CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Motivering

Gemeenteraad 2 juli 2026, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Schoofbandweg 10 te Rossum14.653 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

82 alinea's met “omgevingsplan”: 1 3 4 8 23 27 33 43 47 48 50 51 60 64 70 77 79 100 126 141 149 150 155 161 168 173 175 177 181 185 187 191 194 195 198 199 201 203 205 208 …

Te treffen maatregelen en conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf, deze regels hebben geen invloed op het plangebied van deze ontwikkeling. Vanuit het aspect behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.1.8

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte (§ 5.1.8)

Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

28

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat het initiatief geen nieuwe ontwikkeling is met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte. Te treffen maatregelen en conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf, het is geen ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte. Vanuit het aspect bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.2

Instructieregels provincie Gelderland

In de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor aangewezen gebieden, thema's en activiteiten waaraan het Omgevingsplan Maasdriel moet voldoen. Planspecifiek De volgende regels uit de omgevingsverordening hebben wel betrekking op het plangebied van het initiatief: Artikel 5.36 (beschermen landschap Gelderse streken: Bommelerwaard) Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Bij de streek Bommelerwaard horen de volgende kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen: Kernkwaliteiten

Ontwikkeldoelen

1 Landelijk rivierengebied, met een sterk Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en verweven uitstraling van agrarisch dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van cultuurlandschap, glastuinbouw en Bommelerwaard. Ontwikkeling naar een duurzame kleinschalige verstedelijking. Als een ‘eiland’ landbouw versterkt het landschap. Expliciete aandacht gelegen tussen Waal, Maas en Afgedamde is nodig voor de ruimtelijke kwaliteit van glastuinbouw Maas. De Waal is dynamischer dan de Maas. Bij en verstedelijking. Dijkversterking met versterking van Fort Sint Andries raken beide rivieren elkaar net de ruimtelijke kwaliteit en de dijk als scenic route. niet. Evenals het ecologisch verbinden van Maas- en Waalnatuur bij Fort Sint Andries. 2 Rivierengebied met klassieke opbouw van Accentueren van de landschappelijke opbouw van het rivier, brede en smalle uiterwaarden, rivierengebied: rivieren met natuurrijke uiterwaarden, dijktrajecten, oude rivierarmen, fijnmazige kleinschalige diversiteit op de oeverwal met veel (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer historische waarden en een rivierkomlandschap met open (lager gelegen) komgronden. Landschap rationele verkaveling en grote maten. Behouden en mede gevormd door continue strijd tegen het versterken van regiospecifieke, bijzondere water en de klei-, zand- en grindwinning van de landschapselementen. laatste decennia.

Dorpspolderstructuren met (dwars)dijken, kaden, weteringen, sluizen etc. Veel bijzondere landschapselementen als eendenkooien, grienden, donken, vluchtheuvels. 3 Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse Zichtlijnen behoeden voor verstorende elementen. De landschap en over de rivieren. dijken ontwikkelen als lange doorgaande lijnen in het landschap. 4 Kenmerkend voor ‘bakenbomen’.

de

Maas

zijn

de Herstel van bakenbomen.

29

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

5 Kleinschalige oeverwallen kennen een rijke Doorontwikkeling van kleinschalig wonen, afwisseling van boomgaarden, kassenteelt, landgoederen, werken, energietransitie, recreëren en grasland, buurtschappen, dorpen en verspreide landbouw, gecombineerd met landschapsontwikkeling. bebouwing. O.a. door aanleg, herstel en beheer van groene landschapselementen. Inpassen van glastuinbouw. Recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid verbeteren. 6 Verstedelijking vooral op de oeverwallen met Ontwikkeling glastuinbouw betekent robuuste Zaltbommel en Kerkdriel als centrumplaatsen. landschappelijke inpassing creëren, afgestemd op de In het glastuinbouwgebied transformeert het gebiedskenmerken. Dit geldt eveneens voor landschap. verstedelijking en bedrijvigheid langs de infrastructuur. Daar is zorgvuldige ruimtelijke ordening en inpassing met ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk. Door tegengaan van verdere verdichting langs infrastructuur. Ofwel, behoud van afwisselingen van open en dicht op de oeverwallen. Opheffen van de barrièrewerking van de A2. 7 Er is sprake van een oost-west In de agrarisch komgebieden is de landbouw een aaneenschakeling of ketting van open kommen belangrijke drager van de openheid en kunnen van elkaar afgescheiden door dwarsdijken (o.a. combinaties met klimaatadaptatie en Meidijk en Nieuwendijk). Open kommen met natuurontwikkeling landschaps-versterkend zijn.

weidebouw, patronen van sloten en weteringen Openheid zoveel mogelijk behouden. en wegbeplanting langs rechte wegen, in contrast met kleinschaligheid van de oeverwallen. 8 De waardevol open kom van de Capreton wordt Behoud van de open weidsheid door zeer gekenmerkt door een centraal gelegen terughoudendheid te zijn ten aanzien van ruimtelijke broekgebied, niet open maar kleinschalig ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden besloten met diverse broekbossen langs de en duurzame veehouderij. Zoveel mogelijk de Capreton. Contrast met kleinschalige karakteristieke verkaveling en zichtlijnen respecteren. noordoost-zuidwest gerichte oeverwal van Behouden van groene landschapselementen. Bruchem-Kerkwijk. 9 In het westen aanwezigheid van Hollandse Bijzondere aandacht besteden aan de versterking en Waterlinies, met Slot Loevestein en de ontwikkeling van het landschap van de Hollandse batterijen Poederoijen en Brakel. Het unieke, in Waterlinies, passend bij de te beschermen samenhang met het landschap ontworpen erfgoedwaarden. Hier zijn goede combinaties negentiende en twintigste-eeuwse denkbaar met recreatie, natuur, landbouw en hydrologische en militair verdedigingssysteem, klimaatadaptatie in de voormalige inundatievlakten. bestaande uit o.a.: strategisch landschap, het watermanagement-systeem en de militaire werken (UNESCO-waarde).

Artikel 5.78 (eenmalige uitbreiding bestaand glastuinbouwbedrijf) Een omgevingsplan kan, gerekend vanaf 29 juni 2005, eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal 5 ha toelaten van een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Intrekgebied Het plangebied ligt binnen het intrekgebied. In afdeling 4.3 van de omgevingsverordening zijn hier regels over gesteld, bijvoorbeeld over de specifieke zorgplicht en het verbod mijnbouwactiviteit in intrekgebieden. Deze afdeling is opgenomen met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de openbare drinkwatervoorziening. Degene die een grondwaterbedreigenactiviteit verricht in een intrekgebied en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor

30

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

de kwaliteit van het grondwater, is verplicht: a. b. c.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Peilbesluitgebied

Het plangebied ligt binnen het peilbesluitgebied. In paragraaf 6.5.1 van de omgevingsverordening worden over het peilbesluitgebied instuctieregels gesteld. Deze instructieregels gaan over de taken en bevoegdheden van het waterschap op het gebied van peilbesluitgebieden. Faunabeheereenheid Gelderland Daarnaast ligt het plangebied ook in het werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland. In afdeling 2.1 van de omgevingsverordening worden regels gesteld over faunabeheer. De faunabeheereenheid heeft tot taak het coördineren van de uitvoering van het faunabeheerplan en het adviseren van Gedeputeerde Staten over faunabeleid. Conclusie Het initiatief past binnen de regels van de omgevingsverordening, omdat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten en doelen van het gebied Bommelerwaard. Daarnaast is in het plangebied geen sprake van een bestaand glastuinbouwbedrijf.

4.3

Gezondheid

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente naast de instructieregels in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid bij het stellen van regels en tweede voorbeeld waarbij normstelling geen toereikend instrument is, treedt op bij invloeden op de gezondheid die (nog) niet te normeren zijn. Het gaat daarbij om zaken als hinder, beleving, ziekteverwekkers uit veeteelt en elektromagnetische straling. De gemeente heeft op grond van artikel 2, tweede lid, onder c, van de Wet publieke gezondheid onder meer de taak om bij bestuurlijke beslissingen de gezondheidsaspecten op het terrein van de fysieke leefomgeving te bewaken. Om te komen tot een goede afweging, kan daarbij op grond van artikel 16 van de Wet publieke gezondheid advies vragen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst. Planspecifiek In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische percelen aanwezig. Op deze percelen bestaat in theorie de mogelijkheid voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die schadelijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid. Gewasbeschermende middelen Vaste jurisprudentie van de Afdeling luidt dat wanneer het gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, er geen wettelijke bepalingen bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen.

Er dient dus een belangenafweging plaats te vinden. De minimaal aan te houden afstand dient zodanig te worden gekozen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd. De Afdeling acht een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, daarbij niet onredelijk. Een kortere afstand is mogelijk, mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag wordt gelegd. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object, ter plaatse van de betreffende functie, mensen

31

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object.

aan

Op basis van het geldende bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan is het binnen de agrarische bestemmingen niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken waarbij een zijwaartse of opwaartse spuittechniek wordt gebruikt. Alle gronden die om het perceel Schoofbandweg 10 liggen hebben een agrarische bestemming en zijn daarmee van deze regeling voorzien. Op de website boerenbunder.nl is te zien dat de omliggende gronden de afgelopen 10 jaar allemaal voor het overgrote deel zijn gebruikt als grasland. Er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt voor deze gronden. Daar waar wel gewassen zijn geteeld, is geen sprake van gewassen die gebruik van beschermingsmiddelen behoeven. Gelet op de huidige situatie rondom deze gronden is het niet aannemelijk dat er in de toekomstige situatie gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Nadere maatregelen in het kader van spuitzoneringen zijn niet nodig. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen verdere belemmering voor dit voornemen.

4.4

Besluit milieueffectrapportage

Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als: een passende beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied vereist is; het omgevingsplan een kader vormt voor projecten die zijn aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit; het omgevingsplan een kader vormt voor andere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Of voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de regels over mer. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen straks dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. Planspecifiek Uit de beoordeling aan de regels over een milieueffectrapportage blijkt dat er wel plicht is om een mer-beoordeling uit te voeren. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Onderdeel J11 betreft: 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Hoewel geen sprake is van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide mer-procedure, is er wel een wettelijke verplichting dat voor de geplande activiteiten wel een project-mer-beoordeling moet worden uitgevoerd. Deze mer-beoordelingsplicht volgt uit artikel 16.43, lid 1 Omgevingswet, hoofdstuk 11 Omgevingsbesluit en bijlage V. Deze beoordeling moet worden uitgewerkt in een aanmeldnotitie. Bij een dergelijke beoordeling moet worden gekeken of het project belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure. Onderzoek Er is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 11.

32

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

In deze plan-mer-beoordeling zijn de gevolgen van het realiseren van een woning en het herbestemmen van de huidige bedrijfswoning naar burgerwoning in Rossum besproken. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft een relatief geringe omvang. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig een volledige mer-procedure te doorlopen. Te treffen maatregelen en conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

4.5

Natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Planspecifiek Natura 2000 Het plangebied ligt op ongeveer 1,1 km afstand van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied is ter plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Voor het Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden, heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. Wel kan sprake zijn van externe werking door het planvoornemen. De uitstoot van stikstof is hiervan een goed voorbeeld. Om de effecten ten gevolge van de stikstofuitstoot in kaart te brengen, is een stikstofberekening uitgevoerd (zie Bijlage 8).

Uit de resultaten van de AERIUS-berekeningen blijkt dat de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op het omliggende Natura 2000-gebied voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Soortenbescherming Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 6 maart 2024 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De inventarisatie is opgenomen in Bijlage 9. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens kan worden geconcludeerd dat nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen nodig is. Het plan heeft geen negatieve effecten op provinciaal beschermde natuurgebieden. De aanwezigheid van huismus en vleermuisverblijfplaatsen in de kapschuur kan niet op voorhand worden uitgesloten. Om te kunnen bepalen of een vergunning nodig is voor de plannen, moet nader onderzoek worden uitgevoerd naar jaarrond beschermde nesten van huismus en vleermuisverblijfplaatsen. Voor andere beschermde soorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene en specifieke zorgplichten in acht wordt genomen. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van beschermde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het plan is tot slot niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

Het plan leidt niet tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Gelderland vanwege beschermde houtopstanden is niet nodig. Nader onderzoek Tussen april en oktober 2024 is door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs nader onderzoek uitgevoerd

33

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

naar de verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen (zie Bijlage 10). Uit de inventarisaties komt naar voren dat in het plangebied jaarrond beschermde nesten van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Deze verblijfplaatsen en nesten bevinden zich allemaal in de te behouden woning, waaraan geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Wel dient verstoring van deze verblijfplaatsen door lichtuitstraling te worden voorkomen. In de te slopen kapschuur zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten of vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen. Als gevolg van de werkzaamheden gaan dan ook geen jaarrond beschermde nesten of verblijfplaatsen verloren. Er is geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig voor de plannen. Wel zijn in de te slopen kapschuur vier nesten van kauw aangetroffen. Nesten van kauw zijn alleen beschermd wanneer deze in gebruik zijn gedurende de broedperiode. Dit houdt in dat de kapschuur bij voorkeur wordt gesloopt buiten het broedseizoen van kauw, dus buiten de periode april t/m juni. Is de wens om de kapschuur toch gedurende het broedseizoen te slopen, dan moet eerst door een ecoloog/broedvogeldeskundige worden gecontroleerd of de aanwezige nesten in gebruik zijn. Zo ja, dan zullen de sloopwerkzaamheden moeten wachten tot de jongen uit eigen beweging zijn uitgevlogen.

Te treffen maatregelen en conclusie Uit nader onderzoek blijkt dat in de te slopen kapschuur geen jaarrond beschermde volgelnesten of vleermuisverblijfplaatsen zijn aangetroffen. Wel zijn nesten van kauw aangetroffen. De voorkeur is dat de schuur wordt gesloopt buiten het broedseizoen van kauw. Overige beschermde soorten ondervinden geen hinder van dit initiatief, mits de beschreven maatregelen worden opgevolgd. Het aspect natuur is verder inpasbaar wat betreft beschermde gebieden.

4.6

Niet-gesprongen Conventionele Explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder conventionele explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als niet-gesprongen explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.

Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet-gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel 'verdachte' gebieden op het gebied van niet-gesprongen CE aangegeven. Planspecifiek

34

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

Uitsnede locatie Explosievenkansenkaart in Stroomlijn, plangebied met rood aangegeven Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juni 2016 bevindt de planlocatie zich in 'onverdacht' gebied. Er zijn geen feitelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in (en in de directe omgeving van) de projectlocatie. Het plangebied kan als onverdacht op de aanwezigheid van CE worden beschouwd. De voorgenomen werkzaamheden kunnen zonder extra maatregelen met betrekking tot explosieven worden uitgevoerd. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd. Conclusie Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locatie noodzakelijk.

4.7

Kabels en leidingen

Kabels en leidingen verschillen in omvang en wat zij vervoeren. Daarnaast liggen kabels en leidingen in verschillende (openbare) gronden, waardoor verschillende belangen worden geraakt. Bij de aanleg kunnen meerdere regels in diverse juridische instrumenten van toepassing zijn. Planspecifiek Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen die een planologische bescherming genieten. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Te zijner tijd zal bij de bouw en het woonrijp maken van de extra bouwkavel contact moeten worden opgenomen met de leidingbeheerders in verband met de aansluiting op de diverse netten. Conclusie Binnen dit initiatief is geen sprake van relevante kabels en leidingen waarmee rekening moet worden gehouden. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan.

35

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

Hoofdstuk 5 5.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Wijzigingsbesluit

De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan worden vervangen door de regels in dit TAM-omgevingsplan. Deze wijziging heeft met name tot gevolg dat de ontwikkeling van twee woningen juridisch mogelijk wordt gemaakt.

5.2

Analoge kaart

Verbeelding plangebied

5.3

Juridische planopzet

5.3.1

Preambule

De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel, de hoofdstukken moeten worden gelezen als paragrafen en voor de nummering van de artikelen moet het hoofdstuknummer worden gelezen. Daarnaast moeten aanduidingen, zoals 'maximum bouwhoogte', worden gelezen als omgevingsnormen. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 5.3.2

Thematische regels

Artikel 14 Waarde - Archeologie 5 In dit TAM-omgevingsplan is het (potentieel) archeologisch waardevol gebied binnen het plangebied aangegeven met 'Waarde - Archeologie'. Binnen het gebied is het toegestaan gronden, naast de toegelaten

36

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

functies, te gebruiken voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 5.3.3

Gebiedsgerichte regels

Artikel 4 Wonen - buitengebied In dit artikel zijn de functies en activiteiten van de betreffende gronden aangegeven. Deze functie laat toe om gronden te gebruiken voor wonen in het buitengebied. Het artikel bevat regels over de volgende onderwerpen: het toepassingsbereik, de functieomschrijving, het gebruik, omgevingsplanactiviteiten en over de bouwactiviteit. Artikel 5 Agrarisch gebied In dit artikel zijn de functies en activiteiten van de betreffende gronden aangegeven. Deze functie laat toe om gronden te gebruiken voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het artikel bevat regels over de volgende onderwerpen: het toepassingsbereik, de functieomschrijving, het gebruik, omgevingsplancativiteiten en over de bouwactiviteit. Artikel 6 Toepassingsbereik Dit artikel geeft aan dat de regels in Hoofdstuk 3 gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2. Artikel 7 Aanvraagvereisten Dit artikel geeft aan dat de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Maasdriel, van overeenkomstige toepassing zijn op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan.

Artikel 8 Specifieke beoordelingsregels bouwen In dit artikel wordt geregeld dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan Maasdriel wordt verleend van het bepaalde in Hoofdstuk 2 als het gaat om de opsomming benoemd in het artikel. Daarnaast stelt het regels voor het voorzien in voldoende waterberging. Artikel 9 Algemene gebruiksactiviteit In dit artikel zijn activiteiten milieuzone-intrekgebied benoemd.

opgenomen

die

altijd

verboden

zijn.

Daarnaast

wordt

het

Artikel 11 Omgevingsplanactiviteit - specifieke activiteiten Dit artikel geeft aan dat een vergunning voor kleinschalig kamperen bij de burger alleen wordt verleend als wordt voldaan aan de vereisten in het artikel. Artikel 12 Maatwerkvoorschrift - maaiveld-peilhoogte In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen over de hoogte van het maaiveld en peilhoogte, indien dit voor een goede inrichting en afwatering van de gronden en aangrenzende percelen noodzakelijk is. Artikel 13 Voorwaardelijke verplichtingen In dit artikel worden twee voorwaardelijke verplichtingen gesteld. Bij het slopen van (bedrijfs)gebouwen moet eerst uit een soortenonderzoek blijken dat de desbetreffende soorten zijn uitgesloten, dan wel zijn te mitigeren. Daarnaast is het strijdig om gronden en bouwwerken voor wonen in gebruik te (laten) nemen als het goedgekeurde landschappelijk inpassingsplan niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

37

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

5.3.4

Overige regels

Artikel 1 Toepassingsbereik In dit artikel wordt in het eerste lid de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding. In het tweede lid wordt bepaald dat bepaalde ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het derde lid wordt bepaald dat bepaalde ruimtelijke plannen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan voorrang hebben op de regels in dit TAM-omgevingsplan. In het vierde lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan. Artikel 2 Begripsbepalingen In dit artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen In dit artikel is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. Artikel 10 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

Artikel 15 Overgangsrecht In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.

Hoofdstuk 6

UITVOERBAARHEID

6.1

Economisch

6.1.1

Financieel economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten en aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen De initiatiefnemer en de gemeente Maasdriel zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarin het verplichte kostenverhaal is geregeld. Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van het omgevingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (artikel 15.1 Ow). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen. 6.1.2

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1, dan is voor taken en bevoegdheden van

38

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld: een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan; een regel in het omgevingsplan. Deze moet rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; een maatwerkvoorschrift. Als een omgevingsplan regelt dat voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, is niet het omgevingsplan de schadeoorzaak. Dat is in die situatie de omgevingsvergunning. Als het projectbesluit het omgevingsplan verandert, geldt het projectbesluit als schadeveroorzakend besluit. Dit regelt artikel 15.1, lid 3 van de Omgevingswet. Het bestuursorgaan dat het projectbesluit neemt, besluit dan ook over de aanvraag om schadevergoeding. De gemeente gaat een anterieure overeenkomst, waarin de nadeelcompensatie is verzekerd, met de opdrachtgever sluiten.

6.2

Maatschappelijk

6.2.1

Participatie

In de Omgevingswet is aangegeven dat het voor ruimtelijke initiatieven noodzakelijk om te verantwoorden hoe er aan participatie is gedaan. Ten aanzien van de participatie is een participatieplan opgesteld. Dit plan is opgenomen in Bijlage 12. In dit plan wordt beschreven hoe de participatie voor dit project wordt aangepakt. Aangezien het een initiatief van beperkte omvang betreft kan de participatie beperkt blijven. Op 27 mei 2025 is aan de omwonenden een brief toegezonden waarin het initiatief nader werd beschreven. In de brief kregen de inwoners de gelegenheid om contact met de gemeente op te nemen wanneer zij vragen of bezwaren hebben bij het project. Bij de gemeente zijn geen reacties binnen gekomen naar aanleiding van de brief. Daarmee kan gesteld worden dat er geen bezwaren of kanttekeningen zijn vanuit de omwonenden bij dit plan. 6.2.2

Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 24 december 2025 tot en met 3 februari 2026 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen op het plan ontvangen. 6.2.3

Beroep

Afdeling 3.4 Awb is van toepassing op de voorbereiding van een omgevingsplan of de wijziging van een omgevingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan of het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerste en enige aanleg. Dezelfde procedure is van toepassing op de afwijzing van een verzoek tot wijziging van een omgevingsplan. Tegen een beschikking krachtens een omgevingsplan waarbij maatwerkvoorschriften worden gesteld, of waarbij wordt toegestaan gelijkwaardige maatregelen te treffen, staat (na de bezwaarfase) beroep in eerste aanleg open bij de rechtbank met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als een dergelijke beschikking wordt geweigerd, geldt hetzelfde. Het omgevingsplan treedt in werking vier weken nadat van het omgevingsplan mededeling is gemaakt. Een verzoek om een voorlopige voorziening heeft niet automatisch een schorsende werking.

39

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

Hoofdstuk 7

CONCLUSIE

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, lid 1 Omgevingswet). Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. De gemeente kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan bereiken door: regels aan activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het grondgebied; functieaanduidingen met de toegelaten activiteiten (met regels) te koppelen aan locaties. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen.

Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld. In paragraaf 7.1 wordt gemotiveerd dat gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierin komt de afweging van alle betrokken belangen tot uitdrukking. De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.

7.1

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5). De wijziging van het Omgevingsplan Maasdriel waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt, voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.1.1

Doelen van de wet (1.3 Ow)

In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl en is er geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling kan worden voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met artikel 8.0 e van het Bkl. 7.1.2

Gemeentelijk beleid

De planwijziging is in lijn met het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving. De ontwikkeling is, in paragraaf 3.4, getoetst aan de volgende beleidsstukken: Omgevingsvisie Bommelerwaard; Woonvisie Bommelerwaard 2021-2025; Beleidsvisie externe veiligheid Zaltbommel en Maasdriel 2023-2027; Landschapsplan Bommelerwaard; Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bebouwing

40

in

het

buitengebied

(VAB);

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

Bommelerwaard; Huisvesting arbeidsmigranten gemeente Maasdriel 2019. In deze beleidsstukken zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling, waardoor het voldoet aan het gemeentelijk beleid. 7.1.3

Algemene instructieregels Bkl

Bij het toedelen van functies aan locaties is rekening gehouden met de instructieregels, dit staat uitgewerkt in Hoofdstuk 4. Hieronder staan de instructieregels waarmee rekening is gehouden. Waarborgen van de veiligheid Een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties (artikel 5.11 Bkl). De kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied brand, explosies of gifwolk (artikel 5.15 Bkl). Planspecfiek Het initiatief voldoet aan de instructieregels, op basis van onderzoek naar het plangebied kan worden geconcludeerd dat er geen gevaarlijke inrichtingen of buisleidingen in het plangebied gelegen zijn. Daardoor vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Beschermen van de waterbelangen De gevolgen voor het beheer van watersystemen (artikel 5.37 Bkl). Planspecifiek Voor de ontwikkeling is de digitale watertoets ingevuld, zie Bijlage 2. Hieruit is het advies gekomen dat in de motivering een waterparagraaf moet worden opgenomen. Deze paragraaf is toegevoegd in Hoofdstuk 4.

De ontwikkeling heeft een geringe invloed op de taken en belangen van het waterschap. Volgens het waterschap kan worden volstaan met het advies vanuit de digitale watertoets. Beschermen van de gezondheid en van het milieu Het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59 Bkl). Het geluid door wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.78l). Het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied (artikel 5.78s Bkl). Trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (artikel 5.83 Bkl). De slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen (artikel 5.89c Bkl). De geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (artikel 5.92 Bkl). Planspecifiek De wijziging van het plan voorziet in het bouwen van slechts één extra woning. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Daardoor voldoet deze ontwikkeling aan deze instructieregels. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (artikel 5.130 Bkl).

41

TAM-omgevingsplan Rossum, Schoofbandweg 10 - Hoofdstuk 22a

Het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed (artikel 5.131 Bkl). Planspecifiek Het initiatief betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De duurzaamheidsladder is niet van toepassing.

7.2

Handhaving

Het Omgevingsplan Maasdriel is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. De handhaafbaarheid van een omgevingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar omgevingsplanregeling Het strikt handhaven van vergunningen, regels en procedures geeft duidelijkheid en maakt de samenleving veiliger. Het gedogen moet worden tegengegaan. Overbodige regels en onduidelijke regelgeving zijn daarom getracht zoveel mogelijk achterwege te laten. De regels zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen en dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16988988/1