CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting Bijlage 6 Quickscan wet Natuurbescherming

Gemeenteraad 11 mei 2023, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Hurwenen herziening 2022, H.W. Heelstraat ong.10.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING H.W. VAN HEELSTRAAT (ONG.) TE HURWENEN

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming H.W. van Heelstraat (ong.) te Hurwenen Opdrachtgever

Kragten Postbus 2309 5231 CH 's-Hertogenbosch

Rapportnummer Versienummer

16402.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

7 oktober 2021

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw M.I.C. Pijpers, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw R.H.A. Janssen, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen ......................................................................................................................... 12 Amfibieën ........................................................................................................................ 12 Vissen ............................................................................................................................. 12 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16402.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Kragten opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de H.W. van Heelstraat (ong.) te Hurwenen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 1 van 21

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2.115 m²) ligt aan de H.W. van Heelstraat (ong.), circa 130 meter ten oosten van de kern van Hurwenen. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 150.252, Y = 424.844. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood vlak).

De onderzoekslocatie betreft grasland met aangeplante perkjes en fruitbomen en is aan de noordwest-, zuidwest- en zuidoostzijde omringd door sloten. In de directe omgeving liggen woonhuizen met tuinen, begraasde weides, sportvelden, een camperplaats, productiegraslanden en uiterwaardenatuur. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 2 van 21

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (witte stippellijn) en directe omgeving.

Figuur 3. Overzichtsfoto onderzoekslocatie. Foto is genomen richting het zuiden.

Figuur 4. Aangeplant perkje op onderzoekslocatie.

Figuur 5. Overzichtsfoto onderzoekslocatie. Foto is genomen richting het noordoosten.

Figuur 6. Onderzoekslocatie met aan de linkerkant een sloot. Foto is genomen richting het noordoosten.

Figuur 7. Sloot grenzend aan de onderzoekslocatie. Foto is genomen in de zuidwestelijke hoek van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Overzichtsfoto onderzoekslocatie. Foto is genomen richting het zuiden.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 3 van 21

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse twee vrijstaande woningen te realiseren (figuur 9).

Figuur 9: Schetsontwerp onderzoekslocatie (Bron: Bureau Verkuylen).

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 4 van 21

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 20 september 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 5 van 21

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 6 van 21

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 7 van 21

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 8 van 21

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de omgeving waarnemingen bekend van: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, ooievaar, kerkuil, steenuil, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief. Geschikte bomen, nestkasten en bebouwing ontbreken op de onderzoekslocatie, waardoor de aanwezigheid van een nestlocatie op de onderzoekslocatie van bovengenoemde soorten op voorhand kan worden uitgesloten. Steenuil en ransuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn de steenuil en ransuil recent waargenomen op respectievelijk circa 250 m en 1,3 km afstand van de onderzoekslocatie. De steenuil heeft een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Meestal broeden steenuilen in speciale nestkasten, schuren en soms in boomholten. Ransuilen komen voor in bijvoorbeeld agrarische gebieden, open bos, bosranden en parken. De ransuil broedt voornamelijk in bomen. Geschikte nestgelegenheden voor de steenuil en ransuil ontbreken op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie biedt echter wel geschikt foerageergebied voor deze soorten. Negatieve effecten ten aan zien van de steenuil en ransuil zijn dan ook niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6).

Kerkuil Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van kerkuil op circa 2,4 km afstand van de onderzoekslocatie. De kerkuil heeft een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Meestal broeden kerkuilen in speciale nestkasten, schuren en soms in boomholten. Geschikte nestgelegenheden voor de kerkuil ontbreken op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie zou door kerkuilen gebruikt kunnen worden als foerageergebied. In de omgeving van de onderzoekslocatie is echter meer geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van begraasde weides en graslanden. Daarnaast heeft een soort als de kerkuil een dusdanig groot foerageergebied dat de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie niet zullen leiden tot het verloren gaan van essentieel leefgebied. Negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil zijn bij de voorgenomen plannen dan ook niet aan de orde. Roofvogels, ooievaar en roek De bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten van deze soorten. De hoge bomen nabij de onderzoekslocatie konden tijdens het veldbezoek niet allemaal volledig worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Verstoring ten aanzien van

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 9 van 21

potentieel jaarrond beschermde nesten van boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, ooievaar en roek is niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). 5.1.2

Overige broedvogels

De beplanting op de onderzoekslocatie biedt nestgelegenheden aan algemene broedvogelsoorten zoals merel, winterkoning en roodborst. Tevens biedt de onderzoekslocatie geschikt habitat voor nestlocaties voor grondbroeders als kievit, patrijs en fazant. Kievit broedt voornamelijk in kort gras, afwisselend met kale plekken en soorten als patrijs en fazant zoeken doorgaans nestlocaties op terreinen met meer afwisseling en schuilmogelijkheden. Echter kan een broedgeval van algemene grondbroedende vogelsoorten op de onderzoekslocatie niet volledig worden uitgesloten. De nesten van algemene soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Daarbij worden er geen bomen gekapt. Rekening houden met het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en cursusdictaat ‘vleermuizen en planologie’ (Limpens et al., 2010) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, Brandt's vleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn enkel recent aangeplante bomen aanwezig, die geen verblijfplaatsen bieden voor vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen op de onderzoekslocatie zijn op voorhand uit te sluiten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het woonhuis grenzend aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie bevat open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuur. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden geen negatieve effecten, mits er geen verlichtingstoename ten opzichte van de huidige situatie plaatsvindt, richting deze potentiële verblijfplaatsen en de directe omgeving. Tijdens de werkzaamheden dient er dan ook rekening gehouden te worden met het voorkomen van additionele (bouw)verlichting in de richting van deze potentiële verblijfplaatsen (hoofdstuk 6).

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen en daarnaast zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, zoals tuinen, begraasde weides, kleine bosschages en graslanden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie, aan de H.W. van Heelstraat, grenst een bomenrij die mogelijk kan functioneren als vliegroute. Verstoring ten aanzien van deze potentiële vliegroutes kan worden voorkomen (hoofdstuk 6).

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 10 van 21

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten 5.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, steenmarter, wezel en hermelijn. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is belangrijk, maar ze gebruiken ook oevers zonder bos. Grenzend aan noordwest-, zuidwest- en zuidoostzijde is de onderzoekslocatie omringd door sloten. Deze sloten bieden echter geen geschikt leef- of foerageergebied voor de bever omdat deze te ondiep zijn en begroeiing ontbreekt. Tevens is er geen burcht in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie gevonden. Verstoring ten aanzien van de bever kan op voorhand worden uitgesloten. Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel De steenmarter maakt gebruik van oude holen van onder andere konijnen, vossen en dassen, maar ook van hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. De kleine marterachtigen; bunzing, hermelijn en wezel, maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels.

Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing of dekking/schuilmogelijkheid aanwezig, waardoor er geen geschikt habitat voor steenmarter, bunzing, hermelijn of wezel aanwezig is. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van steenmarter, bunzing, hermelijn of wezel zijn als gevolg van de voorgenomen ingreep uit te sluiten. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in het nabij gelegen natuurgebied Rijntakken en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn en diverse muissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van deze soorten worden vergraven (hoofdstuk 6).

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 11 van 21

5.4

Reptielen

Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie geen reptielen waargenomen. Tevens bestaat de onderzoekslocatie uit monotoon grasland met weinig variatie en ontbreken groene verbindingszones met de omliggende natuurgebieden. Het voorkomen van reptielen op de onderzoekslocatie kan op voorhand worden uitgesloten. 5.5

Amfibieën

Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kamsalamander, rugstreeppad, kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Streng beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Het landschap waarin de streng beschermde kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouw of graslandgebieden voor. De onderzoekslocatie vormt dan ook geen geschikt landhabitat voor de kamsalamander. De onderzoekslocatie biedt echter wel matig geschikt landhabitat voor de streng beschermde rugstreeppad. Deze soort heeft een voorkeur voor gebieden in pioniersstadium of afgegraven terrein, maar gedijt ook in gebieden met een lage begroeiing zoals akkers en graslanden. Echter is het voorkomen van de rugstreeppad op de onderzoekslocatie niet aannemelijk. De sloten nabij de onderzoekslocatie zijn niet geschikt als voortplantingswater vanwege de waterkwaliteit en begroeiing op de oevers. Negatieve effecten ten aanzien van de rugstreeppad kunnen worden uitgesloten.

Licht beschermde soorten Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander beschutting vinden tussen de begroeiing. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de volgende soort voor in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie in is gelegen: grote modderkruiper. De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De soort heeft een voorkeur voor verlande wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. In Nederland ligt een aanzienlijk deel van het leefgebied in de sloten van ingepolderde voormalige overstromingsvlakten. De sloten aan de noordwest, zuidwest en zuidoost kant van de onderzoekslocatie biedt geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper. De mogelijke vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden niet aangetast omdat de sloot behouden blijft. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen geen negatieve gevolgen ontstaan ten aanzien van de grote modderkruiper.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 12 van 21

5.7

Ongewervelden

Libellen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van de streng beschermde rivierrombout en beekrombout. De riverrombout komt voornamelijk voor bij rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet. De beekrombout heeft zijn habitat nabij grotere beken en kleine rivieren. Soms ook in grote rivieren en in kanalen. Dergelijk habitattype is op de onderzoekslocatie niet aanwezig, waardoor het voorkomen van de rivierrombout en de beekrombout redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van een beschermde libellensoort zijn bij de voorgenomen plannen dan ook niet aan de orde. Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de teunisbloempijlstaart in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten. Geschikte waardplanten voor de beschermde teunisbloempijlstaart (wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Hierom is het uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor de teunisbloempijlstaart.

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit een beheerd grasland, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen beschermde planten waargenomen. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten door de voorgenomen ingreep zijn hierdoor op voorhand uit te sluiten.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 13 van 21

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Steenuil en ransuil

De steenuil en ransuil en hun leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De steenuil en ransuil staat als kwetsbaar vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2017). De steenuil valt onder categorie 1 van beschermde broedvogelnesten: Nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats. De ransuil valt onder categorie 4 van beschermde broedvogelnesten: Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest. De nesten van steenuilen en ransuilen zijn het hele jaar beschermd. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de functionele leefomgeving rondom het nest. Om vast te stellen of op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie een essentiële functie van steenuil of ransuil aanwezig is, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van desbetreffende soorten. Op basis van deze resultaten kan dan een analyse worden gedaan om eventuele afname van het leefgebied in kaart te brengen. Indien een essentiële functie van steenuil of ransuil aanwezig is, dienen de te nemen maatregelen vastgelegd te worden in een activiteitenplan. Het activiteitenplan kan dan ter goedkeuring worden voorgelegd bij Provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.

6.1.2

Roofvogels, ooievaar en roek

Nesten van boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, ooievaar en roek zijn jaarrond beschermd. Bij aanwezigheid van nestplaatsen van de betreffende soorten op en/of binnen verstoringsafstand van 75 meter van de onderzoekslocatie zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Verstoring van deze jaarrond beschermde nesten kan worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen van deze soorten de periode maart tot augustus worden aangehouden. Indien onmogelijk blijkt de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen dan zal vastgesteld moeten worden of er in de bomen binnen circa 75 meter nesten van boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, ooievaar of roek aanwezig zijn. Een dergelijke nestinspectie vind plaats in het bladerloze seizoen, globaal tussen december en februari of voor de start van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van een potentieel jaarrond beschermd nest is er sprake van aanvullend onderzoek, varierend tussen de 2 en 4 veldbezoeken binnen de broedperiode van de desbetreffende soort. De onderzoeksresultaten kunnen leiden tot het wijzigen van de werkwijze en in sommige gevallen een ontheffingsprocedure.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 14 van 21

6.1.3

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te verstoren, beschadigen, vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten van algemene broedvogels mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden niet buiten het broedseizoen kunnen plaatsvinden, dient voorafgaande aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Verblijfplaatsen buiten onderzoekslocatie Ten aanzien van mogelijke verblijfplaatsen in de bebouwing grenzend aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie, kunnen overtredingen van de Wet natuurbescherming worden voorkomen, door additionele (bouw)verlichting in de richting van potentiële verblijfplaatsen in aangrenzende bebouwing te voorkomen. Door het treffen van deze maatregel zal de functionaliteit van een vaste rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Vliegroute(s) Gelet op de aan H.W. van Heelstraat gelegen bomenrij (aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie) met potentiële functie als vliegroute, is bij de voorgenomen plannen, overtreding van de Wet natuurbescherming te vermijden als mogelijke vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven.

Hierbij dient rekening gehouden te worden met het voorkomen van een toename in verlichting ten opzichte van de huidige situatie, in de richting van de bomenrijen. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Worden er tijdens de werkzaamheden toch nog individuen aangetroffen, dan dienen deze buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden verplaatst te worden.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 15 van 21

6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 16 van 21

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 175 meter afstand ten noordoosten en noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 10).

Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie (rood vlak) ten opzichte van Natura 2000 (blauw en groen vlak).

De onderzoekslocatie is gelegen nabij het Natura 2000-gebied de Rijntakken. Dit betekent dat, indien er sprake zou zijn van een effect zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof, dit gaat om een extern effect. Voor de aanlegfase van de plannen wordt aangesloten bij de partiële vrijstelling. Betreft de gebruiksfase worden, gezien de kleine schaal van het plan en gezien er gasvrij gebouwd wordt, geen negatieve effecten betreft toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof verwacht. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 17 van 21

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 150 meter ten noordoosten en noordwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 11 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie (rood vlak) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen vlak).

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Gelderland de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt, gezien de ligging ten opzichte van de onderzoekslocatie en de aard van de ingreep niet noodzakelijk geacht.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 18 van 21

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Gezien de aanwezigheid van recent aangeplante bomen kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 19 van 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Kragten een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de H.W. van Heelstraat (ong.) te Hurwenen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse twee nieuwe vrijstaande woningen te realiseren. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

ja

nee

nee

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

nee

mogelijk

aanvullend onderzoek naar steenuil en ransuil werken buiten het broedseizoen of aanvullend onderzoek ten aanzien van roofvolgels, ransuil, ooievaar en roek

verblijfplaatsen

omgeving

mogelijk

nee

nee

aandacht voor additionele verlichting in de richting van verblijfplaatsen in de woning grenzend aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie

Foerageergebied

matig

nee

nee

nee

voldoende uitwijkmogelijkheden naar alternatief foerageergebied

vliegroutes

omgeving

mogelijk

nee

nee

aandacht voor additionele verlichting in de richting van bomenlaan

Grondgebonden zoogdieren

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijnen, egels en diverse muizen

Amfibieën

algemeen

matig

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

175 m

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

150 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

-

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

Bijzonderheden / opmerkingen*

werken buiten broedseizoen

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 20 van 21

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de voorgenomen plannen middels nader onderzoek meer informatie te worden verkregen over de essentiële functie van de onderzoekslocatie ten aanzien van steenuil en ransuil. Ten aanzien van verstoring van beschermde en algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot augustus worden aangehouden. Indien de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundige ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Een inspectie naar jaarrond beschermde nesten vind plaats in het bladerloze seizoen, globaal tussen december en februari. Deze nadere inspectie kan een nader onderzoek tot gevolg hebben. Met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen en vliegroute(s) van vleermuizen in de bebouwing en bomenrijen grenzend aan de onderzoekslocatie kunnen overtredingen van de Wet natuurbescherming worden voorkomen door additionele (bouw)verlichting richting de omliggende bebouwing en bomenrijen te voorkomen.

Indien verstoring door een toename in verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, het ontbreken van sporen, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieve en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Boxmeer, 7 oktober 2021

Rapport 16402.002 versie D1

Pagina 21 van 21

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://www.natura2000.nl/gebieden.

Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; Hurwenen, periode 2016-2021. NDFF. Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.

Provinciale bronnen Provincie Gelderland (2021, maart). Planoviewer - Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://gldanders.planoview.nl/planoview/. Provincie Gelderland (z.d.). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc08/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc08_733.pdf. Provincie Gelderland (z.d.). Natuurregels in Gelderland. Geraadpleegd op 25 september 2021 van https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba027024c1e3476d1.

Rapport 16402.002 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 16402.002 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 16402.002 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12574093/1