Bijlage 1a - Reactie op de zienswijzen van gemeenten
Tekst van het document
20240422 Reactie op zienswijzen gemeenten op wijzigingsvoorstel van de GR Regio Rivierenland Pagina 42 van 45
Gemeente West-Betuwe Informatieplicht: dynamische in plaats van minimale variant.
Participatie: voorstel om te kiezen voor de minimale variant in plaats van de dynamische.
Evaluatie: moet plaatsvinden indien minimaal 2 deelnemers hierom verzoeken in plaats van zoals nu opgenomen 3. Uittreding minimale variant aanvullen met dynamische variant (uittredingsregeling vast te stellen door AB).
Termijnen: kaderbrief tussen 1 december en 1 april december, jaarrekening en begroting uiterlijk 15 april.
Gemeente West Maas en Waal Termijnen: kaderbrief tussen 1 december en 1 april december, jaarrekening en begroting uiterlijk 15 april.
Artikel 14, lid 7 (Besluitvorming), artikel 28, lid 3 (Beleidsplan), artikel 30, lid 2 (Begroting), artikel 31, lid 2 (Jaarrekening) en artikel 40 (Evaluatie) in relatie tot zienswijze raad. De termijn van 8 resp. 12 weken is krap en mogelijk voor een deel van de in te dienen zienswijzen onhaalbaar. Dat komt door onze raadsagenda in combinatie met de benodigde voorbereiding van het advies (zowel regionaal als intern). We vragen het Dagelijks Bestuur (DB) daarom nadrukkelijk om ook de zienswijzen mee te nemen die verwoord zijn in een door het college geformuleerde
Toegevoegd wordt dat voor de informatieplicht een informatieprotocol wordt vastgesteld waarin invulling wordt gegeven aan de informatieplicht. Dit sluit aan bij de bestaande praktijk. De bevoegdheden zijn aan het college gedelegeerd en daarmee ook de wijze van voorbereiding van beleid door middel van participatie dat door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. Het algemeen bestuur zal dat in een participatieverordening regelen. Gelet op het aantal deelnemers wordt het voorgesteld aantal deelnemers dat kan verzoeken, gehandhaafd. Het artikel over uittreding geeft voldoende kaders mee aan de hand waarvan de uittreding een goede invulling kan krijgen. In het voorgestelde artikel staat dat het algemeen bestuur het uittredingsplan vaststelt na een zienswijze van de deelnemer. Daarmee wordt rekening gehouden met alle belangen. De wettelijke termijnen worden in de GR aangehouden, maar toegevoegd is dat in de praktijk afspraken tussen Werkzaak en de gemeenten worden gemaakt in het informatieprotocol, dat door de colleges en het dagelijks bestuur wordt vastgesteld De wettelijke termijnen worden in de GR aangehouden, maar toegevoegd is dat in de praktijk afspraken tussen Werkzaak en de gemeenten worden gemaakt in het informatieprotocol, dat door de colleges en het dagelijks bestuur wordt vastgesteld Het dagelijks bestuur zal bij de planning rekening houden met deze zienswijze.
20240422 Reactie op zienswijzen gemeenten op wijzigingsvoorstel van de GR Regio Rivierenland Pagina 43 van 45
voorlopige zienswijze die aan de gemeenteraad ter vaststelling zal worden aangeboden. Artikel 30, lid 2 juncto lid 4 (begroting) rekening dient te worden gehouden met de termijn van 12 weken tussen toezending en de datum van het DB bij vaststelling van de ontwerpbegroting. 1, lid 1 (Jaarrekening) Artikel 31, lid 1 (Jaarrekening) Het wijzigen van de tekstpassage “telkens uiterlijk 1 juli” in “telkens uiterlijk 14 juli” in de 1e volzin van artikel 31, 1e lid schept enige ruimte in tijd voor het Dagelijks Bestuur tot weging van de ontvangen zienswijzen. Wel dient te worden gelet op het gestelde in lid 3 van genoemd artikel (uiterste datum van 1 juli van het jaar tot het aanbieden aan het Algemeen Bestuur van de voorlopige jaarrekening). Verschillende tekstuele suggesties: artt. 36
Artikel 38, lid 3 (Opheffing): Na het besluit tot opheffing wordt door het Algemeen Bestuur een liquidatieplan vastgesteld. Dit eerst nadat hierover van de deelnemers een zienswijze is ontvangen. De formulering en volgorde van de bepalingen in dit artikel leidt o.i. tot de conclusie dat eerst nadat door de deelnemers besloten is tot opheffing van de GR Werkzaak Rivierenland, een zienswijze-procedure wordt gestart over de uitkomsten van het liquidatieplan en de besluitvorming daarover is voorbehouden aan het Algemeen Bestuur. Klopt deze constatering? Het lijkt niet aannemelijk dat deelnemers besluiten tot opheffing van de GR Werkzaak Rivierenland alvorens zij kennis hebben kunnen nemen van alle financiële, personele en overige consequenties. Gemeente Zaltbommel Platformbijeenkomsten per gemeenschappelijke regeling opnemen in GR tekst.
Inderdaad wordt dit in onderling verband gelezen en daarmee rekening gehouden ten behoeve van een goede besluitvorming door de raden.
Inderdaad wordt dit in onderling verband gelezen en daarmee scherp rekening gehouden ten behoeve van een goede besluitvorming van de raden.
Tekstuele suggestie is overgenomen. Uiteraard dient een uittredingsproces zeer zorgvuldig te verlopen. De handelingsvrijheid wordt beperkt tot binnen de acht maanden van het voorlopige besluit tot uittreding en het vaststelling van het uitredingsvoorstel, genoemd in lid 6 Processueel bezien wordt eerst een liquidatieplan vastgesteld als de deelnemers hebben besloten tot opheffing. Eerder is er geen noodzaak tot het vaststellen van dat plan. In de praktijk lopen veel van deze stappen tegelijkertijd op, zal er eerder inzicht zijn in het waarom de opheffing en in de voorlopige gevolgen van de liquidatie.
In de praktijk worden met regelmaat raadsleden uitgenodigd en worden platformbijeenkomsten bezocht. Het niet opnemen van dit onderdeel brengt geen verandering in de positieve
20240422 Reactie op zienswijzen gemeenten op wijzigingsvoorstel van de GR Regio Rivierenland Pagina 44 van 45
Actieve informatieplicht, informatieprotocol vaststellen
Evaluatie per 4 jaar
Participatiebeleid: voorstander van gezamenlijk eenduidig participatiebeleid en willen dit met de regionale gemeenten afstemmen.
houding van Werkzaak ten opzichte van deze bijeenkomsten. Toegevoegd wordt dat voor de informatieplicht een informatieprotocol wordt vastgesteld waarin invulling wordt gegeven aan de informatieplicht. Dit sluit aan bij de bestaande praktijk De voorgestelde evaluatietermijn van 3 jaar valt eveneens opeenvolgende telkens binnen een raadsperiode van vier jaar. Gezamenlijkheid in participatiebeleid bij alle gemeenten is zeker van voordeel. Wel is in het geval van Werkzaak Rivierenland het algemeen bestuur het bevoegde orgaan voor de vaststelling van de participatieverordening.
20240422 Reactie op zienswijzen gemeenten op wijzigingsvoorstel van de GR Regio Rivierenland Pagina 45 van 45