CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Nota reikwijdte en detailniveau

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding2.318 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie Projectnummer Onderwerp Aan Auteur Datum

1

DPO-60 Notitie Reikwijdte en Detailniveau plan-m.e.r.

12 september 2019

Aanleiding milieueffectrapportage

Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) exploiteert namens het Ministerie van Defensie verschillende transportleidingen voor kerosine in Nederland. Deze leidingen maken deel uit van het NATO / CEPS pijpleidingnetwerk. De transportleidingen zijn voor een groot deel aangelegd in de jaren ‘50 en ’60 met een dekking die niet aan de huidige regels en standaarden voldoet. Eén van de leidingen ligt tussen Ammerzoden, gemeente Maasdriel, en Vlijmen, gemeente Heusden. De leiding kruist na Ammerzoden de Maas en loopt via ’s-Hertogenbosch naar Vlijmen. De ligging van de leiding ter hoogte van de Maasbodem is onvoldoende diep. De capaciteit (de diameter) van de huidige leiding is onvoldoende om een doelmatige aanvoer van kerosine te kunnen garanderen. Verder moet de leiding ter hoogte van de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL) worden verlegd. De bestaande brandstofleiding tussen Ammerzoden (gemeente Maasdriel) en Vlijmen (gemeente Heusden) voldoet niet meer voor wat betreft capaciteit en ligging. Er is een nieuw tracé ontworpen, waarvoor nieuwe ruimtelijke plannen moeten worden gemaakt (aanleg en bescherming aangelegde leiding, verwijderen/onklaar maken bestaande leiding). Het tracé doorkruist de gemeenten Maasdriel, ’s-Hertogenbosch en Heusden. Ten oosten van Ammerzoden kruist het tracé voor een klein deel het plangebied van het Provinciaal Inpassingsplan Bommelerwaard.

Voor het nieuwe tracé zijn drie bestemmingsplanwijzigingen nodig binnen de genoemde gemeenten en een wijziging van het inpassingsplan Bommelerwaard. De aanleg van de leiding zorgt voor een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Plannen, waaronder ruimtelijke plannen, die kunnen leiden tot negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zijn niet zonder meer toegestaan. Deze moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt de maximale invulling van het ruimtelijke plan vergeleken met de huidige feitelijke situatie, die niet overeen komt of hoeft te komen met de planologische, nog niet benutte mogelijkheden op dat moment. Uit indicatieve berekeningen blijkt dat als gevolg van de toekomstige ruimtelijke plannen, een toename van de stikstofdepositie van ca 0,06 mol/ha/jaar te verwachten is. Dit betekent dat

1/9

significante effecten op dat gebied als gevolg van de vaststelling van het plan niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en dat een passende beoordeling nodig is (artikel 2.7 Wet natuurbescherming). Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer is in dat geval ook een milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.)1 nodig.

2

Procedure

Aangezien voor het plan een planMER opgesteld moet worden op basis van art 7.2a Wm is de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing. De uitgebreide procedure wordt beschreven in art 7.27 Wm en hieronder beknopt weergegeven: •

Het bevoegd gezag geeft er volgens (artikel 7.9 Wm) kennis van dat een plan waarop de m.e.r.-plicht van toepassing is wordt voorbereid. In de kennisgeving is onder andere opgenomen waar de stukken ter inzage liggen en wie op welke manier in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Daarnaast moet het bevoegd gezag een aantal overheidsorganen en adviseurs betrekken bij het besluit over de reikwijdte en het detailniveau van het MER; vaak wordt een Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gemaakt en ter inzage gelegd. Vervolgens wordt het MER opgesteld. Zodra het MER gereed is doet het bevoegd gezag een kennisgeving van het MER en het ontwerpbestemmingsplan. Beide stukken worden gelijktijdig ter inzage gelegd. Gedurende de termijn voor terinzagelegging kan iedereen zienswijzen indienen met betrekking tot de stukken. Gelijktijdig wordt advies uitgebracht door de commissie m.e.r. Op basis van de stukken, ingebrachte zienswijzen en advies van de commissie m.e.r. neemt het bevoegd gezag een definitief besluit. Het definitieve besluit wordt bekend gemaakt.

•

• • • • •

3

Nota Reikwijdte en Detailniveau

Het doel van de NRD is om de onderzoekslast voor het MER te bepalen en vast te leggen. De NRD wordt opgesteld op basis van de beschikbare informatie. In deze NRD wordt beschreven: • voornemen en bandbreedte: welk gebied en welke activiteiten worden in het MER beschouwd; • toetsingscriteria en beoordelingscriteria: criteria en methode aan de hand waarvan de milieueffecten worden beoordeeld. Omdat de toename van de stikstofdepositie in dit geval de enige grondslag is voor het doorlopen van een plan-m.e.r., is dit het voornaamste onderwerp in het MER. In combinatie met bovenstaande kader en randvoorwaarden betekent dit, dat de varianten die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen beperkt zijn en eventueel alleen kunnen worden gezocht in een alternatieve uitvoering van het plan. Het is de bedoeling het voornemen voor de plan-m.e.r. zo snel mogelijk bekend te maken en de NRD vervolgens ter inzage te leggen. 1

MER is het document, m.e.r. is de procedure

2/9

De volgende instanties worden benaderd over de reikwijdte en het detailniveau: • Het gemeentebestuur van Maasdriel; • Het gemeentebestuur van ’s-Hertogenbosch; • Het gemeentebestuur van Heusden; • Het provinciebestuur van Gelderland; • Het provinciebestuur van Noord-Brabant; • De Waterschappen Rivierenland en Aa en Maas; • Rijkswaterstaat.

3/9

4

Beschrijving voornemen, alternatieven/varianten

4.1

Voornemen

Het voornemen bestaat uit het aanleggen van een volledig nieuwe leiding en het verwijderen, dan wel als dat niet mogelijk is, onklaar maken van de bestaande leiding. De nieuwe leiding wordt deels aangelegd met een open ontgraving en deels via gestuurde boringen.

Figuur 1 Ligging nieuw tracé (groen-blauw), bestaand tracé (roze)

4/9

4.2

Ontbreken redelijke alternatieven

Een milieueffectrapportage is een onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit. Op basis van art. 7.7 Wm moeten in het MER de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven worden beschreven. Een alternatief moet realistisch zijn. Dit betekent dat het alternatief technisch maakbaar, betaalbaar en probleemoplossend moet zijn. De noodzaak van een kerosineleiding van voldoende capaciteit op het tracé Ammerzoden – Vlijmen, als onderdeel van het NATO-netwerk staat vast als gevolg van een voor NATO Minimum Military Requirment. Een alternatieve vorm van aanlevering van brandstof, of het gebruiken van een ander soort brandstof, is niet realistisch gezien het single fuel concept in het pijpleiding systeem. Er is een uitgebreide studie gedaan naar de ligging van het tracé. Hierbij is rekening gehouden met fysieke belemmeringen, zoals bestaande bebouwing en kruisingen met infrastructuur/kunstwerken, maar ook met eigendomssituaties, milieueffecten, enz. Hieruit is het gekozen tracé als voorkeur naar voren gekomen. Er zijn geen redelijke alternatieven voor de ligging van de leiding op dit specifieke traject voorhanden. Op dit moment zijn er geen realistische alternatieven voorhanden om in het MER te beschouwen. Mogelijk dat varianten kunnen worden gezocht in het voorkeursalternatief, in de vorm van een andere uitvoeringsmethode. Dit zal in het MER worden onderzocht.

5

Referentiesituatie

5.1

Referentiesituatie MER

De referentiesituatie is de situatie waarmee de milieueffecten van de alternatieven worden vergeleken. Conform de factsheet: “Referentiesituatie in MER voor bestemmingsplannen” van de commissie m.e.r. is de referentiesituatie voor bestemmingsplannen de situatie waarin het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld/uitgevoerd en de daarin eventueel opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden niet plaatsvinden. Deze situatie bestaat uit de huidige situatie plus de situatie die op termijn ontstaat als gevolg van toekomstige zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied (bestemde en vergunde activiteiten die op korte termijn worden ingevuld). Dit laatste wordt de autonome ontwikkeling genoemd. De referentiesituatie wordt in dit geval gevormd door de feitelijke situatie van de gronden op het geplande tracé, in combinatie met de uitvoering van het GOL (autonome ontwikkeling). 5.2

Voorkeursalternatief

Het voorkeursalternatief is in dit geval gelijk aan het voornemen: het aanleggen van een volledig nieuwe leiding met een diameter van 10 inch en het verwijderen, dan wel onklaar maken, van de bestaande leiding met een diameter van 6 inch.

5/9

5.3

Passende beoordeling, referentiesituatie Wet natuurbescherming

Het voorkeursalternatief wordt passend beoordeeld conform de Wet natuurbescherming. De referentiesituatie op grond van deze wet is anders dan die op grond van de Wet milieubeheer voor het MER! De autonome ontwikkeling speelt namelijk geen rol; de referentiesituatie voor de passende beoordeling is de feitelijke huidige (en legale) situatie.

6

Beoordeling effecten

6.1 Detailniveau en beoordelingsmethodiek De kern van het MER is dat de belangrijkste gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de ruimtelijke plannen op het milieu inzichtelijk worden gemaakt. De minimale inhoud van het MER is vastgelegd in art 7.7 Wm. Het detailniveau van het MER moet aansluiten op het detailniveau van het bestemmingsplan. Daar waar bestemmingsplan nog niet, of niet maximaal, is ingevuld, wordt gewerkt met kengetallen. Het streven is om aspecten waar weinig of geen effecten worden verwacht, niet of globaal te beschouwen in het MER. Omdat na aanleg van de leiding geen effecten meer optreden, wordt alleen de aanlegfase beschouwd. In de volgende paragraaf is aangegeven welke aspecten hiervoor relevant zijn en op basis van welke criteria deze aspecten worden beoordeeld. Voor de meeste milieuaspecten wordt de beoordeling niet aan kwantitatieve effecten gekoppeld maar aan een kwalitatieve effectbeschrijving onderworpen. De effecten ten opzichte van de referentiesituatie worden per criterium vertaald naar een kwalitatieve score op de volgende scoreschaal. Tabel 1 Scoreschaal Score ++ + 0 --

Verklaring Positief effect Licht positief effect Geen effect / neutraal Licht negatief effect Negatief effect

6.2 Beoordelingskader In onderstaande tabel zijn de nader te onderzoeken milieuaspecten met bijbehorende toetsingscriteria weergegeven. Per aspect is aangegeven op welke manier het onderzoek naar effecten zal plaatsvinden, kwalitatief (beschrijvend) of kwantitatief (technisch onderzoek). Tabel 2 Te onderzoeken milieuaspecten Aspect

Toetsingscriteria

beschouwing

Bodem en water

Invloed op de bodem, grondwater en

Kwalitatief/kwantitatief

oppervlaktewaterkwaliteit en –kwantiteit Natuur tijdens aanleg

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

Kwantitatief

(Wet natuurbescherming)

6/9

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Kwalitatief

Soortbescherming (Wet natuurbescherming)

Kwantitatief

Archeologie

Invloed op mogelijke archeologische waarden

kwantitatief

in de bodem Geluid tijdens aanleg

Invloed op woonbebouwing

kwalitatief

Externe veiligheid

Verandering Groepsrisico en plaatsgebonden

kwantitatief

risico

6.3

Korte toelichting per aspect

6.3.1 Bodem en water Op basis van uitgevoerd bodemonderzoek wordt beoordeeld in hoeverre de voorgenomen activiteiten van invloed zijn op de bodemkwaliteit en grondwater. Voor wat betreft de oppervlaktewaterkwaliteit en –kwantiteit ten opzichte van de referentiesituatie wordt een kwalitatieve beoordeling gedaan. 6.3.2 Natuur Uit een indicatieve voortoets is gebleken dat de fysieke aanleg (en verwijderen) van de leiding zorgt voor een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Dit betekent dat significante effecten op het dat gebied niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daarom moet in een Passende Beoordeling de haalbaarheid van het voorkeursalternatief aangetoond worden. De voortoets en Passende Beoordeling worden onderdeel van het MER. De resultaten worden in het MER verwerkt. In het MER en de bijbehorende Passende Beoordeling wordt gebruik gemaakt van de nieuwste versie van Aerius. Daarnaast moet de Passende Beoordeling voldoen aan de nieuwste inzichten van de commissie m.e.r. op het gebied van stikstofdepositie. Er is ecologisch onderzoek gedaan naar het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van dit onderzoek worden de effecten van het plan op deze soorten beoordeeld. 6.3.3 Archeologie Op basis van onderzoek naar archeologie worden de effecten van de aanleg beoordeeld.

6.3.4 Geluid tijdens aanleg Dit aspect wordt kwalitatief beoordeeld op basis van expert judgement en afstand tot voor geluid gevoelige functies, zoals woningen. 6.3.5 Externe veiligheid De leiding valt onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er wordt een QRA, een kwantitatieve risicoanalyse naar het groepsrisico uitgevoerd. Het plaatsgebonden risico wordt kwalitatief beoordeeld

7/9

6.4

Onderbouwing waarom bepaalde aspecten buiten beoordeling blijven

Bepaalde aspecten worden buiten beschouwing gelaten in het MER. Deze zijn, in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling, niet relevant of op voorhand niet onderscheidend. Per aspect wordt dit kort toegelicht. 6.4.1

Duurzaamheid en energie

De ruimtelijke plannen maken de aanleg en de planologische bescherming van de nieuwe leiding mogelijk, en het verwijderen/onklaar maken van de oude leiding. Bij de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de meest moderne machines, ook in verband met de stikstofdepositie. Een andere vorm van brandstof of een andere vorm van transport is geen optie. Het thema duurzaamheid en energie is daarom voor deze ruimtelijke plannen niet relevant. In het kader van het MER wordt dit aspect niet in de beoordeling betrokken. 6.4.2

Gezondheid

Het is belangrijk om aandacht te besteden aan gezondheid bij projecten, zoals grote infrastructuurprojecten, woningbouw, hoogspanningsleidingen en windparken. In dit geval is sprake van een relatief kleine ontwikkeling, die ook alleen tijdelijk (tijdens de aanlegfase) voor merkbare effecten zorgt. De huidige gezondheidssituatie (referentiesituatie) van het woon- en leefmilieu verandert uiteindelijk niet door de toekomstige ruimtelijke plannen. Het aspect wordt daarom niet op zichzelf in de effectbeoordeling betrokken. Voor zover er een relatie is met het aspect ‘externe veiligheid’ wordt dit wel in de beoordeling betrokken. 6.4.3 Luchtkwaliteit De werkzaamheden zullen naar verwachting altijd leiden tot een geringe tijdelijke toename van de concentraties in de lucht. De grenswaarden zullen echter worden gerespecteerd, zodat een beoordeling op dit milieuaspect geen onderscheidende waarde heeft en achterwege kan blijven. 6.4.4 Verkeer Hiervoor geldt hetzelfde als voor luchtkwaliteit. Alleen bij de aanleg zullen beperkt verkeersbewegingen ontstaan van werkverkeer, na aanleg niet meer.

7

Vervolg

Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau beschrijft het voorstel van de initiatiefnemer, DPO, voor de reikwijdte en het detailniveau van het MER. De Notitie beschrijft globaal de onderzoeksmethode (kwalitatief of kwantitatief) en de kaders waarbinnen het onderzoek plaatsvindt. De reacties van belanghebbenden en bestuursorganen tijdens de raadpleging en de terinzagelegging kan aanleiding zijn om de onderzoeksmethode of kaders aan te passen. In dat geval worden de aanpassingen meegenomen bij het opstellen van het MER.

8/9

In de periode na de ter inzage legging wordt het MER opgesteld. De voorkeursvariant wordt vervolgens passende beoordeeld in de zin van de Wet natuurbescherming. Het MER wordt samen met het ontwerpbestemmingsplan en de passende beoordeling ter inzage gelegd en voor advies aan de Commissie m.e.r. toegezonden.

9/9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10086991/1