Bijlage VI - Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
Verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde flora en fauna, in en rondom de te slopen bebouwing op de locatie: Heust 27, Well
BNL advies
Projectlocatie:
Heust 27 5325 XB Well
Status: Versie: Datum: Auteur:
definitief 22151.QFF 30-08-2023
© copyright BNL advies 2023 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. BNL advies kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
Pagina
Opgesteld door:
1
Colofon:
Inhoud Colofon: ...................................................................................................1 1.
Inleiding .............................................................................................4
2.
Toelichting onderzoekskader .....................................................................5 2.1
2.1.1
Bescherming van gebieden .............................................................5
2.1.2
Bescherming van soorten ...............................................................5
2.1.3
Bescherming van houtopstanden ......................................................5
2.2
Omschrijving plangebied ..........................................................................7 3.1
Algemeen.......................................................................................7
3.2
Voorgenomen ontwikkeling ..................................................................7
3.2.1
Te slopen bebouwingen .................................................................8
3.2.2
Directe omgeving en beplantingen ....................................................9
3.3
Onderzoeksresultaten beschermde soorten .................................................. 10 4.1
Algemeen..................................................................................... 10
4.2
Soorten vogelrichtlijn ...................................................................... 10
4.2.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten .......................................... 10
4.2.2
Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5 .................... 12
4.2.3
Algemene broedvogels ................................................................ 12
4.2.4
Werken binnen het broedseizoen ................................................... 12
4.3
Soorten Habitatrichtlijn .................................................................... 12
4.3.1
Vleermuizen ............................................................................ 12
4.3.2
Overige Habitatrichtlijn soorten .................................................... 13
4.4
5.
Vooronderzoek ................................................................................9
Nationaal beschermde soorten............................................................ 13
4.4.1
Amfibieën en reptielen ............................................................... 14
4.4.2
Libellen ................................................................................. 14
4.4.3
Dagvlinders ............................................................................. 14
4.4.4
Vaatplanten ............................................................................ 14
4.4.5
Effectbeoordeling en toetsing ....................................................... 14
Conclusies en aanbevelingen ................................................................... 15 5.1
Soorten Vogelrichtlijn ...................................................................... 15
5.1.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten .......................................... 15
5.1.2
Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) ................... 15
5.1.3
Algemene broedvogels ................................................................ 15
2
4.
Omgevingsverordening Gelderland .........................................................5
Pagina
3.
Wet natuurbescherming......................................................................5
5.2
5.2.1
Vleermuizen ............................................................................ 16
5.2.2
Overige habitatrichtlijnsoorten ..................................................... 16
5.3
Nationaal beschermde soorten............................................................ 16
3
Conclusie .......................................................................................... 17
Pagina
6.
Soorten Habitatrichtlijn .................................................................... 16
2. Toelichting onderzoekskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze nieuwe wet is een vervanging en samenbundeling van drie voorgaande wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Wnb is op te delen in grofweg drie delen:
2.1.1 Bescherming van gebieden De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Invloeden (ook van buitenaf) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen.
2.1.2 Bescherming van soorten De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Als bevoegd gezag heeft iedere afzonderlijke provincie (een aantal) algemene soorten uit deze derde categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht. Wel geldt altijd voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.
2.1.3 Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van de Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijen bomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod.
2.2 Omgevingsverordening Gelderland
Pagina
Naast het Gelders Natuurnetwerk, kan de provincie planologische bescherming aan gebieden toekennen door hen aan te wijzen als “bijzondere provinciale natuurgebieden” of “bijzondere provinciale landschappen”. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden. Iedere provincie kan een eigen invulling geven aan bijvoorbeeld compensatie. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies.
5
In de Omgevingsverordening Gelderland is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van groene gebieden, voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In Gelderland het ‘Gelders Natuurnetwerk’ genaamd. De gebieden worden beschermd via het planologisch kader. Dit alles is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Verordening ruimte zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid van het Gelders Natuurnetwerk kent het “nee, tenzij” principe en is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’.
Pagina
6
Tabel 1. Soortenbescherming en verbodsbepalingen.
3. Omschrijving plangebied 3.1 Algemeen Het plangebied is gelegen ten noorden van Well, in de gemeente Maasdriel liggende in de provincie Gelderland (zie afbeelding 1).
Afbeelding 1: De projectlocatie ten noorden van Well, is globaal weergegeven binnen de rode cirkel. Bron: Kadviewer, datum: 27-07-2022
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Tijdens het veldbezoek is een quickscan uitgevoerd op de projectlocatie en is gezocht naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de daarbij behorende vaste rust- en verblijfplaatsen. De kavel met nummer 197, welke bezocht en onderzocht is, staat afgebeeld in afbeelding 2. De werkzaamheden betreffen de sloop van twee bijgebouwen en een voormalige mestsilo. Deze geplande werkzaamheden kunnen een negatief effect op mogelijk aanwezige soorten flora en fauna in- en nabij de te slopen bebouwing hebben.
Pagina
7
Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot een overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna.
Afbeelding 2: Het plangebied met de te slopen bebouwing binnen het paars kader. Bron: Kadviewer.map5. Datum: 27-072022
3.2.1 Te slopen bebouwingen
Afbeelding 3 t/m 6: De te slopen bebouwing. Bron: BNL advies. Datum: 13-07-2022
Pagina
8
De bebouwing welke gesloopt gaat worden (zie afbeelding 3 t/m 6), kan gebruikt worden door diverse soorten beschermde dier- en vogelsoorten, zoals uilen, vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen, maar ook andere vogel- en diersoorten kunnen de bebouwing en beplantingen nabij de te slopen bebouwing binnen het broedseizoen gebruiken om te nestelen en zich voort te planten.
3.2.2 Directe omgeving en beplantingen Aangrenzend aan de te slopen bebouwing, aangrenzend aan- en op de kavel zijn diverse beplantingen aanwezig zoals hagen, bomen, heesters en kruidachtige begroeiingen. Tijdens de rondgang dienen deze beplantingen, direct grenzend aan het plangebied, goed gecontroleerd te worden op bestaande nesten en holtes/ spleten in bomen, welke gebruikt kunnen worden door vogels en vleermuizen. Beoordeeld moet worden of de geplande werkzaamheden een negatief effect hebben op (beschermde) soorten flora en fauna op het kavel. Dit zal afhankelijk zijn van de soorten die voor komen, en op welke wijze zij het gebied gebruiken (groeiplaats, voortplantingsplaats, verblijfplaats of foerageerplaats). Elke functie kent een ander beschermingsregime.
3.3 Vooronderzoek Voorafgaand aan het bezoek op de projectlocatie is de NDFF geraadpleegd (zie tabel 2) om te bekijken welke soorten aanwezig zijn in het gebied, om daarop de quickscan aan te passen. De projectlocatie valt binnen het kilometerhok 142-417. Het belangrijkste wat opviel is dat in de directe omgeving (atlasblok van 5x5 km) diverse beschermde soorten flora en fauna voorkomen. Beoordeeld moet worden door middel van een veldbezoek of beschermde soorten ook mogelijk gebruik maken van het gebied/ aanwezig zijn in het gebied.
Tabel 2: mogelijk aanwezige zoogdieren binnen het plangebied. Bron: Verspreidingsatlas NDFF
Pagina
9
Gezien de ligging van het perceel en de aanwezigheid van beplantingen in de directe omgeving, was het dus belangrijk om het gebied goed te inventariseren op beschermde vaatplanten/ groeilocaties, aanwezige holtes / mogelijke verblijfplaatsen, voortplantings-, en nestlocaties van zoogdieren en vogelsoorten.
4. Onderzoeksresultaten beschermde soorten 4.1 Algemeen De te slopen bebouwing en omliggende gronden zijn op woensdag 13 juli 2022 visueel geïnspecteerd en gecontroleerd op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten of de nesten/ verblijfslocaties daarvan. Waar tijdens de quickscan vooral op gelet/ naar gezocht is zijn de volgende soorten: -
Mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen bebouwing Nesten in bomen/ beplantingen van vogels in de directe omgeving van het projectgebied Holtes en spleten/ scheuren in bomen en bebouwingen welke door vogels gebruikt worden Beschermde vaatplanten rondom te slopen bebouwing Mogelijke verblijfplaatsen en holen van marterachtigen
4.2 Soorten vogelrichtlijn 4.2.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied (de te slopen bebouwing) is mogelijk geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Huismus. Voor de huismus zijn geen vaste rust-, en/of verblijfplaatsen gevonden in de te slopen bebouwing. Er is gezocht naar aanwezige sporen in de vorm van nesten of uitwerpselen onder daken, in goten en in de te slopen bebouwing zelf. Deze zijn allen niet aangetroffen. In de te slopen bebouwing is onder de daken ook geen dakbeschot aanwezig. Overige mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen zijn voor de huismus niet aangetroffen (zie afbeelding 7 en 8). Nader onderzoek naar de huismus in de te slopen en verbouwen bebouwingen wordt dan ook niet nodig geacht.
Pagina
Gierzwaluw. Voor gierzwaluwen is de bebouwing niet direct geschikt, gierzwaluwen komen vooral voor in hoge lintbebouwing in dorpen en steden. Gezien de afwezigheid van geschikte invliegopeningen in de (kop)gevel(s)/ onder daken, is de aanwezigheid van vaste voortplantings-/ verblijfplaatsen voor de gierzwaluw uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de gierzwaluw wordt dan ook niet nodig geacht.
10
Afbeelding 7 en 8: Geen (mogelijke) nestlocaties van de huismus aangetroffen in de te slopen bebouwingen. Bron: BNL advies. Datum: 13-07-2022
Uilen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de steen- en kerkuil is gezien het type bebouwing aannemelijk. De te slopen bebouwing is gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van nestlocaties. Deze zijn niet aangetroffen. In de te slopen bebouwing (schuur recht achter de woning) zijn oude sporen van de kerkuil aangetroffen in de vorm van oude braakballen in ontbindende fase en uitwerpselen zie afbeelding 9 en 10). Het betreft met zekerheid geen vaste verblijfs-/voortplantingsplaats, maar een zogenaamde (voormalige) ‘roestplaats’ van de kerkuil. Derhalve wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Nader onderzoek naar overige soorten wordt, door het ontbreken van een potentiële verblijfs- of voortplantingsplaats en/of gezien er geen sporen zijn aangetroffen, tevens niet noodzakelijk geacht. Gelet op het feit dat er een voormalige roestplaats is gevonden, is het advies om maatregelen te treffen in de vorm van het plaatsen van een nestkast. Deze maatregel wordt voldoende geacht in het kader van soortenbescherming. Een kast plaatsen op de kavel zelf, is echter niet mogelijk, aangezien er geen bijgebouwen behouden blijven en de huidige woning hiervoor derhalve niet geschikt is gelet op de vormgeving van de gevels. Er is gezocht naar een geschikte plaats in de omgeving van het plangebied.
Hiervoor is de Uilenwerkgroep van Natuurwacht Bommelerwaard ingeschakeld. De Uilenwerkgroep heeft geconstateerd dat er twee geschikte plekken zijn in de omgeving van Heust 27 voor het plaatsen van nestkasten. Deze geschikte plekken betreffen de adressen aan Heust 43 en Heust 3. Door het nemen van deze maatregelen en daarmee het bieden van alternatieven als roestplaats voor de kerkuil vormt het slopen van de schuur geen belemmering in het kader van soortenbescherming. Ten aanzien van dit aspect zijn dan ook geen onevenredig negatieve effecten te verwachten.
Afbeelding 9 en 10: sporen kerkuil in de slopen bebouwing. Bron: BNL advies. Datum: 13-07-2022
Pagina
Ook voor soorten als de boomvalk en ransuil, zijn geen mogelijke nestlocaties aangetroffen. Deze soorten gebruiken vaak oude kraaien- en eksternesten om te nestelen, deze zijn in de directe omgeving van het plangebied niet aangetroffen.
11
Overige soorten. In de omgeving van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten- of sporen van boombewonende broedvogels waargenomen. Op basis hiervan kunnen soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en wespendief worden uitgesloten van aanwezigheid.
4.2.2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5 soorten). Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten in gebouwen, bomen en beplantingen. Wanneer buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal tussen 15 maart – 15 augustus) gewerkt wordt, kunnen geen negatieve effecten ontstaan. Voor deze soorten geldt tijdens de werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht.
4.2.3 Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. De Hagen, bomen en heesters binnen het plangebied zijn een geschikte nestplaats. Dit betreft soorten als zanglijster, houtduif en merel. Gezien de geplande ontwikkelingen vormen deze in geen enkele vorm een bedreiging voor deze soorten, wanneer buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal tussen 15 maart – 15 augustus) gewerkt wordt. Hiervoor geldt tijdens de werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht.
4.2.4 Werken binnen het broedseizoen Werken binnen- én buiten het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en nesten van algemene broedvogels. Dit dient men zelf te controleren voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Wanneer men nesten van vogels aantreft dienen de werkzaamheden stilgelegd te worden en dient een ecoloog ingeschakeld te worden. Hij of zij kan dan de vervolgstappen bepalen.
4.3 Soorten Habitatrichtlijn 4.3.1 Vleermuizen De te slopen bebouwing is gezien het bureauonderzoek, potentieel geschikt als vaste rusten verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Te denken valt dan aan de laatvlieger en gewone dwergvleermuis. Uit de verspreidingsatlas (NDFF) kwam naar voren dat deze soorten ook eerder gezien zijn in de directe omgeving van de te slopen bebouwing.
Pagina
12
Bebouwingen. In de te slopen bebouwingen zijn geen mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Er zijn is geen open spouw, dubbele wanden en openingen naar anderzijds mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig. Verder zijn er ook geen sporen van vleermuizen aangetroffen in de bebouwingen (zie afbeelding 11 t/m 14). Nader onderzoek naar vleermuizen in de te slopen bebouwing wordt niet nodig geacht.
Afbeelding 11 t/m 14: te slopen bebouwing gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijk geschikte verblijfslocaties van vleermuizen, welke niet zijn aangetroffen. Bron: BNL advies. Datum: 13-07-2022
Beplantingen. Ook in de bomen in de directe omgeving van het projectgebied zijn geen geschikte openingen/ holen/ spleten en scheuren aangetroffen, wat de aanwezigheid van vleermuizen mogelijk zou maken. Geconcludeerd kan worden dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing en aangrenzende bomen aanwezig zijn, welke nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Nader onderzoek naar vleermuizen wordt dan ook niet nodig geacht.
4.3.2 Overige Habitatrichtlijn soorten Het plangebied is ongeschikt voor overige habitatrichtlijnsoorten die volgens de Habitatrichtlijn beschermd zijn. Gezien de geplande werkzaamheden en de afwezigheid van water/ geschikt habitat is nader onderzoek op overige habitatrichtlijn soorten niet nodig.
Pagina
Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en als functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren waarvoor in de provincie Gelderland geen vrijstelling geldt zoals de steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing.
13
4.4 Nationaal beschermde soorten
Gezocht is naar sporen of mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen. Inen nabij de te slopen bebouwingen zijn geen sporen in de vorm van uitwerpselen of prooidieren aangetroffen. Ook mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marters in de vorm van takken- en steenhopen zijn niet aangetroffen. Algemene soorten. Het plangebied is potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats en als functioneel leefgebied voor algemene soorten als egel, konijn en (spits)muizen waarvoor in Gelderland een provinciale vrijstelling geldt.
4.4.1 Amfibieën en reptielen Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor amfibieën en reptielen waarvoor in de provincie Gelderland geen vrijstelling geldt, zoals bijvoorbeeld de knoflookpad, kamsalamander en andere beschermde soorten door de afwezigheid van een geschikt habitat.
4.4.2 Libellen Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor Nationaal beschermde soorten libellen door de afwezigheid van een geschikt habitat. Nader onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht.
4.4.3 Dagvlinders Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor Nationaal beschermde soorten dagvlinders. Het bronnen- en het veldonderzoek hebben ook geen (mogelijke) aanwezigheid aangetoond. Nader onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht.
4.4.4 Vaatplanten Potenties voor nationaal beschermde plantensoorten zijn binnen het plangebied afwezig. Binnen het plangebied zijn voedselarme of kalkrijke bodem en akkerreservaten afwezig.
4.4.5 Effectbeoordeling en toetsing Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt: egel en verschillende soorten (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
Pagina
14
Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand.
5. Conclusies en aanbevelingen 5.1 Soorten Vogelrichtlijn 5.1.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied (de te slopen bebouwing) is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de huismus, gierzwaluw en steenuil. Nader onderzoek naar deze soorten binnen het plangebied wordt niet nodig geacht. In de te slopen bebouwing zijn wel sporen aangetroffen van de kerkuil in de vorm van oude braakballen en uitwerpselen. Hiervoor is de lokale uilenwerkgroep ingeschakeld om compenserende maatregelen toe te passen in de directe omgeving van het plangebied. De Uilenwerkgroep heeft geconstateerd dat er twee geschikte plekken zijn in de omgeving van Heust 27 voor het plaatsen van nestkasten. Deze geschikte plekken betreffen de adressen aan Heust 43 en Heust 3, hier zijn dan ook op beide locaties één nestkast geplaatst. Door het nemen van deze maatregelen en daarmee het bieden van alternatieven als roestplaats voor de kerkuil vormt het slopen van de schuur geen belemmering in het kader van soortenbescherming. Ten aanzien van dit aspect zijn dan ook geen onevenredig negatieve effecten te verwachten. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden, wordt niet nodig geacht door het ontbreken van verblijfplaatsen/ nesten in de direct omgeving.
5.1.2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten in gebouwen en beplantingen. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden.
Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in hagen, bomen en heesters binnen het plangebied.
Pagina
5.1.3 Algemene broedvogels
15
Schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen (verwijderen van dakpannen) is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Men dient voorafgaand aan de werkzaamheden t.a.t. een controle naar aanwezige nesten uit te voeren en wanneer nesten aangetroffen worden dient een ecoloog ingeschakeld te worden.
Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen (verwijderen van beplantingen of het plaatsen van bouwmaterieel tegen of nabij beplantingen) is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Men dient voorafgaand aan de werkzaamheden t.a.t. een controle naar aanwezige nesten uit te voeren en wanneer nesten aangetroffen worden dient een ecoloog ingeschakeld te worden.
5.2 Soorten Habitatrichtlijn 5.2.1 Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht.
5.2.2 Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
5.3 Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Sporen van de aanwezigheid van de wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter, of mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen.
Pagina
16
Het plangebied is potentieel geschikt voor nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt als egel en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zo veel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
6. Conclusie Op basis van de uitkomsten voortkomend uit de quickscan flora en fauna, en de genomen stappen (het plaatsen van twee kerkuilkasten nabij het plangebied door de lokale uilenwerkgroep) m.b.t. de voormalige roestplaats van de kerkuil, wordt nader onderzoek niet nodig geacht. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. Hopende u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben, verblijf ik.
Met vriendelijke groet, Ecoloog BNL advies
Pagina
17
30-08-2023