Bijlage 6 - Rapportage Archeologie BO IVO Rossum, Oude Kerkstraat (ong.) versie 1.1
Tekst van het document
Transect-rapport 3429 Rossum, Oude Kruisstraat (ong.) Gemeente Maasdriel (GD) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase
1
2
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
J. Rap MA
Versie
Versie 1.1
Projectcode
21020124
Datum
28-05-2021
Opdrachtgever
De heer A. van Doorn Oude Kruisstraat 5328 AD Rossum
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Onderzoeksmelding
5078971100
Bevoegde overheid
Gemeente Maasdriel
Adviseur namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Rivierenland De heer H.J. van Oort
Status
Nog te beoordelen door de bevoegde overheid
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (17-05-2021)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior prospector
Datum
Paraaf
02-06-2021
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
3
Samenvatting In opdracht van de heer A. van Doorn heeft Transect b.v. in mei 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied op een adresloos perceel aan de Oude Kruisstraat (gemeente Maasdriel). De aanleiding voor het onderzoek vormt een bestemmingsplanwijziging om in de toekomst woningbouw mogelijk te maken. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek geldt een hoge archeologische verwachting in het plangebied vanwege de ligging op een crevasserug van de Maas of de Waal, waarbij ook oeverafzettingen van de beide rivieren kunnen worden aangetroffen. Uit onderzoek en vondsten uit de omgeving van het plangebied blijkt dat de oever- en crevasseafzettignen in elk geval gedurende de Late IJzertijd tot en met de Midden Nieuwe tijd bewoond zijn geweest.
Door kortstondige en langdurige bewoning kunnen in de aanwezige afzettingen oude woongronden en cultuurlagen ontstaan zijn, bestaand uit gerijpte en ontkalkte kleilagen waarin aardewerk, bouwkeramiek, hout, bot en fosfaatvlekken aanwezig kunnen zijn. Gedurende de Late Nieuwe tijd is het plangebied op basis van historische kaarten onbebouwd. In de directe omgeving van het plangebied zijn dan wel erven ingetekend. Dieper in de ondergrond zijn ook pleistocene afzettingen aanwezig, mogelijk zijn ook oeverafzettingen van een oudere pre-Lith stroomgordel aanwezig .Deze liggen naar verwachting waarschijnlijk buiten het bereik van dit onderzoek. Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat inderdaad sprake is van oever- en crevasseafzettingen in de ondergrond. Deze zijn aangetroffen tot een diepte van 240-300 cm -Mv (1,5-2,2 m +NAP). In de afzettingen ontbreekt het echter aan aanwijzingen voor een oude woongrond of cultuurlaag. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de crevasse- en oeverafzettingen. Deze aangetroffen afzettingen vertonen een sterke mate van gelaagdheid en klei- en zandbrokken, indicatief voor een zeer actief afzettingsmilieu en grote hoeveelheid doorbraken. Aangezien het ontbreekt aan een intact archeologisch relevant niveau, is de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late IJzertijd tot en met de Midden Nieuwe tijd.
De oudere afzettingen zijn niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek, waardoor deze verwachting ongetoetst blijft. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzingen een nieuwe woning te realiseren. In het plangebied geldt een lage archeologische verwachting tot een diepte van 2,2 m +NAP op basis van dit onderzoek. Daarom adviseren wij om geen aanvullend onderzoek uit te voeren in het wanneer de voorgenomen ingrepen beperkt blijven tot een diepte van 2,2 m +NAP. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Maasdriel (conform de Erfgoedwet 2016; artikel 5.10). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Maasdriel) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. 4
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
4
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
6
5.
Beleidskader
7
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
8
7.
Archeologische verwachting en bekende waarden
10
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
12
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
17
10. Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek
19
11. Resultaten veldonderzoek
21
12. Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
23
13. Conclusie en Advies
24
14. Geraadpleegde bronnen
25
Bijlage 1: Archeologische beleidskaart van de gemeente Maasdriel
27
Bijlage 2: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Maasdriel
29
Bijlage 3: Stroomgordelkaart
31
Bijlage 4: Geomorfologie
32
Bijlage 5: Maaiveldhoogte
33
Bijlage 6: Bodemkaart
34
Bijlage 7: Archeologie
35
Bijlage 8: Boorpunten
36
Bijlage 9: Foto’s van de boringen
37
Bijlage 10: Boorbeschrijvingen
38
1
1. Aanleiding In opdracht van de heer A. van Doorn heeft Transect b.v.1 in mei 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied op een adresloos perceel aan de Oude Kruisstraat (gemeente Maasdriel). De aanleiding voor het onderzoek vormt een bestemmingsplanwijziging om in de toekomst woningbouw mogelijk te maken. Volgens het vigerende bestemmingsplan Rossum en Hurwenen (2011; geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl) geldt voor het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Op basis van de beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Maasdriel, is voor het plangebied sprake van een hoge verwachting en beleidscategorie 3 (hoge verwachting). Hiervoor geldt dat een archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. In het kader van de beoogde bestemmingsplanwijziging is een archeologische waardestelling noodzakelijk. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, het Handboek Archeologie Regio Rivierenland (Stiller en Van Oort, 2018) en het Plan van Aanpak (Melman, 2021).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Er is aanvullende informatie opgevraagd bij de Historische Kring Bommelerwaard. In het bureauonderzoek zal antwoord worden gegeven op de volgende vragen conform het Handboek Archeologie Regio Rivierenland (Stiller en Van Oort, 2018): •
• •
•
•
•
•
Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor-en vondstniveaus, ophogings-of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? Indien een verkennende onderzoeksfase geadviseerd wordt: Welke doelstelling heeft een verkennend onderzoek en welke methode en strategie is geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Welke onderzoeksmethoden zijn geschikt om eventuele te verwachten archeologische vindplaatsen en resten te inventariseren bij een karterende fase?
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: •
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? 2
• • •
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden.
3
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats
Rossum
Toponiem
Oude Kruisstraat (ong.)
Gemeente
Maasdriel
Provincie
Gelderland
Kaartblad
45B
Perceelnummer(s)
RSM00-F-509
Centrumcoördinaat
151.374 / 423.739
Oppervlakte
Circa 765 m2
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat een grasland aan de Oude Kruisstraat, gelegen tussen de adressen Oude Kruisstraat 2 en Oude Kruisstraat 10 in Rossum (gemeente Maasdriel). De ligging ervan is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied het gehele perceel RSM00-F-509. De zuidelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de Oude Kruisstraat, de westelijke grens door de Oude Kruisstraat 10, de oostelijke grens door de Oude Kruisstraat 2. De noordelijke grens wordt gevormd door de achtertuinen van de Hogeweg 9 tot en met 13. Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied onbebouwd en begroeid met gras. In totaal beslaat het plangebied een oppervlakte van circa 765 m2.
4
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.pdok.nl).
5
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Wijziging bestemmingsplan
Planvorming
Realisatie woning
Bodemverstorende werkzaamheden
Mogelijk graaf- en heiwerkzaamheden
In het plangebied bestaat het voornemen om een woning te realiseren. Om dit mogelijk te maken zal het bestemmingsplan gewijzigd worden. Er zijn nog geen concrete bouwplannen bekend en ook is nog onbekend waar en hoe de woning precies gerealiseerd zal worden. De verwachting is dat er bij de realisatie van de woning graaf- en heiwerkzaamheden zullen plaatsvinden, die een negatief effect kunnen hebben op eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied.
6
5. Beleidskader Onderzoekskader
Wijziging bestemmingsplan
Beleidskader
Beleidskaart Archeologie gemeente Maasdriel
Onderzoeksgrens
500 m2 en dieper dan 30 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Maasdriel inzake het plangebied staat verwoord in de beleidskaart Archeologie van de gemeente Maasdriel, aangezien het in het bestaande bestemmingsplan Rossum en Hurwenen (2011; geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl) ontbreekt aan een archeologische dubbelbestemming. De waarde op de beleidskaart (bijlage 1) is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart (bijlage 2) van de gemeente Maasdriel. Hierin staat vastgelegd welke verwachting een bepaald gebied heeft.
Het plangebied bevindt zich volgens deze kaart van de gemeente in een zone met een hoge archeologische verwachting (bijlage 1 en 2). Aan deze zones zijn in het plangebied planregels geformuleerd ten behoeve van de herontwikkeling in dergelijke gebieden. In het plangebied geldt een Waarde – Archeologie 3. Hiervoor geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een omvang vanaf 500 m2 en 30 cm –Mv. In het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging is het noodzakelijk de archeologische waarde en verwachting van het plangebied vast te stellen.
7
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Midden-Nederlands rivierengebied
Geomorfologie
Crevasserug
Maaiveld
4,5 m +NAP
Bodem
Bebouwd, waarschijnlijk ooivaaggrond
Grondwater
VI
Landschap Het plangebied ligt in de Bommelerwaard en maakt deel uit van het Midden- Nederlandse rivierengebied. Landschappelijk ligt het plangebied aan de zuidkant van het oude, pleistocene rivierdal van de Rijn, dat zich tussen circa 40000 en 20000 jaar v. Chr. heeft kunnen vormen (Cohen e.a., 2012). Toentertijd lag er een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door de riviergeulen werd in het dal grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (De Mulder e.a., 2003). Volgens een boring uit het Dinoloket gezet op 150-250 m ten noorden en noordoosten van het plangebied zijn deze afzettingen te verwachten vanaf een diepte van meer dan 5,0 m -Mv (1,0 m -NAP; bron: www.dinoloket.nl; boring B45B0098; 151460, 423840 en B45B1280; 151300, 423800 (RD)). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanaf 15000 v. Chr. begon dit beeld enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon op te warmen. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerød-interstadiaal, circa 13000 tot 12000 v. Chr.
en 11500 tot 11000 v. Chr.). Gedurende deze opwarmingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een “getrapt” rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd ‘Hochflutlehm’ afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf circa 10000 jaar v. Chr., in het Holoceen, zetten de verbeterde klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden.
Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werd afgewisseld door de vorming van veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optrad, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen en Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude rivierenlandschap verdrinken, 8
wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Op die punten trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op. Geomorfologie en Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Volgens de stroomgordelkaart van het rivierengebied van Cohen e.a. (2012) bevindt het plangebied zich tussen de stroomgordels van de Waal (ten noordoosten en zuidoosten van het plangebied) en een naamloze Pre-Lith Stroomgordel (ten noordwesten van het plangebied; bijlage 3). De naamloze PreLith Stroomgordel is actief geweest gedurende het Laat-Neolitihcum en de Vroege Bronstijd, de Waal is nog steeds actief. Op basis van de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een crevasserug (kaartcode 3B47; bijlage 4; Alterra, 2017), die waarschijnlijk ontstaan zijn ten gevolge van dijk- en oeverdoorbraken van de Waal. Deze crevasse wordt in noordwest-zuidoost richting doorsneden door een restgeul (kaartcode 22R43; 80 m ten oosten van het plangebied) en geflankeerd door een stroomrugglooiing (3H43; 150 m ten zuidwesten van het plangebied). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; bijlage 5) is te zien dat het plangebied vrij vlak is. In het plangebied is sprake van een maaiveldhoogte van ongeveer 4,5 m +NAP. Ter plaatse van de restgeul ten oosten van het plangebied bedragen de maaiveldhoogtes ongeveer 3,5-3,8 m +NAP.
Ook ten westen van het plangebied, op de stroomrugglooiing, is sprake van maaiveldhoogtes van ongeveer 4,3 m +NAP. De percelen aan weerszijde van de Oude Kruisstraat hebben allemaal een soortgelijk hoogteligging. Het is onduidelijk of de crevasserug daadwerkelijk hoger gelegen is of dat sprake is van een kunstmatige ophoging. Bodem Op de Bodemkaart is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied, op circa 150 m ten noordoosten van het plangebied zijn ooivaaggronden aanwezig (kaartcode Rd90A; bijlage 6). Deze gronden zijn over het algemeen kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is. Daarbij worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond. Ooivaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in het rivierengebied voor (De Bakker, 1966). Aangezien het plangebied binnen bebouwd gebied valt, is het echter waarschijnlijk dat een deel van de bodem vergraven is. Grondwatertrap De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele archeologische resten in het plangebied. In het plangebied is geen grondwatertrap gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Ter plaatse van de omliggende ooivaaggronden is een grondwatertrap VI gekarteerd.
Een grondwatertrap VI duidt over het algemeen op droge gronden waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich tussen de 40 en 80 cm -Mv bevindt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) onder de 120 cm -Mv aangetroffen wordt. Dit betekent dat eventuele (onverbrande) organische, archeologische resten niet bewaard zullen zijn gebleven binnen de 120 cm -Mv. Onder de 40 cm -Mv zullen ze waarschijnlijk (geheel) gedegradeerd zijn door een schommelende waterstand. Anorganische resten kunnen daarentegen wel goed bewaard zijn gebleven.
9
7. Archeologische verwachting en bekende waarden Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoog
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het terrein een hoge archeologische verwachting toegekend vanwege de ligging op een crevasse in de directe omgeving van een aantal bekende erven uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd (bijlage 2). Bekende waarden Binnen het plangebied zijn zover bekend nog geen archeologische onderzoeken of vondsten gedaan. In de omgeving van het plangebied zijn op de crevasserug wel een aantal vondsten en onderzoeken bekend in Archis, evenals een AMK-terrein (Archis3). Deze onderzoeken en vondsten zullen worden besproken aan de hand van bekende gegevens uit Archis en DANS Easy. De ligging van deze waarden ten opzichte van het plangebied is weergegeven in bijlage 7. •
•
•
Op ongeveer 400 m ten zuidoosten van het plangebied, in de Groene Linde, is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat op de oude oever- en crevasse/overslag afzettingen sprake is van goed geconserveerde sporen en vondsten uit de 11e19e eeuw. De archeologische sporen worden aangetroffen in zowel de overslaggronden als in de oudere oeverafzettingen, tot een diepte van maximaal 1,85 m -Mv (circa 4,1 m +NAP). Daarbij is wel sprake van twee vondsten- en sporenniveaus in de verschillende oeverslag- en oeverpakketten. De niveaus worden gekenmerkt door fosfaatvlekken, vondstmateriaal en houtskoolspikkels (Boreel en Verhelst, 2005; onderzoeksmelding 2053385100). Uit de hierop volgende opgraving is gebleken dat sprake is van een agrarische nederzetting, die waarschijnlijk reeds in de Romeinse tijd bewoond is geweest. De nederzetting is gestart op de oeverafzettingen, waarna bij iedere overstroming sprake is geweest van een “nieuwe stichting” van het dorp (De Boer en Kenemans, 2006; onderzoeksmelding 2094396100). OP ongeveer 350 m ten oosten van het plangebied ligt AMK-terrein 13176, dat als zodanig is aangemerkt wegens de aanwezigheid van een kasteelterrein. Het bestaande kasteel is een bouwwerk uit de 18e eeuw, dat is opgericht na afloop van de sloop van het voormalige kasteel uit de 13e of 14e eeuw. Het terrein is omgracht geweest.
Van de vroegste fase van dit kasteel of een eventuele houten vorm zijn in Archis3 geen gegevens bekend. Het kasteel zou hebben bestaan uit 7 stenen torens. Het is onduidelijk in hoeverre de resten van het kasteel in 1740 bij de sloop ervan verwijderd zijn (bron: Archis3). Aan de randen van dit AMK-terrein zijn scherven radstempelaardewerk, gedraaid ruwwandig aardewerk, steengoed, Kogelpot en Pingsdorf-aardewerk aangetroffen (vondstmelding 2847380100). Op 80 m ten noordwesten van het plangebied is melding gemaakt van vondsten die zijn aangetroffen tijdens een veldkartering uit 1946. Hier is aardewerk en steengoed uit de Late Middeleeuwen aangetroffen in een veronderstelde oude woongrond. Het aardewerk bestaat uit geelwitbakkend Pingsdorf en Kogelpotaardewerk (vondstmelding 2909312100). 10
•
•
Op ongeveer 220 m ten oosten van het plangebied, in een akker ten oosten van de H.C. de Jonghweg, is door een amateur-archeoloog met een metaaldetector een Romeinse bronzen naald en bronzen lepel aangetroffen, evenals een fibula uit de Vroege Middeleeuwen (vondstmelding 3134379100). Uit een vondstmelding die administratief op dezelfde locatie is gezet, blijkt dat in de directe omgeving ervan ook een Romeinse oorlepel en een vroegmiddeleeuwse schijffibula is aangetroffen (vondstmelding 2813902100). Op ongeveer 400 m ten noorden van het plangebied is tijdens het uitbaggeren van een sloot dierlijk bot en gedraaid Romeins aardewerk aangetroffen (vondstmelding 2847420100), evenals handgevormd inheems Romeins aardewerk (vondstmelding 3190025100).
Op basis van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat in het plangebied de verwachting in het plangebied voornamelijk samenhangt met bewoning en nederzettingsterreinen op de oever- en overslagafzettingen van de Waal. Een vindplaats kenmerkt zich vooral door een cultuurlaag of oude woongrond, die mogelijk reeds een Romeinse oorsprong heeft.
11
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing
Nee
Historisch gebruik
Tuin
Huidig gebruik
Grasland
Bodemverstoringen
Agrarisch landgebruik
Historische achtergronden Rossum is ontstaan op een rivieroeverwal van de Waal. De eerste vermelding van ‘Rossum’ komt uit 893 uit een kerkelijke akte, waar het Rotheheim wordt genoemd (Van Berkel en Samplonius, 2006). In de Bommelerwaard werden vanaf de 12e eeuw dijken aangelegd, die pas in de 14e eeuw werd voltooid. Ook werden verschillende weteringen aangelegd om het hemel- en kwelwater af te voeren. Door stormen braken de dijken echter nog steeds regelmatig door tot in de 19 e eeuw (mijngelderland.nl). Het plangebied ligt ten noorden van de daadwerkelijke historische kern van Rossum, hoewel op basis van de verwachtingskaart van de gemeente Maasdriel in de directe omgeving van het plangebied verschillende erven zijn ingetekend uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd (bijlage 2). Het plangebied zelf heeft op basis van deze kaart niet op een erf gelegen. Deze erven zijn ook zichtbaar op de kadastrale Minuut uit 1811-1832 (figuur 2; bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Het plangebied zelf is op dat moment in gebruik als boomgaard, een situatie die onveranderd blijft tot circa 1980 (figuur 3-5). Vanaf dat moment wordt de wijk rondom het plangebied ingericht, waarbij ook de Oude Kruisstraat ten zuiden van het plangebied wordt aangelegd.
De bebouwing aan weerszijden van het plangebied is op basis van kadastrale gegevens tot stand gekomen in 1965 en 1986 (bron: bagviewer.kadaster.nl). Het plangebied zelf blijft echter tot op heden onbebouwd (figuur 6-8). Militair erfgoed Op basis van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied geen onderdeel van een bekend verdedigingswerk of slagveld (www.ikme.nl). Er kunnen wel resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals veldgraven, onderduikholen en crashlocaties. Er zijn geen directe aanwijzingen bekend om dergelijke complexen te verwachten (bron: www.vergeltungswaffen.nl; www.tracesofwar.nl; www.bunkerinfo.nl). Op luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog van het plangebied zijn geen bijzonderheden te onderscheiden (bron: library.wur.nl). Bodemverstoringen Het plangebied is ten tijde van onderhavig onderzoek in gebruik als grasland. Er zijn verstoringen te verwachten die samenhangen met het gebruik als bouwland of boomgaard in de Nieuwe tijd, zoals ploegwerkzaamheden of het rooien van boomstronken. In het Bodemloket zijn geen gegevens bekend ten aanzien van het plangebied (bron: www.bodemloket.nl). Dit betekent dat er geen vervuilingen zijn en dat er een verstoringen door saneringsactiviteit te verwachten zijn.
12
Figuur 2: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-32. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: Beeldbank RCE.
Figuur 3: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1880. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
13
Figuur 4: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1920. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
Figuur 5: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
14
Figuur 6: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
Figuur 7: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1996. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
15
Figuur 8: Het plangebied op een luchtfoto uit 2020. Bron: www.pdok.nl.
16
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Hoog
Periode
IJzertijd t/m Midden Nieuwe tijd
Complextypen
Nederzettingen, sporen van landgebruik, grafvelden
Stratigrafische positie
Vanaf maaiveld
Aanwezigheid en dichtheid De archeologische verwachting in het plangebied hangt voornamelijk samen met de ligging van het plangebied ter plaatse van een crevasserug van de Maas of Waal, waarbij in de ondergrond mogelijk ook oudere oeverafzettingen van de Maas, Waal of een Pre-Lith stroomgordel aanwezig zijn. Op deze oeverafzettingen en de crevasserug zijn in de omgeving van het plangebied archeologische waarden bekend uit de Late IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Deze kenmerken zich door de aanwezigheid van een oude woongrond. De archeologische verwachting voor de periode Late IJzertijd tot en met de Midden-Nieuwe tijd is hoog in het plangebied. Aangezien het plangebied op historische kaarten onbebouwd is, is wel sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Late Nieuwe tijd. In theorie kunnen onder de oever- en crevasseafzettingen van Maas en Waal nog oudere oevers aanwezig zijn, die bewoonbaar zijn geweest gedurende het Neolithicum tot en met de MiddenIJzertijd. De diepteligging en intactheid ervan is onbekend, waardoor sprake is van een onbekende verwachting op de aanwezigheid van resten uit deze periode. Voor de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum geldt een middelhoge archeologische verwachting. Archeologische vindplaatsen uit deze periode bevinden zich vermoedelijk op de top van de pleistocene afzettingen.
Op basis van boringen uit het Dinoloket is dat een laag dekzand dat is afgezet op de beddingafzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Deze lagen liggen echter zodanig diep dat ze buiten het bereik van onderhavig onderzoek vallen. Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau bestaat uit oever- of crevasseafzettingen, die waarschijnlijk reeds vanaf maaiveld kunnen worden aangetroffen. In deze afzettingen kan sprake zijn een oude woon- of cultuurlaag. Deze bestaat waarschijnlijk uit zandige of sterk siltige klei met houtskool, baksteen, grind en fosfaatvlekken. De dikte van deze lagen kan sterk uiteenlopen afhankelijk van de intensiteit en langdurigheid van de bewoning. Complextypen • Vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Midden-IJzertijd zullen over het algemeen bestaan uit concentraties van vuursteen en houtskool, waarbij beneden de grondwaterspiegel ook organische resten als bot en hout bewaard kunnen zijn gebleven. Sporen uit deze periode zullen over het algemeen bestaan uit diepgelegen haard- of afvalkuilen. Uit zowel het Mesolithicum als het Neolithicum kunnen tevens paalsporen worden aangetroffen, samenhangend met (kortstondige) bewoning van het gebied. Tenslotte kan uit het Neolithicum ook aardwerk worden aangetroffen. De afzettingen waarin deze resten verwacht worden, liggen waarschijnlijk buiten het bereik van dit onderzoek.
• Huisplaats, boerderij en/of sporen van landgebruik worden verwacht uit Late IJzertijd tot en met Midden Nieuwe tijd. Vindplaatsen kunnen zich kenmerken als een concentratie van aardewerk, 17
houtskool, (vuur)steen, verbrand botmateriaal, hout en bouwmaterialen (bijvoorbeeld bak- of tufsteen). Ook kan metaal aangetroffen worden. Sporen kunnen bestaan uit paal- of afvalkuilen, behorend bij huizen, boerderijen en bijgebouwen. Deze zullen waarschijnlijk worden aangetroffen in een “cultuurlaag”. Uit de Late Nieuwe tijd worden op basis van de onbebouwde staat op kaarten geen erven of resten verwacht.
18
10. Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek 1.
Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? In het plangebied worden oever- en crevasseafzettingen van de Maas en Waal verwacht.
2.
Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? Er worden geen diepgaande recente, antropogene bodemverstoringen verwacht. Wel kan mogelijk de bovengrond zijn omgeploegd of vergraven door het rooien van fruitbomen.
3.
Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor-en vondstniveaus, ophogings-of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? Het plangebied bevindt zich op een crevasserug waarop reeds bewoningsresten uit de Late IJzertijd tot en met de Midden-Nieuwe tijd zijn aangetroffen. In de directe omgeving van het plangebied zijn ook verschillende erven uit de Nieuwe tijd bekend. Deze resten kunnen worden aangetroffen in een oude woongrond of cultuurlaag, die op basis van onderzoek ten zuiden van het plangebied tot maximaal 1,6 m diepte worden aangetroffen.
4.
Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? Niet van toepassing.
5.
Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? Er geldt een onbekende archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum op de top van de pleistocene afzettingen, op meer dan 5,0 m -Mv, indien intact. Op de top van de oevers van de Pre-Lith stroomgordel kan bewoning hebben plaatsgevonden vanaf het Neolithicum, indien deze intact aanwezig zijn in het plangebied. De diepteligging van deze afzettingen is onbekend. In de aanwezige crevasses en oeverafzettingen van Maas en Waal is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Late IJzertijd tot en met de Midden Nieuwe tijd. Voor de Late Nieuwe tijd is op basis van het ontbreken van een er in het plangebied zelf sprake van een lage verwachting.
6.
Indien een verkennende onderzoeksfase geadviseerd wordt: Welke doelstelling heeft een verkennend onderzoek en welke methode en strategie is geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Het verkennend onderzoek heeft als doel om de landschappelijke ligging en intactheid van de archeologisch relevante niveaus te bepalen.
7.
Welke onderzoeksmethoden zijn geschikt om eventuele te verwachten archeologische vindplaatsen en resten te inventariseren bij een karterende fase? Voor een karterend vervolgonderzoek adviseren wij om de methode C3 van de leidraad karterend booronderzoek van de SIKB te hanteren. Deze methode is gericht op het opsporen van huisplaatsen, cultuurlagen en vondsstrooiingen. Hierbij wordt in een grid van 17 x 20 meter 19
geboord. Gezien het beperkte formaat van het plangebied betreft het onderhavige verkennende onderzoek direct een karterende fase gericht op het opsporen van dergelijke cultuurlagen, huisplaatsen en strooiingen.
20
11. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het Plan van Aanpak; Melman, 2021). De boringen zijn daarbij gebruikt om de landschappelijke ligging, de bodemopbouw en de mate van intactheid hiervan te bepalen. Hiermee wordt inzicht verkregen in de gebruiksmogelijkheden voor de mens in het verleden. Op basis van de gegevens wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen zoals opgesteld in hoofdstuk 2 van dit rapport. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boringen 1-5). De boringen hebben een diepte van maximaal 300 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). De foto’s van de boringen zijn terug te vinden in bijlage 9, de beschrijvingen in bijlage 10. Na beschrijving zijn de monsters versneden en handmatig doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren.
De locatie van de boringen is met een meetlint bepaald aan de hand van de bestaande topografie in het plangebied. De hoogteligging van de boringen is bepaald aan de hand van het AHN. Veldwaarnemingen Het plangebied is ten tijde van het veldonderzoek onbebouwd en in gebruik als grasland. Aan maaiveld ligt wat fijn modern bouwpuin (grijs baksteen en beton). Er zijn geen verschillen in maaiveldhoogtes of afwijkingen ten opzichte van het bureauonderzoek aangetroffen. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 9.
Figuur 9. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 17-05-2021. Fotograaf: J. Rap.
21
Ondergrond en lithologie Vanaf maaiveld tot een diepte van 240-300 cm -Mv (1,5-2,1 m +NAP) is een pakket sterk gelaagde afwisselend matig tot sterk siltige klei, matig tot sterk zandige klei en sterk siltig zand aangetroffen. De kleurstelling loopt uiteen van grijsbruin tot bruingrijs, waarbij ook brokken grijs tot blauwgrijs zand en klei aanwezig zijn. Deze afzettingen zijn allen kalkhoudend tot kalkrijk, uitgezonderd de moderne bouwvoor. In boringen 2 en 5 zijn in deze afzettingen tot een diepte van 80-85 cm -Mv (3,7-3,8 m +NAP) kleine spikkels bruin puin en steenkoolgruis aangetroffen. Deze afzettingen zijn in hun geheel geïnterpreteerd als crevasseafzettingen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in deze afzettingen. Door de sterke mate van gelaagdheid binnen de crevasseafzettingen is het waarschijnlijk dat deze doorspekt zijn met oever- en komafzettingen. Een dergelijk actief afzettingsmilieu zal tot de realisatie van de dijken in de 14e eeuw ongeschikt zijn geweest voor bewoning, hoewel ook na die tijd nog sprake kan zijn geweest van opspoeling of overstroming. Het diepste deel van de afzettingen bestaat uit kalkrijk en schelphoudend zand. Dit betreft waarschijnlijk zand van de crevassegeul, maar doordat het zand zich onder het grondwaterpeil bevindt loopt het uit de gutsboor.
Daarom zijn de boringen geëindigd voordat duidelijke geul- of beddingafzettingen zijn aangetroffen. Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn geen eenduidig dateerbare archeologische indicatoren aangetroffen, anders dan moderne stukken bouwpuin en wat steenkool. Het ontbreekt in de oever- en crevasseafzettingen in zijn volledigheid aan fosfaatvlekken of duidelijk ontkalkte niveaus. Archeologische interpretatie Op basis van het veldonderzoek kan worden vastgesteld dat het plangebied ter plaatse van een crevasserug gelegen is, die op basis van de sterke gelaagdheid in elk geval tot het aanleggen van de dijken rondom de Bommelerwaard nog in een zeer actief sedimentatiemilieu gelegen hebben. Daarmee is het onwaarschijnlijk dat de locatie van het plangebied langdurig bewoonbaar is geweest tot het eind van de Late Middeleeuwen. In de aangetroffen oever- en crevasseafzettingen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen uit de recentere periodes. Het is daarom onwaarschijnlijk dat in het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd. Daarom is de oorspronkelijke hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten naar een lage verwachting bij te stellen.
De verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum – Midden-IJzertijd is in dit rapport niet getoetst, deze vielen buiten het bereik het booronderzoek.
22
12. Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich conform de verwachting ter plaatse van crevasse- en oeverafzettingen van de Maas en Waal. Door de snelle opeenvolging van lagen is duidelijk dat het gebied in elk geval tot het moment van bedijking in een zeer actief afzettingsmilieu gelegen heeft.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In de crevasse- en oeverafzettingen zou sprake kunnen zijn geweest van een oude woongrond of cultuurlaag. Het ontbreekt in de aangetroffen afzettingen in zijn geheel aan archeologische indicatoren als aardewerk, historisch bouwpuin. Daarmee is geen sprake van een archeologisch relevant niveau voor de periode Late IJzertijd – Midden Nieuwe tijd. De dieper gelegen pleistocene afzettingen zijn niet bereikt tijdens het veldonderzoek.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Hoewel de oever- en crevasseafzettingen nog intact zijn, is in deze afzettingen geen sprake van een archeologisch relevant niveau.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Aan de hand van het veldonderzoek is de oorspronkelijke hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten tot een diepte van 240-300 cm -Mv (1,5-2,2 m +NAP) bij te stellen naar een lage verwachting. Hoewel de vooraf verwachte afzettingen ook daadwerkelijk zijn aangetroffen, ontbreekt het in de oever- en crevasseafzettingen van de Maas en Waal aan een duidelijke oude woongrond of cultuurlaag. Door de aanwezigheid van zandige afzettingen die onder invloed van het grondwaterpeil uit de guts lopen is het niet mogelijk geweest tot een grotere diepte onderzoek uit te voeren. Het is daarom mogelijk dat dieper in de ondergrond nog sprake is van een oeverniveau van de Pre-Lith stroomgordel, die een archeologisch relevant niveau kan bevatten voor de periode Neolithicum – Bronstijd. Ook kunnen dieper in de ondergrond nog pleistocene afzettingen aanwezig zijn, maar deze verwachting is niet getoetst.
23
13. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het archeologisch bureauonderzoek geldt een hoge archeologische verwachting in het plangebied vanwege de ligging op een crevasserug van de Maas of de Waal, waarbij ook oeverafzettingen van de beide rivieren kunnen worden aangetroffen. Uit onderzoek en vondsten uit de omgeving van het plangebied blijkt dat de oever- en crevasseafzettignen in elk geval gedurende de Late IJzertijd tot en met de Midden Nieuwe tijd bewoond zijn geweest. Door kortstondige en langdurige bewoning kunnen in de aanwezige afzettingen oude woongronden en cultuurlagen ontstaan zijn, bestaand uit gerijpte en ontkalkte kleilagen waarin aardewerk, bouwkeramiek, hout, bot en fosfaatvlekken aanwezig kunnen zijn. Gedurende de Late Nieuwe tijd is het plangebied op basis van historische kaarten onbebouwd. In de directe omgeving van het plangebied zijn dan wel erven ingetekend. Dieper in de ondergrond zijn ook pleistocene afzettingen aanwezig, mogelijk zijn ook oeverafzettingen van een oudere pre-Lith stroomgordel aanwezig .Deze liggen naar verwachting waarschijnlijk buiten het bereik van dit onderzoek. Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat inderdaad sprake is van oever- en crevasseafzettingen in de ondergrond. Deze zijn aangetroffen tot een diepte van 240-300 cm -Mv (1,5-2,2 m +NAP).
In de afzettingen ontbreekt het echter aan aanwijzingen voor een oude woongrond of cultuurlaag. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de crevasse- en oeverafzettingen. Deze aangetroffen afzettingen vertonen een sterke mate van gelaagdheid en klei- en zandbrokken, indicatief voor een zeer actief afzettingsmilieu en grote hoeveelheid doorbraken. Aangezien het ontbreekt aan een intact archeologisch relevant niveau, is de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late IJzertijd tot en met de Midden Nieuwe tijd. De oudere afzettingen zijn niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek, waardoor deze verwachting ongetoetst blijft. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzingen een nieuwe woning te realiseren. In het plangebied geldt een lage archeologische verwachting tot een diepte van 2,2 m +NAP op basis van dit onderzoek. Daarom adviseren wij om geen aanvullend onderzoek uit te voeren in het wanneer de voorgenomen ingrepen beperkt blijven tot een diepte van 2,2 m +NAP. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Maasdriel (conform de Erfgoedwet 2016; artikel 5.10).
Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Maasdriel) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
24
14. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Beleidskaart van de gemeente Maasdriel • Verwachtingskaart van de gemeente Maasdriel • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.bodemloket.nl • www.dinoloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.topotijdreis.nl • www.mijngelderland.nl • www.ikme.nl • www.vergeltungswaffen.nl • www.tracesofwar.nl • www.bunkerinfo.nl • Library.wur.nl Afbeeldingenlijst Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.pdok.nl). ............. 5 Figuur 2: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-32. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: Beeldbank RCE. ...................................................................................................... 13 Figuur 3: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1880. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl. .............................................................................................. 13 Figuur 4: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1920. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
.............................................................................................. 14 Figuur 5: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl. .............................................................................................. 14 Figuur 6: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl. .............................................................................................. 15 Figuur 7: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1996. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl. .............................................................................................. 15 Figuur 8: Het plangebied op een luchtfoto uit 2020. Bron: www.pdok.nl. ............................................. 16 Figuur 9. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek. ................................................... 21 Literatuur • Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade • Bennema, J. en L.J. Pons, 1952, Donken, fluviatiel Laagterras en Eemzee-afzettingen in het westelijk gebied van de grote rivieren. Boor en Spade 5: 126-137 • Berendsen, H.J.A., 2005.
Landschappelijk Nederland, Assen • Berendsen, H.J.A. en E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the RhineMeuse delta, the Netherlands. Assen. 25
• Berkel, G. van, en K. Samplonius, 2006. Nederlandse plaatsnamen en herkomst en historie. Utrecht: Het Spectrum • Boer, P.C. de en M.C. Kenemans, 2006, Sporen onder de zandbak. Een middeleeuwse nederzetting op het voormalige schoolterrein de Groene Linde te Rossum, gemeente Maasdriel, Amersfoort (ADC-rapoort 523) • Boreel, G.L. en E.M.P. Verhelst, 2005, Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven in het plangebied “De Groene Linde” te Rossum, gemeente Maasdriel, Amsterdam (ACVU-HBS rapport 42). • Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset • Dinter, M. van, en W.K. van Zijverden, 2010. Settlement and land use on crevasse splay deposits; geoarcheological research in the Rhine-Meuse Delta, the Netherland. Netherlands Journal of Geosciences – Geologie en Mijbouw 89, 21-34. • Melman, J.G.E., 2021. Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Rossum, Oude Kerkstraat (ong.) Transect, Nieuwegein. • Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong. De ondergrond van Nederland. Houten, 2003. • Stiller, D. R. en H. J. van Oort, 2018. Handboek Archeologie Regio Rivierland. Richtlijnen voor bedrijven versie 1.2. Omgevingsdienst Rivierenland.
26
Bijlage 1: Archeologische beleidskaart van de gemeente Maasdriel
27
28
Bijlage 2: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Maasdriel
29
30
Bijlage 3: Stroomgordelkaart
31
Bijlage 4: Geomorfologie
32
Bijlage 5: Maaiveldhoogte
33
Bijlage 6: Bodemkaart
34
Bijlage 7: Archeologie
35
Bijlage 8: Boorpunten
36
Bijlage 9: Foto’s van de boringen Hieronder volgen enkele opnames van boringen. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn van links naar rechts uitgelegd, waarbij de onderkanten van de boringen naar boven wijzen (per 50 cm). De onderkant van de guts ligt aan de rechterzijde.
Boring 3: 0-300 cm -Mv
Boring 5: 0-240 cm -Mv.
37
Bijlage 10: Boorbeschrijvingen
38
boring: 21124-1 beschrijver: JR, datum: 17-5-2021, X: 151.359, Y: 423.740, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45B, hoogte: 4,55, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Gelderland, gemeente: Maasdriel, plaatsnaam: Rossum, opdrachtgever: Particulier, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 4,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: modern ophoogzand
25 cm -Mv / 4,30 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, matig humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkarm Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: oude bouwvoor, redelijk homogeen
60 cm -Mv / 3,95 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, bruingrijs, weinig plantenresten, kalkrijk Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: oever-achtig
85 cm -Mv / 3,70 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, spoor plantenresten, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: kommig
125 cm -Mv / 3,30 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, sterk siltig, matig humeus, donkerblauwgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: humeuze brokjes, crevasse
185 cm -Mv / 2,70 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, lichtgeelgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: gelaagd en gebrokte crevasse, zandlaag loopt uit de boor
Einde boring op 240 cm -Mv / 2,15 m +NAP
1
boring: 21124-2 beschrijver: JR, datum: 17-5-2021, X: 151.375, Y: 423.751, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45B, hoogte: 4,62, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Gelderland, gemeente: Maasdriel, plaatsnaam: Rossum, opdrachtgever: Particulier, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 4,62 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkergrijsbruin, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: moderne bouwvoor, plastic beton
40 cm -Mv / 4,22 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, zwak humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkrijk Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: steenkoolgruis, bruin puin
85 cm -Mv / 3,77 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, zwak humeus, bruingrijs, spoor plantenresten, kalkarm Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: brokken grijsbruin/bruingrijs, crevasse
130 cm -Mv / 3,32 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, spoor plantenresten, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: kommig
190 cm -Mv / 2,72 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, lichtgeelgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: gelaagd en gebrokte crevasse
240 cm -Mv / 2,22 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, kalkrijk Opmerking: geulzand
Einde boring op 260 cm -Mv / 2,02 m +NAP
2
boring: 21124-3 beschrijver: JR, datum: 17-5-2021, X: 151.372, Y: 423.739, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45B, hoogte: 4,46, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Gelderland, gemeente: Maasdriel, plaatsnaam: Rossum, opdrachtgever: Particulier, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 4,46 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: modern ophoogzand
20 cm -Mv / 4,26 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, matig humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkarm Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: oude bouwvoor, redelijk homogeen
60 cm -Mv / 3,86 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, zwak humeus, bruingrijs, spoor plantenresten, kalkarm Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: brokken grijsbruin/bruingrijs, crevasse
95 cm -Mv / 3,51 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, spoor plantenresten, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: kommig
125 cm -Mv / 3,21 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, lichtgrijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: crevasse
155 cm -Mv / 2,91 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, sterk siltig, matig humeus, donkerblauwgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: humeuze brokjes, crevasse
195 cm -Mv / 2,51 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, zwak grindig, lichtgeelgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: zand- en kleibrokken en lagen
240 cm -Mv / 2,06 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, lichtbruingrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: dunne siltige bandjes
260 cm -Mv / 1,86 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, blauwgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: veenbrok op 275
Einde boring op 300 cm -Mv / 1,46 m +NAP
3
boring: 21124-4 beschrijver: JR, datum: 17-5-2021, X: 151.368, Y: 423.725, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45B, hoogte: 4,54, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Gelderland, gemeente: Maasdriel, plaatsnaam: Rossum, opdrachtgever: Particulier, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 4,54 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: modern ophoogzand
20 cm -Mv / 4,34 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, matig humeus, grijsbruin, spoor plantenresten, kalkarm Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: oude bouwvoor, redelijk homogeen
70 cm -Mv / 3,84 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, zwak humeus, bruingrijs, spoor plantenresten, kalkarm Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: brokken grijsbruin/bruingrijs, crevasse
90 cm -Mv / 3,64 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, spoor plantenresten, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: kommig
130 cm -Mv / 3,24 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, lichtgrijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: crevasse
160 cm -Mv / 2,94 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, sterk siltig, matig humeus, donkerblauwgrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: humeuze brokjes, crevasse