bt6 Quickscan ecologie 2025-06-05
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING ONDERWAARD 17 TE AMMERZODEN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Onderwaard 17 te Ammerzoden Opdrachtgever
RHO Adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD Rotterdam
Rapportnummer Versienummer
16933.001 D2
Status
Eindrapportage
Datum
21 september 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 16
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Broedvogels .................................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 19 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 20 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 21 Overig ............................................................................................................................. 21
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 22 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 22 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 23
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 25
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16933.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van RHO Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Onderwaard 17 te Ammerzoden. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van nieuwbouwwerkzaamheden (en eventuele sloopwerkzaamheden) en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
16933.001 versie D1
Pagina 1 van 27
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 4,9 ha) ligt aan de Onderwaard 17, circa 500 meter ten westen van de kern van Ammerzoden (figuur 1).
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is opgedeeld in twee percelen. Perceel 1 is een agrarisch onbebouwd perceel (circa 4 ha). Perceel 2 is een bebouwd perceel bestaande uit twee woningen, schuur, koeienstal, paardenbak, oprijlaan/parkeerterrein en tuin (circa 1 ha). Het perceel is aan de noord,- oost- en westkant omringd met zomereiken die lijnvormig zijn aangeplant. De zuidkant van het perceel grenst aan een kruidenrijke rand van circa 1 meter breed die overloopt in bermvegetatie groeiend op de aangrenzende dijk Horenkamp. Perceel 2 bestaat uit een vrijstaande woning opgetrokken uit bakstenen, met een zadeldak bekleed met dakpannen (opstal 1) en een woning grenzend aan de koeienstal, opgetrokken uit bakstenen met een zadeldak bekleed met golfplaten (opstal 2). Daarnaast is er een koeienstal aanwezig, deels opgetrokken uit bakstenen en deels bestaande uit golfplaten (opstal 3) en een schuur opgetrokken uit bakstenen (opstal 4). Tot slot is er met grind verharde oprit met aan de noordelijke zijde een paardenbak aanwezig. Beide percelen worden van elkaar gescheiden door een ondiepe sloot en een bosschage. Ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie liggen enkele woningen en een industrieterrein. Ten zuiden van de onderzoekslocatie staat een dijk met aan de zuidkant van deze dijk een uiterwaarde die in verbinding staat met rivier de Maas.
Ten westen van de onderzoekslocatie zijn agrarische percelen aanwezig.
16933.001 versie D1
Pagina 2 van 27
In figuur 2 en 3 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 15 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Detailluchtfoto onderzoekslocatie: 1= vrijstaande woning, 2= aangrenzende woning, 3= koeienstal, 4= schuur.
16933.001 versie D1
Pagina 3 van 27
Figuur 4. Zicht op perceel 1 vanuit zuidelijke richting.
Figuur 5. Zicht op perceel 1 vanuit oostelijke richting.
Figuur 6. Zicht op perceel 1 vanuit noordelijke richting.
Figuur 7. Opstal 1 en opstal 2 vanuit westelijke richting.
Figuur 8. Paardenbak met aan de rechterzijde een verharde oprit vanuit westelijke richting.
Figuur 9. Zicht op opstal 2 en aan de linkerzijde de ingang van opstal 3 vanuit noordelijke richting.
Figuur 10. Bosschage en ruige hoekjes aan de oostzijde van de koeienstal met zicht op opstal 4.
Figuur 11. Steenhoop gelegen nabij de bosschage aan de oostzijde van de koeienstal.
Figuur 12. Binnenzijde van opstal 3 vanuit noordelijke richting.
Figuur 13. Binnenzijde van opstal 3 vanuit zuidelijke richting.
Figuur 14. Achterzijde van koeienstal vanuit zuidelijke richting.
Figuur 15. Rommelige hoek aan de achterzijde van de koeienstal buiten de onderzoekslocatie vanuit zuidelijke richting.
16933.001 versie D1
de
Pagina 4 van 27
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw te realiseren op het agrarische perceel. Het betreft een nieuwbouwwoonwijk met enkele verschillende typen woning. In de nieuwe situatie worden er enkele watergangen gegraven en beplanting geplaatst. De optie dient onderzocht te worden om een deel van de bebouwing te slopen aan de Onderwaard 17 ten behoeve van extra woningen (figuur 16).
Figuur 16. Beoogde nieuwe situatie. Perceel 2 met rood omlijnd ter aanvulling van de onderzoekslocatie op perceel 1 (bron: RHO adviseurs).
16933.001 versie D1
Pagina 5 van 27
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 8 september 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. In de rapportage is een tweedeling: perceel 1 (onbebouwd agrarisch perceel) en perceel 2 (bebouwd perceel met diverse opstallen). Bij perceel 2 is het uitgangspunt om uit te gaan van volledige sloop van de opstallen en egalisering van het perceel, alsmede het kappen van bomen en verwijderen van ruigten. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.
De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
16933.001 versie D1
Pagina 6 van 27
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
16933.001 versie D1
Pagina 7 van 27
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
16933.001 versie D1
Pagina 8 van 27
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
16933.001 versie D1
Pagina 9 van 27
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 jaarrond beschermde nesten
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn en hierdoor een jaarrond beschermde status hebben. Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende categorie 1-4 jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen: grote gele kwikstaart, huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, roek, slechtvalk, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en ooievaar. Bovengenoemde broedvogels, met een jaarronde bescherming categorie 1-4, broeden in gebouwen of bomen met uitzondering van de grote gele kwikstaart. De grote gele kwikstaart komt uitsluitend voor bij stromend water, dit ontbreekt op beide percelen. Door het ontbreken van gebouwen, bomen en stromend water op perceel 1 (onbebouwd agrarisch perceel) wordt nader onderzoek naar de gierzwaluw, huismus, roek, kerkuil, grote gele kwikstaart, ooievaar, slechtvalk, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief niet noodzakelijk geacht. De bomenrij rondom de percelen blijft volgens de beoogde situatie onaangetast en valt tevens buiten de onderzoekslocatie.
Op het moment dat er bomen gekapt moeten worden, dient er een aanvullende inspectie plaats te vinden om grote nesten en- of holtes, nissen en bastscheuren te onderzoeken die kunnen dienen als broedplaats voor vogels en- of als verblijfplaats voor vleermuizen (hoofdstuk 6). In de volgende alinea’s wordt de geschiktheid van perceel 2 behandeld ten aanzien van broedvogels categorie 1-4 jaarrond beschermde nesten. De huismus en gierzwaluw broeden onder nissen van daken, onder (overhangende) dakpannen of in andere geschikte openingen op en rondom het dak. Ten tijde van het veldbezoek zijn er géén huismussen noch gierzwaluwen waargenomen. Gierzwaluwen geven doorgaans voorkeur aan broedlocaties tussen losliggende dakpannen, kantpannen of nokpannen hoger gelegen op het dak. De aansluiting tussen de bakstenen en kant/nokpannen is nauwsluitend en biedt daardoor geen toegang tot het dak, waardoor potentiële broedlocaties kunnen worden uitgesloten bij alle opstallen. Huismussen geven doorgaans voorkeur aan broedlocaties onder de eerste rij dakpannen/golfplaten, achter dakgoten en losliggende dakpannen. Tussen de dakgoot en eerste rij dakpannen/golfplaten kunnen ruimten niet op voorhand worden uitgesloten bij opstalnummer 1 en 2 (woningen). Nader onderzoek naar potentiele vaste rust- en voortplantingsplaatsen van huismussen bij opstalnummer 1 en 2 wordt noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6).
De kerkuil en steenuil zijn bewoners van (half)open landschappen, veelal het boerenland. Kerkuilen vestigen zich graag in deels open gebouwen zoals schuren of kerktorens, die over geschikte kieren
16933.001 versie D1
Pagina 10 van 27
beschikken of waar nestkasten aanwezig zijn. De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nestplaatsen van steenuilen kunnen liggen in boomholten, vooral knotwilgen en oude fruitbomen, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. Uit de verspreidingsgegevens van NDFF komt naar voren dat de kerkuil en steenuil niet in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voorkomt, slechts enkele keren binnen een straal van 3 kilometer. Beide uilensoorten kunnen in potentie gebruik maken van opstal 3 als broedlocatie. Op diverse plaatsen in de koeienstal zijn er mogelijkheden voor beide uilensoorten om te broeden (figuur 17 en 18). De binnenkant van de koeienstal is permanent toegankelijk door openstaande staldeuren en openingen op verschillende windrichtingen van voldoende formaat voor het in- en uitvliegen. Daarnaast is er een uilenkast aangetroffen in een boom op de noordzijde van het perceel (figuur 19). De onderzoekslocatie is gelegen in kleinschalig cultuurlandschap met voldoende mogelijkheden om te foerageren waardoor het als geschikt habitat kan functioneren voor beide uilensoorten.
Nader onderzoek naar het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- en broedplaatsen voor de kerkuil en steenuil wordt op basis van bovengenoemde informatie noodzakelijk geacht.
Figuur 17. Binnenzijde van de koeienstal met potentiele broedlocaties voor kerk- en steenuil rood gemarkeerd.
Figuur 18. Binnenzijde van de koeienstal met potentiele broedlocaties voor kerk- en steenuil rood gemarkeerd.
Figuur 19. Uilenkast in een boom aan de noordkant van perceel 2 met rood gemarkeerd.
De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, zwarte wouw en wespendief broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. De bomen aanwezig op perceel 2 zijn geïnspecteerd op het voorkomen van grote nesten. Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of grote nesten van deze soorten waargenomen op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar bovengenoemde soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De ooievaar broedt op hoge locaties, bijvoorbeeld bovenop nestpalen, schoorstenen, hoge gebouwen of in hoogspanningsmasten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen ooievaarsnesten of nestsporen op en rondom de aanwezige gebouwen aangetroffen. Het gebruik van de onderzoekslocatie en omgeving als broedlocatie voor de ooievaar kan hiermee uitgesloten worden. Nader onderzoek naar broedlocaties van de ooievaar wordt niet noodzakelijk geacht. 5.1.2
Broedvogels jaarrond beschermd categorie 5 en overige broedvogels
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. In de bomen aanwezig op de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn er meerdere boerenzwaluwnesten aangetroffen in opstal 2 en opstal 3. In totaal zijn er vier nesten waargenomen in de koeienstal en ingebouwde schuur bij opstal 2. Door de hoogte van de schuur en de grauwe kleur van de binnenzijde in combinatie met spinnenwebben, kan het exacte aantal nesten van boerenzwaluwen niet worden vastgesteld. Er zijn in opstal 1 en 4 geen nesten aangetroffen van boerenzwaluwen. Een omgevingscheck voor boerenzwaluwen wordt beno-
16933.001 versie D1
Pagina 11 van 27
digd geacht om alternatieve broedlocaties in de omgeving te onderzoeken bij sloop van de opstallen (hoofdstuk 6). De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, koolmees, winterkoning, merel en Turkse tortelduif. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer rondom de onderzoekslocatie de volgende vleermuissoorten waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De volgende vleermuissoorten kunnen op basis van verspreidingsatlassen van de Zoogdiervereniging hieraan worden toegevoegd: meervleermuis, watervleermuis, gewone grootvleermuis en rosse vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Vleermuizen verblijven uitsluitend in gebouwen en bomen. Verblijfplaatsen kunnen daarom worden uitgesloten van perceel 1 gezien dit perceel onbebouwd is en er geen bomen staan. De bebouwing op perceel 2 is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 20, 21 en 22). Er zijn openingen langs de dakranden aanwezig die toegang kunnen verlenen tot ruimten in de muren. De binnenzijde van de koeienstal wordt tevens geschikt geacht door diverse betimmeringen waarachter openingen zijn aangetroffen waar mogelijk vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing is in potentie geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger.
Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, baltsverblijf en individueel winterverblijf (zie hoofdstuk 6). Gewone dwergvleermuizen lijken voor hun massawinterverblijfplaatsen een voorkeur te hebben voor gebouwen die langzaam op de buitentemperatuur reageren (Kennisdocument gewone dwergvleermuis, 2017, BIJ12). Dit zijn in praktijk veelal grote, hoge gebouwen (minimaal 10 meter hoog) met dikke muren zoals kerken, kantoorgebouwen, flats en forten, met een stabiele, grotendeels vorstvrije, maar koele temperatuur (Brekelmans, F., & Korsten, E., 2014; Korsten, E., 2013; Korsten E., Jansen, E.A., Boonman, M., Schillemans, M.J., & Limpens, H.J.G.A., 2016). De opstallen op de onderzoekslocatie zijn van kleine omvang en geringe hoogte, max 2 etages, inclusief een zolder. Een geschikte temperatuurbuffering wordt niet aanwezig geacht in de opstallen door de beperkte isolatie. Hierdoor reageert de binnentemperatuur snel op de buitentemperatuur, in plaats van geleidelijk. Wegens het ontbreken van grote, geïsoleerde ruimten in de bebouwing die een gewenste temperatuurbuffer kunnen verschaffen, worden alle opstallen op de onderzoekslocatie ongeschikt geacht als massawinterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Derhalve wordt nader onderzoek naar deze functie niet noodzakelijk geacht.
De bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, nissen en bastscheuren die mogelijk gebruikt kunnen worden door boombewonende vleermuizen als verblijfplaats. Er zijn geen holtes, nissen of bastscheuren geconstateerd in de bomen op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar het gebruik van verblijfplaatsen door vleermuizen in de bomen wordt niet noodzakelijk geacht.
16933.001 versie D1
Pagina 12 van 27
Figuur 20. Zicht op potentiele vleermuisverblijfplaatsen gemarkeerd met een rode cirkel in het schuurtje (opstal 4).
Figuur 21. Zicht op potentiele vleermuisverblijfplaatsen gemarkeerd met een rode cirkel in de woning (opstal 2).
Figuur 22. Zicht op potentiele vleermuisverblijfplaatsen gemarkeerd met een rode cirkel in de woning (opstal 2).
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Bij het verwijderen van bomen langs de contouren van het agrarische perceel, dient er een aanvullende bomeninspectie uit te worden gevoerd om holtes, nissen en bastscheuren te onderzoeken die kunnen dienen als potentiele verblijfplaatsen voor vleermuizen (hoofdstuk 6). Tevens dient er tijdens werkzaamheden en in de nieuwe situatie rekening gehouden te worden met de belichting, in verband met mogelijk in de buurt verblijvende vleermuizen. Geadviseerd wordt om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken of andere vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) toe te passen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen zijn aanwezig in de vorm van bomenrijen aan de noord,- oost en westkant van de onderzoeklocatie. Als voornemens de bomen, of een deel van de bomen, toch gekapt dient te worden, dient er nader onderzoek plaats te vinden naar het gebruik door vleermuizen van deze potentiële vliegroute. Als voornemens een aaneengesloten stuk bomen van meer dan 15 meter gekapt dient te worden zal er nader onderzoek plaats moeten vinden om de vliegroute te onderzoeken en mogelijke vervolgstappen te nemen bij het in gebruik zijn van deze vliegroute (hoofdstuk 6).
5.3
Overige zoogdieren
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, wezel en steenmarter. Volgens de verspreidingsatlassen van de Zoogdiervereniging kan de hermelijn hieraan toe worden gevoegd.
16933.001 versie D1
Pagina 13 van 27
Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. De steenmarter is een generalistische soort en komt in verschillende landschappen voor met een voorkeur voor kleinschalig cultuurlandschap met oude schuren. De onderzoekslocatie biedt potentieel leefgebied voor de steenmarter door de variatie aanwezig op het perceel. De koeienstal en schuur zijn permanent toegankelijk en er zijn diverse ruimten aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats voor steenmarter. Op de onderzoekslocatie zijn daarnaast elementen te vinden als mesthopen, strooibalen en een koeienstal in gebruik waardoor prooidieren hiertoe worden aangetrokken. Aan de achterkant van de koeienstal staat een bosschage met genoeg ondergroei en ruigten die beschutting bieden voor de steenmarter (figuur 23). Daarnaast zijn er diverse rommelige hoeken aanwezig met opstal van stenen die als verblijfplaatsen kunnen dienen (figuur 24). Op voorhand is niet uit te sluiten of de steenmarter gebruikt maakt van de onderzoekslocatie als vaste rust- en of verblijfplaats. Nader onderzoek naar de steenmarter wordt noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6).
Bunzing, wezel en hermelijn Kleine marterachtigen komen voor in verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. De bunzing kan ook voorkomen in de buurt van kleinschalig cultuurlandschap waar hij schuilplaatsen tussen hooibalen kan vinden en op muizen jaagt. Kleine marterachtigen maken een schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, in holle bomen en onder boomwortels. Op de onderzoekslocatie zijn op zowel perceel 1 als 2 geen holen gevonden van voldoende formaat die in gebruik kunnen zijn door kleine marterachtigen. Op perceel 2 is echter genoeg ruigte, struweel met droogliggende greppel en rommelige hoeken met steenhopen aanwezig rondom de oost- en zuidzijde van de koeienstal en langs de paardenbak waar mogelijke verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig kunnen zijn. Het aantal prooidieren zal door het agrarisch gebruik op een voldoende niveau zijn om als foerageergebied te kunnen functioneren. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de bunzing, wezel en hermelijn gebruik maken van de onderzoekslocatie als vaste rust- en verblijfplaats.
Nader onderzoek naar de bunzing, wezel en hermelijn wordt noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6). De oostelijke rand van perceel 1 is geschikt als verbindingsroute tussen leefgebieden door de hoge vegetatie dat als dekking dient (figuur 25). De bosschage gelegen in de oostelijke rand van het agrarische perceel lijkt met oog op de omgeving op een belangrijke verbindingsroute tussen de uiterwaarde aan de zuidkant van de dijk en omliggende bosschages nabij het Fazantenpad. Als voornemens deze bosschage toch verwijdert moet worden, dient er ook in dit gedeelte nader onderzoek plaats te vinden naar gebruik door steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn (hoofdstuk 6).
16933.001 versie D1
Pagina 14 van 27
Figuur 23. Bosschage met ondergroei en droogliggende greppel aan de oostzijde van de koeienstal.
Figuur 24. Bosschage met opslag van stenen en extensief gebruik van het perceel aan de oostzijde van de koeienstal.
Figuur 25. Bosschage aan de oostelijke perceelgrens van het agrarische perceel (zicht vanuit het zuiden).
Algemene soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diverse muizensoorten. Bij het verwijderen van bosschage en ruigten, kunnen deze schuil- en/of verblijfsplaatsen mogelijk verstoord of vernietigd worden (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Nader onderzoek naar reptielen wordt niet noodzakelijk geacht. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar geen beschermde amfibiesoorten waargenomen. Enkele algemene soorten komen wel in de omgeving voor: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Het gehele perceel kan gebruikt worden door deze soorten. Door het ontbreken van watergangen, komt er geen voortplantingsplaats in het geding. In de nieuwe situatie worden watergang gegraven, waardoor de situatie ten opzichte van de huidige situatie enkel verbetert. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
16933.001 versie D1
Pagina 15 van 27
Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
In een straal van 3 kilometer rondom de onderzoekslocatie zijn er in de afgelopen jaar volgens NDFF geen beschermde vaatplanten waargenomen. Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf en akkerbouw is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
16933.001 versie D1
Pagina 16 van 27
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
6.1.1
Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Hierbij dient het gebruik van broedlocaties en kwetterplekken op perceel 2 onderzocht te worden. Voor de huismus valt de optimale inventarisatieperiode tussen 1 april en 20 juni. Deze periode betreft een richtlijn voor het uitvoeren van nader onderzoek, waar in beperkte mate binnen het inventarisatieprotocol van kan worden afgeweken. Voor de huismus dienen twee gerichte veldbezoeken plaats te vinden in de periode 1 april tot en met 15 mei, of vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot 20 juni (Kennisdocument ‘huismus’ van BIJ12).
Steenuil De steenuil en het leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • •
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats. de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.
Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de
16933.001 versie D1
Pagina 17 van 27
vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). De koeienstal en uilenkast kunnen op de onderzoekslocatie de functie hebben van een rust- of voortplantingsplaats. Door de sloop van de bebouwing kan een rust- en/of voortplantingsplaats verloren gaan en is er sprake van een negatieve invloed op het functioneel leefgebied. Door de voorgenomen sloop wordt mogelijk de Wet natuurbescherming overtreden. Nader onderzoek moet uitwijzen of de onderzoekslocatie inderdaad gebruikt wordt door de steenuil. De meest optimale periode om de aanwezigheid van de steenuil aan te tonen, is van 15 februari tot en met 15 april. De inventarisatie moet tijdens goede weersomstandigheden plaatsvinden. Het beste moment om te inventariseren is in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang, tot middernacht. Een ander goed moment is in de ochtendschemer, van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De beste resultaten worden gekregen door de baltsroep van de steenuilen af te spelen. Daarnaast moet er overdag gezocht worden naar zaken die op de aanwezigheid van een territorium duiden, zoals poepsporen en braakballen.
De afwezigheid van broedende steenuilen kan worden aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 februari tot en met 15 april, waarbij er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en het laatste bezoek, geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Kerkuil De kerkuil en zijn leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort onder artikel 1 van de Vogelrichtlijn valt. De nesten van de kerkuil zijn jaarrond beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten: ‘nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar’. De kerkuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • De plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats. • De plekken die regelmatig door de kerkuil worden gebruikt als rustplaats buiten het broedseizoen, deze rustplaatsen zijn bij voorkeur niet uitpandig. Kerkuilen zijn standvogels. Als ze eenmaal zijn gevestigd, blijven kerkuilen meestal hun hele leven in hetzelfde gebied. Kerkuilen broeden vooral in hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens.
Een nest kan alleen succesvol functioneren als er voldoende habitat van voldoende kwaliteit is om zich te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen moet er plaats kunnen vinden. Door de voorgenomen sloop wordt mogelijk de Wet natuurbescherming overtreden. Nader onderzoek moet uitwijzen of de onderzoekslocatie inderdaad onderdeel is van het functioneel leefgebied van de kerkuil. De aanwezigheid van een nest van een kerkuil kan als volgt worden aangetoond: • Er is een bezet nest • Er is minimaal één waarneming in de periode van 1 februari tot en met 31 augustus van: een paar in broedbiotoop, of een krijsende vogel (dit kan het hele jaar zijn, maar vooral februari en maart), of bedelende jongen (doorgaans vanaf juni). De afwezigheid van broedende kerkuilen kan zijn aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken verspreid in de periode van begin februari tot en met half oktober geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur tijdens goede weersomstandigheden plaatsvinden.
16933.001 versie D1
Pagina 18 van 27
De beste momenten om te inventariseren zijn ’s avonds en ’s nachts. De kerkuil reageert niet op het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. Daarnaast moet bij voorkeur ook overdag gezocht zijn naar sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen of krijtstrepen (BIJ12, 2017). 6.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd)
Nesten van de boerenzwaluw zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming wanneer er niet voldoende alternatieve plaatsen in de omgeving zijn waar ze naar uit kunnen wijken. Middels een omgevingscheck zal gekeken moeten worden of er in de nabije omgeving voldoende alternatieven beschikbaar zijn. Indien er geen uitwijkmogelijkheden in de omgeving aanwezig zijn, zullen er aanvullende maatregelen geadviseerd worden. 6.1.3
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.
Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonder-
16933.001 versie D1
Pagina 19 van 27
zoek (Netwerk Groene Bureaus). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rustof voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Gelderland Ransuil De ransuil is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort onder artikel 1 van de Vogelrichtlijn valt. Bovendien is het een soort als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming omdat de ransuil vermeld staat in bijlage II van de Conventie van Bern. De ransuil staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009).
Op deze lijst vallen de ransuilnesten onder categorie 4 van vogelnesten: ‘Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen’. Tevens staat ransuil vermeld als kwetsbaar op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2004) (Bij12, doelsoorten, ransuil). De plannen zullen slechts een verstoring van het leefgebied geven, geen aantasting van essentieel leefgebied. De broedlocaties blijven functioneel (geen broedlocatie binnen onderzoeksgebied). Om deze reden zijn mitigerende en compenserende maatregelen aan de orde, maar is een ontheffing niet noodzakelijk middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Overige zoogdieren
Steenmarter Om te bepalen of de steenmarter gebruik maakt van de onderzoekslocatie wordt geadviseerd om conform de “handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, 2017)” in de periode maart tot en met augustus (voorplantingsperiode) 6 weken onderzoek uit te voeren met cameravallen. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde steenmarter gebruik maakt van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats. Daarnaast dient er naast het cameraonderzoek, een eenmalige visuele inspectie naar sporen plaats te vinden. Bunzing, hermelijn en wezel Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Kleine marterachtigen zijn sindsdien strenger beschermd dan voorheen. Het is verboden om deze dieren te doden, te verwonden en hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (art. 3.10). De bunzing, wezel en hermelijn komen voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden. Deze soorten maken mogelijkerwijs gebruik van de onderzoekslocatie. Het verwijderen van de begroeiing en de sloop van de bebouwing op de onderzoekslocatie kunnen leiden tot vernietiging van vaste rust- of voorplantingsplaatsen van desbetreffende soorten, wat in strijd is met de Wet natuurbescherming.
Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten dat deze soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie. Het vaststellen kan worden gedaan door middel van aanvullend onderzoek met behulp van cameravallen (BuBo-methode), marterboxen en struikrovers. Dit onderzoek dient in de optimale periode uit-
16933.001 versie D1
Pagina 20 van 27
gevoerd te worden: tussen maart en augustus. Het uit te voeren veldwerk behorende bij een dergelijk onderzoek zal minimaal 6 weken in beslag nemen, waarbij elke twee weken de camera’s gecontroleerd worden. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. 6.5 Overig Bij werkzaamheden betreffende aan de bomenrijen en bosschage langs de noord,- oost,- en westkant van de onderzoekslocatie, dient er een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden naar potentiële vleermuisverblijfplaatsen in de bomen, alsmede een gelijktijdige inspectie voor grote nesten. De beste periode is om dit in de winterperiode uit te voeren vanwege bladval. Daarnaast dient de bosschage (oostzijde) bij werkzaamheden hieraan, onderzocht te worden naar vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel.
16933.001 versie D1
Pagina 21 van 27
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek, bevindt zich op circa 6,3 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 26).
Figuur 26. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten kunnen als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie, gezien de afstand (± 6 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt noodzakelijk geacht.
16933.001 versie D1
Pagina 22 van 27
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 20 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 27 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 27. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Gelderland de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en de aard van de voorgenomen ingreep zullen de effecten onderzocht dienen te worden. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt noodzakelijk geacht.
16933.001 versie D1
Pagina 23 van 27
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De onderzochte bomen op het perceel vallen niet onder de definitie van een houtopstand als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming en kan daardoor buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk op dit gebied mits er geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan de bomenrijen rondom het perceel en de bosschage aan de oostelijke kant.