarde van 50 dB(A). De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door de transportbewegingen met de vrachtwagens. Het geluidniveau binnen in de woning van 35 dB(A) etmaalwaarde kan worden overschreden. Een belangrijk aandeel hier in is afkomstig van het overige reguliere wegverkeer, waardoor het redelijkerwijs van de inrichtinghouder niet kan worden verlangd om gevelmaatregelen te treffen. Daar komt bij dat met de berekening is uitgegaan van een worst case aanpak doordat al het verkeer de woningen passeert. In de praktijk zal sprake zijn van een verdeling over de Veersteeg maar ook reeds op de Luttel Inghweg. Ook zal het verkeer aldaar niet meer herkenbaar toe te wijzen zijn aan de inrichting. De milieukwaliteit ten gevolge van het aspect geluid in die buitenruimte alwaar een langer verblijf van personen aan de orde kan zijn zoals op terrassen kan als “Redelijk” tot “Goed“ worden getypeerd waarmee dit een goede ruimtelijke ordening niet in de weg hoeft te staan. Ten tijde van de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie kan worden voldaan aan de te stellen geluidnormen. Uitzondering hierop betreft de woning Veersteeg 55 en Luttel Inghweg 4 alwaar in de dagperiode een overschrijding van het langtijdgemiddelde geluidniveau plaatsvindt.
Ter hoogte van de woning Veersteeg 51, 53 en 55 en de Luttel Inghweg 1 en 4 vindt een overschrijding plaats van het maximale geluidniveau in de dagperiode. De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door het ledigen van de vetvangput of het laden van het spoelwater of het lossen van diesel met de bijbehorende transportactiviteit (puntbron 09 en 40). Ten tijde van de incidentele bedrijfssituatie kan ter hoogte van meerdere toetspunten en beoordelingsperiodes niet worden voldaan aan de te stellen geluidnormen voor het langtijdgemiddelde geluidniveau en het maximale geluidniveau. De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door het laden van het slachtafval, de afvoer van vlees en het praten van bezoekers op het erf. Binnen de milieuwetgeving en akoestiek worden er afwegingen verlangd voor wat betreft het toepassen van doeltreffende maatregelen en de beste beschikbare technieken (BBT). Verdergaande maatregelen dan het afsluiten van de noordelijke inrit, het plaatsen van een scherm van 1.20 m hoog en het verzoeken om een rustig rijgedrag zijn in deze situatie niet te realiseren waardoor Stap 2 uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering niet toereikend is. De publicatie bedrijven en milieuzonering biedt de mogelijkheid om in dat geval een toetsing aan stap 3 te laten plaatsvinden.
Daar waar het gaat om de overschrijdingen van het maximale geluidniveau kan worden gesteld dat door de Afdeling bestuursrechtspraak bij herhaling aangegeven is dat bij geluidniveaus van minder dan 70 dB(A) etmaalwaarde niet gevreesd hoeft te worden voor onaanvaardbare geluidhinder. In de vigerende situatie zijn pieken ten gevolge van de laad- en losactiviteiten en de bijbehorende transportactiviteiten in de dagperiode uitgezonderd van toetsing. Daarnaast zijn de transportbewegingen welke deze maximale geluidniveaus als gevolg hebben als bedrijfsactiviteiten vergund met eerder verleende vergunningen.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
31 - 49
Tot slot kan nog worden aangevoerd dat met een standaardgevelwering van 20 dB(A) de geluidniveaus van 35 dB(A) voor het langtijdgemiddelde geluidniveau en 55 dB(A) voor het maximale geluidniveau binnen niet worden overschreden. Regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie Ten tijde van de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie kan worden voldaan aan de te stellen geluidnormen. Uitzondering hierop betreft de woning Veersteeg 55 en Luttel Inghweg 4 alwaar in de dagperiode een overschrijding van het langtijdgemiddelde geluidniveau plaatsvindt. Ter hoogte van de woning Veersteeg 51, 53 en 55 en de Luttel Inghweg 1 en 4 vindt een overschrijding plaats van het maximale geluidniveau in de dagperiode. De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door het ledigen van de vetvangput of het laden van het spoelwater of het lossen van diesel met de bijbehorende transportactiviteit (puntbron 09 en 40). Deze activiteiten vinden in de akoestisch gunstigere dagperiode plaats. De aan- en afvoer vindt plaats met materieel van derden waardoor bronmaatregelen redelijkerwijs niet zijn te treffen. Het verplaatsen van de opslagen en putten is gelet op de kosten geen reële optie. De putten en opslagen wijzigen niet met de voorgenomen wijziging van de inrichting. De activiteiten vonden in het verleden ook reeds plaats.
Het is in de jurisprudentie inmiddels geaccepteerd dat ontheffing kan worden verleend voor activiteiten waarbij met enige regelmaat meer geluidemissie plaatsvindt dan in de overige tijd. Incidentele bedrijfssituatie Gedurende 10 dagen per jaar vinden er extra activiteiten plaats binnen de inrichting ten behoeve van het offerfeest. Deze vinden in afwijking van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening aaneengesloten plaats. Ten tijde van de incidentele bedrijfssituatie kan ter hoogte van meerdere toetspunten en beoordelingsperiodes niet worden voldaan aan de te stellen geluidnormen voor het langtijdgemiddelde geluidniveau en het maximale geluidniveau. De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door het laden van het slachtafval, de afvoer van vlees en het praten van bezoekers op het erf. Het betreft hier activiteiten welke jaarlijks gedurende 10 dagen voor komen. Het betreft hier derhalve geen activiteiten waaraan omwonenden langdurig bloot staan. In verband met offerfeest valt de extra aanvoer van dieren, afval en afvoer van vlees in de nachtperiode (vroege ochtend) en in de avondperiode niet uit te sluiten.
Het is in de jurisprudentie inmiddels geaccepteerd dat ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de RBS uit de vergunning. Gelet op het 1 keer per jaar voorkomen van het offerfeest is het niet zinvol deze (voorbereidende) activiteiten evenredig over het jaar verdeeld te laten plaatsvinden. Verzocht wordt dan ook om deze beperkt voorkomende activiteiten te bezien als een incidentele bedrijfssituatie. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit ter hoogte van de te omliggende woningen met de representatieve bedrijfssituatie kan overwegend als “Redelijk” tot “Goed” getypeerd worden. Met de incidentele bedrijfssituatie is de milieukwaliteit ter hoogte van de woningen Veersteeg 53 redelijk te beoordelen en de woning Veersteeg 55 als tamelijk slecht. De overige woningen is de milieukwaliteit als redelijk tot goed te kwalificeren. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het om een bestaande inrichting in een bestaande omgeving gaat waarbij geen nieuwe activiteiten worden voorzien.
De milieukwaliteit ten gevolge van het aspect geluid in die buitenruimte alwaar een langer verblijf van personen aan de orde kan zijn zoals op terrassen kan als “Redelijk” tot “Goed“ worden getypeerd waarmee dit een goede ruimtelijke ordening niet in de weg hoeft te staan. 4.1.5.3 Conclusie De milieukwaliteit ter hoogte van de te omliggende woningen met de representatieve bedrijfssituatie kan overwegend als “Redelijk” tot “Goed” getypeerd worden. Het aspect geluid behoeft de bestemmingsplan herziening niet in de weg te staan.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
32 - 49
4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.1.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
De voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2' behoort niet tot één van de genoemde categorieen in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)'. Niet gesteld kan worden dat de ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om inzicht te geven aan de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan kunnen de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij de NSL (Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) worden gebruikt. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofoxide en fijn stof PM10 in de gemeente Maasdriel nergens hoger zijn dan 21 respectievelijk 25 µg/m3 (2016) (uitgezonderd de directe omgeving van de A2). Slachterij Hooijmans wordt via de Luttel Inghweg ontsloten. De uitbreiding van de slachterij zal de huidige verkeersproductie niet toe laten nemen. Dit is gemotiveerd in paragraaf 4.5.1.1. Het beoordelen van de bijdrage van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit door middel van de NIBM-tool is daarom niet zinvol. Hiermee wordt voldaan aan de ambities voor luchtkwaliteit uit het RBDS en de duurzaamheidsagenda. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
33 - 49
fijnstof) van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de Atlas Leefomgeving Luchtkwaliteit. De concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het plangebied betreffen respectievelijk: 19,7 µg/m3, 18,4 µg/m3 en 11,7 µg/m3 (2016). De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt hiermee dus niet overschreden. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is niet aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit omdat het plan niet valt onder één van de NIBM categorieen als bedoeld in 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)'. Omdat de uitbreiding van de slachterij de huidige verkeersproductie niet zal toe laten nemen zal het plan niet bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.1.7 Spuitzone boomgaarden 4.1.7.1 Wettelijk kader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen2 . In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen3 . Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Een woning is een spuitzone gevoelige object. Hetgeen door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is daarbij bepalend. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het is redelijk daarbij uit te gaan van de woning en niet van de tuin. 4.1.7.2 Onderzoek Op het naastgelegen perceel aan de Luttel Inghweg staan bedrijfsmatig geteelde fruitbomen. De afstand tot het plangebied is minder dan 50 m. Aan de Veersteeg is ook een boomgaard. De afstand van tot het plangebied is meer dan 50 meter.
Voor herbouw van de bestaande bedrijfswoning is in 2014 vergunning verleend. Voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard. Voorliggend bestemmingsplan brengt namelijk geen wijzigingen aan in het aantal of de situering van gevoelige objecten. Op basis van de agrarische bestemming van het bestemmingsplan Buitengebied, Binnendijks deel is een fruitboomgaard toegestaan. Indien er woningen binnen 50 meter van de boomgrens aanwezig zijn dient voor de realisatie van een boomgaard een aanlegvergunning te worden aangevraagd. Voorwaarde voor het verlenen van een aanlegvergunning is dat ondernemer dient aan te tonen dat bij het in werking zijn van een boomgaard ter hoogte van de aanwezige (bedrijfs)woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Alsdan kan de de boomgaard aan de Luttel Inghweg gezien worden als een bestaande situatie. Indien sprake is van een bestaande situatie, waarbij zowel de agrarische functie inclusief het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als de gevoelige functie op korte afstand van elkaar reeds rechtmatig aanwezig zijn, is het niet mogelijk regels in een bestemmingsplan te stellen ter waarborging van een bufferzone.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
34 - 49
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.2.1.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling wordt verleend van archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn negen categorieën archeologische waarden onderscheiden: Waarde-Archeologie 1 t/m 8 en geen Waarde- Archeologie. In de tabel is te zien welke vrijstelling per archeologische waarde geldt. De vrijstellingsgrenzen zijn uitgedrukt in een oppervlakte en een diepte. De onderzoeksplicht geldt wanneer zowel de diepte- als ook de oppervlaktemaat door bodemingrepen wordt overschreden. Op de locatie van de agrarische bedrijfswoning vinden als gevolg van dit plan graafwerkzaamheden plaats.
Ter plaatse geldt de categorie Waarde-Archeologie 5. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld en groter dan 1000 m² is een archeologisch onderzoek verplicht. Deze oppervlakte wordt niet overschreden.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
35 - 49
4.2.1.3 Conclusie Gezien de ondergrenzen van de ruimtelijke ontwikkeling niet worden overschreden, vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in een bestemmingsplan aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het wijzigingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek Er zijn (in de directe omgeving van) het plangebied geen rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten of archeologische rijksmonumenten aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van een slachterij. In de nabije omgeving bevinden zich geen gebouwen met een monumentale status.
Het plangebied is niet aangeduid als beschermd dorpsgezicht of nabijgelegen een beschermd dorpsgezicht. Op de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland is te zien dat binnen het plangebied geen planologische relevante cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
36 - 49
De straat Hoorzik en de Wiekerseweg vormen wel een cultuurhistorische waardevolle lijn (oud wegenpatroon uit 1807) en de boerderij aan de Wiekerseweg is aangemerkt als een gemeentelijk monument. Uit cultuurhistorisch oogpunt wordt behoud van de bestande hoogstam kersenbomen aan de Luttel Inghweg aanbevolen. In de nabije omgeving zijn verder geen planologische relevante cultuurhistorische elementen aanwezig. 4.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Water 4.3.1 Wettelijk kader Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2009 - 2015. Het Nationaal Waterplan is in december 2009 door de ministerraad vastgesteld. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan.
Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
37 - 49
de rivieren. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Gemeente Maasdriel: Waterplan Bommelerwaard Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
38 - 49
4.3.2 Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets dient de normale watertoetsprocedure te worden gevolgd. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. 4.3.2.1 Huidige situatie Het plangebied is momenteel in gebruik als slachterij. De ontwikkeling betreft de uitbreiding van de slachterij en de verbouwing van de bestaande bedrijfswoning. Er zijn geen waterkeringen of watergangen nabij het plangebied gelegen. Watergangen Het plangebied ligt in de Bommelerwaard. Aan het plangebied grenzen verschillende waterlopen. Aansluitend aan het plangebied ligt een A-watergang en een beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed (in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en in het Land van Heusden en Altena geldt een breedte van 5 meter), gemeten uit de insteek.
Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Met het voorliggende bestemmingsplan worden geen werkzaamheden binnen de beschermingszone va de watergang beoogd. Veiligheid In het plangebied is geen kern en beschermingszone van een waterkering gelegen. Grondwater (algemeen) Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseert het waterschap om hier nader onderzoek naar te doen. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. De bodem in het plangebied bestaat uit lichte klei met homogeen profiel. In het plangebied is grondwatertrap IV aanwezig. Grondwaterstand IV heeft een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 40 cm beneden maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van tussen de 80 cm en 120 cm beneden maaiveld. Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel.
Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Bij bedrijventerreinen wordt gestreefd om het hemelwater van het verhard oppervlak gescheiden van het vuilwaterriool af te voeren. Bij risico's voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel. Riolering en zuiveringswerken In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. 4.3.2.2 Toekomstige situatie De toename van het verharde oppervlak bedraagt maximaal 415 m2 ten opzichte van de huidige situatie (zie figuur 2.6). Deze verharding bestaat uit nieuwe bedrijfsbebouwing.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
39 - 49
4.3.2.3 Berekening waterberging Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel dat voor plannen in landelijk gebied kleiner dan 1.500 m2 (in landelijk gebied) geen compenserende maatregelen als gevolg van een de toename van het verhard oppervlak getroffen hoeven te worden. Met onderhavige plan is sprake van een toevoeging van het verhard oppervlak van maximaal 1.500 m2, wat betekent dat niet gecompenseerd hoeft te worden.
4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2' het volgende gemeld.
4.4.2 Onderzoek 4.4.2.1 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd landschapstype zoals Natura2000, EHS/NNN, Nationaal Landschap of Nationaal Park. Binnen een straal van 3 kilometer zijn gebieden die tot Ecologische Hoofdstructuur (of Natuurnetwerk Nederland) behoren gelegen. Zie onderstaande afbeelding. Gezien de ontwikkeling een uitbreiding binnen de bestaande locatie plaatsvinden vormt dit geen belemmering op de Ecologische Hoofdstructuur. Het plangebied ligt daarnaast buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
40 - 49
De dichtstbij gelegen Natura2000 gebieden betreffen Rijntakken - Uiterwaarden Waal (circa 3 kilometer) en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Uit de orienterende fase blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura2000-gebieden ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op de locatie. Ten opzichte van de huidige situatie zal de ontwikkeling geen verkeersaantrekkende werking hebben. De ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een bestaande bedrijfslocatie van een bestaande bedrijfslocatie zonder uitbreiding van activiteiten. Stikstofdepositie Door Windmill Milieu en Management is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd in verband met het wijzigen van het bestemmingsplan (zie Bijlage 4 Aerius berekening). Ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ wordt ten hoogste een stikstofdepositietoename berekend van 0,01 mol N/ha/jaar ten gevolge van het beoogde plan. Op basis van het oriënterend onderzoek is geconcludeerd dat de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Hierom is een Voortoets uitgevoerd (zie Bijlage 5).
Het doel van deze toetsing is het vaststellen of de effecten die de voorgenomen ingreep mogelijk veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebied zich daadwerkelijk voordoen dan wel kunnen worden uitgesloten. Als effecten niet kunnen worden uitgesloten, is een Passende Beoordeling noodzakelijk. Door de tijdelijke en kleinschalige aard van de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling niet aan de orde. Een Passende Beoordeling is niet nodig. Voor de voorgenomen ingreep geldt in het kader van de stikstofoverschrijding geen vergunningsplicht omdat in deze beoordeling is aangetoond dat een dergelijk kleinschalig, tijdelijk en plaatselijk project niet leidt tot significante gevolgen of een verslechtering van de aanwezige natuurwaarden. 4.4.2.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Flora- en faunawet (Ffw) niet optreden. Het verwijderen van opgaand groen, de grondwerkzaamheden en de bouwwerkzaamheden leiden tot verstoring van alle aanwezige soorten.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
41 - 49
De ingrepen (nieuwbouw) ter behoeve van de uitbreiding van de slachterij worden slechts op de bestaande locatie uitgevoerd en zijn reeds grotendeels uitgvoerd. Deze vinden plaats waar nu reeds bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen van strikt beschermde soorten wordt daarom niet verwacht.
4.4.3 Conclusie De realisatie van het plan leidt niet tot de aantasting van omliggende Natura2000-gebieden en de instandhoudingsdoelen. De ingrepen (nieuwbouw) ter behoeve van de uitbreiding van de slachterij worden slechts op de bestaande locatie uitgevoerd en zijn reeds grotendeels uitgvoerd. Deze vinden plaats waar nu reeds bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen van strikt beschermde soorten wordt daarom niet verwacht. De beoogde bestemmingsplanwijziging en uitvoering hiervan leidt niet tot de aantasting van het leefgebied van zwaar en strikt beschermde soorten. Een aanvullend onderzoek of ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk.
4.5 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een gemengde bestemming naar wonen mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.
4.5.1 Onderzoek 4.5.1.1 Verkeersbewegingen De uitbreidingsmogelijkheid van bedrijfsbebouwing die in onderhavig plan wordt geboden, bedraagt ca. 415 m2. Uitgaande van de richtlijnen voor verkeersgeneratie, zoals aangegeven in de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW publicatie 317) bedraagt de verkeersgeneratie vanwege de uitbreidingsmogelijkheden 3,9 5,7 motorvoertuigen/etmaal (uitgaande van arbeidsextensieve/ bezoekersextensieve bedrijvigheid) per 100 m2 bvo. Dat komt neer op 16 - 24 motorvoertuigen/etmaal. Deze toename is gering te noemen. Overigens is dat slechts een norm; het is vanwege eisen van NVWA dat er een uitbreiding met gebouwen plaatsvindt, terwijl er geen toename van capaciteit zal plaatsvinden. De uitbreiding heeft immers alleen betrekking op het scheiden van de los - en wasplaats aangezien deze niet gecombineerd gebruikt mag worden. Het overkappen van de bestaande wachtruimte van de dieren is een maatregel t.b.v. het dierenwelzijn. Hier vinden dus geen verandering van gebruik en activiteiten plaats. De uitbreiding van de slachterij zal de huidige verkeersproductie in de praktijk niet toe laten nemen. 4.5.1.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte hanteert de gemeente parkeernormen. Het aantal (extra) parkeerplaatsen dat op basis daarvan nodig is, kan op eigen terrein worden gerealiseerd.
Er is sprake van het uitbreiden van een arbeidsintensief en bezoekersextensief bedrijf volgens de categorisering van de CROW-richtlijnen. Na uitbreiding bedraagt het BVO maximaal 949 m². Voor arbeidsintensieve/ bezoekersextensieve bedrijven geldt een parkeernorm van 2,1 - 2,6 parkeerplaatsen voor 100 m2 bvo. Een deel (415 m²) hiervan zijn arbeidsextensieve ruimten (wachtruimte, losplaats, wasplaats, laaddock). Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,8-1,3 parkeerplaatsen voor 100 m2 bvo. Met een gemiddelde parkeerdruk dienen (5,34*2,5) + (4,15*1,05) = 17,7 (afgerond 18) parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Deze ruimte is ruimschoots beschikbaar op eigen terrein. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat geparkeerd moet worden op eigen terrein. Overigens is voorgaande slechts een norm; het is vanwege eisen van NVWA dat er een uitbreiding met gebouwen plaatsvindt, terwijl er geen toename van capaciteit zal plaatsvinden. De uitbreiding heeft immers alleen betrekking op het scheiden van de los - en wasplaats aangezien deze niet gecombineerd gebruikt mag worden. Het overkappen van de bestaande wachtruimte van de dieren is een maatregel t.b.v. het dierenwelzijn. Hier vinden dus geen verandering van gebruik en activiteiten plaats. De uitbreiding van de slachterij zal de huidige parkeerbehoefte in de praktijk niet toe laten nemen.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
42 - 49
4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. Onderzoek en conclusie Op dit moment worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die mer-plichtig zijn. Voor het initiatief van slachterij Hooijmans onderdeel D van de Bijlage van het Besluit m.e.r. niet van toepassing. Er is géén sprake van 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het slachten van dieren.' (categorie D 39.1 van het Besluit m.e.r., met een drempelwaarde van 25.000 ton vlees per jaar). Door de omvang van de installatie is het niet mogelijk de slachtcapaciteit te verhogen. Bovendien is de slachtcapaciteit in het plan beperkt (specifieke gebruiksregels). De capaciteit van de slachterij wijzigt niet, er is enkel sprake van de oprichting van een wasplaats en het overkappen van de wachtruimte voor het vee. Deze aanpassing wordt niet gezien als een wijziging of uitbreiding van de installatie (zie 201000080/1/M2).
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
43 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
44 - 49
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
5.1.1 Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Derhalve dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderzins is verzekerd. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin ook de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.
5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Zienswijzen Van 31 december 2020 tot en met woensdag 10 februari 2021 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Er is 1 zienswijze ingediend. De zienswijze is tijdig ingediend en is hiermee ontvankelijk. In de antwoordnota in Bijlage 6 wordt een reactie gegeven op de ingebrachte zienswijze.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
45 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
46 - 49
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
6.1 Plansystematiek Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016. Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 6). Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 7 tot en met 10). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 11 en 12). De planregels zijn opgedeeld in: 1. de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; 2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; 3. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden en 4. het afwijken van de gebruiksregels.
6.2 Bestemmingen In het tweede hoofdstuk komen bestemmingen aan de orde. Het onderhavige bestemmingsplan bevat één bestemming (Bedrijf). Voor deze bestemming is aangesloten bij ‘Buitengebied, binnendijks deel'. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen enkel worden gebruikt voor een slachterij. Ook is toegestaan omschakeling naar een aan het buitengebied gebonden bedrijf, overeenkomstig de beleidslijn in actuele bestemmingsplannen in de gemeente. Daarnaast zijn parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen binnen de bestemming toegestaan. Gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het bebouwingsoppervlak mag per bouwperceel niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum bebouwingsoppervlak' is aangegeven. Dit oppervlak bedraagt 1130 m2. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016'.
Naast gebouwen zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, waarvan de maximale hoogte in de regels zijn gespecificeerd.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
47 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
48 - 49
Eindnoten
1. Reinigings- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen die voldoet aan de eisen van artikel 26, lid 1 van de Regeling preventie 2. ABRS 22 juli 2009, zaaknummer 200806481/1/R2 3. ABRvS 23 september 2009 (zaaknr. 200900570/1/R2), ABRvS 31 maart 2010 (zaaknr. 200904633/1/R2) en ABRvS 18 mei 2011 (zaaknr. 201001510/1/R). Zie tevens noot van Vogelesang-Stoute in Milieu en Recht (2011/174)
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2017, Luttel Inghweg 2 NL.IMRO.0263.BP1160-VG01
49 - 49