Bijlage 2 (regels) Landschappelijke inpassing
Tekst van het document
Inhoud Colofon: ...................................................................................................1 Inleiding ...................................................................................................3 1.
Planbeschrijving ....................................................................................4 1.1
Situering van het plangebied ................................................................4
1.2
Cultuurhistorische waarden en gebiedskenmerken van het oeverwallenlandschap. 5
Het oeverwallenlandschap ........................................................................6 De huidige bestemming............................................................................6 1.3
Bodemmorfologie binnen het plangebied .................................................7
1.3.1 2.
Grondwatertrap ..........................................................................7
Het inrichtingsplan .................................................................................8 2.1
Landschapsbomen.............................................................................9
2.2
Knip- en scheerhagen ........................................................................9
2.3
Hoogstamfruitgaard ..........................................................................9
2.4
Houtsingel ......................................................................................9
2.5
Knotbomen .....................................................................................9
3.
Plantlijst ........................................................................................... 10
4.
De aanleg .......................................................................................... 11
5.
6.
4.1
Grondbewerking ............................................................................. 11
4.2
Grondverbetering ........................................................................... 11
4.3
Opkuilen ...................................................................................... 11
4.4
Uitzetten ..................................................................................... 11
4.5
Wettelijke bepalingen...................................................................... 12
4.6
Plantwijze.................................................................................... 12
4.7
Menging....................................................................................... 12
Onderhoud/beheer ............................................................................... 14 5.1
Onkruidbestrijding .......................................................................... 14
5.2
Beheer 1e groeiseizoen ..................................................................... 14
5.3
Snoeien/ onderhoud ........................................................................ 14
Conclusie .......................................................................................... 16
Bijlage 1. Landschappelijk inpassingsplan op de locatie: Heust 27 en ong. te Well ......... 17
Pagina
2
Bijlage 2. Landschappelijk inpassingsplan met zichtlijnen. ..................................... 18
Inleiding Ten behoeve van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Heust 27 te Well, dient een duidelijk en goed onderbouwd landschappelijk inpassingsplan te liggen. Het plan dient gebaseerd te zijn op de historische (agrarische) situatie. Het college van B&W van de gemeente Maasdriel heeft een principebesluit genomen waarin zij medewerking verleent aan beschreven initiatieven, mits de plannen aan de geldende wet- en regelgeving voldoen. Een goede landschappelijke inpassing, waarmee de locatie ‘groen wordt ingepast’ en waarbij rekening gehouden wordt met de cultuurhistorische waarden, is één van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
Pagina
3
Voorliggend plan geeft invulling aan de wens van de gemeente Maasdriel voor een goede landschappelijke inpassing op de locatie: Heust 27, Well.
1. Planbeschrijving Om te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van de nieuw te bouwen woning (Heust ong.) en de bebouwing op de huidige locatie (Heust 27) zijn op de kavels al landschapsbomen, knotbomen, hagen en (hoogstam)fruitbomen aanwezig. Deze landschapselementen zorgen voor voedsel, veiligheid en voortplantingsmogelijkheden voor diverse soorten fauna en voor de landschappelijke inpassing van de diverse bebouwingen op de kavel. De bestaande bebouwing en nieuw te bouwen woning dienen goed landschappelijk ingepast te worden, waarbij rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden. Deels wordt hieraan al voldaan door de aanwezige landschapselementen op de kavels. Maar er dient ook een extra kwaliteit toegevoegd te worden, om het plan te kunnen realiseren.
1.1 Situering van het plangebied Het plangebied is gelegen ten noorden van de kern van Well (zie afbeelding 1). Het plangebied is gelegen binnen het Oeverwallenlandschap welke zich kenmerkt door gestrekte dorpen, een kleinschalige en onregelmatige blokverkaveling met overwegend landbouw maar daarnaast ook hoogstamboomgaarden, perceel afscheidingen van (meidoorn)hagen en houtsingels, knotwilgen en bosjes.
Pagina
4
Afbeelding 1: Globale ligging van het plangebied. Bron: Kadviewer.map5.nl, 09-12-2022
Afbeelding 2: Begrenzing van het plangebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats gaat vinden, het bouwen van de nieuwe woning binnen de rode lijnen. En het slopen van bebouwingen binnen het rode kader. Bron: Kadviewer.map5.nl, 09-12-2022
1.2 Cultuurhistorische waarden en gebiedskenmerken van het oeverwallenlandschap.
Pagina
Afbeelding 3: plangebieden binnen het landschapstype Oeverwallenlandschap. Met als grens de watergang tussen de oostelijk gelegen oude Maasarm en westelijk gelegen het bebouwingslint langs Heust. Bron: Stichting landschapsbeheer Gelderland.
5
Om toe te komen aan een goed landschappelijk inpassingsplan van de bestaande en nieuw te bouwen bebouwing is het belangrijk om te kijken naar de cultuurhistorie en inrichting welke behoord bij deze cultuurhistorie. Het plangebied is gelegen in het oeverwallenlandschap met de bestemmingen cultuurhistorische-, agrarische- en landschapswaarden (zie afbeelding 3).
Het oeverwallenlandschap Bij elke overstroming van de rivier (de Maas) wordt een laagje klei afgezet. Dichtbij de rivier werden de grovere deeltjes afgezet, zo ontstonden de oeverwallen. De bebouwing is geconcentreerd in ronde of gestrekte dorpen met een onregelmatige blokverkaveling. De percelen en wegen, die de rivieren volgen, zijn ook grillig van vorm. Er komt overwegend landbouw voor maar daarnaast ook veel hoogstamboomgaarden. De perceel scheidingen bestaan vaak uit meidoornhagen, want sloten komen weinig voor. Het beplantingspatroon bestaat verder uit houtsingels, erfbeplantingen, knotwilgenrijen en bosjes. Zowel de wegen als de waterlopen zijn slingerend. Het landschap is kleinschalig. Heggen en hagen Heggen of hagen kunnen voorkomen rondom de voortuin, moestuin, boomgaard of als of scheiding tussen de weilanden. In het weiland of om de boomgaard kwam van oudsher meidoorn of een gemengde doornhaag voor. Rondom de voortuin gaat de voorkeur uit naar meidoorn, veldesdoorn of liguster. Hoogstamboomgaard In dit landschapstype komen veel hoogstamboomgaarden voor. Dit waren in het verleden productieboomgaarden die zich achter de boerderij bevonden. Productieboomgaarden bestonden voornamelijk uit appels, met bijvoorbeeld peren aan de westkant als windsingel. Ook kwamen er productie kersenboomgaarden voor.
Boerenboomgaardjes stonden vaak aan de zijkant of voorkant van de boerderij en bestonden uit fruitbomen voor de eigen voorziening. Denk daarbij aan een handappel, moesappel, stoofpeer, handpeer pruim en kers. Niet alle soorten zijn zelf bestuivend, sommige rassen hebben een ander ras nodig om vrucht te kunnen dragen. Knotbomen Knotbomen vormen al eeuwenlang een vertrouwd beeld in het Nederlandse cultuurlandschap. Bepaalde boomsoorten werden vroeger geknot om gebruikshout te leveren. Echter deze wijze van houtproductie is niet meer rendabel en hierdoor dreigen deze markante knotbomen uit het landschap te verdwijnen. Knotbomen staan vaak in rijen en vormen groene linten in het landschap. Oudere noestige knotbomen bieden een schuilen nestplaats voor allerlei diersoorten. Een voorbeeld hiervan is de steenuil. Diverse soorten planten, mossen en paddenstoelen vinden een goede humusrijke voedingsbodem in vermolmde delen van oude knotbomen. Knotbomen van zomereik en gewone es komen voornamelijk voor langs (voormalige) perceelranden op de oeverwallen. Houtsingels en geriefhoutbosjes Houtsingels komen voor langs de weilanden en boomgaarden en werden in het verleden aangeplant als perceel scheiding, veekering en voor de houtvoorziening. Geriefhoutbosjes werden vaak op overhoekjes geplaatst en werden ook aangeplant voor de houtvoorziening.
Soorten die op de oeverwal veel in een houtsingel voorkomen zijn essen, elzen, meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, hazelaar, gelderse roos, kardinaalsmuts etc. Geriefhoutbosjes waren vaak eentoniger en bestonden voornamelijk uit els, wilg, gewone es of hazelaar. Het is belangrijk de soorten in de juiste aantallen en verhoudingen aan te planten, om tot het gewenste eindbeeld te komen. (bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Pagina
In het bestemmingsplan op de locatie Heust 27 is de bestemming: wonen met cultuurhistorische waarden en op de locatie Heust ong. te Well is er een dubbelbestemming: agrarisch met waarden en landschaps- en cultuurhistorische waarden (zie afbeelding 4).
6
De huidige bestemming
Het onbebouwd groen perceel draagt bij aan de karakteristiek van de straat en door bebouwing wordt dit geschaad. Het groene karakter van het onbebouwde perceel kan met een goed landschappelijk inpassingsplan grotendeels behouden blijven. Wel zal de term ‘groen’ een nieuwe functie krijgen van open naar besloten met gebiedskenmerkende landschapselementen. De aanwezige bestemmingen kennen de volgende gebiedskenmerken, waaraan voldaan dient te worden: -
Herstel en versterking van het kleinschalige landschappelijke karakter en aardkundige waarden; behoud en herstel van de verkaveling van kromme akkers; behoud en herstel van de waardevolle landschapselementen, zoals bosjes, meidoornhagen, houtwallen en struwelen; behoud en herstel van cultuurhistorische waarden; bescherming van archeologische waarden; behoud en ontwikkeling van ecologische waarden;
Binnen de ontwikkeling van het landschappelijk inpassingsplan is gezocht naar aansluiting van bovenstaande eisen. Deze zijn verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan welke toegevoegd is in bijlage 1.
Afbeelding 4: Plangebied liggend binnen de bestemming wonen met waarde cultuurhistorie (Heust 27) en de dubbelbestemming agrarisch met waarden en landschaps- en cultuurhistorische waarden (Heust ong.). Bron: Kadviewer.map5.nl, 09-12-2022
1.3 Bodemmorfologie binnen het plangebied De ingebrachte gronden bevinden zich op de grondsoort: Kalkhoudende poldervaaggronden met de beschrijving zavel en lichte klei met grondwatertrap 6 (bron: bodemdata.nl).
Pagina
Grondwatertrap 6 heeft een GHG van 40-80 en een GLG van >120 cm. Conform beleid geldt een compensatienorm voor hemelwatervoorziening van 43,6 mm/m2 verhard oppervlak (bebouwingen, verhardingen). Dit wordt binnen het plangebied vorm gegeven in de vorm van een waterinfiltratievoorziening (zie bijlage 1). Gezien de GHG van 40-80 dient in de berekening van de oppervlakte van de te ontwikkelen waterinfiltratievoorziening rekening gehouden te worden dat deze niet dieper mag zijn dan -40 onder peil. Daarmee krijg de infiltratievoorziening een afmeting van 17,5*9.5 m1 met een talud van 1:3 en een maximale diepte van -40 cm.
7
1.3.1 Grondwatertrap
2.1 Landschapsbomen De landschapsbomen welke aangeplant zijn staan verdeeld over op kavel 197. De soorten waar het om gaat zijn: -
Acer pseudoplatanus, 1 stuks Salix babylonica, 2 stuks
Op kavel 244 worden 4 landschapsbomen bij geplant. De soort waar het om gaat: -
Alnus glutinosa
2.2 Knip- en scheerhagen De knip- en scheerhaag welke aangeplant is op kavel 197 bestaat uit de volgende soort: -
Ligustrum vulgare
Om toe te komen aan een goede landschappelijke inpassing worden de bestaande ligusterhagen op kavel 197 uitgebreid met 73 m1/ 365 stuks. En op het nieuwbouwkavel worden de erfgrenzen en de randen van de hoogstamfruitgaard ingeplant met een meidoornhaag met een totale lengte van 91,5 m1 en 458 stuks. Deze soorten hagen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing, eenheid en schuil-, voortplantings- en foerageerplaatsen voor vogels, zoogdieren en insecten. De haag aan de straatzijde heeft een maximale hoogte van 100 cm. Dit is belangrijk om de zichtlijn op het achterliggend landschap en de oude Maasarm open te houden.
2.3 Hoogstamfruitgaard Op kavel 197 is een perenboom aanwezig ten noorden van de bestaande woning. Om toe te komen aan de gewenste landschappelijke inpassing wordt een hoogstamfruitgaard met 5 fruitbomen aangeplant ten zuiden van de nieuw te bouwen woning. De soorten welke aangeplant gaan worden staan weergegeven in de plantlijst in hoofdstuk 3.
2.4 Houtsingel De houtsingel welke aan de noordzijde van kavel 197 en 244 aangeplant gaat worden bestaat uit diverse soorten boom- en struikvormers. Deze soorten hebben allemaal hun eigen functie voor fauna in het gebied. Zo bloeien ze verschillend door het jaar heen en zorgen ze met hun bessen voor voedsel voor vogels en zoogdieren. Ook zijn de houtsingels een belangrijke plaats voor vogels en zoogdieren om zich voort te planten en te schuilen bij gevaar. De houtsingel heeft een oppervlakte van: -
816 m2 met 364 stuks
2.5 Knotbomen De aanwezige knotbomen op het nieuwbouwkavel bestaan uit de soort:
9
Salix alba, 6 stuks.
Pagina
-
3. Plantlijst Plantlijst voor de landschappelijke inpassing op de locatie: Heust 27 en ong. Well Totaal aantal hoogstamfruitbomen Totaal aantal landschapsbomen Totaal aantal knip- en scheerhagen Totaal aantal bosplantsoen (houtsingel)
Plantmaat Type 10-12 Hoogstam 10-12 Hoogstam 10-12 Hoogstam 10-12 Hoogstam 10-12 Hoogstam
Landschapsbomen Aantal Eenheid Latijnse naam 4 stuks Alnus glutinosa
Nederlandse naam Els
Plantmaat Type 14-16 Hoogstam
Knip- en scheerhagen 458 stuks Crataegus monogyna 365 stuks Ligustrum vulgare
Meidoorn Gewone liguster
80-100 80-100
haagplantsoen haagplantsoen
Houtsingel Boomvormers, 20% 25 stuks Fraxinus excelsior 25 stuks Alnus glutinosa 25 stuks Tilia europaea
Es Els Hollandse linde
80-100 80-100 80-100
Vulhout Vulhout Vulhout
Struikvormers, 80% 21 stuks Viburnum opulus 31 stuks Cornus sanquinea 31 stuks Euonymus europaeus 21 stuks Sambucus nigra 31 stuks Amelanchier lamarckii 17 stuks Rosa canina 21 stuks Sorbus aucuparia 21 stuks Acer campestre 21 stuks Corylus avellana 30 stuks Creataegus monogyna 30 stuks Prunus spinosa
Gelderse roos Rode kornoelje Kardinaalsmuts Vlier Krentenboompje Hondsroos Lijsterbes Veldesdoorn Hazelaar Meidoorn Sleedoorn
80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100
Vulhout Randsoort Randsoort/ vulhout vulhout Randsoort/ vulhout Randsoort Vulhout Vulhout Vulhout Randsoort/ vulhout Randsoort/ vulhout
Pagina
Hoogstamfruitbomen Aantal Eenheid Latijnse naam Nederlandse naam 1 stuks Prunus a. 'Early Rivers' Kers 1 stuks Malus d. 'Schone van Boskoop' Appel 1 stuks Malus d. 'Zigeunerin' Appel 1 stuks Pyrus c. 'Conferance' Peer 1 stuks Prunus d. 'Opal' Pruim
10
5 stuks 4 stuks 823 stuks 364 stuks
4. De aanleg 4.1 Grondbewerking Hoogstamfruitbomen: plantgat graven van 100*100*100 cm. De bodem in het plantgat dient minimaal 20 cm diep te worden losgemaakt. Dit ter bevordering van de aangroei. Knip- en scheerhaag en houtsingel: De te beplanten oppervlakte dient 40 cm diep losgemaakt te worden. Dit is nodig ter verbetering van bodemstructuur. Voor bouwland volstaat diepwoelen of ploegen, daarna cultivateren of eggen. Voor weilanden en ruig terrein geldt: eerst frezen, daarna diepwoelen of ploegen en als laatste cultivateren of eggen.
4.2 Grondverbetering Hoogstamfruitbomen, houtsingel & knip- en scheerhaag: De keuze van het plantsoen is zodanig dat extra bemesting in principe niet nodig is. Door 2m3 compost per 100m2 in te werken zal de beplanting beter aanslaan en kan het meer droogte verdragen.
4.3 Opkuilen De planten dienen direct na levering opgekuild te worden! Na opkuilen dient de beplanting zo snel mogelijk op de definitieve plaats te worden geplant (niet opkuilen in vorstperiode). Hoogstamfruitbomen: In 60 cm diepe plantplaats. Zorg dat de wortels in zijn geheel onder de grond zitten om uitdroging te voorkomen. Knip- en scheerhaag en houtsingel: In 30 cm diepe sleuf. Zorg dat de wortels in zijn geheel onder de grond zitten om uitdroging te voorkomen.
4.4 Uitzetten Hoogstamfruitbomen: Zie inrichtingsplan Knip- en scheerhaag: Plantafstand 20 cm hart op hart, 5 stuks per m1, in een enkele rij (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5: planten in rijverband, met een plantafstand van 20 cm hart op hart.
Pagina
Afbeelding 6: planten in rijverband, plantafstand tussen de planten 1,50 m en plantafstand van 1,5 meter tussen de rijen.
11
Houtsingel: plantafstand 1.50 * 1.50 m (zie afbeelding 6)
4.5 Wettelijke bepalingen Bomen en boomvormers dienen minimaal 2 meter uit de perceelgrens geplant te worden. Hagen en struikvormers dienen minimaal 0,5 meter uit de perceelgrens geplant te worden. Menging: zorg dat de verschillende soorten gemengd door de houtsingel geplant worden.
4.6 Plantwijze Houtsingel: - Pootlijn uitzetten - 1e persoon plantgat graven van 2 spades diep. - 2e persoon neemt bussel planten, plant in plantgat zetten met een afstand van 50 cm hart op hart (zelfde diepte als op de kwekerij), grond aanvullen en als laatste de grond aandrukken. Groepsgewijs planten van 3-5 stuks van dezelfde soort bij elkaar (zie mengingsschema in hoofdstuk 4.7). Dus niet alle soorten door elkaar planten, dit komt de groei en het eindbeeld niet ten goede. Knip- en scheerhaag: - Pootlijn uitzetten - 1e persoon plantgat graven van 2 spades diep. - 2e persoon neemt bussel planten, plant in plantgat zetten met een afstand van 20 cm hart op hart (zelfde diepte als op de kwekerij), grond aanvullen en als laatste de grond aandrukken.
4.7 Menging Onder menging wordt verstaan het mengen van de plantsoorten in houtsingels. Hoe groter de houtsingels zijn des te groter de plantgroepen worden. Bij kleine plantvakken (<50 m2) wordt gebruik gemaakt van 3-5 planten per soort en bij grote plantvakken (>50) wordt gebruik gemaakt van 5-8 planten per soort in een groep. Deze groepen plant men gemengd in wildverband, zodat geen vakken van soorten ontstaan (zie afbeelding 7). ======ooooooooxxxxxxxx-------aaaaaaaaavvvvvvvv====== = = = o o o s s s s o o o o x x x i i i x x x- - - - e e e e a a a a a a i i i i v v v v + + + + = = = = = ==++++++ssssooiiiiiirrrrrr----eee+++++ iiiiivvvvvvv++www ww++++ssssooooiiixxxxrrrrrooooeeee+++++=====wwwwww vvvvvv------aaaaaaaxxxxxxooooo======aaaaaaa=====vvvvv
= o x – a v: zijn de struikvormers voornamelijk randsoorten (soorten zie plantlijst) s i w + r: is het vulhout (soorten zie plantlijst) Afbeelding 7: mengingsschema houtsingels
Pagina
Na het plaatsen van de boom kan de grond aangevuld worden. Schud een aantal keer met de boom zodat de grond goed tussen de wortels zakt.
12
Hoogstamfruitbomen: Plaats eerst de boompalen in het plantgat (met grondboor en/of houten hamer). De boompaal moet aan de windzijde van de boom geplaatst worden, dit is aan de zuidwestzijde van de boom. Na het plaatsen van de boompaal kan de boom geplant worden. Plaats deze op 15 cm afstand van de boompaal en niet dieper dan dat de boom op de kwekerij gestaan heeft.
Na het aanvullen van de grond de grond aandrukken zodat hij stevig in de grond staat. Als laatste breng je de boomband aan op 5 tot 10 cm van de bovenkant van de boompaal (zie afbeelding 8 voor plantinstructies). Zorg dat de planten het eerste jaar na aanplant voldoende water krijgen. Eventueel kunnen ze bij het planten van de bomen, de bomen aanwateren. Hierdoor spoelt het zand goed tussen de wortels.
Pagina
13
Afbeelding 8: Plantinstructie bomen
5. Onderhoud/beheer De nieuw te planten en bestaande landschapsbeplanting dient op de juiste manier onderhouden te worden, zodat de beplanting zich kan ontwikkelen naar ‘volwassen’ fase. Wat dat onderhoud inhoud staat hieronder beschreven.
5.1 Onkruidbestrijding De beplanting dient gedurende het groeiseizoen zo goed mogelijk onkruidvrij te worden gehouden. Schoffelen, cultivateren en plukken zijn de mogelijkheden. Zorg ervoor dat het onkruid niet gaat overheersen waardoor de planten overgroeid worden en de groei stagneert.
5.2 Beheer 1e groeiseizoen Het is belangrijk om in het eerste groeiseizoen de nieuwe beplanting water te geven. De frequentie waarin dit plaats moet vinden zal bepaald moeten worden aan de hand van de ‘vraag’ van de beplanting. Dit zal gedurende het seizoen bekeken moeten worden. Ook het 2e jaar kan het nodig zijn om de beplanting naar behoefte water te geven. Na het eerste groeiseizoen zal bekeken moeten worden of en zo ja hoeveel beplanting er ingeboet moet worden. Belangrijk is het om de inboet aan het einde van het groeiseizoen op te nemen wanneer de goede beplanting nog in blad staat. Zo kun je duidelijk zien hoeveel beplanting er dood is gegaan. Het beste is om de dode beplanting te verwijderen en op een tekening aan te geven waar en hoeveel beplanting er dood is gegaan. De inboet kan dan in het zelfde plantseizoen opnieuw geplant worden. Het is heel belangrijk om de nieuwe beplanting welke ingeboet is het eerste en zo nodig tweede groeiseizoen water te geven.
5.3 Snoeien/ onderhoud Knip- en scheerhaag: 2 x per jaar snoeien op de gewenste hoogte en breedte. Landschapsbomen: Eens per 3 jaar begeleidingsnoei toepassen en wanneer nodig jaarlijks boombanden losser zetten. Hoogstamfruitbomen: Kersen en pruimenbomen hebben geen snoei nodig, wanneer snoei wel nodig zou zijn dan is de beste snoeitijd oktober/ november. Bij de appel en peer dient de kroon goed ‘opengehouden’ te worden. Waterlot dient weggesnoeid te worden. De snoeitijd voor appels en peren is november t/m februari
Pagina
Mooie exemplaren van onder andere de eik, els, beuk en linde (welke vallen onder de boomvormers) kunnen als boom worden opgesnoeid. Dit kan na 5 jaar worden herhaald zodat uiteindelijk om de 6 tot 10 meter één boom overblijft met een onderbegroeiing van struiken. Het is ook mogelijk om deze boomvormers mee te nemen in het snoeiproces om de 4 á 6 jaar.
14
Houtsingel: Om te voorkomen dat de beplanting te weinig ruimte heeft om te groeien, zal na 3-5 jaar, 1/5 deel van de beplanting (struikvormers) moeten worden afgezet (vlak boven de grond afzagen) of uitsnoeien (grootste stammen verwijderen en kleine scheuten laten staan). Dit dient jaarlijks herhaalt te worden zodat uiteindelijk alle planten om de 5 jaar verjongt worden.
Pagina
15
Knotbomen: 1 keer per 3 jaar tot de knot terug knippen. Het beste is om een 3-jarige cyclus aan te houden waarbij je dus per jaar 1/3 van de bomen terug knot. Dit zorgt ervoor dat de bloeiwijze van de knotwilgen, jaarlijks een bijdrage levert voor de aanwezige soorten bijen en andere insecten. Wanneer je alle bomen in een keer knot, dan zorg je ervoor dat er maar enkele ‘katjes’ (bloeiwijze wilgen), aan de bomen komen wat jammer zou zijn voor de aanwezige bijen en insecten in de omgeving.
6. Conclusie Het college van B&W van de gemeente Maasdriel heeft een principebesluit genomen waarin zij medewerking verleent aan beschreven initiatieven, mits de plannen aan de geldende wet- en regelgeving voldoen. Een goede landschappelijke inpassing, waarmee de locatie ‘groen wordt ingepast’, is de voorwaarde waaraan moet worden voldaan. Een andere eis was om aansluiting te zoeken bij het cultuurhistorisch aspect en de gebiedskenmerken van het oeverwallenlandschap te verwerken in het landschappelijk inpassingsplan op de twee locaties. Door de aanleg- en onderhoud van onderstaande landschapselementen, welke typerend zijn voor het oeverwallenlandschap en kenmerkend rondom de historische woonerven, wordt aan deze eis voldaan:
16
Knip- en scheerhagen op erfgrenzen en rondom fruitboomgaarden Landschapsbomen welke inheems en gebiedseigen zijn Houtsingel ter bevordering van de biodiversiteit en ecologie Knotbomen nabij watergangen Hoogstamfruitgaard op een voorerf
Pagina
-
Pagina
18
Bijlage 2. Landschappelijk inpassingsplan met zichtlijnen.