Bijlage bij brief mmv VG Hoofdartikel Flora en fauna uiterwaarden
Tekst van het document
VEE & GEWAS
| nr 12 | zaterdag 5 juni 2021
Column
LTO zet stap in de diepte met stikstofvoorstel Vlak voor de verkiezingen wist landbouwminister Schouten een stikstofwet door de Tweede en Eerste Kamer te loodsen, waarin voor de landbouwsector een loodzware opdracht zit. Vorige week overtroefde LTO die doelstelling met ruim het dubbele in een gezamenlijk voorstel aan de informateur. Is dat wel verstandig? LTO, Natuurmonumenten, Natuur & Milieu, VNO-NCW, MKB-Nederland en Bouwend Nederland verrasten vorige week met een voorstel om een extra forse inspanning te realiseren om de stikstofcrisis op te lossen. In plaats van 26 procent minder uitstoot in 2030 wil LTO een reductie van 40 procent (117 mol) in hetzelfde jaar. De totale reductie bedraagt 177 mol en maakt zo nieuwe economische ontwikkelingen mogelijk ter grootte van 60 mol. Als je het plan leest, vallen een paar zaken op. In de eerste plaats de organisaties die zich gevonden hebben in het voorstel. Eerlijk gezegd zijn Natuurmonumenten en Natuur & Milieu een beetje een vreemde eend in de bijt. Van Natuurmonumenten kun je nog denken dat ze belanghebbende zijn, omdat ze zorg dragen voor de natuurgebieden. Maar er staat in het plan geen enkele inspanningsverplichting om tot een beter natuurbeheer te komen. Dat is vreemd, want natuurbeheer heeft zelf ook een grote invloed op de natuurkwaliteit. Het ontbreken van voldoende schapen op de heide is daar een voorbeeld van.
Als je ziet wat de landbouw moet
Het voelt als een gezocht momentum voor een harde tik richting landbouw leveren, had LTO daar wel iets voor mogen terugvragen. Er zal vast een goede reden zijn om Natuur & Milieu mee te laten praten, maar ik denk dat Johan Vollenbroek daar aan tafel had moeten zitten. Misschien is het geprobeerd, ik weet het niet. Dan waren de rechtszaken mogelijk ook van de baan en dat zou pas echt een stap voorwaarts zijn. Wie goed naar de cijfers van het LTO-plan kijkt, ziet dat de totale reductie geen 40 procent is in 2030, maar 60,5 procent. De totale reductie wordt op 177 mol gesteld in plaats van 117. En van die extra 20 procent reductie krijgt de landbouw een derde terug voor eigen ontwikkeling. De rest is nodig voor industrie en woningbouw. En die reductie moet grotendeels van de landbouw komen.
De samenwerkende partijen denken dat die totale 60 mol genoeg is om de economie weer gewoon te laten draaien. Dus LTO stelt een verzwaring van de doelstelling voor van 26 naar ruim 60 procent. Dat is nogal een forse stap. Misschien was de gedachte: we kunnen het niet tegenhouden, dus gaan we er in mee als het stoppen en verplaatsen op basis van vrijwilligheid overeind blijft en de overheid er flink voor betaalt. Tot 2030 is jaarlijks € 1,7 miljard aan investeringen nodig om alle doelen te behalen, zo hebben de organisaties berekend. Het voelt bij mij als een stap in de diepte. En ik krijg het gevoel dat LTO zich heeft laten meesleuren in de hausse aan plannen en voorstellen die het afgelopen half jaar door de verkiezingen en de formatie naar Den Haag zijn gestuurd. Daardoor lijkt het alsof de landbouw een giga probleem heeft en dat er een enorme urgentie is om de sector te laten transformeren. Dat landbouwbedrijven nog toekomstbestendiger kunnen worden, zal niemand ontkennen. En dat er door de juridisering van het natuurbeleid een uitdaging ligt ook niet. Maar het voelt bij mij als een gezocht momentum om de agrarische sector een veel hardere tik te geven dan nodig is. Met de wetgeving die er nu ligt, kunnen we de komende jaren prima vooruit. We kunnen ervaring opdoen en het wordt tastbaar gemaakt hoe een eventuele versnelling van de stikstofreductie er uit kan komen te zien.
Dat er meer huizen bij moeten, is logisch. Maar Bouwend Nederland schreeuwt ook gewoon hard, en met veel hogere aantallen, om hun doel te bereiken. LTO faciliteert in mijn ogen op deze wijze het halen van die doelstelling en blijft zelf achter met een steeds sneller teruglopende boerenstand, waar ze nota bene zelf de grootste belangenbehartiger van zijn. Veel draagvlak lijkt er nog niet te zijn en ook onder LTO-leden zijn de reacties verdeeld. De top-down benadering van eerst een voorstel maken en presenteren en dan pas aan de leden vragen wat ze ervan vinden, draagt daar ook niet aan bij. Robert Ellenkamp, hoofdredacteur Agrio Reageren via r.ellenkamp@agrio.nl
Stikstof geen bedreiging voor natuur in uiterwaarden De Gelderse uiterwaarden zijn van nature voedselrijk. Daardoor heeft stikstofdepositie nauwelijks negatieve effecten voor de natuur. Dat blijkt uit onderzoek van Agrio in samenwerking met Eurofins Agro en bodemkundige Gerard Ros van het NMI. Ook zijn er vragen te stellen bij de onderbouwing van de kritische depositiewaarde voor de leefgebieden.
H
eeft stikstofdepositie in de Gelderse uiterwaarden wel invloed op de botanische samenstelling van de flora? Die bodems zijn immers van nature voedselrijk, bevatten veel organische stikstof en beschermen deze stikstof voor afbraak. Op die onderzoeksvraag probeerde Agrio een duidelijk antwoord te krijgen, omdat er in de uiterwaarden grote oppervlakten aan Leefgebieden (Kamgrasweide) zijn aangewezen. Deze Leefgebieden kennen een kritische depositiewaarde van 20 kg N/ha/jaar (1429 mol N/ha/ jaar). Daarmee zijn ze een beperkende factor voor bedrijfsontwikkeling binnen de landbouw en voor andere economische activiteiten die stikstof uitstoten.
Analyse bodemsoorten Uit een analyse van de Gelderse bodemkaart blijken de Leefgebieden hoofdzakelijk uit drie bodemtypen te bestaan: lichte zavel, zavel en lichte klei. Vanuit de bodemkunde is bekend dat ammonium gebonden kan worden aan het klei-humus complex. Het zou dus logisch zijn dat daar rekening mee werd gehouden bij de vaststelling van de kritische depositiewaarde. Op zwaardere gronden wordt meer stikstof gebonden dan op lichtere gronden, dus is het effect van stikstofdepositie op de natuur ook verschillend. De vraag waarom hier in het beleid geen rekening mee wordt gehouden, legde Vee&Gewas voor aan onderzoeker Han van Dobben van Wageningen Universiteit & Research (WUR). Hij werkte mee aan het bepalen van de KDW voor de Leefgebieden. Hij bevestigt dat er verschillen zijn. „Op zware zavel of lichte klei is de buffercapaciteit groter en heeft depositie dus minder of minder snel invloed. Maar het gaat in het natuurbeheer altijd om de variatie. Het zijn juist de meer zandige plekken zoals stroom-
ruggen en oeverwallen, die de rijkste vegetatie hebben. En die verzuren ook weer het snelst.” Over waarom er bij het bepalen van de KDW geen rekening is gehouden met de verschillen in de bodem, zegt Van Dobben: „We hadden alleen KDW’s uitgerekend voor vegetatie typen en niet voor dieren van de Leefgebieden. Toen is er een noodoplossing bedacht. Ik vond dat zelf een beetje provisorisch. We berekenden voor elk van de zeven bodemsoorten een gemiddelde KDW op basis van de vegetatietypen. Vervolgens middelden we die KDW’s weer via een nog verdere generalisatie, om zo bij een KDW van een Leefgebied te komen.”
Verzurende werking In hoeverre stikstofdepositie effect heeft op de plantensamenstelling vroeg Vee&Gewas ook aan bodemkundige Gerard Ros van het NMI. „Stikstofdepositie zorgt in een natuurlijke situatie altijd voor verzuring. Zeker als er geen dierlijke mest of kalk wordt toegediend, om zo het vrijkomen van H+ te neutraliseren en de uitspoeling van kationen te compenseren. Dit effect is groter op zandgronden dan op klei, door de grotere bufferende werking van de CEC.” Ros stelt dat naast de pH ook de aanwezigheid van kalk sturend is op de mate van verzuring. „Zolang er nog kalk in de bodem zit, is het niet waarschijnlijk dat de genoemde depositie de verzuring dermate versnelt dat er sprake is van natuurschade. Terugkijkend naar de onderliggende studies waarop de KDW is gebaseerd, is de stikstofrijkdom van de bodem belangrijker dan het voorkomen van verzuring. Als er veel stikstof beschikbaar is, dan kunnen specifieke grassoorten de concurrentie winnen, waardoor diversiteit afneemt. Als de percelen ook nog landbouwkundig beheerd worden, dan is het effect van de 20 kg N verwaarloosbaar klein. Bovendien zit er onder grasland en op klei relatief
Regio | 3
De pH, het kalkgehalte en het stikstofleverend vermogen van de voedselrijke bodems in de uiterwaarden zorgen ervoor dat stikstofdepositie uit de lucht nauwelijks effect heeft.
Onderzoek Stichting Agrifacts ontdekte eind vorig jaar dat er met name in Gelderland veel Leefgebieden waren toegevoegd in Natura 2000 gebied Rijntakken. Zo werd duidelijk dat percelen in agrarisch gebruik als stikstofgevoelig zijn aangemerkt, terwijl daar gewoon bemest wordt volgens landbouwkundig gebruik. Minister Schouten gaf toe dat dit niet kon kloppen. Daarom kregen de provincies de opdracht om in agrarisch gebruik zijnde percelen uit Aerius te verwijderen. Met dit onderzoek kijkt Agrio nog wat dieper naar de effecten van stikstofdepositie en hoe de kritische depositiewaarden tot stand zijn gekomen. veel natuurlijke stikstof in de bodem. En deze bestaande hoeveelheid beperkt al het voorkomen van een grote diversiteit.”
Bodemdata veehouders Om de vraag echt goed te kunnen beantwoorden vroeg Ros om bodemdata. Met toestemming van dertien veehouders werden recente bodemdata opgevraagd van 202 bodemmonsters van percelen in de Gelderse uiterwaarden bij agrarisch laboratorium Eurofins Agro (zie tabel). Deze bodemmonsters overlappen grotendeels met de Leefgebieden. Hieruit blijkt de pH hoog te zijn. Op 87 procent van
de percelen is de pH hoger dan 5,8. Bekalken volgens landbouwkundige maatstaven is pas nodig vanaf een pH van 4,8. Gemiddeld ligt het kalkgehalte op 2 procent met uitschieters naar boven tot 8 procent. Ros: „Op deze percelen wordt normaal geen onderhoudsbekalking geadviseerd. Dus, kijkend naar de zuurtegraad en kalkgehalte, heeft een eventuele verzuring door depositie maar een heel beperkt effect op de botanische samenstelling.”
N-leverend vermogen Om vast te stellen of stikstofdepositie van invloed is op de botanische samenstelling is ook informatie nodig over het natuurlijk N-leverend vermogen (NLV) van de bodem. Hiervoor bekeek Ros eerst de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de vastge-
Kritische depositiewaarden zijn provisorisch tot stand gekomen stelde kritische depositiewaarde. Het gaat dan om het Park Grass experiment in het Engelse Rothamsted, een langjarige proef langs de Rijn van WUR-onderzoeker Beltman en een meerjarige proef in Tsjechië. In de eerste plaats viel het Ros op dat de 20 kg N die als grens wordt gehanteerd, niet rechtstreeks voortvloeit uit die
Bodemparameter OS-gehalte (%)
Min 1,9
25-percentiel 5,1
Mediaan 7,1
75-percentiel 9,1
Max 14,1
Kleigehalte (%) Koolzure kalk (%) pH-CaCl2 (-) pH-KCl (-) N-totaal (mg/kg) NLV (kg N / ha)
2,5 0,2 5 4,8 890 62
13 1,1 6,4 6,4 2.642 122
20 2,1 6,7 6,6 3.619 156
27 3,4 6,9 6,8 4.856 199
46 8,2 7,4 7,4 6.762 250
Ruimtelijke variatie in bodemeigenschappen op basis van 202 grondmonsters uit de Gelderse uiterwaarden van de Waal, Neder-Rijn en IJssel. (bron: Eurofins Agro) onderzoeken maar is afgeleid. „Dat brengt een bepaalde mate van onnauwkeurigheid met zich mee.” Daarnaast blijkt dat de afname van soorten sterk bepaald werd door de N-rijkdom van het ecosysteem. Ros: „Als stikstof een beperkende factor is, zorgt een verhoging van de Naanvoer voor een hogere productie van bepaalde grassoorten, en daarmee automatisch ook voor een verlaging van de diversiteit. Wanneer ik de onderzoeksgegevens van Beltman vergelijk met de bodemdata van de 202 grondmonsters, dan is slechts 7 procent van de percelen vergelijkbaar met de proef van Beltman. In de overige 93 procent van de percelen zit al meer stikstof in de bodem. En deze stikstof zorgt er ook voor dat het systeem niet meer stikstof-beperkend is. Nu is het zo dat het NLV geschat wordt op basis van bemeste gronden. Maar ook al zou deze in onbemeste gronden 50 procent lager liggen dan het landbouwkundig advies, dan is meer dan de helft van alle percelen rijker in stikstof.”
Geen effect Het wordt nog opmerkelijker, want in het onderzoek van Beltman wordt verwezen naar een onderzoek van Lamers. Daaruit blijkt dat het stikstofleverend vermogen van de bodem vooral invloed heeft op de soorten samenstelling als de opbrengst onder de 500 gram per vierkante meter blijft. In de Nederlandse uiterwaarden ligt die gemiddeld op 1 kilogram en loopt op tot 8 kilogram. Dat suggereert dat de uiterwaarden rijk zijn aan stikstof en dat N-limitatie niet de sleutel is voor het creëren van soortenrijkdom. In die situatie heeft verminderen van depositie niet zo heel veel zin. Tenzij er bewust gezocht wordt naar mogelijkheden om het natuurlijke systeem verder te verschralen. Tekst en beeld: Robert Ellenkamp
@ Wilt u reageren? r.ellenkamp@agrio.nl of tel. 0314 - 62 64 38