Bijlage 1 - Nota Bodembeheer
Tekst van het document
Deze verruiming geldt niet bij het verspreiden van baggerspecie in bodembeschermingsgebieden (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden -zie § 4.3.2-, Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden). Door de extra toetsnormen voor PAK en minerale olie wordt rekening wordt gehouden met het feit dat stedelijk bagger vaak verontreinigd is met PAK en minerale olie, maar wordt voorkomen dat de ontvangende bodem verontreinigd raakt met deze stoffen vanuit het stedelijk gebied. De gehalten van deze stoffen reduceren in de tijd door biologische afbraak mits de bagger niet in te dikke lagen wordt toegepast24 (zie ook § 6.3.5). De kwaliteit van PFAS-verbindingen in de te verspreiden ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Bij verspreiding op direct aangrenzende percelen gelden de normen uit het generieke beleid.
23
Bijvoorbeeld parken, plantsoenen en terreinen voor recreatief gebruik.
24
Uit een onderzoek van Alterra, dat is gepubliceerd in het vakblad Bodem (nummer 5 van oktober 2009) blijkt dat door biologische afbraak de concentraties aan minerale olie en PAK in een periode van 5 jaar minimaal 70-80% reduceren. Voorwaarde hierbij is dat er alleen snelle biologische afbraak plaatsvindt in zuurstofrijke omstandigheden.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
54 / 81
6.3.5
Aanvullende eisen voor baggerspecie uit het buitengebied en uit het stedelijke gebied Verder gelden voor zowel baggerspecie uit het buitengebied als baggerspecie uit het stedelijk gebied de volgende eisen: • De baggerspecie afkomstig uit het stedelijk gebied mag in diktes van maximaal 15 cm worden verspreid/toegepast. • De baggerspecie afkomstig uit het buitengebied mag in diktes van maximaal 30 centimeter worden verspreid/toegepast. • De beoogde toepassing wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1). • De baggerspecie moet afkomstig zijn uit de watergangen die zijn gelegen in regio Rivierenland. • De baggerspecie mag alleen op de percelen in de gemeenten voor grondverbetering worden toegepast. • Voor de toepassing van baggerspecie buiten de aangrenzende percelen geldt geen ontvangstplicht; de perceeleigenaar van het perceel waarop de baggerspecie wordt toegepast moet dan altijd toestemming geven. • De initiatiefnemer van het baggerwerk (de ontdoener) moet aan de perceeleigenaar (de ontvanger) kwaliteitsgegevens overleggen. • Baggerspecie uit onverdachte watergangen (watergangen niet zijnde verdachte watergangen zoals gedefinieerd in bijlage 1) hoeft niet te worden onderzocht. Wél moet worden aangetoond dat het een onverdachte watergang betreft.
• De kwaliteit van de te toe te passen baggerspecie uit de overige watergangen is bepaald met een waterbodemonderzoek volgens de NEN 5720 (inclusief verdachtheid op asbest) of een partijkeuring conform § 8.2.1. De toe te passen en onderzochte baggerspecie uit het stedelijk gebied moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, uitgezonderd de organische parameters PAK en minerale olie waarvoor respectievelijk een gehalte van 4,5 mg/kg ds en 500 mg/kg ds (gecorrigeerd voor standaardbodem) geldt. Als aanvullende voorwaarde geldt dat de baggerspecie in diktes van maximaal 15 cm mag worden verspreid/toegepast. Deze verruiming geldt niet bij het verspreiden van baggerspecie in bodembeschermingsgebieden (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden -zie § 4.3.2-, Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden).
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
55 / 81
7
Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie en moet worden aangetoond met een historisch onderzoek (zie § 8.1). Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ (groen op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag overal worden toegepast.
• De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ (oranje/bruin op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje/bruin en roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 5A en 5B). • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ (roze/rood op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 5A en 5B). De bodemkwaliteitszones ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ en ‘B8. Wegbermen in het buitengebied’ vallen in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, maar hebben een relatief slechtere bodemkwaliteit dan de andere bodemkwaliteitszones in de gemeenten. In de grond komen relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met zware metalen en PAK voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Hetzelfde geld voor de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’. Hier komen relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met bestrijdingsmiddelen voor.
Daarom hebben de gemeenten strenger beleid opgesteld (zie § 4.3.4, § 4.3.5 en § 5.4). Grond vanuit deze bodemkwaliteitszones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing worden onderzocht (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie § 5.10.2).
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
56 / 81
Als uit een bodemonderzoek blijkt dat alle analyseresultaten voldoen aan de 90-percentielwaarde25 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 7b), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie § 5.10.2). Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie § 5.10.2). Grond van buiten het bodembeheergebied (zie § 4.2), ook al zijn bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel geaccepteerd, moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (kaartbijlage 4A en 4B). Uitzondering hierop zijn de gebieden met strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.2 en § 4.3.3). Gebiedseigen grond moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (kaartbijlage 5A en 5B). Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix).
Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart.
25
90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de 90-percentielwaarde lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
57 / 81
8
Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet
8.1
Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties die onderdeel uitmaken van een geldige en binnen de regio Rivierenland geaccepteerde bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Arbowetgeving en het werken in en met verontreinigde bodem. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of • er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of • sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en op die locatie grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag of het uitvoeren van een sanering in het kader van de Wet bodembescherming.
In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd door het invullen van het ‘Vragenformulier historische gegevens’ (zie bijlage 8). De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het aangrenzend terrein tot een minimum van 25 meter. Voor een deel van de historische informatie moet contact worden opgenomen met de gemeente Tiel (voor locaties in de gemeente Tiel) of met de Omgevingsdienst Rivierenland. Aanvullend daarop kan een deel van de bodeminformatie ook via het internet aangevraagd/opgezocht worden: • Gemeente Tiel: gemeente@tiel.nl. • Landelijk bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart. • (Voormalige) boomgaarden via de website: http://www.topotijdreis.nl/.
Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige en binnen regio Rivierenland geaccepteerde bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (zie hoofdstuk 5).
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
58 / 81
Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de bodem/partij grond negatief hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst Rivierenland of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een ophooglaag, een bodembedreigende activiteit, afvaldump of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij het toepassen van grond moet ook worden vastgesteld of • de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit; zie ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); • de ontgravings- en toepassingslocatie in een zone van de bodemkwaliteitskaart ligt (zie hoofdstuk 2).
Is dat niet zo, dan geldt het generieke kader van het Besluit en moet de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem worden vastgesteld (zie § 5.10.1 en § 8.2); • het grondverzet plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (zie § 5.10) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (zie § 2.1.5 van bijlage 2). Als de ontgravings- en/of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie in eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed. 8.2
Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem
8.2.1
Toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd of zijn onderzocht met een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 met een gepaste strategie voor de ontgravingslocatie, als deze grond: • ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; • afkomstig is van een uitgesloten gebied van de eigen of geaccepteerde en geldige bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2; en § 5.10.1; gespecificeerd in hoofdstuk 2 en de rapportages van de geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten); • wordt toegepast in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 4.3.2, § 4.3.4 en § 5.10.4). Een toepassing van grond in waterwin- of grondwaterbeschermingsgebieden dient tevens te voldoen aan de aanvullende kwaliteitsbepalingen in de provinciale omgevingsverordening; • afkomstig is van oude categorie-1 werken (zie § 5.10.1); • afkomstig is van gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaarten niet hebben geaccepteerd (zie § 4.2 en § 5.6). • afkomstig is uit de bodemkwaliteitszone ‘B8.
Wegbermen buitengebied’ en niet in een onverharde berm wordt toegepast (zie § 4.3.5); • wordt toegepast op een regionale waterkering als teeltlaag (zie § 4.3.6); • onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, meer gewichts- of volumeprocent aan bijmenging van bodemvreemde materialen dan de ontvangende bodem, kleur, geur; zie § 5.1); NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
59 / 81
• •
afkomstig is uit de bodemkwaliteitszone ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ (zie § 5.4); afkomstig is uit een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 5.9 zijn beschreven.
Een partijkeuring moet plaatsvinden conform het BRL 1000 – protocol 1001 of de NEN 574026 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Het bodemonderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor het BRL 2000 – protocol 2001[38] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Als de grond onderzocht wordt op asbest moet het bodemonderzoek ook zijn uitgevoerd door een voor het BRL 2000 – protocol 2018[39] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond. Onderzoek bij toepassing grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’ en/ of kassen (periode 1945-2000) In verband met heterogeniteit van de bodemverontreiniging op de (voormalige) boomgaarden zal bij grondverzet en herinrichting van een (voormalige) boomgaard een bodemonderzoek op het te ontgraven perceel moeten plaatsvinden om vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (en daarmee te voorkomen dat ernstig verontreinigde grond wordt verspreid).
Bij het onderzoek moet de bovenste 50 cm van de bodem conform de NEN 5740 strategie “diffuse verontreiniging met heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming” (niet-lijnvormige locatie) worden onderzocht. Hierbij moeten analyses plaatsvinden op het standaard NEN 5740 stoffenpakket aangevuld met organochloorbestrijdingsmiddelen. Als de (voormalige) tussenwaarde wordt overschreden dan vindt er een nader bodemonderzoek plaats en wordt er vastgesteld of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Is dit niet het geval dan komt de grond in aanmerking voor hergebruik. In eerste instantie kan hiervoor gebruik worden gemaakt van het bodemonderzoek. Het maximaal gemeten gehalte wordt hierbij getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van de ontvangende bodem (zie § 4.3.4). Als hergebruik niet mogelijk is, kan worden overwogen de partij vervolgens te keuren conform het Besluit bodemkwaliteit (zie eerder in deze paragraaf). In het laatste geval kan aan het gemiddelde gehalte worden getoetst. In tabel 8.1 is aangegeven onder welke condities grond uit (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) mag worden toegepast. Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden.
Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
26
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
60 / 81
Tabel 8.1. Onderzoeksinspanning en toepassingseisen bij (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) NAAR (Voormalige)
(Voormalige)
(Voormalige)
Overige gebieden
boomgaarden
boomgaarden
boomgaarden
in de gemeenten
buitengebied
stedelijk gebied
bodem-
(Voormalige)
Bodemonderzoek
Bodemonderzoek
Partijkeuring
Bodemonderzoek
boomgaarden
Toepassingseis: zie:
Toepassingseis: zie:
Toepassingseis:
Toepassingseis:
buitengebied
bijlage 7a kolom 1
bijlage 7a kolom 2
Achtergrondwaarden
Generieke
(AW2000)
toepassingseis
VAN
beschermingsgebied
(Voormalige)
Bodemonderzoek
Bodemonderzoek
Partijkeuring
Bodemonderzoek
boomgaarden
Toepassingseis: zie:
Toepassingseis: zie:
Toepassingseis:
Toepassingseis:
stedelijk gebied
bijlage 7a kolom 1
bijlage 7a kolom 2
Achtergrondwaarden
Generieke
(AW2000)
toepassingseis
(Voormalige)
Bodemonderzoek
Bodemonderzoek
Partijkeuring
Bodemonderzoek
boomgaarden
Toepassingseis: zie:
Toepassingseis: zie:
Toepassingseis:
Toepassingseis:
bodem-
bijlage 7a kolom 1
bijlage 7a kolom 2
Achtergrondwaarden
Generieke
(AW2000)
toepassingseis
beschermings-gebied
8.2.2
Overige gebieden
Geen keuring en
Geen keuring en
Geen keuring en
Geen keuring en
in de gemeenten
toetsing
toetsing
toetsing
toetsing
bestrijdingsmiddelen,
bestrijdingsmiddelen,
bestrijdingsmiddelen,
bestrijdingsmiddelen,
verzamelen
verzamelen
verzamelen
verzamelen
(historische)
(historische)
(historische)
(historische)
informatie en volgen
informatie en volgen
informatie en volgen
informatie en volgen
beleid van deze nota
beleid van deze nota
beleid van deze nota
beleid van deze nota
bodembeheer
bodembeheer
bodembeheer
bodembeheer
Boomgaarden
Partijkeuring
Partijkeuring
Partijkeuring
Partijkeuring
buiten het
Toepassingseis:
Toepassingseis:
Toepassingseis:
Toepassingseis:
bodembeheergebied
Achtergrondwaarden
Achtergrondwaarden
Achtergrondwaarden
Achtergrondwaarden
(AW2000)
(AW2000)
(AW2000)
(AW2000)
Ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als: • de toepassingslocatie is gelegen in een uitgesloten gebied (zie hoofdstuk 2); • op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een puntbron is vastgesteld. • al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 5.10.2. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
61 / 81
9
Procedures
9.1
Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet Voorafgaand aan het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie § 8.1). De ingevulde ‘Vragenlijst historische gegevens’ (zie bijlage 8; ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie § 9.2) worden ingeleverd. In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet.
9.2
Melden tijdelijk opslaan en toepassen van grond
9.2.1
Algemeen De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente waarin de locatie van de tijdelijke opslag of de toepassing is gelegen. De meldingen voor de gemeenten worden doorgezonden naar de Omgevingsdienst Rivierenland. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, zoals sloten, is dat het Waterschap Rivierenland. De Omgevingsdienst Rivierenland is (namens de gemeenten) op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijnen mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit.
Maar ook eenieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.4 en § 1.5). Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit. Het toepassen van de grond bij een sanering die wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeenten is dat de provincie Gelderland die deze taken heeft gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Arnhem; post@gelderland.nl). Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit).
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
62 / 81
In tabel 9.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden. 9.2.2
Toepassen van grond De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd met uitzondering van: • de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; • het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; • het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; • het toepassen van schone grond in hoeveelheden maximaal 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. De Omgevingsdienst Rivierenland kan ondanks de ontheffing van de meldplicht namens de gemeenten wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie. De Omgevingsdienst Rivierenland maakt van deze bevoegdheid altijd gebruik.
9.2.3
Tijdelijke opslag van grond De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: • De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. • De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. • De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. Als tijdelijk opslag niet binnen een vergunningsplichtige inrichting plaatsvindt, moet toestemming worden verkregen van de perceeleigenaar waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen. Op de website van Rijkswaterstaat/Bodem+ is bij de veelgestelde vragen bij het Besluit bodemkwaliteit , Grond en baggerspecie – Tijdelijke opslag meer informatie te lezen onder welke voorwaarden grond en baggerspecie tijdelijk mag worden opgeslagen (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggertop/). Hierbij gaat het over het tijdelijk opslaan van gescheiden partijen grond. Het samenvoegen van verschillende partijen grond is erkenningsplichtig.
Op de website van Rijkswaterstaat/Bodem+ is bij de veelgestelde vragen bij het Besluit bodemkwaliteit, Grond en baggerspecie – Samenvoegen en partijdefinitie te lezen onder welke voorwaarden partijen grond en baggerspecie samengevoegd mogen worden en wat wordt verstaan
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
63 / 81
onder een partij grond of baggerspecie (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wetregelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-samen/). Met het gebiedsspecifiek beleid (vaststellen Lokale Maximale Waarden, zie § 4.3) zijn enkele knelpunten in de gemeenten als gevolg van de landelijke regelgeving opgelost. In tabel 9.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen. Tabel 9.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Voorwaarden van het Besluit[5]
Vorm van tijdelijke opslag Maximale duur van de
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
-
Ja1)
opslag Kortdurende opslag
6 maanden
Tijdelijke opslag op
Kwaliteit moet voldoen
landbodem
3 jaar
aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Weilanddepot: tijdelijke
Alleen baggerspecie die
opslag van baggerspecie op
voldoet aan de normen
3 jaar
aangrenzend perceel
voor verspreiding over aangrenzende percelen
Opslag tijdelijke uitname
Looptijd van de werkzaamheden
1)
-
Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Nee
Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.
9.3
Registratie en archivering van de meldingen De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) worden door de Omgevingsdienst Rivierenland (voor de gemeenten) bij binnenkomst via het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing (zie ook § 1.4 en § 1.5). Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de gemeenten) nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
64 / 81
9.4
Beoordeling van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeenten worden door de Omgevingsdienst Rivierenland (voor de gemeenten) beoordeeld. De Omgevingsdienst Rivierenland probeert de melder altijd binnen 5 werkdagen op de hoogte te stellen van haar oordeel over de melding. Bij de beoordeling van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond én de toepassingseis vanuit deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt gecontroleerd of de melding volledig is ingevuld, het bewijsmiddel mag worden gebruikt (inclusief Kwalibo), de tijdelijke opslag of toepassing nuttig is, of strijdig is met andere ruimtelijke aspecten, of dat de tijdelijke opslag vergunningsplichtig is. Ook wordt aandacht besteed of andere wet- en regelgeving van invloed is (zie § 2.1.5 van bijlage 2).
9.5
Transport van grond Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook § 9.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.
9.6
Repeterende vrachten en omvangrijk grondverzet Binnen werken met omvangrijke hoeveelheden grondverzet, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de gemeenten). Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Rivierenland.
9.7
Grondtransporten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn die in het Besluit is erkend.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
65 / 81
10
Toezicht en handhaving
10.1
Betrokkenen bij grondwerkzaamheden Bij toezicht en handhaving tijdens het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond op of in de bodem zijn verschillende 'spelers' betrokken. In tabel 10.1 staat een overzicht van de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen rond het toepassen van grond conform het Besluit. Naast de in tabel 10.1 betrokken 'spelers' zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken bij grondwerkzaamheden, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond). Tabel 10.1: Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen
Verantwoordelijkheden
Gemeente Tiel
Het (digitaal) ontsluiten van de bodeminformatie en inzage geven in archieven
(Besluit bodemkwaliteit)
met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.
Gemeenten Buren, Culemborg,
Beschikbaar stellen van bodeminformatie aan de Omgevingsdienst Rivierenland
Maasdriel, Neder-Betuwe, West
die deze informatie (digitaal) ontsluit en het inzage geven in archieven met onder
Betuwe, West Maas en Waal en
andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.
Zaltbommel (Besluit bodemkwaliteit) Omgevingsdienst Rivierenland voor de
Voeren van vooroverleg met de initiatiefnemer.
gemeenten
Voor de gemeenten het digitaal ontsluiten van bodeminformatie en de
(Besluit bodemkwaliteit)
bodemkwaliteit. Bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit voor de gemeenten: Toezicht en handhaving van de melding (administratief en in het veld). Uitvoeren taken waaronder het in ontvangst nemen, registreren, archiveren, beoordelen en toetsen van de melding voor het nuttig toepassen van grond.
Provincie Gelderland
Als gemeente en Omgevingsdienst Rivierenland, maar dan bij het nuttig
(Besluit bodemkwaliteit)
toepassen van grond in Wet milieubeheer-inrichtingen met de provincie als vergunningverlener en ter plaatse van beschermingsgebieden.
Waterschap Rivierenland
Als gemeente en Omgevingsdienst Rivierenland, maar dan bij het nuttig
(Besluit bodemkwaliteit)
toepassen of verspreiden van grond en baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, het toepassen van grond in/op waterkeringen in beheer van het Waterschap.
Omgevingsdienst Rivierenland voor de
Toezicht en handhaving van niet-ernstige en nieuwe gevallen van ernstige
gemeenten
bodemverontreiniging, met uitzondering van de gemeente Tiel voor
(Wet bodembescherming)
verontreinigingen buiten inrichtingen.
Gemeente Tiel
Toezicht en handhaving van niet-ernstige en nieuwe gevallen van ernstige
(Wet bodembescherming)
bodemverontreiniging buiten inrichtingen
Omgevingsdienst Regio Arnhem
Toezicht en handhaving van (oude) gevallen van (vermoedelijk) ernstige
(Wet bodembescherming)
bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
66 / 81
Vervolg tabel 10.1: Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen
Verantwoordelijkheden
Leverancier (ontdoener) van de grond
Het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren grond en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de ingevulde begeleidingsbrief krijgt. Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.
Transporteur
Tijdens het transport beschikken over een ingevulde begeleidingsbrief met, indien noodzakelijk, een afvalstroomnummer. Overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (provincie, politie, gemeente). Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar. In overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond.
Partij die de grond toepast
Conform het Besluit bodemkwaliteit (laten) melden bij het centrale meldpunt van
(initiatiefnemer of een ieder die op een
het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
bepaald moment macht uit oefent). Dit
Nagaan of vanuit andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze
kan ook een gemeentelijke afdeling zijn.
navolgen. In overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond.
Milieupolitie
Toezicht en handhaving (strafrechtelijk).
Omgevingsdienst
Bestuursrechtelijk handhaving
Inspectie Leefomgeving en Transport
Het uitvoeren van de handhaving op de keten van grond voorafgaand aan de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder Kwalibo vallen. Hierbij gaat het zowel om het toepassen van grond op of in de landbodem als het toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam.
10.2
Toezicht en handhaving De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten zijn voor haar eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. De Omgevingsdienst Rivierenland voert in opdracht van deze gemeenten die taken uit. Bij de tijdelijke opslag en de toepassingen van grond kan toezicht en handhaving plaatsvinden: • tijdens de melding; • in het veld (tijdens het transport of bij de tijdelijke opslag of de toepassing); • na de tijdelijke opslag of de toepassing. Bij het toezicht en de handhaving voor het Besluit maakt de Omgevingsdienst Rivierenland namens de gemeente gebruik van het zelf opgestelde ‘Handboek bodemadvisering’[40] en de ‘Checklist toezicht’. Als de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de gemeenten) constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De Omgevingsdienst Rivierenland kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten.
Een dwangsom is een indirect dwangmiddel in de vorm van een geldboete
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
67 / 81
die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen. De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen. In het kader van het Besluit is voor toepassingen van grond op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegd-gezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen. Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van het handelen van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem. Overtredingen zoals afwijken van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/meldenen-vragen.
De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
68 / 81
11
Uitwerking bodembeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming
11.1
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geregeld dat deze niet eerder in werking treedt nadat: • is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of • met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of • een BUS-melding is gedaan en de vijfwekentermijn is verstreken. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet bodeminformatie worden verzameld (zie artikel 8 vierde lid van de Woningwet en artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht). Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw is geen bodemonderzoek nodig wanneer: • het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; of • het bouwwerk de grond niet raakt; of • in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag mensen verblijven. Let op! Vanuit andere regelgeving (bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit) kan bodemonderzoek toch nodig zijn.
De gemeenten bieden de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te gebruiken om uit te sluiten dat er gebouwd gaat worden op ernstig verontreinigde grond (zie § 11.3).
11.2
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming In de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond. Niet altijd is bij een bestemmingswijziging op voorhand een bodemonderzoek noodzakelijk. Wil men een klein bouwwerk bijvoorbeeld ten behoeve van nutsvoorzieningen realiseren? Of betreft het een verandering in gebruik waarbij er qua bodem geen (extra) risico's zijn voor het beoogde gebruik en/of uitvoerbaarheid van het plan? Dan is bodemonderzoek waarschijnlijk niet noodzakelijk. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de betreffende gemeente. Let op! Vanuit andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
69 / 81
De gemeenten bieden de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te gebruiken om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming (zie § 11.3). 11.3
Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming Voor locaties die zijn gelegen in de bodemkwaliteitszones ‘B3./O3. Wonen na 1950’ en ‘B6./O6. Buitengebied’ bieden de gemeenten de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart kan dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op het betreffende perceel of de betreffende percelen. Deze vrijstellingsmogelijkheid geldt niet voor de gemeente NederBetuwe. De voorwaarden voor de andere gemeenten zijn: • Een historisch onderzoek is uitgevoerd volgens de laatste versie van de NEN 5725 volgens strategie A ‘opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’. Het historisch onderzoek moet zijn uitgevoerd door een gecertificeerd/erkend persoon of bureau voor de BRL 2000 – protocol 2001. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt.
Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor een omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Op basis van de bekende gegevens moet het vragenformulier historische gegevens worden ingevuld door de aanvrager. Bij twijfel beslist het bevoegd gezag of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. • Het bevoegd gezag moet aantoonbaar het historische onderzoek hebben gecontroleerd. • Binnen de gemeente Tiel geldt de vrijstelling alleen voor kleinschalige particuliere aanvragen (bijvoorbeeld de bouw van 1 of 2 woningen). Voor het gebruik maken van de vrijstellingsmogelijkheid binnen de gemeente Tiel dient contact te worden opgenomen met de gemeente Tiel. Het historisch onderzoek, eventueel vergezeld van ingevuld vragenformulier, inclusief aantoonbare controle door het bevoegd gezag, moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente waarin de locatie is gelegen en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, worden ingediend. Als uit het historisch onderzoek blijkt dat de locatie verdacht is voor bodemverontreiniging moet alsnog een verkennend bodemonderzoek volgens een passende strategie uit de NEN 5740 of de NEN 5707 en eventueel een nader onderzoek worden uitgevoerd.
Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen sprake is van een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging of een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld als gevolg van een bedrijfsmatige activiteit, een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een voormalige boomgaard, een gedempte watergang of een verdachte diffuus verontreinigde ophooglaag.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
70 / 81
Geldigheidsduur bodemonderzoek De gemeenten bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging) een bodemonderzoek dat niet is uitgevoerd volgens de meest recente versie van de NEN 5740 en/of NEN 5707 (asbestbodemonderzoek), tóch als representatief beschouwd kan worden voor de bodemkwaliteit. De voorwaarden voor de gemeenten zijn: • De aanvrager moet het vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 8) indienen. • Het bevoegd gezag moet toetsen of o er sinds de uitvoering van het bodemonderzoek geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden; o eventuele verdenkingen die ten tijde van het uitgevoerde onderzoek aanwezig waren op een afdoende wijze zijn onderzocht; o of de bodemkwaliteit, blijkend uit het verouderde bodemonderzoek, toereikend is voor de beoogde bestemming. Hieronder zijn enkele voorbeelden gegeven: • Weiland of woonbuurt, geen boomgaard, onderzoek uit 2009. Checken website Topotijdreis, luchtfoto’s en Google streetview (meestal vanaf 2009 beschikbaar). Resultaat er komen geen activiteiten naar voren die de bodem hebben kunnen verontreinigen. Conclusie: als het bodemonderzoek destijds goed is uitgevoerd kan dit onderzoek nog representatief zijn.
Als bodemonderzoek niet goed is uitgevoerd moet een aanvullend bodemonderzoek worden uitgevoerd. • Bedrijventerrein, onderzoek uit 2006. Uitgaan van veranderingen in bedrijfsactiviteiten. Een aanvullend/actualiserend/volledig onderzoek is in het algemeen nodig. • Locatie met mobiele verontreiniging , onderzoek uit 2016. Een actualiserend onderzoek is nodig. • Asbestverdacht terrein, onderzoek uit 2012. Nagaan of er voldoende aandacht aan asbest is besteed en of er een analyse (SEM) is uitgevoerd wanneer sprake is van mogelijke asbestvezels. Zo niet, dan moet een verkennend asbestbodemonderzoek worden uitgevoerd.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
71 / 81
12
Uitwerking bodembeleid onderdeel saneren
12.1
Hergebruik van grond en terugsaneerwaarden Het wettelijke kader voor bodemsaneringen is de Wet bodembescherming. Voor de gemeenten geldt dat de provincie Gelderland, totdat de Omgevingswet inwerking treedt, in de meeste situaties het bevoegd gezag Wet bodembescherming is. Na in werking treding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Naast de regels in deze nota bodembeheer zijn op werkzaamheden op of in de bodem ook de regels van de Wet bodembescherming van toepassing. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en de bodemkwaliteitskaart (het toepassen of hergebruiken van grond). Dit geldt onder andere voor: • Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen); • Aanvullen van ontgravingsput of het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering (zie § 5.10.3). Ter plaatse van gesaneerde (nazorglocaties) en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Afhankelijk van de (uitgevoerde) sanering, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 van bijlage 2) en aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen.
Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. In de Beleidsnota Bodem 2012[41]) is ingegaan op de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen de provincie Gelderland. Het bodembeleid is afgestemd op diverse wetten en regelingen, waaronder de Circulaire bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Bodemsaneringen worden uitgevoerd in het kader van de Wet Bodembescherming. Deze wet gaat uit van functiegericht en kosteneffectief saneren van de bodem. De Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3 en bijlage 7a) worden door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (de provincie Gelderland en na inwerkingtreding van de Omgevingswet de betreffende gemeente) gehanteerd bij het beoordelen van bodemonderzoek en saneringen. Bij het beoordelen van de gevalsgrens kan de Provincie gebruik maken van de bodemkwaliteitskaart. Bij het beoordelen van saneringen hanteert de Provincie voor immobiele stoffen de vastgestelde Lokale Maximale Waarden als terugsaneerwaarde en toepassingseis voor in of onder de leeflaag aan te brengen grond.
Wanneer geen Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, of wanneer de Provincie deze niet overneemt, dan gelden voor immobiele verontreinigingen de generieke Maximale Waarden voor de functie die een terrein heeft of krijgt als terugsaneerwaarde. Strengere waarden dan de generieke Maximale Waarden voor de functie kunnen niet worden afgedwongen. Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden niet toereikend zijn voor een sanering. Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locatiespecifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
72 / 81
saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd. De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[42]) geregeld: Wet bodembescherming 1. Bodemfunctie (Circulaire artikel 4.1.2) 2. Gemotiveerd afwijken met behulp van saneringsplan (Circulaire artikel 4.1.2) BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, AW2000 als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld 3. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. In § 5.10.3 is ingegaan op het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie § 9.2.1).
Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeenten is dat de provincie Gelderland die deze taken heeft gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Arnhem; post@gelderland.nl). Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit bodemkwaliteit). 12.2
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht Hoofdstuk 3 van de beleidsnota “De Gelderse wegwijzer door bodemland” van de provincie Gelderland richt zich met name op de verontreinigingen waarvoor de provincie Gelderland bevoegd gezag Wet bodembescherming is. Voor de volgende verontreinigingen geldt dat de gemeente bevoegd gezag is of kan zijn in het kader van de Wet bodembescherming: • Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging (voor 1987). • Zorgplicht (na 1987). Na in werking treding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging Er is sprake van een niet ernstig geval van bodemverontreiniging indien het volume aan sterk verontreinigde bodem (concentratie > interventiewaarde) minder dan 25 m3 grond en/of 100 m3 bodemvolume grondwater bedraagt. Voor het gehalte aan asbest geldt dat in de grond geen gehalte hoger dan 100 mg/kg ds (gewogen; de interventiewaarde) mag voorkomen.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
73 / 81
Voor graafwerkzaamheden in een niet ernstig geval van bodemverontreiniging geldt dat: • De regels van BRL 6000[43] /7000[44] niet verplicht zijn op de graafwerkzaamheden; • Een saneringsplan of BUS-melding niet verplicht is; • Minimaal 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een plan van aanpak moet worden ingediend bij zowel de betreffende gemeente als de Omgevingsdienst Rivierenland waar de activiteit plaatsvindt. Het plan van aanpak dient inzicht te geven in de voorgenomen handelingen die worden uitgevoerd en wat er met de vrijkomende grond gebeurt. • Maximaal 10 werkdagen na beëindiging van de werkzaamheden moet een evaluatierapport worden ingediend. Het evaluatierapport moet minimaal de volgende onderdelen bevatten: o Een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden. o De kwaliteit van de putbodem en -wanden na afronding van de sanering en de wijze waarop dit is vastgesteld. o De kwaliteit van de tijdelijk uitgenomen grond dan wel toegepaste grond, inclusief bewijsmiddel (bijvoorbeeld een partijkeuring, certificaat van een grondbank, de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een historisch onderzoek / volledig ingevulde vragenlijst -zie bijlage 8-). Zorgplicht Alle verontreinigingen die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 betreffen nieuwe gevallen van bodemverontreiniging waarop het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming (art. 13 Wbb) van toepassing is.
Dit betekent dat, voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden, de verontreiniging en de gevolgen daarvan volledig ongedaan moeten worden gemaakt. In geval van een calamiteit of een ongewoon voorval dient de veroorzaker dit direct te melden bij het bevoegde gezag. In de regel is de gemeente bevoegd tot handhaving van de zorgplicht van nieuwe gevallen van verontreiniging. Er zijn echter ook situaties waarin de provincie (bijvoorbeeld bij een zorgplicht op een bedrijfsterrein waarvoor de provincie bevoegd gezag is in het kader van de milieuwetgeving), Rijkswaterstaat (rijkswateren), het Waterschap Rivierenland (wateren die zijn vastgelegd in de legger) of de betreffende gemeente (overige wateren) bevoegd gezag is. 12.3
Onverwachte bodemverontreiniging Tijdens het graven in de bodem kunnen zich situaties voordoen die niet voorzien waren op basis van een vooronderzoek of verkennend bodemonderzoek. Gedacht kan worden aan een sterke oliegeur, begraven afval, asbestnesten, et cetera. In dergelijke gevallen moet de ontgraving gestaakt worden en het bevoegd gezag worden ingelicht. Hierna kan in overleg met gemeente, de Omgevingsdienst Rivierenland en/of provincie bekeken worden op welke wijze met de verontreiniging moet worden omgegaan. Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Dit geldt overigens ook voor het toepassen van bouwstoffen.