Bijlage V - Infiltratieonderzoek
Tekst van het document
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................ 4
2
Grondonderzoek ..........................................................5
2.1
Algemeen
5
2.2
Inmeting
5
2.3
Boringen
5
2.4
Doorlatendheidsmetingen
5
2.5
Archiefgegevens
5
3
Bodemgesteldheid ..................................................... 6
3.1
Terrein en projectomgeving
6
3.2
Bodemopbouw
7
3.3
Grondwater
7
3.4
Oppervlaktewater
8
3.5
Doorlatendheid
9
4
Infiltratie hemelwater ............................................. 10
4.1
Toetsing
10
4.2
Conclusie
11
5
Dimensionering infiltratievoorziening ............. 12
5.1
Uitgangspunten
5.1.1
Algemeen ................................................................................................................................................ 12
5.1.2
Wadi .......................................................................................................................................................... 12
5.2
Ontwerpadvies
13
5.3
Overige ontwerpaspecten
14
5.3.1
Algemeen ................................................................................................................................................ 14
5.3.2
Wadi .......................................................................................................................................................... 14
5.4
Voorzuivering en onderhoud
12
15
Bijlagen ........................................................................................
GA240835.R01.V1.0
3 van 16
1 Inleiding In opdracht van
heeft Geonius een infiltratieonderzoek uitgevoerd en een infiltratieadvies
opgesteld. Dit onderzoek is nodig voor de afkoppeling van hemelwater bij de toekomstige nieuwbouw aan de Heust 27 te Well. De projectlocatie betreft het kavel tegenover de woning aan de Heust 27, de ligging van de kavel is weergegeven in Figuur 1.1. De toekomstige nieuwbouw op de kavel is momenteel nog onbekend. De status van het projectgebied is dat men voornemens is het bestemmingsplan van het perceel te wijzigen alvorens de kavel te verkopen. Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging verlangt de gemeente een onderzoek naar de infiltratiemogelijkheden op de projectlocatie. In voorliggend rapport zijn zowel de resultaten van het infiltratieonderzoek als het infiltratieadvies opgenomen. Bij het infiltratieonderzoek zijn handboringen en doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Voor de uitgangspunten voor het ontwerp van de infiltratievoorziening wordt verwezen naar §5.1. Voor het toekomstig verhard oppervlak wordt uitgegaan van door de opdrachtgever verstrekte maximale oppervlakten (conservatieve aanname). Door de opdrachtgever is aangegeven dat door de gemeente een wadi als infiltratietype op de projectlocatie is gewenst. De resultaten van het infiltratieonderzoek zijn getoetst aan de richtlijnen van Gemeente Maasdriel.
Figuur 1.1: Luchtfoto met ligging projectlocatie (rood kader) [bron: PDOK]
GA240835.R01.V1.0
4 van 16
2 Grondonderzoek 2.1 Algemeen
Ten behoeve van het grondonderzoek zijn in oktober 2024 vier handboringen en vier doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Hieronder is het uitgevoerde onderzoek verder beschreven.
2.2 Inmeting De situering met de coördinaten van de onderzoekspunten zijn op situatietekening GA240835.T01 weergegeven, welke in Bijlage 1 is opgenomen. De onderzoekspunten zijn met behulp van 06-GPS ingemeten t.o.v. het Rijksdriehoekstelsel en NAP met een nauwkeurigheid van ca. 0,1 m. Alle gegevens van de inmeting zijn een momentopname en daarmee alleen te gebruiken in het kader van voorliggend onderzoek.
2.3 Boringen Om de toplagen nader te verkennen en doorlatendheidsmetingen uit te kunnen voeren, zijn op de locatie zes handboringen (genummerd GA240835 B001 t/m B004) tot ca. 1,5 m- maaiveld uitgevoerd. Tijdens de boorwerkzaamheden is het opgeboorde materiaal geïdentificeerd en beschreven conform NEN-EN-ISO 146881:2019+NEN 8990:2020: boorklasse B3. De boorstaten zijn gepresenteerd ten opzichte van maaiveld en NAP en zijn opgenomen in Bijlage 2.
2.4 Doorlatendheidsmetingen In de boorgaten zijn doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Deze zijn genummerd GA240835 DM01 t/m DM04 en zijn opgenomen in Bijlage 3. De doorlatendheidsmetingen zijn volgens de omgekeerde open-boorgatmethode (Porchet) gemeten. Om de meting te kunnen uitvoeren, wordt allereerst een gat geboord tot de onderkant van de te beproeven laag. Vervolgens wordt in het boorgat water toegevoegd en wordt de daling van de grondwaterstand per tijdseenheid gemeten, hieruit kan de doorlatendheid worden berekend.
2.5 Archiefgegevens Aanvullend op het grondonderzoek zijn met een bureauonderzoek gegevens verzameld van de projectlocatie. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • DINOloket van TNO; • Grondwatertools van TNO; • Geodataportaal van NHI; • Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); • Kaarten waterschap (Legger, Peilbesluit).
GA240835.R01.V1.0
5 van 16
zal ten koste gaan van de beschikbare ruimte. Afhankelijk van de beschikbare ruimte is dit wel een economisch aantrekkelijk, robuust en goed onderhoudbaar systeem. 3.
Infiltratie in de ondiepe ondergrond (tot ca. 3,5 m- maaiveld) middels een ondergronds systeem. Hierbij valt te denken aan infiltratie via infiltratiekratten, infiltratiekoffers, putten en/of infiltratieriool. Dit behoort gezien de beperkte doorlatendheid en de relatief hoge grondwaterstand niet tot de mogelijkheden. Een dergelijk infiltratiesysteem dient tevens op voldoende afstand van de bestaande en nieuwbouw geprojecteerd te worden.
4.
Infiltratie naar de diepere ondergrond (dieper dan ca. 3,5 m- maaiveld). Dit kan middels grindpalen naar een dieper niveau. Dit behoort wellicht tot de mogelijkheden. Hiervoor dient dan de doorlatendheid van de diepere ondergrond onderzocht te worden.
4.2 Conclusie Uit de gemeten doorlatendheden en grondwaterstand blijkt dat infiltratie van hemelwater tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondergrond is matig. Wij adviseren vanwege de relatief hoge grondwaterstand een infiltratievoorziening in de bovengrond aan te leggen, bijvoorbeeld een wadi of infiltratiegreppel. In volgend hoofdstuk wordt een wadi nader uitgewerkt als infiltratiesysteem op de projectlocatie.
GA240835.R01.V1.0
11 van 16
5 Dimensionering infiltratievoorziening 5.1 Uitgangspunten
Ten aanzien van de het totaal afwaterende oppervlak, de matige doorlatendheid van de ondergrond, het gewenste infiltratietype en de beschikbare ruimte op het terrein adviseren wij het toepassen van een wadi als infiltratiesysteem. In de berekeningen is rekening gehouden met infiltratie door de bodem en wanden van de wadi. Om infiltratie te bevorderen en het ruimtebeslag te verkleinen kan het systeem via een bodemfilter en/of overstortvoorziening nog op een ondergronds pakket van poreus materiaal, infiltratiekratten of drainbuizen worden aangesloten. Bij het dimensioneren van de voorziening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
5.1.1 Algemeen •
conform gegevens verstrekt door de opdrachtgever bedraagt het totale afwaterend oppervlak voor de uitbreiding ca. 880 m2. Dit is gebaseerd op onderstaande aantallen welke als maximale oppervlakten gelden voor de toekomstige situatie. Dit omvat:
•
o
dakoppervlak woning: ca. 250 m²;
o
oppervlak bijgebouwen en overkappingen: 180 m²;
o
verharding incl. inrit: 450 m²;
conform de richtlijnen van de gemeente Maasdriel is de infiltratievoorziening gedimensioneerd op een bergingseis van 43,6 mm per m² verhard oppervlak;
•
de hoeveelheid toestromend water is berekend op basis van het afwaterend oppervlak en de bergingseis. De uitkomst van deze berekeningen bedraagt ca. 38,4 m3;
•
conform de richtlijnen van RIONED wordt een ledigingstijd van maximaal 24 uur gehanteerd. Indien vanwege de doorlatendheid niet aan de ledigingstijd van 24 uur kan worden voldaan kan een leegloopvoorziening worden toegepast;
•
bij de dimensionering van de voorziening wordt uitgegaan van infiltratie tijdens de bui;
•
voor de doorlatendheid is op basis van de maatgevende doorlatendheidsmetingen een k-waarde gehanteerd van 0,2 m/dag;
•
conform ISSO-publicatie 70.1 is de afvloeiingscoëfficiënt aangehouden op 1; dat wil zeggen dat alle neerslag op het beschouwde oppervlak, in het infiltratiesysteem terecht komt.
5.1.2 Wadi •
voor de wadi is uitgegaan van een talud van 1:3 of flauwer zodat deze nog machinaal gemaaid kan worden;
•
voor de wadi wordt uitgegaan dat deze ontstaat door ontgraving van het terrein en begroeid zal zijn met gras. Derhalve is voor de berekening van de wadi conform de Leidraad Riolering uitgegaan van de doorlatendheid van gras welke conform de Leidraad 0,5 m/dag bedraagt. Eventueel kan de bodem van de wadi voorzien worden van drains en drainagezand;
•
voor de berekening is uitgegaan van een wadi met een diepte van 0,4 m en een waakhoogte van 0,1 m. De maximale waterdiepte komt hiermee op 0,3 m;
GA240835.R01.V1.0
12 van 16
Voor de ontwateringsdiepte voor woningen wordt doorgaans een ontwateringsdiepte van 0,7 m gehanteerd, dit verschilt per gemeente. Uitgaande van een ontwateringsdiepte van 0,7 m en een GHG van NAP +1,5 m adviseren we uit te gaan van een minimaal vloerpeil van ca. NAP +2,2 m. Dit betreft een aanname, ook aangezien er in dit stadium geen concrete bouwplannen bekend zijn.
5.3 Overige ontwerpaspecten 5.3.1 Algemeen Het infiltratiesysteem dient van een noodoverstort te worden voorzien, zodat bij falen van het systeem het hemelwater naar elders kan afstromen, zoals het gemeentelijk (HWA) riool of een nabijgelegen watergang. We raden aan de wadi te voorzien van een overstort naar de sloot aan de achterzijde van het perceel (zie Figuur 5.1). Indien gekozen wordt voor een ondergrondse overstort op het gemeentelijke riool dan dient de overstort van een terugslagklep te worden voorzien. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de hoogte van de overstort, deze moet onder vrij verval kunnen afstromen richting het riool.
Figuur 5.1: Overstortlocatie, sloot aan de achterzijde van het perceel (oranje pijl) [bron: PDOK]
5.3.2 Wadi Om infiltratie te bevorderen en het ruimtebeslag te verkleinen kan een grondverbetering worden toegepast onder en rondom de wadi. We raden een homogeen, goed doorlatend zand aan als grondverbetering (vb. drainagezand). Tijdens de aanleg van de wadi dient te worden opgelet dat de bodem niet wordt dichtgereden of verslempt door bouwverkeer. In deze fase vormt ook het dichtslibben van de bodem door bouwafval, zand en slib een risico welke de infiltratiecapaciteit negatief beïnvloedt.
GA240835.R01.V1.0
14 van 16
Wij adviseren de wadi van een bodemfilter te voorzien met humeus materiaal. Hierop kan vegetatie groeien, waarvan de beworteling zorgt voor een doorlopend poriënstelsel, hetgeen de infiltratie bevordert. Het maaien van de grasgedeeltes van de wadi dient in goede weersomstandigheden plaats te vinden. Er dient voorkomen te worden dat eventuele beplanting de wadi overwoekerd. Afgevallen blad dient regelmatig uit de voorziening verwijderd te worden.
5.4 Voorzuivering en onderhoud Door bezinking van slibdeeltjes kan vervuiling van het systeem optreden, waardoor de goede werking wordt beïnvloed. Het is daarom gewenst om bij de inlaat van het systeem een slibvang in te bouwen, zodat vuil, bladeren, etc. kunnen worden afgevangen. Daarnaast kan het noodzakelijk zijn om het aanvoersysteem op te schonen. Wij adviseren hiervoor voorzieningen aan te brengen. Wij wijzen er nadrukkelijk op het infiltratiesysteem regelmatig van onderhoud te voorzien. Het maaien van de grasgedeeltes van de wadi dient in goede weersomstandigheden plaats te vinden. Er dient voorkomen te worden dat eventuele beplanting de wadi overwoekert. Afgevallen blad dient regelmatig uit de voorziening verwijderd te worden. Zonder regelmatige reiniging / doorspuiten hebben veel infiltratiesystemen na ca. 3 jaar nog maar 50% van de oorspronkelijke infiltratiecapaciteit beschikbaar, en functioneert het systeem na 5 tot 10 jaar enkel nog als buffer. Het dichtslibben van infiltratiesystemen is ook het gevolg van fijnstof, welke niet met een reguliere zandvang of bezinkput kan worden afgevangen en welke slechts deels uit een dichtgeslibd systeem te verwijderen is. Het te infiltreren hemelwater dient gezuiverd te worden door middel van een bodemfilter of zuiverend substraat. Voor infiltratie van het water zal een zand- en slibvangsysteem moeten worden aangebracht.
We adviseren een bodemfilter aan te leggen in de toplaag van de wadi. Een bodemfilter bestaat uit een organische stof- en lutumhoudende toplaag waarin verontreinigingen zich binden. De samenstelling moet een compromis zijn tussen het bindend vermogen van verontreinigingen en de waterdoorlaatbaarheid van de toplaag. Aanbevolen wordt om een bodemfilter aan te leggen met een lutumgehalte van 3 - 5 % en een organische stofgehalte van 2 - 4 %. Indien organische stof wordt toegevoegd, dient dit te gebeuren in de vorm van stabiele humus, omdat ‘verse’ organische stof (amorfe humusdelen) gemakkelijk uitspoelt en dus ook de hieraan gebonden verontreinigingen Er dient rekening gehouden te worden met het dichtslibben van het bodemfilter. Het goed functioneren ervan zal dan ook sterk onderhoudsafhankelijk zijn. Er wordt dan ook geadviseerd de doorlatendheid van het bodemfilter periodiek te meten en indien nodig het bodemfilter te vervangen. Er zijn voorzuiveringssystemen beschikbaar waarmee tot ca. 80% van de vaste bestanddelen uit het te infiltreren water kunnen worden afgevangen. Zo kan toepassing van een goede voorzuivering en regelmatig onderhoud de levensduur van een infiltratiesysteem significant verlengen.
Ook kan een vertraagde afvoer naar het riool of oppervlaktewater middels een regelbare debietbegrenzer worden toegepast, zodat de beschikbaarheid van de voorziening ook na een verminderde infiltratiecapaciteit kan worden gewaarborgd.
GA240835.R01.V1.0
15 van 16
Geonius heeft monitoringssystemen beschikbaar waarmee het waterpeil en de leeglooptijd van het systeem kan worden gemonitord. Deze kunnen worden toegepast ten behoeve van de controle van de werking van het systeem, op basis waarvan het onderhoudsregime kan worden bepaald. Indien gewenst kunnen we hierin nader adviseren, tevens kan het volledig ontwerp van de hemelwaterafvoer en de terreininrichting door ons bureau nader worden uitgewerkt.
GA240835.R01.V1.0
16 van 16
Bijlage 1 Situatietekening
GA240835.R01.V1.0
Bijlage 2 Boringen
GA240835.R01.V1.0
Bijlage 3 Doorlatendheidsmetingen
GA240835.R01.V1.0
Bijlage 4 Dimensionering infiltratievoorziening
GA240835.R01.V1.0