CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a Toelichting

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a Ammerzoden11.478 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren.

Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

4.3.2 Onderzoek 4.3.2.1 Huidige situatie Watergangen Binnen het plangebied ligt geen A-watergang of beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang. Natuurwaarden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur respectievelijk het gelderse natuurnetwerk en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur. Veiligheid Het plangebied ligt niet binnen de (buiten)beschermingszone van een waterkering. Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

27 - 37

afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Het perceel zal voor (huishoudelijk) afvalwater aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Riolering en zuiveringswerken In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. 4.3.2.2 Toekomstige situatie Het nieuwe bouwvlak voor de vrijstaande woning is kleiner dan het bestaande, onbenutte, bouwvlak voor een woongebouw. De verhardingsoppervlakte neemt hierdoor niet feitelijk, maar wel planologisch af, wat betekent dat niet gecompenseerd hoeft te worden.

4.3.2.3 Wateroverleg Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd op 30 juli 2020 via de website www.dewatertoets.nl. Het plan heeft een geringe invloed op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met het automatisch gegeneerd wateradvies (ziei Bijlage 5). Het waterschap heeft vervolgens een positief advies afgegeven.

4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten.

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

28 - 37

4.4.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. In het kader van de bestemmingsplanprocedure in 2017 is reeds een oriënterend onderzoek uitgevoerd in 2016 naar de mogelijke negatieve effecten voor beschermde flora en fauna. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 en de resultaten in paragraaf 4.4.2.2. Tevens dient onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling een negatief effect heeft op omliggende Natura2000 gebieden. Voor de dichtstbij gelegen Natura2000 gebieden is bepaald of effecten optreden. 4.4.2.1 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd landschapstype zoals Natura2000, EHS/NNN, Beschermd natuurmonument, Nationaal Landschap of Nationaal Park. Op een afstand van 6,5 km ten noordoosten van het plangebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen. Zie onderstaande afbeelding.

Natura 2000-gebieden Stikstofdepositie Bij een woning ontstaat theoretisch gezien NOx als gevolg van de uitstoot van de cv en aan-en afvoerbewegingen. De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een vrijstaande woning in ruil voor een woongebouw met twee wooneenheden. De stikstofdepositie als gevolg van het plan neemt af voor de gebruiksfase. De beoogde ingrepen betreffen het verwijderen van (een deel) het bestaande groen, verplaatsen van de oprit en nieuwbouw van een woonhuis. De werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De verwachting is dat er, gelet op de grote afstand tot Natura2000 gebied en de beperkte omvang van het bouwplan, geen stikstofdepositie op Natura2000 zal plaatsvinden. 4.4.2.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Zowel in de Flora- en faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Met de nieuwe wet is de lijst van beschermde soorten gewijzigd.

Waar de Flora- en faunawet uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: 1. Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. 2. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

29 - 37

De bescherming van vaatplanten uit tabel 1 en tabel 2 is vervallen. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75 soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Het verwijderen van opgaand groen, de grondwerkzaamheden en de bouwwerkzaamheden leiden tot verstoring van alle aanwezige soorten. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd. Overtreding van een verbodsbepaling is alleen toegestaan met een ontheffing. Bij een ontheffingsaanvraag onder de nieuwe wet wordt nog steeds getoetst aan drie criteria: Is er sprake van bepaalde, in de wet genoemde belangen? Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? Aangezien er op de locatie ingrepen uitgevoerd worden zijn negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen van strikt beschermde soorten denkbaar. Ter plaatse is een quickscan uitgevoerd in 2016. Het doel van een quickscan is het opsporen van strijdigheden van de voorgenomen ingreep met de natuurwetgeving en het bepalen of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. De planontwikkeling was gelet op het aspect flora en fauna uitvoerbaar en nader onderzoek niet noodzakelijk.

Het onderzoek wees erop dat er geen beschermde soorten geschaad zouden worden. Vanwege de ouderdom van de rapportage en andere wet- en regelgeving zou een actualisatie van het onderzoek in de rede liggen. Echter is er vanwege de huidige eigenschappen van het plangebied (pioniersvegetatie met wat dunne boompjes zonder voorheen aanwezige bebouwing) redelijkerwijs uit te sluiten dat, afgezien van broedgevallen van algemene broedvogels in het broedseizoen, beschermde soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling geldt schade zullen ondervinden door de ontwikkelingen.

4.4.3 Conclusie 4.4.3 Conclusie De realisatie van het plan leidt niet tot de aantasting van omliggende Natura2000-gebieden en de instandhoudingsdoelen. Gelet op het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat de beoogde bestemmingsplanherziening en uitvoering hiervan niet leidt tot de aantasting van het leefgebied van beschermde soorten. Wel dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en ook dient de woning tijdens de bouw in de actieve periode van vleermuizen (april-oktober) niet met een felle (bouw)lamp te worden verlicht. Een stikstofdepositieonderzoek voor de realisatiefase hoeft niet te worden uitgevoerd omdat negatieve effecten vanwege stikstofdepositie niet te verwachten zijn vanwege de relatief grote afstand tot een Natura 2000-gebied in combinatie met de tijdelijke aard en schaal van de werkzaamheden. Berekeningen van soortgelijke projecten laten namelijk zien dat er op deze afstand gee relevante stikstofdeposities op Natura 2000-gebiedeb zijn te verwachten.

4.5 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een bouwvlak mogelijk. In plaats van twee woningen wordt er slechts één woning gerealiseerd. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.

4.5.1 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt 1 woningen minder ten opzichte van de bestaande situatie mogelijk. 4.5.1.1 Verkeersbewegingen Het aantal verkeersbewegingen neemt af.

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

30 - 37

4.5.1.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte hanteert de gemeente parkeernormen. Het aantal parkeerplaatsen dat op basis daarvan nodig is voor het project, moet op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij de realisatie van 1 vrijstaande woning in het buitengebied is de parkeernorm 3 parkeerplaats per woning. Binnen het plangebied is voldoende parkeergelegenheid te realiseren.

4.5.2 Conclusie In plaats van twee woningen wordt er slechts één woning gerealiseerd. Dit is een verbetering voor de parkeer- en verkeerssituatie.

4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. Onderzoek en conclusie Op dit moment worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die mer-plichtig zijn. De woningbouwontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De transformatie van een locatie waarbij het aantal woningen afneemt hoeft niet gezien te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Omdat geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten als gevolg van het plan is een m.e.r.(-beoordeling) niet nodig. Daar komt bij dat de onderzoeken, zoals deze in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, vergelijkbare informatie geven over milieueffecten als in een MER aan de orde zou komen. Een MER zal derhalve geen nieuwe informatie over belangrijke milieu-effecten opleveren en daarmee geen toegevoegde waarde hebben voor dit bestemmingsplan.

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

31 - 37

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

32 - 37

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

5.1.1 Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er geen sprake van een ‘aangewezen bouwplan’ omdat er geen woning wordt toegevoegd. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. De gemeente Maasdriel sluit met de initiatiefnemer een overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.

5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal 6 weken ter visie worden gelegd, zodat eenieder in de gelegenheid is om een zienswijze in te dienen. Eventuele zienswijzen zullen worden betrokken in het planproces.

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

33 - 37

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

34 - 37

Hoofdstuk 6

Juridische planopzet

6.1 Plansystematiek Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016 en Paraplubestemmingsplan Parkeren 2018. Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 en 4). Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 5 tot en met 11). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 12 en 13). De planregels zijn opgedeeld in: 1. de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; 2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; 3. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden en 4. het afwijken van de gebruiksregels.

6.2 Bestemmingen Wonen Regels Wonen hebben betrekking op de nieuwe woning. De planregels van Wonen zijn identiek aan bestemming Wonen in het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016, met dien verstande dat niet-relevante regels zijn verwijderd. Waarde - Archeologie 6 Dit bestemmingsplan hanteert voor het hele plangebied de bestemming Waarde - Archeologie 6. Voor nieuwe bouwwerken en werkzaamheden geldt dat deze zijn toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 5000 m2 of als deze zonder graaf- of heiwerkzaamheden worden gerealiseerd.

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

35 - 37

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

36 - 37

Eindnoten

1. ABRS 22 juli 2009, zaaknummer 200806481/1/R2 2. ABRvS 23 september 2009 (zaaknr. 200900570/1/R2), ABRvS 31 maart 2010 (zaaknr. 200904633/1/R2) en ABRvS 18 mei 2011 (zaaknr. 201001510/1/R). Zie tevens noot van Vogelesang-Stoute in Milieu en Recht (2011/174)

(ontwerp) Buitengebied herziening 2020, Zandweg 4a NL.IMRO.0263.BP1218-ON01

37 - 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10867680/1