CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Toelichting

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2A12.676 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. Voor PM10 is er een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 die niet mag worden overschreden en er is een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De jaarlijkse grenswaarde wordt in Nederland zelden overschreden. De etmaalgemiddelde grenswaarde wordt vooral in de omgeving van veehouderijen overschreden (berekeningen NSL, 2018). Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan.

Daarnaast zijn er normen voor (het terugbrengen van) de gemiddelde concentratie op stedelijke achtergrondlocaties. Er is een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 die niet mag worden overschreden en er is een uurgemiddelde grenswaarde van 200 µg/m3 die niet meer dan 18 keer per jaar mag worden overschreden. De uurgemiddelde grenswaarde wordt in Nederland al jaren niet meer overschreden. In drukke stedelijke straten en langs het hoofdwegennet kunnen jaargemiddelde concentraties oplopen tot boven de 40 µg/m3. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.1.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van een nieuwe functie die niet is aangemerkt als een NIBM project. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is daarom nodig. De extra verkeersbewegingen als gevolg van

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

28 - 43

de dorpshuisfunctie bedragen 161 (afgerond 165).

Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool. In onderstaande afbeelding zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) weergegeven voor het peiljaar 2019.

NO2

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

29 - 43

PM2,5

PM10 Nabij het plangebied bedragen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 15 µg/m3, 18 µg/m3 en 11 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden worden niet overschreden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtconcentraties ruim voldoen aan de normering Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteit. Vanuit oogpunt van de Wet ruimtelijke ordening en Wet milieubeheer in relatie tot luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Ter plaatse van het plan ijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM2,5 en PM10 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

30 - 43

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.2.1.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling verleend wordt van archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn negen categorieën archeologische waarden onderscheiden: Waarde-Archeologie 1 t/m 8 en geen Waarde- Archeologie. In de tabel is te zien welke vrijstelling per archeologische waarde geldt. De vrijstellingsgrenzen zijn uitgedrukt in een oppervlakte en een diepte. De onderzoekplicht genldt wanneer zowel de diepte- als ook de oppervlaktemaat door bodemingrepen wordt overschreden. Voor het oprichten van bouwwerken binnen bouwvlakken geldt geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden.

Voor een gedeelte van het plangebied geldt een vrijstellingsoppervlakte van 100m2.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

31 - 43

De bodemingrepen overschrijden de vrijstellingsgrens voor de oppervlakte. Er is onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Aan de hand van de diepteligging van de bovenzijde van de Bruchemse crevasse (t.o.v. maaiveld) is een vrijstellingsdiepte bepaald (i.e. de maximaal te verstoren diepte, zonder dat het potentieel archeologisch niveau wordt bedreigd).

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

32 - 43

Zolang bodemingrepen ondieper zijn dan de geldende vrijstellingsdiepte, wordt geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bodemingrepen dieper reiken dan de ze vrijstellingsdiepte wordt geadviseerd om een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te voeren. Doel van het onderzoek is het opsporen van mogelijk aanwezige archeologische resten in de top van de Bruchemse crevasse. Een proefsleuvenonderzoek behoort conform de KNA plaats te vinden op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Gemeente Maasdriel heeft besloten de aanbevelingen uit het rapport (het selectieadvies) niet over te nemen omdat bij het booronderzoek geen duidelijke vegetatie- of cultuurlagen of andere archeologische indicatoren of sporen herkend die wijzen op archeologische bewoning of oudtijds gebruik. Derhalve is er geen gefundeerde aanleiding om nader vervolgonderzoek te verlangen. Er zijn voldoende boringen gezet om een eventuele vindplaats te kunnen waarnemen. De kans dat er wat wordt aangetroffen is daarom zeer gering. Het plangebied kan in tegenstelling wat BAAC adviseert worden vrijgesteld van nader onderzoek. De geldende archeologische dubbelbestemmingen zijn overgenomen in de regels en verbeelding van voorliggende

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

33 - 43

plan. 4.2.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in een bestemmingsplan aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek De planlocatie is geen aardkundig waardevol gebied. Er zijn (in de directe omgeving van) het plangebied geen rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten of archeologische rijksmonumenten aanwezig, behalve de molen aan de Molenstraat. Het plan betreft de realisatie van een clubgebouw na sloop van het huidige clubgebouw.

Het huidige, te slopen, clubgebouw heeft geen monumentale status.

Binnen het gedeelte van het plangebied met de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' is geen nieuwe bebouwing, dan wel beplanting toegestaan, tenzij wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

34 - 43

Bij de nieuwe inrichting van het gebied in de vrijwaringszone valt terreininrichting bestaande uit verhardingen, lichtmasten en (lage) hekwerken. Deze hebben geen invloed op de molen. Er worden geen nieuwe opstallen in de vrijwaringszone gebouwd. Landschappelijk gezien is er blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie geen sprake van een waardevol gebied. De nieuwe bebouwing heeft landschappelijk een beperkt en heel lokaal effect. Met een nieuwe groeninrichting op de accommodatie wil de gemeente zoveel als mogelijk aansluiting verkrijgen met het omliggende landschap. Dit betreft fruitboomgaarden met elzenhagen, particuliere tuinen met grote bomen, laanstructuren en open landschap. Het is een bestaand mozaïek van open en gesloten gedeelten met beplanting. De inrichting zoals deze voorheen was op het sportcomplex van voetbalvereniging Rossum zal als voorbeeld dienen voor de nieuwe inrichting. Hierbij is gekozen voor inheemse bomen die een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit en duurzaamheid. Voor de juiste keuze van de boom is vooral gekeken naar de planlocatie en de functie die de boom daarbij moet vervullen van essentieel belang. Een evenredige verdeling van bomen zal om de velden worden gerealiseerd om een groene uitstraling te waarborgen.

Aan de zuid- oost zijde van de accommodatie wordt een landschappelijke groene zone gerealiseerd met inheems bosplantsoen met daartussen solitaire bomen. Zichtlijnen vanaf de openbare weg op de accommodatie blijven wenselijk. Een aantal hoge bomen in het beplantingsplanzijn geprojecteerd binnen de vrijwaringszone van de molenbiotoop. Deze komen in plaats van de bestaande, ook hoge, beplanting. De windvang van de molen zal door het vervangen van deze bomen niet (extra) gehinderd worden. Het beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 1. 4.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

35 - 43

4.3 Flora en Fauna 4.3.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a' het volgende gemeld.

4.3.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. In het kader van de Flora en faunawet dient een oriënterend onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke negatieve effecten voor beschermde flora en fauna. Tevens dient onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling een negatief effect heeft op omliggende Natura2000 gebieden. Voor de dichtstbij gelegen Natura2000 gebieden is bepaald of effecten optreden. 4.3.2.1 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd landschapstype zoals Natura2000, EHS/NNN, Beschermd natuurmonument, Nationaal Landschap of Nationaal Park. Zie onderstaande afbeelding.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

36 - 43

Natura 2000-gebied Rijntakken Stikstofdepositie De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een clubgebouw, de reconstructie van voetbalvelden en parkeerterrein. De beoogde ingrepen betreffen grond- en civiele werkzaamheden en nieuwbouw van een clubgebouw. De werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Bij een groter clubgebouw ontstaat bovendien theoretisch gezien meer NOx als gevolg van de hogere uitstoot van de cv en een toename van aan-en afvoerbewegingen. In 2017 is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie Bijlage 5). Geconcludeerd is dat de ontwikkeling in de gebruikfase niet zal resulteren in een toename in verkeersbewegingen. Tevens is er geen toename in aantal of volume aan bebouwing en kan een permanent verhoogde stikstofdepositie uitgesloten worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en belangrijk weidevogelgebied geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden verwacht iis een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd, zie Aerius berekening. Hieruit blijkt dat een significant negatief effect op Natura 2000 niet kan worden uitgesloten.

Echter doordat na intern salderen de drempelwaarde van 0,1 mol/ha/jaar niet wordt overschreden (Vuistregel BIJ12 'Handreiking voortoets Stikstof” pagina 12, is een passende beoordeling niet noodzakelijk. 4.3.2.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Zowel in de Flora- en faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Met de nieuwe wet wijzigt is wel de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Waar de Flora- en faunawet uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: 1. Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. 2. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. De bescherming van vaatplanten uit tabel 1 en tabel 2 is vervallen. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

37 - 43

soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Het verwijderen van opgaand groen, de grondwerkzaamheden en de bouwwerkzaamheden leiden tot verstoring van alle aanwezige soorten. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd. Overtreding van een verbodsbepaling is alleen toegestaan met een ontheffing. Bij een ontheffingsaanvraag onder de nieuwe wet wordt nog steeds getoetst aan drie criteria: Is er sprake van bepaalde, in de wet genoemde belangen? Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? Voor de herinrichting is in 2017 een onderzoek gedaan (zie Bijlage 5). Op basis hiervan is de kap van bomen reeds gerealiseerd. De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden.

4.3.3 Conclusie De realisatie van het plan leidt niet tot de aantasting van omliggende Natura2000-gebieden en de instandhoudingsdoelen. De beoogde bestemmingsplanherziening en uitvoering hiervan leidt niet tot de aantasting van het leefgebied van beschermde soorten.

4.4 Explosieven Door een Explosievenkansenkaart op te laten stellen, hebben de gemeente Zaltbommel en de gemeente Maasdriel in één keer in beeld waar er kans is op CE en waar niet, zodat deze historische vooronderzoeken niet meer in alle gevallen nodig zijn.Uit de explosievenkansenkaart blijkt dat het plangebied OCE verdacht is. Er is een detectie-onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijke CE uitgevoerd alvorens er reguliere (grondroerende) werkzaamheden (boringen of andere onderzoeken) veilig uitgevoerd kunnen worden. Op de projectlocatie zijn tot de opsporingsdiepte de werkzaamheden begeleid door een deskundige uitgerust met een magnetometer VX1. Tijdens de begeleidingswerkzaamheden zijn geen (Ferro) metalen objecten waargenomen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van explosieven van de onder 1.1. genoemde (A) subsoort. De resultaten zijn weergegeven in de bijlagen bij het Proces-Verbaal (zie Bijlage 7). Deze documenten betreft geen vrijgave van het gehele plangebied, maar slechts voor boor- of graaflocaties. Het plangebied blijft verdacht terrein voor niet-gesprongen explosieven (met uitzondering van de boorpunten). Alvorens de werkzaamheden te kunnen uitvoeren dient een Project risico analyse te worden uitgevoerd. Bij de vergunningverlening wordt dit beoordeeld.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

38 - 43

Hoofdstuk 5

Financiele haalbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

5.1.1 Beoordeling Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een 'aangewezen bouwplan'. Er is reden voor de gemeenteraad om een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie 'anderszins te verzekeren'. Naar aanleiding van de uitkomsten van de haalbaarheidsfase heeft er op 15 oktober 2018 een bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen HRC’14 en de gemeente. Hier is geconcludeerd dat welke van de twee uitgewerkte varianten ook gerealiseerd wordt het voor HRC’14 niet mogelijk is voldoende financiële middelen te verkrijgen om het nieuwe clubgebouw te financieren. Op basis van het exploitatieplan vroeg HRC’14 of de gemeente het financieringstekort wil aanvullen door middel van een lening van € 400.000,- Dit betekende dat het project niet haalbaar was binnen de door de gemeenteraad gestelde kaders. De gemeente heeft in de college- en raadsrapportage van december 2018 aangegeven dat er wel mogelijkheden zijn als men een versoberd ontwerp zou maken en als gezocht zou worden naar meer multifunctionaliteit van het nieuwe clubhuis. Het exploitatieplan van HRC’14 geeft aan dat de voetbalclub in staat is het clubgebouw te realiseren.

Op 11 juni 2020 is er vervolgens vastgesteld dat een herstructurering van de velden van HRC’14 financieel uitvoerbaar is wanneer in het nieuwe clubhuis van HRC’14 de dorpshuisfunctie ter grootte van 200m2 voor de kern Hurwenen wordt gerealiseerd. HRC’14 is als club zelf verantwoordelijk voor de ontwikkelingen en realisatie van het clubhuis. Door de gemeente wordt een bijdrage verstrekt wordt voor een dorpshuisfunctie van 200 m2 in het nieuwe clubhuis van HRC’14 met een maximum van € 225.000,- In het totale dekkingsverhaal zit nog een aantal door HRC’14 genoemde risicoposten van ca € 140.000, waarvan er een aantal van subsidies afhankelijk is. Echter is en blijft dat de volledige verantwoordelijkheid van HRC’14.

5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

39 - 43

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

40 - 43

Hoofdstuk 6

De bestemmingen

6.1 Het juridische plan Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 en 4). Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 5 tot en met 10). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 11 en 12). De planregels zijn opgedeeld in: 1. de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; 2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; 3. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden en 4. het afwijken van de gebruiksregels.

6.2 Bestemmingsregeling In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Sport; Waarde - Archeologie 5; Waarde – Archeologie 6. Sport In de bestemming Sport is de maatvoering wat betreft de oppervlakte vastgelegd op de nieuwe bebouwing. Voor het overige zijn hoogtemaatvoeringen in de tabel aangegeven. Archeologie Voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft een dermate geringe diepteomvang, dat voor realisatie ervan geen nader onderzoek is vereist. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden ook te beschermen tegen eventuele toekomstige grootschaligere ingrepen zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Archeologie 6' opgenomen overeenkomstig de geldende planregeling. .

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

41 - 43

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

42 - 43

Hoofdstuk 7

Procedures

7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Inspraak Alle bewoners van Doorningstraat en Maarten van Rossumstraat hebben een uitnodiging voor een info avond op 7 september 2020 ontvangen. Hier waren 7 huishoudens en 1 vereniging aanwezig. Naar aanleiding van de informatieavond zijn er geen wijzigingen in het plan doorgevoerd. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Het plan is toegestuurd aan het waterschap. Het plan is door de gemeente niet aangemeld bij de provincie Gelderland omdat er geen provinciale belangen in het geding zijn. Het wettelijk vooroverleg kan dan ook als afgerond worden beschouwd. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan lag overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening van 21 oktober 2021 tot en met 1 december 2021 ter inzage. Tijdens deze termijn kon iedereen een zienswijze indienen. Er zijn twee zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn van een beantwoording voorzien in de Nota van zienswijzen (zie Bijlage 8).

De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het plan. Deze wijzigingen zijn in de nota toegelicht.

(vastgesteld) Buitengebied herziening 2021, Maarten van Rossumstraat 2a NL.IMRO.0263.BP1231-VG01

43 - 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11009693/1