CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4f Ecologische quick scan

Gemeenteraad 2 juli 2026, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoorzik 15 Kerkdriel5.894 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Quickscan aan de Hoorzik 15 te Kerkdriel Arvalis

Opdrachtgever:

Opsteller: Datum: Kenmerk:

Arvalis Onderwijsboulevard 225 5223 DE ‘s-Hertogenbosch

Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 25 oktober 2024 ZLT-1QS220803-a

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Omgevingswet. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie .......................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling .............................................................................................................. 3

3.

Methode ................................................................................................................................ 4 3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek .............................................................................................. 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ..................................................................................... 4

4.

Bevindingen ........................................................................................................................... 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren.............................................................................................. 5

4.2.

Vleermuizen ....................................................................................................................... 7

4.3.

Vogels .............................................................................................................................. 11

4.4.

Overige diersoorten ......................................................................................................... 13

4.5.

Vaatplanten ..................................................................................................................... 14

4.6.

Houtopstanden ................................................................................................................ 14

4.7.

Gebiedsbescherming ....................................................................................................... 15

5.

Samenvatting ....................................................................................................................... 16

6.

Vervolgstappen .................................................................................................................... 17 6.1.

Nader onderzoek ............................................................................................................. 17

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ......................................................................................... 17

Bronnen .......................................................................................................................................... 18 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ....................................................................................................... 19

1

1. Inleiding en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens de bijgebouwen aan de Hoorzik 15 te Kerkdriel te saneren ten behoeve van een tweede woning. De huidige woning blijf onaangetast, met uitzondering van een kadastrale splitsing met het overige terrein. De onderzoeklocatie is aan de rand van het dorp Kerkdriel. De te saneren bebouwing binnen het perceel bestaat uit gebouwen met koelcellen en een schuurtje. De bijgebouwen met koelcellen zijn opgetrokken uit gemetselde gevels met golfplaten daken. Het schuurtje is opgetrokken uit steense gevels met een golfplaten dak en is volledig overwoekerd. De overige terreininrichting van het perceel aan de Hoorzik 15 bestaat met name uit verharding, gazon en siertuin. Het belendende perceel waar de tweede woning gerealiseerd gaat worden bestaat volledig uit begraasde weide. De directe omgeving wordt gekenmerkt door een afwisseling van (nieuwbouw)woonwijken en agrarisch gebied met tuinbouw. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven en in bijlage 1 zijn diverse foto’s toegevoegd.

Figuur 1

Schematische weergave van het plangebied, de rode arcering weergeeft de ligging (kaart: openbasiskaart.nl; uitsnede: PDOK)

2

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ecologische quickscan biedt inzicht in de wetgeving aangaande beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, alsmede inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Omgevingswet in het kader van voorgenoemde zaken te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden. De initiatiefnemer is voornemens bijgebouwen te saneren ten behoeve van een tweede woning.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: sloopwerkzaamheden verwijderen (lagere) vegetatie verwijderen bestrating en delen van de terreininrichting bouwrijp maken van het terrein aanleg/verplaatsen nutsfaciliteiten realisatie nieuwe woning herinrichting, bestrating en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting (eventueel) plaatsen bouwkeet akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Omgevingswet en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 23 januari 2023.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en houtopstanden in het kader van de Omgevingswet. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Omgevingswet in het kader van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Gelderland vrijgestelde zoogdieren zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren van de provincie Gelderland Aardmuis Haas Rosse woelmuis Bosmuis Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Dwergmuis Konijn Veldmuis Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Vos Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een deel weide en voor het overige deel een verhard en bebouwd perceel, waar enkel begroeiing aanwezig is in de vorm van siertuin. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster) en soorten van kleinschalig agrarisch cultuurland (das) kan worden uitgesloten. Er zijn geen grotere houtopstanden of bossen aanwezig, waardoor verblijven en leefgebieden van soorten van bosrijke gebieden (boommarter, rode eekhoorn) uitgesloten kunnen worden. Leefgebied van waterspitsmuis, bever, otter en soorten van een waterrijke /verstoringsarme ontbreekt. De steenmarter wordt in (oude) bebouwing en overige stenige objecten aangetroffen, waardoor de soort niet zonder meer uitgesloten kan worden wordt. Gezien de ligging aan de rand van de bebouwde kom, dienen ook de kleine marterachtigen (wezel, bunzing, hermelijn) nader besproken te worden. De steenmarter is een soort die verblijfplaatsen heeft in stenige objecten en bebouwing, maar ook in hopen snoeiafval, kruipruimten, ongebruikte schuurtjes, holle bomen of verlaten holen van andere grotere grondgebonden zoogdieren. De te saneren bebouwing binnen het plangebied betreft enkele gebouwen met koelcellen en een schuurtje. Holen van andere grondgebonden zoogdieren ontbreken binnen het plangebied.

De schuren en opstallen zijn allen toegankelijk voor de steenmarter via de onderzijde van de golfplaten daken. Echter ontbreken alle vormen van sporen van de soort. Als de soort aanwezig is, dan zijn er sporen te vinden. Dit betreffen onder andere prooiresten, loopsporen, uitwerpselen, latrines en penetrante geursporen. De te saneren bebouwing beschikt over enkellaagse golfplaten daken, waardoor geen schuilplaatsen aanwezig kunnen zijn in een eventuele open dakruimte tussen de bedekking en dakbeschot. Echter zijn de zolderruimtes wel toegankelijk. Deze ruimten waren goed toegankelijk en zijn uitvoerig gecontroleerd op de eventuele aanwezigheid van sporen. Dergelijke elementen ontbraken. Door het ontbreken van enige aanwijzing op activiteit kan de aanwezigheid van steenmarter uitgesloten worden.

5

Onder kleine marterachtigen worden de wezel, de bunzing en de hermelijn gerekend. Hoewel er diverse verschillen bestaan tussen de soorten in ecologie en leefwijze, is het voorkeursbiotoop van de drie soorten in grove lijnen hetzelfde. De kleine marterachtigen bezetten kleinschalige en structuurrijke biotopen, waarbij de aanwezigheid van voldoende dekking-gevende vegetatie, lijnvormige (loop)structuren en een ruime hoeveelheid prooidieren (met name woelmuizen, ook andere kleine zoogdieren, soms amfibieën of vogels) van groot belang is. Kleinschalig cultuurlandschap, gevarieerde open bosgebieden of structuurrijke ruderale terreinen zijn geschikt voor deze soorten, waar de dieren territoria van uiteenlopende grootte bezetten (van één tot duizend hectare). Als verblijfplaats bezetten kleine marterachtigen holen van andere grondgebonden zoogdieren, materiaalhopen, holten onder boomwortels of hooimijten. Bunzings graven soms zelf hun holen. Tijdens het veldbezoek is gezocht naar mogelijke verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen en is gelet op de aanwezigheid van voor deze soorten belangrijke structuren. Daarbij is geconstateerd het met name ontbreekt aan dekking-gevende groenstructuren. Desondanks is gezocht naar de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van deze soorten.

Tussen de diverse groenelementen zijn geen holen of spleten aangetroffen, waar kleine marterachtigen tussen kunnen verblijven. Daarnaast is het rommelige schuurtje doorzocht op aanwijzingen, dat deze door kleine marterachtigen als verblijfplaats gebruikt word. Tussen het materiaal in het schuurtje zijn geen verblijfplaatsen gevonden, en tevens ontbreken alle mogelijke sporen van kleine marterachtigen, zoals geursporen, latrines, uitwerpselen, prooiresten of loopsporen. De grotere bijgebouwen hebben daarnaast geen enkele functie voor deze soorten. Het plangebied, gelegen aan de rand van de bebouwde kom, ligt daarnaast aan de uiterste rand van voor kleine marterachtigen geschikt biotoop. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van kleine marterachtigen kan redelijkerwijs uitgesloten worden. In het kader van de Specifieke Zorgplicht van de Omgevingswet dient, benevens soorten die thans Europese of landelijke bescherming genieten, aanvullende aandacht worden besteed aan soorten van de rode lijst. In de omgeving van het plangebied is dit enkel relevant voor de soorten konijn en haas, welke beide niet zijn aangetroffen tijdens het veldbezoek en waarvan tevens geen sporen of (potentiële) verblijfplaatsen van zijn gevonden. Enkel algemene en opportunistische soorten, zoals de huismuis, huisspitsmuis en egel, worden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden verwacht.

Voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden.

4.1.3.

Effecten

Gezien de inrichting van het projectgebied worden geen verblijfplaatsen of functionele leefgebieden van beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht. Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals huismuis, huisspitsmuis, egel en bruine rat maken echter mogelijk algemeen gebruik van het perceel of de percelen rondom het plangebied. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet voor grondgebonden zoogdieren.

6

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van de Omgevingswet. Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd. De gewone dwergvleermuis en in enige mate de laatvlieger zijn beide soorten die vrij algemeen voorkomen in Nederland en gebruik maken van bebouwing om in te verblijven. Overige relatief algemene vleermuissoorten verblijven met name in bomen, waaronder de ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis.

4.2.2.

Habitatonderdelen

Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken als verblijfplaats met name gebruik van bebouwing. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Goede voorbeelden van achterliggende ruimten zijn de spouw, de ruimte onder dakpannen en toegankelijke verstoringsvrije zolderruimten met een stabiel microklimaat. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en oppervlaktewateren. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. De ontwikkeling wordt uitgevoerd aan bebouwing dat gesitueerd is binnen en in de omgeving van dichtbebouwd gebied met diverse groenstructuren in de omgeving. Gezien de grote mate van oriëntatiepunten ten behoeve van vliegroutes en alternatieve geschiktere foerageergebieden is een effect op essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied uitgesloten. Binnen het plangebied zijn enkele bomen aanwezig.

In de bomen zijn echter geen holten aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen zijn uitgesloten. Bij alle bebouwing ontbreken openingen in de gevels die leiden tot een eventuele holle achterliggende ruimte; open stootvoegen op hoogte, brede scheuren, ontbrekende metselstenen en overige openingen zijn niet aanwezig. De te saneren opstallen beschikken over een enkele daklaag van golfplaten. In deze bebouwing zijn geen beschutte holle ruimten aanwezig waar vleermuizen kunnen verblijven. Mede door het gebruik van de bebouwing met koelcellen zijn de gevels geïsoleerd. Aanvullend door de beperkte afwerking van het dak is er in de gehele zolderruimte sprake van instabiele microklimaten. Zoals omschreven in het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (2017) is een van de goedgekeurde methoden om verblijfplaatsen ongeschikt te maken, het verstoren van het microklimaat door bijvoorbeeld tocht te creëren. Derhalve is het uitgesloten dat vleermuisverblijven in bebouwing aanwezig kunnen zijn in de onder werkzaamheden onderhavige bebouwing. In de woning kunnen echter mogelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn, aangezien er onder de kantpannen ruimte is om eventuele achterliggende ruimte te gebruiken als verblijfplaats. Dergelijke verblijfplaatsen blijven behouden bij de geplande ingreep.

Ondanks dat de aanwezigheid van essentiële foerageergebieden, migratieroutes en verblijfplaatsen uitgesloten is, is het niet uitgesloten dat vleermuizen de locatie passeren of opportunistisch foerageren in de directe omgeving. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van een verblijfplaats in de woning.

7

4.2.3.

Effecten

Gelet op de inrichting van het plangebied zijn binnen de grenzen van het projectgebied geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aanwezig. Effecten op essentiële vlieg- en foerageerroutes zijn uitgesloten. Gezien de afwezigheid van geschikte boomholtes en in het verlengde daarvan verblijfslocaties zijn effecten op vaste rust- en/of verblijflocaties van vleermuizen in bomen uitgesloten. Door het ontbreken van potentieel geschikte openingen, eventuele toegangen tot achterliggende holle ruimten en overige toegankelijke gaten in de bebouwing, dan wel het geheel ongeschikt zijn van de toegankelijke ruimten, kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten worden. Desondanks zal de locatie gepasseerd worden of opportunistisch in gebruik genomen worden als foerageerlocatie. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen én er bouwverlichting naar de omgeving uitstraalt, dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend en/of rood-/amberkleurig).

Deze maatregelen zullen er tevens voor zorgen dat er geen verstoring is naar eventuele verblijfplaatsen in de naastgelegen woning, wanneer er specifiek voor wordt gezorgd dat er geen lampen op de gevels en het dak van deze woning worden gericht.

Figuur 2

In de gevels zijn geen openingen aanwezig, benevens enkele stootvoegen zeer laag bij de grond en een voor vleermuizen te smalle scheur.

8

Figuur 3

In de gevels van de koelcellen (boven) zijn geen openingen aanwezig, benevens enkele stootvoegen zeer laag bij de grond (onder).

Figuur 4

De aangetroffen zonderruimtes zijn tochtig en tijdens het veldbezoek zijn er geen vleermuizen of sporen daarvan (uitwerpselen, prooiresten van grootoorvleermuis) aangetroffen.

9

Figuur 5

Details van de dakranden. Aangezien het dak uit enkel-laags golfplaten bestaat, is er geen dakbeschot of andere ruimte onder het dak om onder weg te kruipen. Eventuele kleine spleten aan de bovenkant leiden naar achterliggende zolderruimtes (zie figuur 4)

10

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast geldt aanvullend voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend in gebruik zijnde nesten van alle algemene vogels beschermd, waaronder soorten als spreeuw, turkse tortel en kauw.

4.3.2.

Habitatonderdelen

Op bebouwde percelen en kleine weidepercelen, zonder hoge bebouwing en zonder grotere nesten in hogere bomen, kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en leefgebieden van onder andere de boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, roek, sperwer en slechtvalk al uitgesloten worden. Soorten van de categorie 1 t/m 4 die wel voorkomen in dergelijke bebouwde gebieden zijn de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Naast de verwachting dat andere categorie 1 t/m 4 soorten niet aanwezig zijn, zijn in de nabijstaande bomen en op het overige terrein geen nesten, holtes of sporen (braakballen, plukplaatsen, uitwerpselen) aangetroffen, waardoor de verwachting bevestigd wordt. De huismus stelt hoge eisen aan het habitat, daar verblijft de soort dan ook het gehele jaar. Indien een aantal van de habitateigenschappen niet voorkomt zal de huismus wegblijven. Als nestlocatie wordt gebruik gemaakt van openingen in bebouwing, met name pannendaken worden bewoond. In de directe omgeving van een potentiële nestlocatie dienen diverse habitatonderdelen aanwezig te zijn, waaronder schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2023).

Gezien de ligging van het plangebied aan de rand van een dorp met diverse groenstructuren, agrarische percelen, achtertuinen en bebouwing, is het vereiste habitat aannemelijk voldoende aanwezig voor de soort. Het plangebied voorziet echter niet in bijzondere elementen die in de omgeving niet aanwezig zijn. Daarnaast is gezien de grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, het plangebied niet als essentieel aan te merken. De te saneren bebouwing beschikt niet over pannendaken of overige geschikte nestlocaties. De daken van de te saneren bebouwing is toegankelijk voor huismussen via de nokken. Echter is er aan de binnenzijde geen houvast voor de soort om de karakteristieke rommelige nesten te kunnen realiseren. Aanvullend is er een ruim uitgebouwd nest van kauwen aangetroffen welke er aannemelijk al jaren zit. Ook zijn er geen veren, eischalen of andere sporen aangetroffen in de bebouwing die duiden op het gebruik ervan door de soort en is een van de bijgebouwen grotendeels overwoekerd door hedera. Bovendien is de te saneren bebouwing niet van een dermate hoogte dat roofdieren, waaronder huiskatten en steenmarter, niet de daken kunnen betreden.

De combinatie van het ontbreken van veilige balts- en uitkijkplaatsen, alsmede dat bebouwing niet beschikt over eigenschappen van de voorkeursnestplaatsen van de soort en het ontbreken van sporen kan de aanwezigheid van huismusnesten uitgesloten worden. De aanwezigheid van huismussen is bekend in de nabije omgeving van het plangebied. Het is tevens niet uitgesloten dat huismussen kunnen nestelen in de woning, welke bij de ingreep behouden zal blijven. Dergelijke nesten zullen niet verloren gaan bij de ingreep, maar kunnen bij de werkzaamheden verstoord worden. Het is derhalve noodzakelijk om werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (betreffende de periode maart t/m augustus, en perioden van strenge koude). Wanneer gedurende de kwetsbare periode gewerkt dient te worden, is het noodzakelijk het plangebied te controleren op de aanwezigheid van eventuele huismusnesten.

11

De gierzwaluw is een soort die vrijwel zijn gehele leven in de lucht doorbrengt, enkel voor het broeden wordt het luchtruim verlaten. Het belangrijkste habitatonderdeel voor de gierzwaluw is derhalve de nestlocatie. Indien er voldoende potentieel geschikte holtes aanwezig zijn, dan is de gierzwaluw te verwachten. De soort maakt voornamelijk gebruik van openstaande kantpannen, opliggende dakpannen en gierzwaluwnestkasten (Kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Naast pannendaken en nestkasten maakt de gierzwaluw gebruik van nestlocaties met vergelijkbare omstandigheden, waaronder houten details aan bebouwing, zoals: holle overstekken, boeiboorden, houten daklijsten en dakgootbetimmering. Indien dergelijke gebouwelementen aan de onderzijde openingen bevatten vormt het een potentieel geschikte nestlocatie voor de soort. Rondom het gebouw zijn echter geen openingen aangetroffen die voor gierzwaluwen toegang bieden tot de bebouwing of een potentieel geschikte nestlocatie, zoals vergelijkbaar met de huismus. De aanwezigheid van gierzwaluwnesten kan uitgesloten worden. Voor steenuil en kerkuil ontbreken potentieel geschikte nestlocaties in de vorm van nestkasten. Enkel de nokken van de centrale bijgebouwen zijn toegankelijke voor uilen. Echter zijn in geen van de zolderruimten braakballen, veren of krijtsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een van deze soorten.

De aanwezigheid van nesten kan uitgesloten worden. Aanvullend is de weide niet aan te merken als essentieel foerageergebied doordat in de omgeving een grote hoeveelheid vergelijkbaar leefgebied aanwezig is en de weide slechts een beperkte oppervlakte betreft. Soorten welke aanvullende bescherming genieten conform de Specifieke Zorgplicht, benevens de reeds genoemde huismus, worden niet verwacht.

4.3.3.

Effecten

Door het ontbreken van potentiële nestgelegenheid, alsmede functioneel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of leefgebieden (categorie 1 t/m 4) kunnen effecten worden uitgesloten. Enkel zijn echter wel mogelijk nesten van algemene soorten, zoals de merel, winterkoning, kauw, spreeuw of roodborst aanwezig binnen het broedseizoen. In de nabijheid van het plangebied is tevens de aanwezigheid van huismusnesten niet uitgesloten, welke tijdens de werkzaamheden verstoord kunnen worden. In het kader van de Algemene Zorgplicht, de Specifieke Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen (buiten maart – augustus) aan te vangen, met name ten aanzien van huismus. Ten aanzien van algemene broedvogels wordt geadviseerd alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nestlocaties. Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden.

12

4.4. 4.4.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en natuurlijke vijvers en vennen kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Gelderland). Van de Habitatrichtlijnsoorten wordt louter de rugstreeppad sporadisch aangetroffen op bouwlocaties, bovendien komen er geen andere soorten in de directe omgeving van het plangebied voor. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Het terrein is bebouwd, verhard en ingericht met weide, waarbij natuurlijke omstandigheden ontbreken. Gelet op het ontbreken van (waard)planten, bijzondere habitateigenschappen en natuurlijke omstandigheden, alsmede de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelde kan het voorkomen ervan uitgesloten worden.

Bovendien komen geen beschermde vlinders libellen of overige ongewervelden voor in de omgeving van het plangebied, met uitzondering van de grote vos. Waarvoor grote vrijstaande iepen, populieren en overige waardplanten ontbreken. Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen. Door de huidige inrichting van het terrein zonder begroeide greppels, vergraafbaar zand, broedhopen of een dichte strooisellaag, alsmede de ligging ervan, worden reptielen niet verwacht.

4.4.2.

Habitatonderdelen

Gezien het ontbreken van verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen en waardplanten voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten, met uitzondering van de rugstreeppad, van voornoemde soortgroepen niet verwacht. Het geschikte leefgebied van de rugstreeppad komt echter niet voor in de wijde omgeving van het plangebied en komt de soort niet voor binnen tussen de Maas en de Waal in de omgeving van Kerkdriel. De aanwezigheid zowel gedurende de ontwikkeling als ten tijde van de uitvoering is uitgesloten. Er is tevens geen reden om aan te nemen, dat soorten die aanvullende bescherming genieten conform de Specifieke Zorgplicht gebruik maken van het terrein.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten is een effect uitgesloten. Het is mogelijk dat algemene en opportunistische soorten zoals bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad gebruik maken van de locatie. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de vrijstellingsverordening van de provincie. Er dient enkel in het kader van de Algemene Zorgplicht rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige vlinders, libellen en algemene amfibieën.

13

4.5. 4.5.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien. In de omgeving van het plangebied is enkel het voorkomen bekend van echte gamander. Overige beschermde vaatplanten komen niet voor in de omgeving van het plangebied.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Gezien de kunstmatige inrichting van de planlocatie met bebouwing, verharding en weide, alsmede de ligging bebouwd gebied, is te verwachten dat er sprake is van zeer verstoorde en voedselrijke omstandigheden. Bovendien is er nauwelijks sprake van natuurlijke begroeiing. Gedurende het veldbezoek zijn desondanks de gevels gecontroleerd op eventuele bijzondere muurvegetatie of andere standplaatsen van beschermde vaatplanten. Er zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen en er is geen muurvegetatie waargenomen. Aanvullend ontbreken potentiële standplaatsen voor beschermde vaatplanten, waaronder natuurlijke poelen, plassen of beken, natte overstromende kleigronden en bijzondere wegbermen, akkers, waterkanten en historische kalkstenen muren. De aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten kan derhalve redelijkerwijs worden uitgesloten. Bovendien komt uitsluitend de echte gamander voor in de directe omgeving. Voor deze soort ontbreken kale stenige locaties, mergel of duinzand. Aanvullend is uitsluitend het voorkomen van de soort bekend in gehouden vorm.

Het natuurlijke verspreidingsgebied van de echte gamander is beperkt tot Zuid-Limburg en een gedeelte van de duinen van Noord-Holland.

4.5.3.

Effecten

Er is geen sprake van potentiële standplaatsen voor bijzondere natuurlijke vegetatie binnen het perceel. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er worden geen effecten verwacht en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

4.6.

Houtopstanden

Houtopstanden zijn beschermd krachtens de Omgevingswet, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing op de houtopstanden binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 11.111, lid 2a van het Besluit activiteiten leefomgeving: de afdeling [met betrekking tot het vellen van houtopstanden] gaat niet over: houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; houtopstanden op erven of in tuinen Indien bomen gekapt gaan worden dient enkel voldaan te worden aan de gemeentelijke richtlijnen. De Omgevingswet vormt geen bezwaar.

14

4.7. 4.7.1.

Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk (GNN)

De projectlocatie is gelegen op een afstand van 1,0km tot de aangemerkte GNN-gebieden en GOgebieden (Groene Ontwikkelingszone). Gelet op de zeer beperkte aanwezigheid van externe invloed van de ontwikkeling in relatie tot de afstand tot het GNN en het GO, zijn effecten en derhalve ook vervolgstappen ten behoeve van het GNN en GO niet van toepassing. Bovendien is externe werking geen toetsingskader binnen de provincie Gelderland. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden, zoals ecologische verbindingszones, belangrijke weidevogelgebieden of natuurcompensatiegebieden.

4.7.2.

Natura 2000-gebieden

De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 3,4km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, zie figuur 2, dit betreft het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken.’ Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een verreikend extern effect.

Figuur 2

Natura 2000-gebieden zijn gelegen op ca. 3,4km en meer tot de planlocatie (bron: geoportaal.gelderland.nl).

Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden in relatie tot de tussengelegen inrichting en de aard van de ontwikkeling, kunnen effecten anders dan stikstofdepositie per definitie uitgesloten worden. Tevens zal een potentieel effect als gevolg van een verandering in permanente stikstofdepositie niet verwacht worden. Het voornemen bestaat uit het slopen van agrarische bebouwing en overige bijgebouwen ten behoeve van één particuliere woning. De nieuwe bebouwing zal voldoen aan diverse verduurzamingseisen (waaronder BENG), waardoor er sprake zal zijn van een lagere uitstoot van dagelijks gebruik ten opzichte van de huidige situatie, waardoor een eventuele stikstofdepositie op een afstand van 3,4km niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Een effect op Natura 2000-gebieden is zowel in de gebruiksfase als in de uitvoeringsfase uitgesloten.

15

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Hoorzik 15 te Kerkdril is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het kadastraal splitsen, saneren van bijgebouwen, de realisatie van een tweede woning en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties van beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden onder de Omgevingswet. Voor vleermuizen is het voldoende als er rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezigheid in de omgeving. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Ten aanzien van vleermuizen zijn geen essentiële vliegroutes, foerageergebieden of vaste rusten/of verblijfslocaties aanwezig.

Desondanks passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord indien toegepast Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen in het groen rondom het plangebied Ten aanzien van amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Omgevingswet is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

16

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet benodigd

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren. Gezien de mogelijkheid van verblijfplaatsen in de naastgelegen woning, dient lichtuitstraling naar de gevels en daken van deze woning vermeden te worden. In het kader van huismussen dienen werkzaamheden niet worden uitgevoerd gedurende de kwetsbare periode van de soorten (betreffende de periode maart t/m augustus, en perioden van strenge koude) óf dient de woning voor aanvang van de werkzaamheden gecontroleerd te worden op de eventuele aanwezigheid van nesten van huismussen. In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals winterkoning, turkse tortel, merel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen.

Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

17

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2022. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.0. Juni 2022, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Websites, geraadpleegd 2023: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl geocontent.rvo.nl geoportaal.gelderland.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

18

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

Het projectgebied betreft een bewoond perceel met agrarische opstallen aan de Hoorzik 15 te Kerkdriel. De bestaande woning blijft behouden

De zolderruimtes van de opstallen waren goed toegankelijk en volledig te controleren op sporen

19

Het schuurtje op het perceel was voorheen volledig overgroeid door hedera

De aanwezige openingen in de bebouwing leiden niet tot geschikte verblijfplaatsen ten aanzien van beschermde gebouwbewonende soorten

20

Een deel van het perceel betreft een grasveld.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16988935/1