Bijlage 4 Buitengebied herziening 2021, 150kV Zaltbommel-Zuilichem Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
2.7
Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 250 m rondom het tracé opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 459613–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Het tracé doorsnijdt geen AMK-terreinen. Verder naar het zuidoosten (ten noorden van de Schoofbandweg) bevindt zich AMK-terrein 4213. Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde, waar sporen van bewoning (aardewerk) uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen.8 Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen en eerdere onderzoeken In de omgeving van het plangebied hebben in het verleden meerdere archeologische onderzoeken plaatsgevonden. De aangetroffen perioden beslaan voornamelijk de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. In de meeste onderzoeken zijn de stroomgordels aangeboord zoals de stroomgordel van de Oensel, Brakelse en de Broek, en de crevasse van de Bruchem, hetgeen betekent dat deze op geringe diepte aan te treffen zijn.
8
Archis3.
Blad 8 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
In 2017 heeft ArcheoPro een inventariserend en verkennend booronderzoek uitgevoerd op drie (kleine) terreinen binnen het project Windpark Bommelerwaard A2 (ten westen van het plangebied) De onderzoeken betroffen de locaties van de te plaatsen windturbines. Op elk van deze locaties bestond de bovengrond uit gerijpte klei. Ondanks het naboren en zorgvuldig doorzoeken van de klei zijn er geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. De locaties werden derhalve vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling.9 Iets verder naar het zuiden is in ARCHIS een vondstmelding bekend.10 Het betreft de vondsten behorende bij het bovenbeschreven AMK-terrein 3999. De betreffende locatie van de vondstmelding is gelegen binnen het onderzoeksgebied, maar buiten het plangebied. Ten noorden van het plangebied bevindt zich plangebied ‘De Wildeman’. Op verschillende locaties binnen dit plangebied zijn archeologische vindplaatsen aangetroffen en door ADC opgegraven.11 Voorafgaand aan deze opgravingen is voor het gehele plangebied door BAAC in 2002 een inventariserend onderzoek uitgevoerd (bureauonderzoek en booronderzoek). Aan de hand van dit onderzoek zijn drie vindplaatsen ontdekt.12 (afbeelding 2 en 3). Hierbij werd tevens opgemerkt dat grondsporen mogelijk al vanaf 0,3 tot 0,5 m-mv te verwachten zijn. De locatie van de aangetroffen vindplaatsen overlapt niet met het onderhavige plangebied.
Tijdens het hierboven genoemde booronderzoek (BAAC, 2002) werd een middelhoge archeologische verwachting uitgesproken voor een gedeelte van het plangebied. Tijdens het opeenvolgende proefsleuvenonderzoek werd direct ten noorden van deze zone een vindplaats aangetroffen (vindplaats E).13 In dit gebied zijn crevasse-afzettingen aangetroffen, welke mogelijk behoren tot de Bruchem stroomgordel. De vondsten wijzen op een datering in de late ijzertijd. In de rapportage wordt opgemerkt dat deze vindplaats groter moet zijn dan het onderzochte gebied. De crevasse-afzettingen lopen verder door naar het noorden en westen, waardoor het zeer waarschijnlijk is dat er ook in het de nederzettingssporen zich ten westen en zuiden van de vindplaats voortzetten (afbeelding 2 en 3).14 De vindplaats was pas herkend tijdens het proefsleuvenonderzoek en was bij het booronderzoek gemist. Dit is echter niet verwonderlijk gezien de aard van de vindplaats (weinig vondstmateriaal) en het subtiele karakter van de plaatselijk aanwezige laklaag aan de bovenzijde van de crevasseafzetting.15 Nabij het station Zaltbommel bevindt zich tevens het plangebied De Wildeman II. Ook dit gebied is reeds grotendeels archeologisch onderzocht.
Bij een bureauonderzoek opgesteld in 2015 werd voor de gebieden in de directe omgeving van het onderhavige deelgebied een hoge archeologische verwachting uitgesproken en werd vervolgonderzoek in de vorm van een booronderzoek en proefsleuven aanbevolen.16 Het gebied is in 2016 en 2018 door middel van proefsleuven en opgravingen onderzocht. Met name de reeds bekende vindplaatsen A en B bleken veel groter dan eerder werd aangenomen. De vindplaatsen vormden samen één gemeenschap, waar vermoedelijk sprake was van ambachtelijke specialisatie. Op vindplaats A zijn met name veel dolia en wrijfschalen aangetroffen. Bij vindplaats B is vooral veel briquetage en tafelwaar aangetroffen.17
Zaakid. 4567018100; Exaltus & Orbons, 2017. Zaakid. 2934714100; Archis3. 11 Zaakid. 2146754100; Veldman & Blom (red.), 2010. 12 Zaakid. 2051270100; Schorn, 2002. 13 Zaakid. 2040319100; Ter Wal, 2004.: aangetroffen zijn huisplattegronden, het vondsmateriaal betreft o.a. aardewerk, bot en een lanspunt (late ijzertijd). 14 Veldman & Blom (red.), 2010. 15 Ter wal 2004, p. 35 en afb. 18. 16 Zaakid., 2469726100; Huizer, 2015. 17 Zaakid., 3299393100; Verniers & Blom (red.), 2019. 9
10
Blad 9 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Afbeelding 2. De vindplaatsen behorende bij plangebied De Wildeman met onderliggende stroomgordels. Bron: Veldman & Blom (red.), 2010: p. 291, afb. 16.8. (Noorgericht).
Afbeelding 3. Beknopte beschrijving van de aangetroffen vindplaatsen binnen plangebied De Wildeman. Bron: Verniers & Blom (red.), 2019: p. 11.
Blad 10 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Daarnaast heeft Antea Group in 2018 een archeologisch bureau- en booronderzoek (verkennend) uitgevoerd voor een kabeltracé tussen Zuilichem en Zaltbommel in de berm van de N322. Het tracé bevindt zich hoofdzakelijk aan de noordkant (berm) van de N322 en ter plekke van de stations Zuilichem en Zaltbommel. In het noordoostelijke gedeelte zijn enkel komafzettingen aangetroffen (o.a. boring HB07). Daarnaast bleek de berm langs de N322 te zijn opgehoogd. O.a. op basis van de relatief geringe ontgravingsdiepte en het aanwezige ophoogpakket werd besloten het gedeelte langs de berm vrij te geven.18 Ter plaatse van boringen HB04 en HB05 zijn oever en/of crevasse afzettingen aangetroffen (op 0,4 – 0,9 m-mv). Vanwege deze afzettingen is aanbevolen over te gaan op vervolgonderzoek (zoals proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding). Deze afzettingen zijn ook aangetroffen tijdens de archeologische begeleiding van EARTH Integrated Archaeology in 2018.19 Er werden in dat onderzoek echter geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen. Het niet aantreffen van archeologische resten vormt geen reden om de archeologische verwachting van het gebied bij te stellen, aangezien de aangelegde sleuf dermate smal was, dat de kans op het aantreffen van archeologische resten zeer klein was.
Ten noorden en ten zuiden van deze zone, dus richting het station Zaltbommel en richting de N322, werden net als bij het booronderzoek van Antea Group, enkel komafzettingen aangetroffen.20
2.8
Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart Het plangebied ligt in een door de provincie Gelderland aangewezen archeologisch aandachtsgebied (parelgebied Bommelerwaard; deelgebied A-9). De provincie stelt in dergelijke gebieden een gemeentegrensoverschrijdend belang. Zij kan desgewenst aanvullende regelgeving eisen ter bescherming van haar belang. Gemeentelijke verwachtingskaart De gemeentelijke verwachtingskaart van Zaltbommel is in 2010 door RAAP opgesteld.21 De beleidskaart is een samenvatting van de archeologische inventarisatie vanuit divers onderzoek, waarnemingen en monumenten en van de archeolandschappelijke eenhedenkaart. Deze eenheden betreffen gestapelde (ondergrondse) landschappelijke elementen, zoals oeverzones, meandergordels (stroomgordels) ingedeeld naar (potentieel) archeologische datering, rivierduinen, crevasses en komafzettingen. De stroomruggen en crevasses komen qua ligging en datering vrijwel overeen met de stroomruggen zoals behandeld in paragraaf 2.4.
2.9
Gespecificeerde archeologische verwachting Datering, locatie en diepteligging In de ondergrond van het plangebied bevinden zich meerdere stroomgordels. De archeologische verwachting van het gebied is sterk verbonden met deze (verlande) stroomgordels, de bijbehorende oeverwallen en crevasses. Op grond van de beschikbare gegevens is gebleken dat alle in het plangebied voorkomende stroomgordels zich binnen de ontgravingsdiepte van maximaal 2,05 m-mv kunnen bevinden. Het gaat hierbij om de stroomgordel van de Broek en de crevasse van de Bruchem.
Zaakid. 4593562100 & 4591148100; Teekens, 2018. Zaakid. 4633057100 20 Vanderhoeven et al., 2018 21 Goossen et al., 2010. 18 19
Blad 11 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Op de oudere Broek stroomgordel kunnen resten vanaf de periode neolithicum tot en met de bronstijd worden aangetroffen. Op de crevasse-afzettingen van de Bruchem kunnen resten uit de periode ijzertijd, Romeinse tijd en de vroege tot late middeleeuwen worden aangetroffen. Hierbij ligt de nadruk op de periode Romeinse tijd. Van deze crevasse is bekend dat hij (op andere plaatsen) bewoond was, bijvoorbeeld op het AMK-terrein enkele honderden meters ten oosten van het plangebied en in het industriegebied aan de noordzijde van de N322 (vindplaats E). Complextype en omvang Huisplaatsen of nederzettingen uit de neolithicum, bronstijd (Broek stroomgordel) en uit de ijzertijd, Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen (crevasse van de Bruchem). Nederzettingen op de stroomruggen kunnen een omvang hebben van naar schatting 1000-2500 m2; op crevasses en langs geulen kan de ruimte beperkter zijn geweest en het woonvlak van een nederzetting of huisplaats daarmee ook geringer. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven.
Uiterlijke kenmerken Een bewoningsniveau kan in boringen herkenbaar zijn als een humeuze band in de gerijpte klei (laklaag) met ophogingskenmerken of een veraarde en mogelijk verbrande laag in (de top van) het veen, vaak rijk aan vondstmateriaal zoals aardewerk, huttenleem, metaalslakken, bot en hout of houtskool. In het algemeen kan ook de intacte bovenzijde van de stroomrug (oeverafzetting) een mogelijk bewoningsniveau of loopvlak zijn. Een bewoningsniveau kenmerkt zich verder als een vondststrooiing. Tussen het laat neolithicum en de bronstijd/ijzertijd: periodespecifieke wijze van het begraven/cremeren van de doden. Mogelijke verstoringen Bovenstaande verwachting is echter alleen houdbaar voor een situatie met intacte bodemopbouw. Zie voor mogelijke verstoringen van de bodem paragraaf 2.6.
Blad 12 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
3
Veldonderzoek
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, karterende fase. Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. In dit geval wordt gekarteerd op de aanwezigheid van een archeologische laag. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:22 1.
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?
2.
Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en hoe zijn deze te herkennen?
3.
Zijn er binnen het plangebied één of meerdere vindplaatsen aanwezig en / of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en)?
4.
Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen?
5.
In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen?
6.
Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt?
7.
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie?
8.
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan?
22
Conform PvA: Fens, 2020.
Blad 13 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
17 t/m 19 maart 2020 en 8 mei 2020
Veldteam
R. Fens (KNA-prospector) & I. Fleuren (archeoloog)
Weersomstandigheden
Wisselvallig
Boortype
Edelman 9 cm, guts 3 cm, zuigboor
Methode conform Leidraad SIKB23
Voor alle stroomgordels: B2 (arch. laag): 20 x 25 m - 3 cm guts – boormes
Motivatie methode
Voor de Gameren en Bruchem stroomgordel kan ook naar bevinding van uitvoerend prospector worden gekozen voor de methode C2 indien de stroomgordel ondiep gelegen is (<0,8 m) en derhalve de archeologische laag verstoord kan zijn en daarmee onherkenbaar in de guts: C2 (huisplaatsen vanaf 500 m2): 20 x 25 m 12 cm Edelman 4 mm zeef. Een archeologische laag is goed op te sporen wanneer gebruik wordt gemaakt van een boormes en een guts. Met de B2 methode kunnen middelgrote nederzettingen (inclusief steentijd-bronstijd vindplaatsen) worden opgespoord. De methode is ook toereikend voor bijv. huisplaatsen uit latere perioden (D1). Voor mogelijk ondiep gelegen stroomgordels (Gameren en Bruchem) kan het zijn dat de archeologische laag deels is opgenomen in de bouwvoor en daarmee minder goed herkenbaar in de guts. Derhalve kan op die locaties worden gekozen voor methode C2, met een Edelmanboring die meer gericht is op het verzamelen van archeologisch vondstmateriaal (indicatoren).
Aantal boringen
23
Methode B2 bleek in het veld voor het doel toereikend en methode C2 is niet toegepast. 38 boringen
Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleo-landschap Wijze inmeten boringen
n.v.t.
Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering
n.v.t.
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA
Slechte vondstzichtbaarheid verwacht
Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden
Geen specifieke doelen / wensen bekend
Toughpad GPS
NEN 5104/ASB Snijden/verbrokkelen n.v.t.
n.v.t. Geen
n.v.t.
Tol e.a. 2012
Blad 14 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
3.3
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3, het raaiprofiel (afbeelding 4) en de situatiekaarten in de kaartenbijlage. Voor het Midden-Nederlandse rivierengebied vindt de lithologisch genetische toewijzing (i.e. bedding, oeverwal, crevasse, restgeul of komafzetting) hoofdzakelijk op lithologische beschrijving plaats, terwijl er ook wordt gekeken naar bepaalde fysische en chemische eigenschappen (zoals kalkgehalte). De toeschrijvingen aan bepaalde faseringen van het rivierensysteem vindt voort plaats op grond van de stratigrafische volgorde in combinatie met bekende gegevens.
3.3.1
Bodemopbouw en fysische geografie Binnen het plangebied bestaat de bodem over het algemeen uit een bouwvoor van zeer stijve klei met humus, met daaronder een zware (matig siltige) en stijve klei zonder humus. Het betreft hier een gerijpte, jonge komklei. In veel boringen zijn onder deze komklei crevasseafzettingen behorende bij de Bruchem stroomgordel aangetroffen. Hieronder volgen meerdere al dan niet humeuze lagen klei, eventueel gevolgd door oeverwalafzettingen en / of beddingafzettingen van de Broek stroomgordel in de diepere ondergrond. Crevasseafzettingen van de Bruchem24 De crevasseafzettingen zijn te herkennen als een zandig, stevig pakket in de bovengrond en zijn vanaf 0,4 m-mv tot circa 1,5 m –mv aangetroffen. De afzettingen zijn gerijpt, roesthoudend of bevatten roestconcreties, en bestaan uit zeer fijn, uiterst siltig zand of sterk zandige klei, met overwegend een kenmerkende beigegrijze kleur. De dikte van het crevassepakket loopt naar de zijkanten af en wordt daar ook geleidelijk steeds kleiiger, tot aan zwak zandige klei. De zandige klei is ook vaak stevig en sterk roesthoudend of ijzerconcretiehoudend. Feitelijk is in de meerderheid van deze boringen een zwak tot matig zandig kleipakket aanwezig, en slechts in enkele boringen een stevig zandpakket.
Dit wijst er op dat de crevasse breed is uitgewaaierd en het gros van deze boringen in de randzone van de crevasse gelegen is. Het verloop van de crevasse is in de boorraai op afbeelding 4 in geel geaccentueerd, waarbij zand en sterk zandige klei als maatgevend voor de crevasse zijn beschouwd. Hierbij valt op dat de crevasse in het merendeel van de boringen is aangetroffen, maar op een aantal punten prominenter (dikker, zandiger en relatief ondiep gelegen) aanwezig is. Dit is met name het geval ter plaatse van boringen 261, 266, 274 en 285. Hieronder wordt het verloop van de crevasse van west naar oost beschreven: De crevasseafzettingen ter plaatse van boringen 253 t/m 256 liggen scherp onder een bouwvoor en een pakket komklei (op een diepte van circa 0,7 m-mv). Het betreft hier duidelijk randafzettingen, bestaande uit matig stevige, uiterst siltige en zwak zandige klei met een dikte van 0,3 tot 0,7 m.
De toewijzing aan Bruchem wordt door Ter Wal 2004 (p. 36) in twijfel getrokken gezien de afstand tot de rivierloop van Bruchem; de min of meer gelijktijdige Oensel wordt ook als kandidaat gezien. 24
Blad 15 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Verder naar het oosten worden de afzettingen zandiger. Het crevassezand is met name in boring 261, 262, 265 en 266 duidelijk aanwezig en heeft vanaf boring 264 een beigegrijze kleur. Het zand begint op een diepte van 0,5 tot 1,1 m-mv en heeft een dikte van 0,3 tot 0,8 m. Enkel in boring 266 is de top (zichtbaar) intact. Daarnaast liggen de crevasseafzettingen in boring 264 aan de oppervlakte. Hier is het pakket echter wel wat kleiiger en lichtgrijs van kleur (vermoedelijk iets humus). Vanaf boring 267 verdwijnt het zand weer redelijk abrupt en is er tot en met boring 270 duidelijk sprake van komafzettingen van siltige klei. Vanaf boring 271 komt de crevasse weer duidelijk in beeld. Tot en met boring 280 is een langgerekte zone van circa 250 meter aanwezig, waarbij de crevasseafzettingen uit grijsbeige zand tot sterk zandige klei bestaan en relatief ondiep gelegen zijn. De afzettingen zijn vanaf 0,4 m-mv aangetroffen en het pakket heeft een maximale dikte van 0,95 m (ter plaatse van boring 274). Over het algemeen worden de crevasseafzettingen afgedekt door een laag komklei. Alleen in boring 273 wordt het zand afgedekt door een humeus laagje klei met een geleidelijke overgang. Verder naar het oosten waaiert de hoogte en dikte van het zandpakket weer uit naar de flanken.
In boring 279 is er op een diepte van 0,5 - 0,65 m-mv een laagje zandige klei met houtskoolbrokken op het zandpakket aangetroffen. Het betreft een mogelijk wat verspoelde zone op een vrij dunne crevasseafzetting. Eén boring verder naar het oosten bestaat het zandpakket uit twee dunne zandlaagjes met een kleilaagje ertussen (0,85 -1,2 m-mv). De crevasseafzettingen duiken hier de diepte in, wat deels kan worden verklaard door de aanwezigheid van een restgeul (of crevassegeul) in boring 281 (herkenbaar aan de venige en kleiige vulling). In het onderste laagje van deze randzone (boring 280) zijn tevens houtskoolspikkels aangetroffen (vanaf 1,2 m-mv). Ter plaatse van boringen 284 en 286 is de crevasse wederom duidelijk aanwezig en relatief ondiep gelegen (vanaf 0,5 m-mv). Vanaf boring 287 zijn de crevasseachtige afzettingen volledig afwezig. Oeverwalafzettingen Broek In de diepere ondergrond zijn beddingafzettingen en oeverwalafzettingen van de Broek stroomgordel aangetroffen. Het beddingzand is vanaf 3,5 m-mv aangetroffen en gezien de diepe ligging slechts in enkele boringen aangetroffen (in boring 253, 255 en 272). Het zand is matig tot zeer grof, zwak siltig en matig tot zeer grindig (in het grijs weergegeven in afbeelding 4). Het verloop van de oeverwalafzettingen is in het oranje weergegeven in afbeelding 4.
De afzettingen bevinden zich over het algemeen onder een pakket klei en bestaat uit kalkrijk, zeer fijn tot matig fijn en sterk siltig lichtgrijs zand met kleilagen of zandige klei met zandlagen aan de flanken. Op meerdere plaatsen binnen het plangebied zijn de oeverwalafzettingen van de Broek op minder dan 2,5 m-mv diepte aangetroffen (boringen 257 t/m 261, 263 t/m 265 en 283 t/m 288). De hoogste niveaus zijn te vinden ter plaatse van boringen 258, 264 en 284. Hier is het zand vanaf een diepte van circa 1,6 tot 1,7 m-mv aangetroffen. In boring 284 wordt het zand afgedekt door een laag matig slappe klei met een zwak humeus niveau op 1,5 tot 1,6-mv. Mogelijk betreft dit een vegetatiehorizont, i.e. het oude loopvlak. Een opvallende boring is nummer 280. Hier zijn op een diepte van 1,2 m-mv spikkels houtskool aangetroffen in een tweede zandlaagje. Daarnaast zijn er spikkels houtskool aangetroffen in de top van een onderliggend pakket matig zandige klei met zandlagen. Mogelijk gaat het hier om een oeverwalpakket van de Broek stroomgordel, direct gelegen langs een restgeul of crevassegeul.
Blad 16 van 26
Afbeelding 4. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van de crevasseafzettingen van de Bruchem-fase (geel), oeverwalafzettingen (oranje) en beddingafzettingen (grijs) van de Broek stroomgordel (oranje), en venige / natte zones (blauw) binnen het plangebied (het westen links, het oosten rechts). De advieszones voor vervolgonderzoek zijn gemarkeerd met een rode streep aan de bovenzijde van de profielen. Zie voor een meer gedetailleerde weergave van afzonderlijke boorprofielen bijlage 3. Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Blad 17 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Restgeulen Er zijn meerdere profielen aangetroffen die als restgeulen of crevassegeulen worden geïnterpreteerd. Ter plaatse van boring 262 is een restgeul gelegen die zich binnen de oeverwalafzettingen van de Broek-stroomgordel bevindt, en dus een landschappelijke overgangszone betreft. Op deze locatie bestaat de diepere ondergrond uit sterk humeuze kleilagen en veen en zijn geen oeverwalafzettingen aanwezig. Wel zijn er crevasseafzettingen van de Bruchem aanwezig bovenop de humeuze klei (bovenop de restgeulafzetting). Verder is er in boring 281 een restgeul in het profiel aan te wijzen. Deze restgeulafzetting is niet met crevasseafzettingen bedekt, waardoor het aannemelijk is dat deze tijdens een eventuele bewoningsfase op de Bruchem crevasse nog open lag en mogelijk ook bevaarbaar was.
3.3.2
Archeologie In twee boringen zijn brokjes dan wel spikkels houtskool aangetroffen. Het houtskool dat is aangetroffen in boring 280 is mogelijk onderdeel van het oeverwalpakket behorende bij de Broek stroomgordel. Tot op heden zijn er op deze stroomgordel nog geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Het houtskool dat is aangetroffen in boring 279 wordt in combinatie met de hier brede crevasse en crevasseachtige zone en bekende vindplaatsen op de crevasseafzetingen van de Bruchem stroomgordel in de omgeving van het plangebied25 beschouwd als argument voor de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats op de crevasseafzettingen van de Bruchem stroomgordel ter plaatse van boringen 271 t/m 280. De top van het de crevasse van de Bruchem stroomgordel is weliswaar gerijpt, maar niet volledig aanwezig en bevat tevens geen vegetatiehorizont of leeflaag. De aanwijzingen voor een eventuele vindplaats zijn derhalve niet gebaseerd op de aanwezigheid van een archeologische laag, maar op de aangetoonde bewoonbaarheid van deze zone (De Wildeman, vindplaats E), de aanwezigheid van een dikke, gerijpte crevasseafzetting en de aanwezigheid van (mogelijk verspoeld) houtskool aan de oostelijke rand van dit gebied. Het houtskool kon niet worden verzameld.
Het is niet te bepalen of de restgeul ten oosten van de het gebied (ter plaatse van boring 281) ten tijde van de vermoedelijke bewoning (ijzertijd, Romeinse tijd, vroege middeleeuwen) bevaarbaar of open water betrof, maar vanwege het ontbreken van crevasseafzettingen boven de restgeulafzettingen is dit wel aannemelijk. Gezien de eindtijd van de actieve fase van Bruchem op 1760 BP zou bewoning in de vroege middeleeuwen het meest voor de hand liggend, maar resultaten van vindplaats E wijzen op late ijzertijd. Crevasses kunnen namelijk een kortere bestaansperiode hebben dan de actieve rivierfase, waardoor het mogelijk is dat deze ook eerder is opgeworpen (vanaf circa 2560 BP, circa 600 voor Chr.). Verder dient te worden opgemerkt dat, landschappelijk gezien, het centrum van een eventueel aanwezige vindplaats wordt verwacht op de locatie waar de crevasse het hoogst is opgeslibd en waar het dikste pakket is gevormd. In dit opzicht is het waarschijnlijker dat het centrum van een eventuele nederzetting moet worden gezocht ter hoogte van boring 273-276. Boringen 279 en 280 zijn landschappelijk interessant omdat deze op de overgang van deze kansrijke locatie naar een restgeul of crevasse geul liggen.
Ter Wal, 2004; AMK-terrein 4213.
25
Blad 18 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Daarnaast zijn er een aantal andere zones binnen het plangebied aan te wijzen waarvoor een hogere archeologische verwachting kan worden uitgesproken dan voor de overige locaties. Het betreft de locaties waar zowel oeverwalafzettingen behorende bij de Broek stroomgordel alsook crevasseafzettingen van de Bruchem stroomgordel als relatief dikke en hoog in het profiel gelegen pakketten (binnen de verstoringsdiepte) in de ondergrond aanwezig zijn en welke tevens aan de rand van een overgangszone naar een restgeul of andersoortig natter en lager gelegen gebied gesitueerd zijn. Ook voor deze locaties geldt dat de archeologische verwachting niet gebaseerd is op de aanwezigheid van archeologische indicatoren of duidelijk aanwezige archeologische lagen, maar met name op de landschappelijke kenmerken en daaraan gelinkte (reeds bewezen) bewoonbaarheid van het gebied. Concreet betreft dit de zones ter plaatse van boringen 260-261, 264-266, 273-276, 279-280 en 284.
Blad 19 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
4
Conclusies en advies
4.1
Conclusies 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Binnen het plangebied bestaat de bodem over het algemeen uit een bouwvoor van zeer stijve klei, met daaronder een laag matig siltige en zeer stijve klei. In veel boringen zijn onder de klei crevasseafzettingen behorende bij de Bruchem stroomgordel aangetroffen. Hieronder volgen weer en of meerdere al dan niet humeuze lagen klei, eventueel gevolgd door oeverwalafzettingen en/of beddingafzettingen van de Broek stroomgordel in de diepere ondergrond. De bodem is niet verstoord geraakt door bodemwerkzaamheden van recente aard. Wel blijkt uit de boringen dat veel afzettingen erosief zijn afgezet of naderhand geërodeerd zijn: over het algemeen zijn er weinig geleidelijke overgangen in het bodemprofiel aanwezig. 2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en hoe zijn deze te herkennen? In de diepere ondergrond zijn bedding- en oeverwalafafzettingen van vermoedelijk de Broek stroomgordel aangetroffen. Het beddingzand is matig tot zeer grof, zwak siltig en matig tot zeer grindig. De oeverwalafzettingen bestaan uit kalkrijk, zeer fijn tot matig fijn en sterk siltig lichtgrijs zand met kleilagen, of zandige klei met zandlagen aan de flanken van de oevers. Verder zijn er crevasseafzettingen behorende bij de Bruchem stroomgordel aangetroffen.
Deze afzettingen zijn gerijpt, roesthoudend of bevatten roestconcreties, en bestaan uit zeer fijn, uiterst siltig zand of sterk zandige klei, met een beige kleur. Verder naar de flanken worden de afzettingen kleiiger en de dikte binnen het profiel geringer. 3.
Zijn er binnen het plangebied één of meerdere vindplaatsen aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en)? Binnen het plangebied zijn geen concrete of duidelijke vindplaatsen aangetroffen. Het is mogelijk dat plaatselijk zeer lichtgrijze laklaag op de heterogene crevasseafzettingen aanwezig is (geweest) en ofwel deels is opgenomen in de bouwvoor ofwel niet herkend is in de boring. Alleen in boring 273 is een zwak humeuze laag gevonden die mogelijk een laklaag is. Ook is het mogelijk dat het (verspoelde) houtskool dat is aangetroffen in boringen 279 en 280 afkomstig is van een vindplaats in de directe omgeving, waarbij specifiek gedacht dient te worden aan het hoogste gedeelte van de crevasse welke te vinden is ter plaatse van boring 273-276. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de houtskoolspikkels uit boring 279 toegeschreven kunnen worden aan een oudere vindplaats (steentijd) gerelateerd aan het oeverwalgebied van de Broek stroomgordel. 4.
Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? Er zijn geen concrete archeologische lagen aangetroffen binnen het gebied. De archeologische verwachting binnen het gebied is echter sterk verbonden met de in de ondergrond aanwezige crevasses en oeverwallen. De crevasse behoort bij de Bruchem-fase en is veelal reeds vanaf 0,5 m -mv aangetroffen. De oeverwalafzettingen behorende bij de Broek stroomgordel zijn plaatselijk vanaf 1,6 m-mv aangetroffen.
Blad 20 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
5.
In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? Indien er binnen het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig blijken te zijn, dan bestaat er een reële kans dat deze met de voorgenomen werkzaamheden verstoord zullen raken. 6. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? Planaanpassing op het kabeltracé behoort niet tot de mogelijkheden, maar in de uitvoeringsfase kan wel gekeken worden naar technische maatregelen. Met betrekking tot de voorgenomen werkstrook en geplande graafwerkzaamheden kan de maatregel worden toegepast door de hoeveelheid grondverzet zo veel als mogelijk te beperken, om de ondiepe ligging van de crevasseafzettingen in de bodem te kunnen beschermen. 7.
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Naar aanleiding van het bureauonderzoek werden er binnen het plangebied crevasseafzettingen van de Bruchem stroomgordel en afzettingen behorende tot de Broek stroomgordel verwacht. Deze verwachtingen zijn uitgekomen. 8.
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2.
4.2
(Selectie)advies Het verdient de aanbeveling om op verscheidene locaties binnen het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Enerzijds wordt archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd voor de zones waar naar aanleiding van het aangetroffen houtskool een mogelijke vindplaats wordt verwacht (gerelateerd aan de oeverwalzone van de Broek of de crevasse van de Bruchem fase). Voor de oeverwalzones van de Broek is boring 284 door de mogelijke aanwezigheid van een laklaag de meest kansrijke locaties. Anderzijds wordt vervolgonderzoek geadviseerd voor de gebieden waar geen directe archeologische indicatoren zijn aangetroffen, maar waarbij op basis van de landschappelijke gegevens wel een verhoogde archeologische verwachting geldt. Concreet betreft dit de zones ter plaatse van boringen 273-276, 279-280 en 284 (zie ook afbeelding 4, zwarte cirkels). Proefsleuven ter plaatse van boringen 273-276: Crevasseafzettingen (Bruchem) Deze zone is onderdeel van een relatief langgerekte zone met crevasse-afzettingen (gelegen tussen boringen 271-280). Op deze locatie is het zandpakket relatief dik en ondiep gelegen vooral ter hoogte van boringen 273-274. Ter plaatse van boring 274 wordt het zandpakket vanaf 0,5 mmv aangetroffen en is deze 0,95 m dik. In boring 273 is een zwak humeus laagje aanwezig bovenop het crevassezand.
Mogelijk betreft dit een vegetatieniveau (laklaag). Proefsleuven ter plaatse van boringen 279-280: Crevasseafzettingen (Bruchem) en oeverwalafzettingen (Broek) In boring 279 is het crevassezand weliswaar dun (0,25 m), maar de laag bleek wel houtskoolresten te bevatten. In boring 280 zijn op een diepte van 1,2 m-mv spikkels houtskool aangetroffen in een tweede zandlaagje. Daarnaast zijn er spikkels houtskool aangetroffen in de top van een onderliggend pakket (matig zandige klei met zandlagen). Mogelijk gaat het hier om een oeverwalpakket van de Broek stroomgordel. Voor de restgeulafzetting in boring 281 valt op
Blad 21 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
dat deze niet met crevasseafzettingen bedekt is, waardoor het aannemelijk is dat deze tijdens een eventuele bewoningsfase op de Bruchem crevasse nog open lag en mogelijk bevaarbaar was. Proefsleuf ter plaatse van boring 284: Crevasseafzettingen (Bruchem) en oeverwalafzettingen (Broek) Ook in boring 284 zijn de oeverwalafzetting relatief dik en hooggelegen. Het pakket begint op een diepte van 1,7 m-mv en loopt door tot de einddiepte van 3 m-mv. Hierboven bevindt zich een laag klei met een zwak humeus niveau tussen 1,5 m en 1,6 m-mv. Mogelijk betreft dit een vegetatiehorizont. Bovenop de klei ligt nog een laag crevasseafzetingen van de Bruchem-fase. Deze laag is vanaf 0,5 m-mv aangetroffen en is 0,7 m dik en is gelegen op een overgangszone naar een natte zone zonder crevasseafzettingen. Vooralsnog geen vervolgonderzoek op andere locaties Ook op andere locaties binnen het plangebied zijn afzettingen van de crevasse (Bruchem) en oeverwallen van de Broek aangetroffen, maar de hierboven genoemde locaties worden op grond van de voorliggende gegevens als meest kansrijk beschouwd. Voor de overige locaties wordt vooralsnog géén vervolgonderzoek geadviseerd. Een daadwerkelijk selectieadvies tot vrijgave van deze locaties zal pas na het proefsleuvenonderzoek kunnen worden geformuleerd, omdat als er een vindplaats wordt aangetroffen het onderzoeksgebied mogelijk moet worden uitgebreid.
Nadere details omtrent de inrichting van het proefsleuvenonderzoek (strategie, maatvoering e.d.) dienen in een Programma van Eisen te worden verwoord. Gezien dat het hier een tracé betreft ligt het voor de hand om relatief smalle en lange proefsleuven aan te leggen in de lengterichting van het tracé die in ieder geval overlappen met de genoemde boorpunten (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5. Voorgestelde locatie voor vervolgonderzoek (archeologisch proefsleuvenonderzoek) oranje gemarkeerd.
Blad 22 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Het is aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Maasdriel, de bevindingen en adviezen uit dit rapport te beoordelen en vervolgens over te gaan tot een selectiebesluit. In het te maken selectiebesluit kan de bevoegde overheid afwijken van het hier gegeven selectieadvies. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Heerenveen, december 2020
Blad 23 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Literatuur en geraadpleegde bronnen Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012: Vernieuwd digitaal basisbestand paleogeografie van de RijnMaas Delta. Beknopte toelichting bij het Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Universiteit Utrecht. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta / Rhine-Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Universiteit Utrecht. Exaltus, R. & J. Orbons, 2017: Bommelerwaard, Zaltbommel. Gemeente Zaltbommel. Inventariserend Veldonderzoel (IVO-O); verkennend en karterend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 17077. ArcheoPro, Eijsden. Fens, R., 2020: Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, karterende fase. Netverzwaring Zuilichem-Zaltbommel, gemeente Zaltbommel en Maasdriel. Antea Group, Heerenveen. Fens, R.L. & F. Riddersma, 2018: Bureauonderzoek. Leiding tracé Zuilichem-Zaltbommel gemeente Zaltbommel. Antea Group Archeologie 2018/34. Antea Group, Heerenveen. Fleuren, I. & R.L. Fens, 2020: Bureauonderzoek. Aanleg 150kV-kabeltracé Zuilichem-Zaltbommel, netverzwaring westelijk deel Bommelerwaard. Antea Group Archeologie 2019/138. Antea Group, Heerenveen. Goossens, E., F. van Hemmen & J. Breimer, 2010: Cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid gemeente Zaltbommel.
RAAP-Rapport 2025. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Weesp. Huizer, J., 2015: Wildeman II (gemeente Zaltbommel). Een bureauonderzoek. ADC Rapport 3816. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Schorn, E.A., 2002: De Wildeman, Archeologische prospectie (Gemeente Zaltbommel). BAACrapport 02.041. BAAC bv, Deventer. Teekens, P.C., 2018: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. Leiding tracé Zuilichem-Zaltbommel gemeente Zaltbommel. Antea Group Archeologie 2018/50. Antea Group, Heerenveen. Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB. Vanderhoeven, T., J. de Moor & L. Schaarman, 2018: Leidingtracé Zuilichem-Zaltbommel, zone HB03-HB06. Archeologisch onderzoek door middel van een archeologische begeleiding. EARTH Integrated Archaeology Rapporten 110. EARTH Integrated Archaeology, Amersfoort. Veldman, H.A.P. & E. Blom (red.), 2010: Onder de zoden van Zaltbommel. Een rurale nederzetting en een grafveld uit de Romeinse tijd in het plangebied De Wildeman. ADC Monografie 8 / ADC Rapport 1800. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort.
Blad 24 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Verniers, L.P. & E. Blom (red.), 2019: Zaltbommel De Wildeman II. Een nieuwe ronde met nieuwe kansen: Romeinse vindplaatsen aangevuld. ADC Rapport 4600. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Wal., A. ter, 2004: Zaltbommel De Wildeman. Inventariserend Veldonderzoek. BAAC-rapport 03.131.182. BAAC bv, ’s-Hertogenbosch.
Blad 25 van 26
Antea Group Archeologie 2020/155 Kabeltracé Zaltbommel-Zuilichem, gemeente Maasdriel projectnummer 459613 4 december 2020 revisie 00 Reddyn B.V.
Lijst van afbeeldingen en bijlagen Afbeeldingen in tekst Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied. Bron: Esri & partners. Afbeelding 2. De vindplaatsen behorende bij plangebied De Wildeman met onderliggende stroomgordels. Bron: Veldman & Blom (red.), 2010: p. 291, afb. 16.8. Afbeelding 3. Beknopte beschrijving van de aangetroffen vindplaatsen binnen plangebied De Wildeman. Bron: Verniers & Blom (red.), 2019: p. 11. Afbeelding 4. Visualisatie van de ondergrondse aanwezigheid van de crevasseafzettingen van de Bruchem-fase (geel), oeverwalafzettingen (oranje) en beddingafzettingen (grijs) van de Broek stroomgordel (oranje), en venige / natte zones (blauw) binnen het plangebied (het westen links, het oosten rechts). De advieszones voor vervolgonderzoek zijn gemarkeerd met een rode streep aan de bovenzijde van de profielen. Zie voor een meer gedetailleerde weergave van afzonderlijke boorprofielen bijlage 3. Afbeelding 5. Voorgestelde locatie voor vervolgonderzoek (archeologisch proefsleuvenonderzoek) oranje gemarkeerd. Bijlagen 1 Archeologische perioden Beschrijving van de archeologische perioden 2 AMZ-cyclus Beschrijving en weergave van de Archeologische Monumentenzorg 3 Boorbeschrijvingen Beschrijving en weergave van de boorprofielen Kaartbijlagen 459613-ARCHIS 459613-ARO
Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen, onderzoeken en waarnemingen Situatiekaarten met ligging boorpunten
Blad 26 van 26
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.
Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.
Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.
Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.
Bijlage 2: Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)
Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.
Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)
Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.
Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.
De bevoegde overheid kan van het selectieadvies afwijken indien zij dat nodig acht. Veldkartering Bij een veldkartering wordt het plangebied systematisch belopen om archeologische oppervlaktevondsten te verzamelen.
Bijlage 3: Boorprofielen Legenda (conform NEN 5104 / ASB) grind
klei Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand Zand, kleiïg
Zand, zwak siltig
leem Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
overig bijzonder bestanddeel
slib
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand
water
Projectnr.: 459613ARO 19-08-2020 Projectnaam: IVO-O Zuilichem zaltbommel
Bijlage 3: Profielbeschrijvingen met waarnemingen Boring: 253 0
Boring: 254 0
weiland
20
Klei, stevig, sterk siltig, zwak humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, bouwvoor
-50 70
-100
-150
110
150 160
-200
235
Klei, zeer stijf, matig siltig, matig gleyhoudend, licht blauwgrijs, scherp, homogeen, kalkarm, Komafzetting
Klei, slap, matig siltig, neutraal blauwgrijs, Humeuze band op 130, kalkarm
0
weiland
20
Klei, stevig, sterk siltig, zwak humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, bouwvoor
-50 80
Klei, matig stevig, uiterst siltig, zwak zandig, matig roesthoudend, -100 lichtgrijs, Zwak gelaagd, ijzerconcreties, kalkrijk
-150
110
150 165
Klei, zeer stijf, matig siltig, matig gleyhoudend, licht blauwgrijs, scherp, homogeen, kalkarm, Komafzetting
0
70
Klei, matig stevig, uiterst siltig, zwak zandig, matig roesthoudend, -100 lichtgrijs, Zwak gelaagd, ijzerconcreties, kalkrijk Klei, slap, matig siltig, neutraal blauwgrijs, Humeuze band op 130, kalkarm
-300
Klei, zeer stijf, matig siltig, matig gleyhoudend, licht blauwgrijs, scherp, homogeen, kalkarm, Komafzetting
Klei, sterk siltig, neutraal blauwgrijs, Humeuze banden, kalkarm
350 360
Veen, uiterst kleiïg, resten planten, -250 donkerbruin, scherp, kalkarm
Klei, matig stevig, uiterst siltig, -350 sterk zandig, resten hout, neutraalgrijs, Sterk gelaagd, scherp, kalkrijk -400
-350 380 395 400
210
255
Boring: 259
180 190
245
-250
akker Klei, stevig, sterk siltig, matig humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, AP-horizont, bouwvoor
0
80
-150
160
0
akker Klei, stevig, sterk siltig, matig humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, AP-horizont, bouwvoor
-450
0
-50 80
Klei, matig stevig, uiterst siltig, matig zandig, matig roesthoudend, -100 neutraalgrijs, scherp, ijzerconcreties, kalkarm Klei, matig slap, sterk siltig, zwak roesthoudend, neutraalgrijs, geleidelijk, kalkarm
-150
130
160
-200
210
260
Klei, matig slap, matig siltig, neutraal grijsblauw, Aan de basis zandlagen, scherp, aan de top humeus, kalkarm
-150
-250
Zand, zeer fijn, sterk siltig, resten hout, neutraalgrijs, kalkrijk
akker
Zand, matig fijn, matig siltig, neutraalgrijs, kalkrijk
0
260
-250
0
akker Klei, stijf, sterk siltig, matig humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, AP-horizont, bouwvoor
55
-100
-400
0
Zand, zeer fijn, uiterst siltig, zwak kleiïg, laagjes zand, neutraal blauwgrijs, scherp, kalkrijk
-150
Klei, matig stevig, uiterst siltig, sterk zandig, matig roesthoudend, lichtgrijs, scherp, ijzerconcreties 110
160
Zand, zeer fijn, uiterst siltig, zwak kleiïg, laagjes zand, neutraalgrijs, scherp, kalkrijk
-250
-300
310
310
Zand, zeer fijn, matig stevig, sterk siltig, zwak humeus, laagjes klei, resten planten, resten schelpen, resten riet, neutraalgrijs, Sterk gelaagd,humeuze laagjes, kalkrijk
-350
-400
410
Boring: 264 0
55
140
190
Klei, matig stevig, sterk siltig, zwak humeus, resten schelpen, resten veen, neutraalgrijs, Vanaf 190 duidelijk veenresten, geleidelijk, -200 kalkrijk
-200
Zand, matig fijn, stevig, sterk siltig, laagjes zand, neutraalgrijs, Onderin -250 sterk compact, kalkrijk
-300
Klei, stijf, matig siltig, neutraal grijsbeige
0
0
140
Klei, matig stevig, matig siltig, neutraalgrijs, Bovenin humeuze band, geleidelijk
Klei, stevig, uiterst siltig, sterk zandig, matig roesthoudend, lichtgrijs, ijzerconcreties, kalkrijk
-50
-100
105
Klei, matig stevig, matig siltig, neutraalgrijs, Iets humeuze band op 130-150, geleidelijk, aan de basis zandig, kalkarm
-150
Klei, matig stevig, matig siltig, licht grijsblauw, geleidelijk, aan de top humeus
170
Zand, matig fijn, slap, matig siltig, neutraalgrijs, Guts loopt leeg, kalkarm
-200
210
gras
Zand, matig fijn, matig slap, matig siltig, neutraal blauwgrijs -250
Veen, matig stevig, zwak kleiïg, resten hout, donkerbruin, kalkarm
Klei, stevig, sterk siltig, zwak humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, AP-horizont, bouwvoor
120
Klei, matig stevig, sterk siltig, sterk humeus, resten veen, neutraal bruingrijs, scherp, kalkarm 260
akker
Klei, stevig, uiterst siltig, sterk zandig, matig roesthoudend, lichtgrijs, scherp, ijzerconcreties
-100
Zand, zeer fijn, matig stevig, matig siltig, zwak roesthoudend, lichtgrijs, scherp, ijzerconcreties, kalkrijk -150
430
460
40
-50
110
Klei, matig stevig, matig siltig, -150 neutraal grijsblauw, Met humeuze laag op 155-165, scherp, kalkrijk
260
50
Klei, matig slap, uiterst siltig, matig zandig, laagjes zand, resten riet, neutraal grijsblauw, kalkrijk
Boring: 263
235
-250
Klei, stevig, sterk siltig, zwak humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, bouwvoor
-200
210
Klei, stijf, sterk siltig, matig roesthoudend, neutraal grijsbeige, scherp
140
-200
akker
Klei, matig slap, matig siltig, zwak roesthoudend, neutraalgrijs, geleidelijk, kalkarm
Zand, zeer fijn, stevig, sterk siltig, laagjes klei, resten hout, neutraalgrijs, kalkrijk
Klei, stijf, sterk siltig, matig roesthoudend, neutraal grijsbeige, scherp Zand, zeer fijn, slap, matig siltig, lichtgrijs, scherp, ijzerconcreties, kalkrijk
-100
0
380 385
-50
60
Klei, stevig, uiterst siltig, sterk zandig, matig roesthoudend, lichtgrijs, gelaagd, geleidelijk, ijzerconcreties, kalkrijk
-350
-450
Klei, stijf, sterk siltig, matig humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, AP-horizont, bouwvoor
80
Klei, matig stevig, matig siltig, neutraal blauwgrijs, scherp, kalkrijk -150
Zand, zeer fijn, sterk siltig, resten hout, neutraalgrijs, kalkrijk
Boring: 262 0
-50
Klei, zeer stijf, matig siltig, matig gleyhoudend, neutraal grijsbeige, Stormbandje, scherp, kalkarm, Komafzetting
Klei, matig stevig, matig siltig, neutraal grijsblauw, Zwak niet venige humeuze banden, redox grens 170, geleidelijk, kalkarm
250
0
Klei, uiterst siltig, resten planten, neutraalgrijs, scherp, kalkrijk
460
Klei, matig stevig, uiterst siltig, matig zandig, matig roesthoudend, -100 neutraalgrijs, scherp, ijzerconcreties, kalkarm
Zand, zeer fijn, stevig, uiterst siltig, laagjes zand, neutraalgrijs, kalkrijk -250
55
140
Veen, uiterst kleiïg, resten planten, donkerbruin, scherp, kalkarm -200
weiland Klei, stevig, sterk siltig, zwak humeus, neutraal bruingrijs, geleidelijk, kalkarm, bouwvoor
70
-300
Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, resten schelpen, resten hout, neutraalgrijs, kalkrijk
Zand, zeer fijn, stevig, uiterst siltig, laagjes zand, neutraalgrijs, Onderin sterk compact, kalkrijk
Klei, matig stevig, matig siltig, neutraal blauwgrijs, geleidelijk, kalkrijk -200
-50
0
Klei, slap, uiterst siltig, matig zandig, laagjes zand, resten riet, neutraal beigegrijs, Veel zandlagen, kalkrijk
-350
360
Boring: 261
-50
110
0
Klei, matig stevig, uiterst siltig, zwak zandig, matig roesthoudend, -100 lichtgrijs, Zwak gelaagd, geleidelijk, ijzerconcreties, kalkrijk Klei, sterk siltig, neutraal blauwgrijs, Humeuze banden, kalkarm
-150
Veen, uiterst kleiïg, resten planten, -200 donkerbruin, scherp, kalkarm Klei, matig slap, matig siltig, neutraal grijsblauw, Aan de basis zandlagen, scherp, aan de top humeus, kalkarm