Bijlage 2 Milieueffectrapport (zonder bijlagen)
Tekst van het document
Zorgplicht Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. (artikel 1.11 Wnb). Algemene broedvogels (ook jaarrond beschermde soorten) Voor algemene broedvogels geldt dat de eventueel in gebruik zijnde broedlocaties/nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. Verstoring van deze nesten is niet toegestaan en er is ook geen ontheffing mogelijk. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve worden effecten worden voorkomen. Het broedseizoen is een globale periode (doorgaans tussen 15 maart en 15 augustus), ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd.
31/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, moet op tijd worden gestart met het nemen van voorzorgsmaatregelen zodat voorkómen kan worden dat vogels binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden tot broeden komen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het kort maaien (en houden) van de vegetatie. Daarnaast moet een ter zake kundige voorafgaande aan de start van de werkzaamheden controleren of broedgevallen aanwezig zijn en te beoordelen of mogelijk aanwezige broedgevallen door de werkzaamheden verstoord kunnen worden. NNN-gebieden Voor zover de leiding binnen NNN-gebied is gelegen, wordt deze overwegen met een HDDboring aangebracht. Dit heeft geen fysieke aanpassing van de aanwezige natuurwaarden tot gevolg. Op drie locaties is enige overlap met NNN aanwezig. Een klein deel van het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Brabant, verder NNB, namelijk aan de zuidzijde van de Maas tot en met de Bokhovense Maasdijk, ten zuiden van de Omloop en ten zuiden van de A59. Verder zuidelijk overlapt het plangebied ook deels met het NNB, door een tijdelijke uitlegstrook voorzien op het Engelenmeer (een uitlegstrook is een locatie waarop de delen van de leiding aan elkaar worden gemaakt, waarna de leiding via een boring in de grond wordt gestuwd). Op onderstaande afbeelding zijn deze locaties van noord tot zuid met een blauwe ster aangeduid.
Figuur 5-3 locaties met overlap van NNB
Nieuwe ontwikkelingen, die een significant negatief effect hebben op de wezenlijk waarden en kenmerken van het NNB, zijn in beginsel niet toegestaan. Hiervoor geldt een zogenaamde 'nee, tenzij' -beoordeling. In bijlage 8, hoofdstuk 8, is een dergelijke beoordeling gedaan. Hieruit
32/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
blijkt het volgende: 1. Ter plaatse van de bovenste locatie wordt de nieuwe leiding via een boring aangelegd en ontstaan geen effecten op het NNB. 2. Ter plaatse van de tweede locatie geldt hetzelfde: de nieuwe leiding wordt hier geboord en de oude leiding wordt zonder ontgraving verwijderd (van afstand uit de grond getrokken). Ook hier dus geen effecten op het NNB. 3. De derde locatie is bedoeld voor een tijdelijke uitlegstrook: de leidingdelen worden op het land (ten zuidwesten van het Engelenmeer) aan elkaar gelast. De aan elkaar gelaste leidingdelen worden, tot het moment dat deze onder de grond worden geboord, zolang op het water van het Engelenmeer gelegd. Dit leidt niet tot een daadwerkelijke aantasting van waarden en kenmerken van het NNB. 4. De meest zuidelijke locatie ligt ten zuiden van de A59. Hier worden, tijdelijk en bovengronds aanlegwerkzaamheden uitgevoerd. De tijdelijke aard van de werkzaamheden zorgt er voor dat de aanwezige waardes, oppervlaktes, verbinding en kwaliteit kunnen worden behouden. Er ontstaan uitsluitend tijdelijke effecten. Omdat er ook geen alternatieven zijn en sprake van een groot openbaar belang voor Defensie is dit toegestaan. 5.3.5 Effectbeoordeling Als gevolg van het extern salderen is er geen sprake meer van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Voor het aspect Natura 2000-gebieden is sprake van een neutrale beoordeling (0). Voor de flora en fauna geldt dat de algemene zorgplicht in acht moet worden genomen en dat gewerkt moet worden volgens een ecologisch werkprotocol. Omdat het soortenonderzoek nog niet voor alle soorten inzicht geeft in de nppdzaak voor een eventuele ontheffing wordt het aspect flora en fauna als neutraal (0) tot licht negatief (-) beoordeeld. Voor de NNN-gebieden geldt dat in slechts een heel klein deel van het NNN-gebied een mogelijk tijdelijk effect optreedt. Vooralsnog wordt aangenomen dat alleen de strikt noodzakelijk werkzaamheden in NNN-gebied worden uitgevoerd. Het is niet de verwachting dat in verband met de werkzaamheden compensatie elders noodzakelijk is. Om die reden wordt het aspect NNN-gebieden beschouwd als licht negatief (-). 5.4
Archeologie
Als gevolg van de eisen zoals verwoord in de Erfgoedwet en de daarin opgenomen Wet op de Archeologische Monumenten Zorg (WAMZ) is het verplicht om voor elk project waar bodemverstoring plaatsvindt een archeologische onderbouwing te verzorgen in de vorm van onderzoek. De basis voor het bepalen van de effecten op archeologie zijn de voor het bestemmingsplan uitgevoerde bureauonderzoeken (zie bijlage 11 en bijlage 12) en het inventariserend veldonderzoek (zie bijlage 13). 5.4.1
Beleidskader
33/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De nieuwe wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Op basis van deze wet gelden de volgende uitgangspunten: • Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is. • Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. • Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe ze met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen omgegaan. • Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. Door de provincies worden archeologische attentiegebieden aangewezen. Gemeenten moeten in hun ruimtelijke plannen deze attentiegebieden verder uitwerken. Voordat er in deze gebieden in de grond gewerkt kan worden, is in veel gevallen een archeologisch vooronderzoek verplicht. 5.4.2 Beoordelingskader Voor het aspect archeologie is een positieve effectbeoordeling niet mogelijk. De archeologische waarden in de bodem zijn statisch en onvervangbaar. Iedere ingreep heeft dus een effect dat scoort tussen neutraal en zeer negatief. In tabel 5-7 is een overzicht van de effectbeoordeling opgenomen.
Tabel 5-7 Scoreschaal archeologie Score
Verklaring
0
Geen effect, de ingreep heeft geen nadelige effecten op in de bodem aanwezige archeologische waarden
-
Licht negatief effect, de ingreep leidt verstoring of vernietiging van een locatie waar archeologische waarden zijn aangetroffen (waarnemingen).
--
Negatief effect, de ingreep leidt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van archeologische vindplaatsen (AMK terreinen)
5.4.3 Referentiesituatie In het kader van de MER kan de autonome ontwikkeling voor archeologie op nul worden gesteld. In de referentiesituatie vinden geen bodemingrepen plaats. De bestaande leiding wordt gehandhaafd (en is gelegen in reeds geroerde grond) en de nieuwe leiding wordt niet aangelegd. Bodemingrepen als gevolg van overige autonome ontwikkelingen (camping en GOL) vinden plaats buiten het tracé van de nieuwe leiding. De archeologische waarden in de bodem blijven dus behouden in de huidige staat.
34/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
5.4.4 Voornemen Delen van het tracé binnen de gemeenten Maasdriel, Heusden en ’s-Hertogenbosch vallen in gebieden met een archeologische verwachtingswaarde (zie figuur 5-3 en figuur 5-4).
Figuur 5-4 Plangebied op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Den Bosch (links) en Heusden (rechts). Voor beide kaarten geld dat de gele zones geen relevante archeologische verwachtingswaarde hebben.
Figuur 5-5 Plangebied op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Maasdriel
35/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Het tracé loopt door een gebied dat voornamelijk is gevormd door de invloed van de Maas. Er is deels een hoge, deels een lage archeologische verwachting vastgesteld. IDDS archeologie heeft in mei 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar het deel van het beoogde nieuwe tracé tussen Bokhoven en Kerkdriel. Dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze MER gevoegd. Daarnaast is in juli 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar het tracé tussen Bokhoven en Vlijmen. Dit onderzoek is als bijlage 12 bij deze MER toegevoegd. In de onderzoeken worden alle bekende en verwachte archeologische waarden op een afstand van 500 meter aan weerzijde van het hart van het tracé gepresenteerd. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol zijn aangegeven. Op het tracé zelf zijn geen waarnemingen en vondsten gemeld. In de omgeving van het tracé komen wel diverse meldingen voor. Het betreft locaties in en nabij Bokhoven (inclusief baggervondsten in de Maas) en een locatie nabij het Engelermeer. Ook in Vlijmen zijn archeologische waarden aangetroffen bij de Voordijk en in het gebied De Grassen. Binnen het tracé zijn geen aanwijzingen voor resten van historische bebouwing. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van resten uit de tweede wereldoorlog.
Op basis van de bureauonderzoeken kan het tracé worden ingedeeld in verschillende verwachtingszones: 1. Ten noorden van de noordelijke Maasdijk, archeologische resten mogelijk vanaf de 13e eeuw en kans op resten vanaf de Romeinse tijd. 2. De dijken aan weerszijden van de Maas, hoge verwachting voor het aantreffen van ophooglagen behorende tot de dijk. 3. Uiterwaarden van de Maas, voor de zomerdijk en het buitendijks gebied aan de zuidzijde van de Maas, de kade zelf heeft wel een potentiële archeologische waarde voor mogelijk de 17e eeuw en zeker voor de 19e eeuw. 4. Ten zuiden van de zuidelijke Maasdijk kunnen in de maasafzettingen archeologische resten vanaf de Romeinse tijd aanwezig zijn, in afzettingen van de Hoorzik stroomrug kunnen archeologische resten vanaf de Bronstijd voorkomen. 5. Laaggelegen komgronden en dekzandvlaktes ten zuiden van de oeverwal met een lage archeologische verwachtingswaarde. 6. Dekzandrug in het zuiden van het tracé met een lage archeologische verwachtingswaarde. Op basis van de beschikbare gegevens wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd voor de gestuurde boringen en de open ontgravingen in de Benedenwaarden en laaggelegen komgronden en dekzandvlaktes. Wel wordt vervolgonderzoek geadviseerd voor de open ontgraving in het gebied onder Bokhoven door middel van boringen om de 30 meter met een diepte van 3 meter onder maaiveld.
In de kade in de Benedenwaarden kan een vervolgonderzoek worden uitgevoerd in de vorm van enkele boringen in de kade (zie figuur 55).
36/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Figuur 5-6 Geadviseerde locaties voor vervolgonderzoek
Een vervolgonderzoek is uitgevoerd in september 2019 in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (zie bijlage 13). Uit dit booronderzoek ten zuiden van Bokhoven is gebleken dat er een oeverwal van de huidige Maas aanwezig is in het noordelijk deel van het tracé. Deze oeverwal bevindt zich echter niet aan het maaiveld, maar op een diep van 0,7 tot 1,2 meter onder het maaiveld. Het kleipakket aan het maaiveld en boven de oeverwal is mogelijk een overstromingsdek dat is ontstaan door de Elisabethsvloed uit 1421. In de ondergrond zijn geen afzettingen aanwezig van de Hoorzik stroomrug. Verder is een pakket rivierafzettingen aanwezig die waarschijnlijk behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Op basis van het booronderzoek is vastgesteld dat in dit gebied archeologische resten kunnen worden verwacht uit het Laat-Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd en mogelijk ook IJzertijd. Er kunnen archeologische resten worden aangetroffen die behoren bij landbouwactiviteiten, de verwachtingswaarde en de archeologische waarde is echter laag. Tot slot kunnen archeologische resten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen worden aangetroffen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Voor een deel van het gebied wordt geadviseerd werkzaamheden uit te voeren onder archeologische begeleiding en het uitvoeren van een karterend booronderzoek wordt geadviseerd voor het gehele gebied. Het advies voor de archeologische begeleiding van de werkzaamheden is overgenomen door het bevoegd gezag (de gemeente ’s-Hertogenbosch en de gemeente Heusden), een karterend booronderzoek wordt minder zinvol geacht.
37/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
5.4.5 Effectbeoordeling Het gebied heeft een archeologische verwachtingswaarde; concrete archeologische waarden of archeologische indicatoren zijn echter niet aangetroffen. Ook zijn binnen het onderzoeksgebied geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol zijn aangegeven. Om die reden wordt het aspect archeologie beoordeeld als neutraal (0). 5.5
Geluid tijdens aanleg
De DPO leiding is geen geluidgevoelig object, ook veroorzaakt de DPO leiding geen geluidbelasting op de omgeving zodra hij in gebruik is genomen. Alleen tijdens de aanlegfase ontstaat geluid als gevolg van de werkzaamheden aan de leiding. Om die reden wordt alleen het geluid tijdens de aanlegfase in relatie tot het Bouwbesluit beoordeeld. 5.5.1 Beleidskader Voor bouwwerkzaamheden zijn de voorschriften zoals opgenomen in hoofdstuk 8 “Bouw- en sloopwerkzaamheden” van het Bouwbesluit 2012 van kracht. In artikel 8.3 zijn voorschriften met betrekking tot geluidhinder opgenomen. Dit artikel luidt als volgt: Artikel 8.3 Geluidhinder 1. Bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden worden op werkdagen en op zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur uitgevoerd. 2. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden de in tabel 8.3 aangegeven dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur niet overschreden. Tabel 5-8 Bouwbesluit 2012 Dagwaarde
≤ 60 dB(A)
> 60 dB(A)
> 65 dB(A)
> 70 dB(A)
> 75 dB(A)
> 80 dB(A)
Maximale
Onbeperkt
50 dagen
30 dagen
15 dagen
5 dagen
0 dagen
blootstellingsduur
3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid. Onverkort het gestelde in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken. 4. Indien het bevoegd gezag met betrekking tot het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft vastgesteld, is in afwijking van het derde lid geen ontheffing vereist indien het uitvoeren van de werkzaamheden voldoet aan die beleidsregels en het bevoegd gezag tenminste twee werkdagen voor de feitelijke aanvang van die werkzaamheden in kennis is gesteld van de aanvang van de werkzaamheden. In artikel 1.1 is het begrip dagwaarde gedefinieerd als: “de waarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor geluid tussen 07.00 tot 19.00 uur op de gevel van een geluidsgevoelig object als bedoeld in artikel 11.1 van de Wet milieubeheer, vermeerderd met een eventuele toeslag voor geluid met een impulskarakter, bepaald volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, internetuitgave 2004”.
38/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Gemeentelijk beleid De gemeenten Heusden, Maasdriel en ‘s-Hertogenbosch hebben geen beleid ten aanzien van bouwlawaai. 5.5.2 Beoordelingskader Het aspect geluid tijdens de bouw kan niet positief worden beoordeeld. Ten opzichte van de referentiesituatie (geen aanleg leiding dus geen bouwlawaai) kan het effect alleen maar neutraal of negatief zijn. Voor geluid tijdens de aanleg wordt het volgende beoordelingskader gehanteerd. Tabel 5-9 Scoreschaal geluid tijdens de aanleg Score
Verklaring
0
Geen effect, geen geluidgevoelige objecten met een belasting door bouwlawaai als gevolg van aanleg leiding
-
Licht negatief effect, geluidgevoelige objecten met een belasting door bouwlawaai maar naar verwachting kan overal worden voldaan aan het Bouwbesluit
--
Negatief effect, geluidgevoelige objecten met een belasting door bouwlawaai en naar verwachting kan niet overal worden voldaan aan het Bouwbesluit
5.5.3
Referentiesituatie
Voor de referentiesituatie (huidige situatie met autonome ontwikkeling) geldt dat er geen sprake is van geluidbelasting als gevolg van (grootschalige) bouwactiviteiten. De Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL) wordt uitgevoerd, hiervoor is echter eerste het verleggen van de DPO-leiding noodzakelijk. Daarom wordt aangenomen dat de bouwactiviteiten van het GOL starten nadat de bouwactiviteiten van de DPO-leiding zijn afgerond. Het aanleggen en inrichten van twee campings gaat naar verwachting ook niet gepaard met grootschalige bouwactiviteiten. In de referentiesituatie is er dus geen geluidbelasting als gevolg van bouwactiviteiten. 5.5.4 Voornemen De leiding wordt gedeeltelijk aangelegd in open ontgraving en gedeeltelijk door middel van HDD boringen. Daarnaast wordt de bestaande leiding waar mogelijk geruimd. Op de locaties waar dit niet mogelijk is wordt de leiding dicht gemaakt met behulp van dämmer. Bij een open ontgraving wordt gebruik gemaakt van een combinatie van vrachtwagens/dumpers, een mobiele kraan, lasaggregaten, bemalingspompen en graafmachines. Deze machines zijn veelal op korte afstand van elkaar aan het werk. Bij een HDD boring wordt gebruik gemaakt van de boormachine, afzuigwagen, vrachtwagens, pompen (bentonietinstallatie), aggregaten, graafmachine en kranen.
Bij het intredepunt staan de boormachine, een afzuigwagen, de bentonietinstallatie met bijbehorende pompen,
39/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
aggregaten, een graafmachine (alleen voor het graven van het intredepunt) en een kraan. De installaties en machines staan hier op relatief korte afstand van elkaar. Bij het uittredepunt staan eveneens een afzuigwagen, een graafmachine (alleen voor het graven van het uittredepunt) en kranen om de leiding op de juiste manier op te tellen. De machines staan hier meer verspreid. Het ruimen van de leiding is - worst case - vergelijkbaar met een open ontgraving. Door Kenniscentrum InfoMil is een afstandstabel opgesteld om het geluid van bouw- en sloopactiviteiten in te schatten. De afstanden zijn gebaseerd op gemiddelde waarden op basis van praktijkmetingen. De afstanden zijn indicatief maar geven voor deze fase voldoende inzicht in de mogelijk optredende geluidbelastingen. De afstanden zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • gemiddelde bronsterkte op basis van ervaringscijfers; • volledig harde bodem; • ontvangerhoogte van 5 meter boven maaiveld; • effectieve bedrijfsduur heien/trillen van 6 uur per dag; • effectieve bedrijfsduur graven 8 uur per dag; • geen meteocorrectie; • geen strafcorrectie voor impulsgeluid. Op basis van deze algemene uitgangspunten is berekend op welke afstand van de activiteit een geluidbelasting van respectievelijk 60 dB(A), 65 dB(A), 70 dB(A), 75 dB(A) of 80 dB(A) wordt berekend. De afstanden zijn in tabel 3-3 weergegeven.
Tabel 5-10 Afstandstabel geluidbelasting als gevolg van bouwactiviteiten (bron: Infomil) Activiteit
Lwr [dB(A)]
Afstand tot activiteit [m] 60 dB(A)
65 dB(A)
70 dB(A)
75 dB(A)
80 dB(A)
Heien betonpalen
126
400
250
150
80
50
Heien stalen buispalen
140
1200
850
550
350
230
Heien damwanden
130
550
350
225
125
75
Intrillen buispalen
121
250
150
80
50
25
Intrillen damwanden
125
350
200
125
75
50
Geluidarm aggregaat
93
15
10
< 10
< 10
< 10
Geluidarme pomp
90
10
< 10
< 10
< 10
< 10
Compressor
100
35
20
10
< 10
< 10
Pneumatisch beitelen/
119
220
140
75
45
25
Ontgraven
107
60
30
20
10
< 10
6 vrachtwagenbewegingen
106
30
17
10
< 10
< 10
hameren
Per uur
40/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Voor de open ontgraving en het ruimen van de leiding wordt uitgegaan van de afstanden die genoemd worden bij ontgraving. Pompen en aggregaten dragen in verhouding weinig bij aan de totale geluidbelasting tijdens de bouwfase en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling. Bij het intredepunt van de boringen staan diverse machines op korte afstand van elkaar. Het geluidniveau (Lwr) van deze machines is niet bekend. Wanneer wordt aangenomen dat de zwaardere machines (boormachine, afzuigwagen, bentonietinstallatie en kraan) ieder afzonderlijk een geluidniveau veroorzaken dat vergelijkbaar is met ontgraven, dan bedraagt het totale geluidniveau van deze machines 113 dB(A) (geluid wordt logaritmisch opgeteld). Worst case wordt voor het intredepunt de afstanden gehanteerd die horen bij pneumatisch beitelen/hameren omdat deze activiteit het dichtst in de buurt komt van een Lwr van 113 dB(A). het uittredepunt wordt niet afzonderlijk beschouwd. De geluidbelasting hier zal vergelijkbaar zijn met ontgraven. Omdat het uittredepunt aansluit op een ontgraving, liggen deze contouren over elkaar heen. Ook langs de boorstreng wordt een contour gelegd die hoort bij ontgraven, dit in verband met de kranen die langs de boorstreng opgesteld staan. In figuur 5-6 is een overzichtskaart van de verschillende contouren weergegeven.
Detailkaarten van de verschillende locaties met het aantal geluidgevoelige bestemmingen binnen de locaties zijn weergegeven in bijlage 14.
41/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Figuur 5-7 Ligging van de contouren bouwlawaai
In tabel 5-11 is een overzicht opgenomen van het aantal geluidgevoelige objecten binnen de contouren. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen open ontgraving, uittredepunt en verwijderen leidingen én intredepunten van de boringen.
42/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Tabel 5-11 Aantal geluidgevoelige objecen binnen contouren Contour
Aantal (geluidgevoelige) objecten binnen contour Open ontgraving, uittredepunt, verwijderen leiding
Intredepunt HDD boring
≥ 80 dB(A)
0 objecten
0 objecten
75 – 80 dB(A)
5 woningen
0 objecten
70 – 75 dB(A)
8 woning
0 objecten
65 – 70 dB(A)
9 woningen
1 woning
60 – 65 dB(A)
21 woning
2 woning
3 niet geluidgevoelig object
1 niet geluidgevoelig object
Er zijn geen geluidgevoelige objecten die een geluidbelasting van meer dan 80 dB(A) ondervinden als gevolg van de bouwfase. De hoogste geluidbelastingen worden veroorzaakt door open ontgravingen of vergelijkbare activiteiten op korte afstand van de woningen. De meeste woningen ondervinden een geluidbelasting als gevolg van het verwijderen van de leiding in Bokhoven. Dit is momenteel beschouwd als een open ontgraving, het is echter zeer onwaarschijnlijk dat de leiding in een open ontgraving uit het dorp wordt verwijderd. Het dämmeren van de leiding ligt hier veel meer voor de hand. Om die reden wordt dan ook geconcludeerd dat het aantal dagen dat een geluidgevoelig object een bepaalde geluidbelasting mag ondervinden zeer waarschijnlijk niet wordt overschreden. 5.5.5 Effectbeoordeling Een aantal geluidgevoelige objecten ondervindt een relevante geluidbelasting als gevolg van de bouwactiviteiten. Het is echter niet waarschijnlijk dat de bepalingen uit het Bouwbesluit worden overschreden. Om die reden wordt de geluidbelasting tijdens de aanlegfase beoordeeld als licht negatief (-). 5.6
Externe veiligheid
Voor het aspect externe veiligheid is in het MER de effecten op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. De effecten zijn getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Om te toetsen aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen is een kwantitatieve risicotoetsing (QRA) uitgevoerd (zie bijlage 15). 5.6.1 Beleidskader Het Besluit externe veiligheid buisleidingen is het toetsingskader voor buisleidingen In dit Besluit wordt ondergescheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is (uitgedrukt in 'grenswaarde')
43/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) geeft de cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding (uitgedrukt in 'oriëntatiewaarde'). 5.6.2 Beoordelingskader Voor externe veiligheid zijn de effecten van de nieuwe buisleiding op het plaatsgebonden- en groepsrisico relevant. Hierbij is eveneens de relatie met de huidige risicobronnen buiten de plangebied relevant. Voor externe veiligheid zijn de volgende scoreschalen gehanteerd. Tabel 5-12 Scoreschaal plaatsgebonden risico Score
Verklaring
++
Positief effect op het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico neem af en het aantal kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt af.
+
Licht positief effect op het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico neem af maar het aantal kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt niet af.
0
Geen effect op het plaatsgebonden risico
-
Licht negatief effect op het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico neem toe maar het aantal kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt niet toe.
--
Negatief effect op het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico neem toe en het aantal kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour neemt toe.
Tabel 5-13 Scoreschaal groepsrisico Score
Verklaring
++
Positief effect op het groepsrisico. Het groepsrisico neemt af en een eventuele overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt opgeheven.
+
Licht positief effect op het groepsrisico. Het groepsrisico neemt af maar dit heeft geen gevolgen voor een eventuele overschrijding van de oriëntatiewaarde.
0
Geen effect op het groepsrisico
-
Licht negatief effect op het groepsrisico. Het groepsrisico neemt toe maar blijft binnen de oriëntatiewaarde.
--
Negatief effect op het groepsrisico. Het groepsrisico neemt toe en overschrijdt de oriëntatiewaarde.
44/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
5.6.3 Andere voor externe veiligheid van de leiding relevante risicobronnen In het landelijk gebied waar de leiding is geprojecteerd, staan geen windturbines. Op basis van de ‘Kaart met windparken’ is bepaald waar de meest nabij gelegen windturbines zijn geplaatst. De effectafstanden van de windturbine, als gevolg van bladafworp, gondelafworp of mastbreuk, overlappen de leiding niet. Er is derhalve gaan domino-effect ten gevolge van de windturbines aanwezig. Tevens is de leiding niet gesitueerd binnen het valbereik van aanwezige hoogspanningsmasten in het gebied. 5.6.4 Andere voor externe veiligheid relevante ontwikkelingen Relevante autonome ontwikkelingen in het kader van externe veiligheid zijn ruimtelijke ontwikkelingen die plaatsvinden in de omgeving van de geprojecteerde leiding. Voor de populatiegegevens is uitgegaan van de Populatie data in beheer van Relevant (het netwerk voor externe veiligheid). Deze gegevens zijn aangevuld met twee toekomstige ontwikkelingen. In beide gevallen betreft het campings. De eerste camping is voorzien aan de Engelenseweg 2 te ’s-Hertogenbosch, de andere camping is voorzien ten zuidoosten van Bokhoven. Voor beide campings is uitgegaan van 200 aanwezige personen per ha.
5.6.5 Referentiesituatie Op basis van de risicokaart is vastgesteld dat in het plangebied op de bestaande en nieuwe locatie van de leiding geen andere leidingen zijn gelegen (zie figuur 5-7). De bestaande leiding kruist aan de zuidzijde een aardgasleiding met een druk van 40 bar en een diameter van 12,8 inch. Uit de openbare risicokaart blijkt dat deze buisleiding een plaatsgebonden risico heeft van 0 meter en dus op de leiding is gelegen. Er is geen inzicht in het groepsrisico van deze gasleiding.
45/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Figuur 5-8 Relevante risicobronnen in de omgeving van de huidige leiding (Bron: Risicokaart)
46/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
5.6.6 Voornemen Het aanleggen en in gebruik nemen van een leiding. Het plaatsgebonden risico is berekend op circa 7,41*10-7 per jaar. Dit plaatsgebonden risico is lager dan de norm van 1*10-6 per jaar die in het BEVB wordt gehanteerd. Daarnaast bevinden zich geen kwetsbare objecten binnen de PR10-6. Verder treedt geen overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico op. 5.6.7 Effectbeoordeling Voor de referentiesituatie geldt dat het plaatsgebonden risico 0 meter bedraagt, de contour van het plaatsgebonden risico is gelegen op de buisleiding. Voor de toekomstige situatie geldt eveneens dat de 1*10-6 contour op de buisleiding gelegen. Binnen deze afstand bevinden zich echter geen kwetsbare objecten. Omdat het plaatsgebonden risico niet toeneemt, wordt dit beoordeeld als neutraal (0). Het is niet bekend of het groepsrisico toeneemt omdat het huidige groepsrisico niet bekend is. Wel geldt dat het groepsrisico van het voornemen onder de oriëntatiewaarde blijft. Om die reden wordt het groepsrisico als neutraal beoordeeld.
47/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
6
Conclusie
In dit hoofdstuk wordt de conclusie van dit MER beschreven. Welke effecten zijn belangrijk? Hoe worden eventuele maatregelen om effecten te beperken gewaarborgd in de ruimtelijke plannen? Welke onzekerheden zijn er in de beschreven milieueffecten? En ten slotte, hoe wordt in de toekomst gevolgd of de voorspelde effecten optreden? 6.1
Conclusie
De conclusie uit het MER is in de eerste plaats dat er niet of nauwelijks verschil is tussen de referentiesituatie en het voornemen. De DPO leiding heeft vooral een tijdelijk effect in de aanlegfase. Deze effecten bestaan uit mogelijke verstoring van grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels, mogelijke aantasting van archeologische waarden en geluidhinder tijdens de aanleg van de leiding. Deze effecten zijn onvermijdelijk en, mede omdat de leiding wordt aangelegd in een dunbevolkt gebied met een intensief agrarisch gebruik, zo beperkt dat deze in het algemeen als neutraal of licht negatief worden beschouwd. Zodra de leiding is aangelegd en in gebruik is, heeft de leiding alleen een effect voor externe veiligheid. 6.2
Borging in bestemmingsplan
Het plaatsgebonden risico wordt geborgd in het bestemmingsplan door middel van het opnemen van een dubbelbestemming ‘leiding – brandstof’ met de aanduiding ‘hartlijn leiding brandstof’ inclusief belemmeringenstrook. Er mogen alleen bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de overige daar voorkomende bestemming(en), als de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de verantwoordelijke leidingbeheerder. Ter plaatse van de oude leiding wordt de gebiedsaanduiding ‘Leiding – buiten gebruik’ opgenomen. Met deze gebiedsaanduiding wordt de mogelijkheid om een leiding aan te leggen geschrapt. De dubbelbestemming en de gebiedsaanduiding worden op de verbeelding vastgelegd en in de regels worden voorschriften opgenomen ten aanzien van (bouw)activiteiten binnen de dubbelbestemming ‘leiding - brandstof’. 6.3
Leemten in kennis
Natuur Er moet nog een nadere veldinspectie worden uitgevoerd om de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogelsoorten met een jaarrondbeschermd nest uit te sluiten of vast te stellen. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek is een nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk.
48/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
De werkzaamheden kunnen daarnaast een negatieve invloed hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied ten noorden van de Sint Corneliusweg. Niet is onderzocht of en hoe deze negatieve effecten voorkomen kunnen worden. Geluid De geluiduitstraling van de (combinatie) van machines op het intredepunt van de boring is niet bekend. Het is echter de verwachting dat het momenteel gehanteerde geluidniveau (Lwr) een overschatting is van het werkelijke geluidniveau. 6.4
Monitoring en evaluatieprogramma
Op grond van de Wet milieubeheer bestaat binnen de m.e.r.-procedure een verplichting tot het opstellen en uitvoeren van een evaluatieprogramma. Een evaluatieprogramma wordt gelijktijdig met het m.e.r.-plichtige plan of besluit vastgesteld. Het MER dient een aanzet tot zo’n evaluatieprogramma te bevatten. In het MER zijn voorspellingen gedaan over de (milieu)effecten. Doel van het evaluatieprogramma is om te bezien of de werkelijke (milieu)effecten overeenkomen met de effecten zoals die in het MER zijn beschreven. In navolgende tabel 6-1 zijn de aspecten en criteria opgenomen die op basis van het MER in een evaluatieprogramma kunnen worden ingepast en door DPO uitgevoerd kunnen worden.
49/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Tabel 6-1 Aanzet tot een evaluatieprogramma Aspect
Criterium
Locatie
Tijdstip
Soort onderzoek
Wie
Water
Bemalingen en zettingen
Ter
Na aanleg
Registreren van de
DPO
plaatse
onttrokken debieten.
van het
Opnemen van stijghoogten
tracé en
nabij risico-objecten
omgeving
gedurende de bemaling. Inmeten van risico-objecten voor eventuele zettingen
Grondwaterverontreinigingen
Natuur
Beschermde soorten
Beschermde gebieden
Ter
Voor en
Nagaan of er ter plaatse van
plaatse
tijdens
de bemalingen
van het
aanleg
grondwaterverontreinigingen
tracé en
aanwezig zijn en zo ja, of ze
omgeving
worden beïnvloed.
Ter
Voor, tijdens
Tijdens aanleg:
plaatse
en na de
Uitvoeringswijze conform
van het
aanleg
die MER.
tracé en
Na afloop: ecologische
omgeving
effecten evalueren
Ter
Aanlegfase
plaatse
Bijhouden emissie van
DPO
DPO
DPO
stikstof
van het tracé Archeologie
Aantasting historisch
Ter
bodemarchief
plaatse
Aanlegfase
Werkzaamheden onder archeologische begeleiding
van het
nabij Bokhoven.
tracé
Algemeen: rekening houden
DPO
met eventuele aanwezigheid van archeologische resten Geluid
Geluid tijdens de aanleg
Ter
Aanlegfase
Monitoren geluidssituatie
DPO
Gebruiksfase
Monitoren groepsrisico
DPO
plaatse van het tracé Externe
Groepsrisico en
Ter
veiligheid
plaatsgebonden risico
plaatse
mede in relatie tot
van het
ruimtelijke ontwikkelingen
tracé
Monitoren plaatsgebonden risico Toetsen aan normen
50/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
7
Samenvatting
De aanleg van de leiding zorgt voor een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Plannen, waaronder ruimtelijke plannen, die kunnen leiden tot negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zijn niet zonder meer toegestaan. Deze moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt de maximale invulling van het ruimtelijke plan vergeleken met de huidige feitelijke situatie, die niet overeen komt of hoeft te komen met de planologische, nog niet benutte mogelijkheden op dat moment. Uit indicatieve berekeningen blijkt dat als gevolg van de toekomstige ruimtelijke plannen, een toename van de stikstofdepositie van ca 0,06 mol/ha/jaar te verwachten is. Dit betekent dat significante effecten op dat gebied als gevolg van de vaststelling van het plan niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en dat een passende beoordeling nodig is (artikel 2.7 Wet natuurbescherming). Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer is in dat geval ook een milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.) nodig. Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Het doel van de NRD is om de onderzoekslast voor het MER te bepalen en vast te leggen. De Nota reikwijdte en Detailniveau (DPO-60, d.d.
12 september 2019) is op in november/december 2019(afhankelijk van het bevoegde gezag: de gemeenten Den Bosch, Maasdriel, Heusden en de provincie Gelderlang) bekendgemaakt en gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Er zijn in deze periode enkele reacties ontvangen, die geen aanleiding hebben gegeven tot het wijzigen van de opzet voor de planMER. PlanMER In de planMER zijn diverse relevante milieueffecten beoordeeld voor de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkeling) en het voornemen (het aanleggen van een volledig nieuwe leiding met een diameter van 10 inch en het verwijderen, dan wel onklaar maken, van de bestaande leiding met een diameter van 6 inch, hetgeen wordt geborgd in diverse bestemmingsplannen). De noodzaak van een kerosineleiding van voldoende capaciteit op het tracé Ammerzoden – Vlijmen, als onderdeel van het NATO-netwerk staat vast als gevolg van een voor NATO Minimum Military Requirment. Een alternatieve vorm van aanlevering van brandstof, of het gebruiken van een ander soort brandstof, is niet realistisch gezien het single fuel concept in het pijpleiding systeem. Er is een uitgebreide studie gedaan naar de ligging van het tracé. Hierbij is rekening gehouden met fysieke belemmeringen, zoals bestaande bebouwing en kruisingen met infrastructuur/kunstwerken, maar ook met eigendomssituaties, milieueffecten, enz.
Hieruit is het gekozen tracé als voorkeur naar voren gekomen. Er zijn geen redelijke alternatieven voor de ligging van de leiding op dit specifieke traject voorhanden. In onderstaande tabel zijn de verschillende aspecten die zijn beschouwd en de score weergegeven.
51/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Tabel 7-1 Effectscore Aspect
Toetsingscriteria
score
Bodem
Bodemkwaliteit
0
Water
Waterkwaliteit
-
Waterkwantiteit
0
Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden
0
Natuur
(Wet natuurbescherming)
Archeologie
Soortbescherming (Wet natuurbescherming)
0/-
Natuurnetwerk Brabant (NNB)
-
Invloed op mogelijke archeologische waarden
0
in de bodem Geluid tijdens aanleg
Invloed op woonbebouwing
-
Externe veiligheid
Verandering groepsrisico
0
Verandering plaatsgebonden risico
0
De conclusie uit het MER is in de eerste plaats dat er niet of nauwelijks verschil is tussen de referentiesituatie en het voornemen. De DPO leiding heeft vooral een tijdelijk effect in de aanlegfase. Deze effecten bestaan uit mogelijke verstoring van grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels, mogelijke aantasting van archeologische waarden en geluidhinder tijdens de aanleg van de leiding. Deze effecten zijn onvermijdelijk en, mede omdat de leiding wordt aangelegd in een dunbevolkt gebied met een intensief agrarisch gebruik, zo beperkt dat deze in het algemeen als neutraal of licht negatief worden beschouwd. Zodra de leiding is aangelegd en in gebruik is, heeft de leiding alleen een effect voor externe veiligheid. Dit effect is zeer beperkt.
52/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020
Overzicht bijlage(n) Bijlage 1 Milieukundige onderzoeken tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven Bijlage 2 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, milieuhygiënisch vooronderzoek
Bijlage 3 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend milieukundig hodemonderzoek, asfalt- en funderingsonderzoe Bijlage 4 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend onderzoek asbest Bijlage 5 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, waterbodemonderzoek inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek Bijlage 6 Bemalingsadvies DPR leidingtracé Bokhoven – Vlijmen Bijlage 7 Bemalingsadvies betreffende Tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven Bijlage 8 Quickscan Ecologie DPO Bokhoven Bijlage 9 Quickscan Wet natuurbescherming Leidingtracé Defensie pijpleiding – Vlijmen en omgeving Bijlage 10 Kerosineleiding Ammerzoden – Vlijmen, onderzoek stikstofdepositie en passende beoordeling
Bijlage 11 Archeologisch bureauonderzoek DPO Maaskruising tussen Bokhoven en Hedel, Gemeentes ‘s – Hertogenbosch en Maasdriel Bijlage 12 Archeologisch bureauonderzoek DPO tracé Bokhoven – Vlijmen, gemeente Den Bosch Bijlage 13 Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. DPO tracé Bokhoven – Vlijmen, gemeente Den Bosch Bijlage 14 Detailkaarten aantal geluidgevoelige bestemmingen binnen locaties
Bijlage 15 Tracé wijziging 10 ‘’ kerosine leiding Ammerzoden – Vlijmen, kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Bijlage 16 Tracéstudie
Bijlage 1 Milieukundige onderzoeken tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven
Bijlage 1 – 1/24
Bijlage 2 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, milieuhygiënisch vooronderzoek
Bijlage 2 – 2/24
Bijlage 3 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend milieukundig hodemonderzoek, asfalt- en funderingsonderzoek
Bijlage 3 – 3/24
Bijlage 4 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend onderzoek asbest
Bijlage 4 – 4/24
Bijlage 5 DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, waterbodemonderzoek inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek
Bijlage 5 – 5/24
Bijlage 6 Bemalingsadvies DPR leidingtracé Bokhoven – Vlijmen
Bijlage 6 – 6/24
Bijlage 7 Bemalingsadvies betreffende Tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven
Bijlage 7 – 7/24
Bijlage 8 Quickscan Ecologie DPO Bokhoven
Bijlage 8 – 8/24
Bijlage 9 Quickscan Wet natuurbescherming Leidingtracé Defensie pijpleiding – Vlijmen en omgeving
Bijlage 9 – 9/24
Bijlage 10 Kerosineleiding Ammerzoden – Vlijmen, onderzoek stikstofdepositie en passende beoordeling
Bijlage 10 – 10/24
Bijlage 11 Archeologisch bureauonderzoek DPO Maaskruising tussen Bokhoven en Hedel, Gemeentes ‘s – Hertogenbosch en Maasdriel
Bijlage 11 – 11/24
Bijlage 12 Archeologisch bureauonderzoek DPO tracé Bokhoven – Vlijmen, gemeente Den Bosch
Bijlage 12 – 12/24
Bijlage 13 Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. DPO tracé Bokhoven – Vlijmen, gemeente Den Bosch
Bijlage 13 – 13/24
Bijlage 14 Detailkaarten aantal geluidgevoelige bestemmingen binnen locaties
Bijlage 14 – 14/24
Bijlage 14 – 15/24
Detailkaart 1
Bijlage 14 – 16/24
Detailkaart 2
Bijlage 14 – 17/24
Detailkaart 3
Bijlage 14 – 18/24
Detailkaart 4
Bijlage 14 – 19/24
Detailkaart 5
Bijlage 14 – 20/24
Detailkaart 6
Bijlage 14 – 21/24
Detailkaart 7
Bijlage 14 – 22/24
Bijlage 15 Tracé wijziging 10 ‘’ kerosine leiding Ammerzoden – Vlijmen, kwantitatieve risicoanalyse (QRA)
Bijlage 15 – 23/24
Bijlage 16 Tracéstudie
Bijlage 16 – 24/24