Bijlage 1 Diverse onderzoeken Blankensteijn 3-5-7
Tekst van het document
RAPPORT: Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3‐7 te Hedel
PROJECTNUMMER: B20.7756 Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel
PROJECTNUMMER: B19.7756 Versie: 01
OPDRACHTGEVER: Woonstichting De Kernen
DATUM: 8 mei 2020
Auteur:
Autorisatie,
M.W.W.M. van Mol BSc. Projectmedewerker Verhoeven Milieutechniek B.V.
Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B19.7756/R7756-01/MM De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2
SAMENVATTING INLEIDING Woonstichting De Kernen heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een historisch onderzoek, een aanvullend verkennend bodemonderzoek, een aanvullend verkennend onderzoek naar asbest, een aanvullend onderzoek naar PFAS en een nader grondonderzoek ter plaatse van de Blankensteijn 3-7 te Hedel. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) vast te stellen, om te bepalen of en in welke mate belemmeringen bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of mogelijke herontwikkeling. Het nader onderzoek naar PAK heeft tot doel de tijdens de verkennende fase aangetroffen verontreiniging nader in beeld te brengen teneinde de omvang en daarmee ernst te bepalen. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen onroerend goed transactie en/of herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5725:2017, NEN 5740:2009/A1:2016, NEN 5707:2015/C2:2017 en conform de NTA 5755:2010. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing.
H.M.W. van der Donk. Conclusies historische gegevens Uit de resultaten van voorgaande onderzoeken kunnen de volgende zaken worden geconcludeerd voor voorliggende locatie: De algemene actuele bodemkwaliteit (incl. asbest) ter plaatse van Blankensteijn 3-7 te Hedel is nog niet vastgesteld. Wel zijn op / tegen de perceelsgrens enkele boringen geplaatst ten behoeve van het nader onderzoek naar de grondverontreinigingen met zware metalen op het aangrenzende perceel, waarbij op de locatie aan de Blankensteijn3-7 geen ernstige verontreinigingen zijn aangetroffen; Uit het uitgebreide historisch onderzoek, voorafgaand aan voorgaande onderzoek, blijkt dat ter plaatse van Blankensteijn 3-7 twee gedempte sloten aanwezig zijn; Tijdens voorgaande onderzoeken van de aangrenzende percelen zijn in de grond diverse (asbestverdachte) puinbijmengingen aangetroffen. Tevens is zintuiglijk en/of analytisch asbest aangetroffen onder de bebouwing en in een grondwal direct achter de bebouwing. Derhalve is onderhavige locatie eveneens verdacht op het voorkomen van een grondverontreiniging met asbest; Afgezien van de gedempte sloten zijn verder geen bijzonderheden bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest); Tijdens het locatiebezoek voorafgaand aan het veldwerk zijn eveneens geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
In verband met de onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling wordt geadviseerd om ter plaatse van de Blankensteijn 3-7 een aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740:2009/A1:2016 en conform de NEN 5707:2015/C2:2017 volgens de verdachte strategie, aansluitend op voorgaande onderzoeken.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
3 Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met twee gedempte sloten die aanvullend dienen te worden onderzocht. In voorgaande onderzoeken is nog geen onderzoek verricht op PFAS. Derhalve is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek op PFAS uit te voeren. Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met diverse NEN parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien licht tot sterk verhoogde gehalten zijn aangetoond voor PAK in de onderzochte grondmonsters. In het onderzochte grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Ter plaatse van de gedempte sloten is zowel zintuiglijk als analytisch geen bodemverontreiniging aangetroffen. De omvang en/of ernst van de grondverontreinigingen met PAK ter plaatse van de onderzoekslocatie is nog niet bekend op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek. De oorzaak van de verontreiniging met PAK is onbekend, maar naar verwachting historisch van aard (ontstaan vóór 1987).
Derhalve is in overleg met de opdrachtgever direct een nader onderzoek uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m3) middels het bepalen van de omvang van de sterke verontreiniging boven de interventiewaarde. PFAS Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest in de bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de resultaten wordt de gestelde verdachte hypothese verworpen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch geen (< 2,0 mg/kg d.s.) asbest is aangetroffen.
Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige verharding en begroeiing. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, doch bestaat de mogelijkheid dat niet alle asbestverdachte plaatmaterialen zijn waargenomen. Het blijft derhalve mogelijk dat bij aantreffen van asbesthoudend plaatmateriaal de interventiewaarde in de praktijk toch wordt overschreden. Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
4 Nader grondonderzoek naar PAK Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader onderzoek uitgevoerd om de omvang, ernst en/of spoedeisendheid van de grondverontreinigingen met PAK nader in beeld te brengen. Er is sprake van 2 deellocaties met grondverontreinigingen: - Grondverontreiniging met PAK (boring B04/B101); - Grondverontreiniging met PAK (boring B05/B106). Middels het nader grondonderzoek is de verontreiniging met PAK, binnen de perceelsgrenzen, ons inziens in voldoende mate in beeld gebracht. Grondverontreiniging PAK (B04) Uit de resultaten blijkt dat in de grondlaag vanaf circa 0,5 tot maximaal 1,0 m-mv sterk verhoogde gehalten voor PAK zijn aangetroffen in de boringen B04, B105, B117A, B117B en B120. De verontreiniging is, op basis van de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten, binnen de perceelsgrenzen aanwezig in de grondlaag van circa 0,5 tot 1,0 m-mv over een oppervlakte van circa 60 m2. De sterk verhoogde gehalten worden gerelateerd aan de aangetroffen puin/baksteenbijmengingen, ondanks het feit dat enkele grondlagen met puin/baksteenbijmengingen analytisch schoon zijn en daarnaast zintuiglijk schone grondlagen analytisch sterk verhoogd zijn aangetroffen met PAK. Hierdoor is voor de laagdikte uitgegaan van circa 1,0 meter en is sprake van circa 60 m3 sterk met PAK verontreinigde grond.
De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend, maar is naar verwachting historisch van aard (ontstaan vóór 1987). Grondverontreiniging PAK (B05) Uit de resultaten blijkt dat in de grondlaag vanaf circa 0,5 tot maximaal 1,5 m-mv een sterk verhoogd gehalte voor PAK is aangetroffen in boring B05. De verontreiniging is, op basis van de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten aanwezig in de grondlaag van circa 0,5 tot 1,5 m-mv over een oppervlakte van circa 20 m2. De sterk verhoogde gehalten worden gerelateerd aan de aangetroffen puin/baksteenbijmengingen. Voor de laagdikte is uitgegaan van circa 1,0 meter en is sprake van circa 20 m3 sterk met PAK verontreinigde grond. De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend, maar is naar verwachting historisch van aard (ontstaan vóór 1987). Ernst en spoedeisendheid grondverontreinigingen met PAK Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken is op onderhavige onderzoekslocatie sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK. In totaal is circa 80 m3 grond sterk verontreinigd met PAK.
Op basis van de onderzoeksresultaten is een spoedeisendheidsbepaling uitgevoerd middels Sanscrit toetsing (V. 2.7.0). Uit de resultaten blijkt dat, voor de toekomstige situatie (wonen met tuin), geen sprake is van een spoedeisend geval aangezien geen humane, ecologische en verspreidingsrisico’s aanwezig zijn. Sanerende maatregelen kunnen achterwegen worden gelaten zolang ter plaatse van de verontreiniging geen nieuwbouw en/of civieltechnische werkzaamheden worden uitgevoerd en de aanwezig (klinker)verharding in tact blijft. Indien in de toekomst herontwikkeling en/of civieltechnische werkzaamheden op de locatie gaan plaatsvinden waarbij in contact wordt getreden met de grondverontreiniging of indien de (klinker)verharding verwijderd gaat worden, dient alsnog rekening te worden gehouden met sanerende maatregelen. Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
5
Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Algehele conclusie en aanbevelingen Middels onderhavig onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen onroerend goed transactie en/of herontwikkeling, binnen de perceelsgrenzen, ter plaatse van de Blankenstein 3-7 te Hedel in voldoende mate vastgelegd. Op de onderzoekslocatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK van, in totaal, circa 80 m3. Naar verwachting is de grondverontreiniging vóór 1987 ontstaan en is derhalve sprake van een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging. De grondverontreiniging met PAK is, binnen de onderzoeksgrenzen, volledig in beeld gebracht. Uit de uitgevoerde Sanscrit toetsing (V. 2.7.0) blijkt dat er geen sprake is van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging, uitgaande van de functie wonen met tuin en uitgaande van het feit dat de aanwezige (klinker)verharding in tact blijft. Voor wat betreft asbest in de grond is geen sterke verontreiniging aangetoond.
Op basis van de PFAS resultaten kan, voor wat betreft de eventuele afvoer van de grond, worden aangetoond dat de gehalten voor PFAS onder de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond vallen. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan, ons inziens, geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone. Indien in de toekomst civieltechnische werkzaamheden worden uitgevoerd waarbij in contact getreden wordt met de sterk verontreinigde grond dient rekening te worden gehouden met sanerende maatregelen en de daarbij behorende meldingen bij het bevoegd gezag.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
6 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 INLEIDING ........................................................................................................................................................... 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 7
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 7
3.
LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 7
3.1. 3.2.
ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 7 RESULTATEN HISTORISCH ONDERZOEK EN LOCATIEBEZOEK (NEN 5725) .............................................. 7
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................................................................ 11
4.1. 4.2.
BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 11 GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 11
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 11
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 12
6.1. 6.2.
ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................. 12 VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 14
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 16
7.1. 7.2.
GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 16 ASBEST ...................................................................................................................................................... 17
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 18
8.1. 8.2. 8.3.
ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 18 LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 19 INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 24
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 28
9.1. 9.2. 9.3 9.4.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 28 VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 28 NADER GRONDONDERZOEK NAAR PAK ................................................................................................... 29 ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 30
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 31
BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuis, gegraven proefgaten en verontreinigingscontour PAK Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater (Toetsingstabellen) Toetsingstabel PFAS Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Relevante historisch gegevens Spoedeisendheidsbepaling (Sanscrit)
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
7
1.
INLEIDING Woonstichting De Kernen heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een historisch onderzoek, een aanvullend verkennend bodemonderzoek, een aanvullend verkennend onderzoek naar asbest, een aanvullend onderzoek naar PFAS en een nader grondonderzoek ter plaatse van de Blankensteijn 3-7 te Hedel. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen onroerend goed transactie en/of herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 [1], NEN 5740:2009/A1:2016 [2], NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en conform de NTA 5755:2010 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. H.M.W. van der Donk.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) vast te stellen, om te bepalen of en in welke mate belemmeringen bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of mogelijke herontwikkeling. Het nader onderzoek naar PAK heeft tot doel de tijdens de verkennende fase aangetroffen verontreiniging nader in beeld te brengen teneinde de omvang en daarmee ernst te bepalen.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De locatie is in het verleden in gebruik geweest als agrarische percelen. Rond de jaren `30 van de 20e eeuw zijn de eerste woningen gebouwd. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Hedel, sectie H, nummers 2782 en 2783. De oppervlakte van de locatie bedraagt circa 550 m2. Op een gedeelte van de locatie is bebouwing aanwezig met omliggende tuin- en klinker-/tegelverharding. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.
Resultaten historisch onderzoek en locatiebezoek (NEN 5725)
Door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn reeds een uitgebreid historisch onderzoek en locatiebezoek uitgevoerd, een verkennend bodemonderzoek met verkennend onderzoek naar asbest en een nader bodemonderzoek uitgevoerd op een aangrenzend perceel aan de westzijde van onderhavige onderzoekslocatie. De betreffende onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 8. Deze onderzoeken zijn als basis gebruikt voor voorliggend onderzoek.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
8 Bodemkwaliteitsgegevens Historisch onderzoek, VMT, kenmerk: B16.6633/HO+OFF01/HD, d.d. 8 maart 2017 Op basis van het reeds uitgevoerde historisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat van de onderzoekslocatie geen bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn. Wel dient rekening te worden gehouden met huidige en voormalige bebouwing, grondophoging op de locatie over een oppervlak van maximaal 500 m2 en de aanwezigheid van asbest (kleine kans volgens de asbestkansenkaart). Op de locatie zijn geen bodembedreigende activiteiten en/of boomgaarden aanwezig (geweest). Op de locatie en in de directe omgeving (< 25 m) zijn geen boomgaarden aanwezig geweest. Op basis van het uitgevoerde historisch onderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, inclusief verkennend onderzoek naar asbest. Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest, VMT, kenmerk: B16.6633/R6633/MH, d.d.02-05-2017 Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in de bovengrond ter plaatse van boring B03 een sterk verhoogd gehalte voor lood aangetoond.
Tevens zijn in de bovengrond ter plaatse van boringen B03, B04, PB10 en B26 licht verhoogde gehalten voor zink aangetoond die de index van 0,5 overschrijden. Uit de NEN-analyses uit het verkennend onderzoek en de aanvullende analyses is gebleken dat de ondergrond ter plaatse van diverse boringen maximaal licht verontreinigd is met zink, waarbij de index van 0,5 niet wordt overschreden. Overige zware metalen, PAK en PCB zijn in de boven- en ondergrond maximaal licht verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden, waarbij de index van 0,5 niet wordt overschreden. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten voor barium en molybdeen aangetoond die onder de index van 0,5 blijven. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten is derhalve minimaal sprake van 3 deellocaties met licht (index >0,5) en/of sterk verontreinigde grond voor zink en/of lood. Het betreft resumerend de onderstaande deellocaties: Sterke loodverontreiniging en zink met index >0,5 in de bovengrond tot 0,5 m-mv bij de boringen B03 en B04; Zink met index >0,5 in bovengrond bij boring PB10; Zink met index >0,5 in de oorspronkelijke bovengrond bij boring B26. Voor wat betreft asbest in bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese formeel aangenomen. Ter plaatse van boring B07 is onder de betonvloer in het samengestelde mengmonster (MMASB04) van de volledig baksteenhoudende ondergrond een concentratie van 959,9064 mg/kg d.s. voor asbest aangetoond. In deze laag zijn asbesthoudende plaatjes aangetroffen. De berekende asbestconcentratie van 2.399,6 mg/kg d.s. overschrijdt interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.. Er is sprake is van een asbesthoudende fundering onder de betonvloer in de bestaande bebouwing. De fundering maakt onderdeel uit van de bouwconstructie en dient derhalve middels een asbestinventarisatie nader te worden onderzocht. In de overige grondmengmonsters zijn verder geen gehalten aan asbest aangetroffen, die een nader onderzoek naar asbest verplichten (50 mg/kg d.s.) of de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. overschrijden. Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
9 Met de uitgevoerde onderzoeken is een indicatie verkregen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie aan de Blankensteijn 1-9 en Dreef 2 te Hedel. Voor wat betreft de algemene NEN-kwaliteit is de onderzoekslocatie in onvoldoende mate onderzocht. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten is minimaal sprake van 3 deellocaties met licht (index >0,5) verontreinigde grond met zink en/of sterk verontreinigde grond met lood. Gezien de resultaten van het historisch onderzoek en de verdeling van de aangetroffen verontreinigingen is niet uit te sluiten dat sprake is van heterogene aanwezigheid licht tot sterke verontreinigingen met zink en/of lood. Middels een nader onderzoek naar zink en/of lood dient de omvang en de ernst te worden vastgesteld. Het nader onderzoek naar zink en/of lood dient te worden uitgevoerd conform de NTA 5755:2010. Nader bodemonderzoek, VMT, kenmerk: B17.6856/R6856-01/MS, d.d. 07-12-2017 Middels het uitgevoerde nader bodemonderzoek zijn de aangetroffen verontreinigingen met lood en/of zink grotendeels in voldoende mate onderzocht voor de locatie aan Blankensteijn 1-9 en 11 en de Dreef 2 te Hedel. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming voor wat betreft de aangetroffen gehalten voor lood en/of zink in de grond.
In tabel 3.1 zijn de verontreinigingen met omvang schematisch weergegeven. Tabel 3.1: Verontreinigingssituatie matig tot sterke verontreiniging met lood en/of zink Deellocatie
Stof
Grondwal (noordzijde perceel)
Lood en zink in grond
Westelijke spot, boring B26/B200
Lood en zink in grond
Zuidelijke spot, boringen B301, B304 en B314
Lood in de grond
Oppervlakte (m2) Traject (m-mv) Gemiddelde dikte Omvang (m3) Oppervlakte (m2) Traject (m-mv) Gemiddelde dikte Omvang (m3) Oppervlakte (m2) Traject (m-mv) Gemiddelde dikte Omvang (m3)
Matig tot Sterk verontreinigd (> index 0,5) ± 330 ± 0,00 - 1,50 1,0 meter ± 330 ± 150 ± 0,00 - 1,00 1,0 meter ± 150 ± 250 ± 0,00 - 1,00 1,0 meter ± 250
De verontreinigingen met lood en/of zink zijn vermoedelijk te relateren aan de historische (baksteenhoudende) erfophoging en grondwal. Naar verwachting zijn de grondverontreinigingen met lood en/of zink vóór 1987 ontstaan en is derhalve sprake van historische verontreinigingen. Op basis hiervan is geen sprake van Zorgplicht voor wat betreft de grondverontreinigingen met lood en/of zink. Voor wat betreft de verontreinigingen met lood en/of zink de grond, welke immobiel zijn, is naar verwachting geen sprake van een spoedeisend geval en kunnen humane, verspreidingsrisico’s en ecologische risico’s uitgesloten worden. Voor wat betreft het aangetroffen asbest dient formeel gezien een nader asbestonderzoek uitgevoerde middels proefsleuven. Aangezien naar verwachting sprake is van een plaatselijke spot, welke ondergeschikt is aan heterogeen verontreinigde grond met lood en/of zink in de grondwal, wordt ons inziens nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het bevoegd gezag dient hierover echter een definitieve uitspraak te doen.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
10 Tevens dient rekening gehouden te worden met de asbesthoudende fundering onder de bebouwing dat middels een asbestinventarisatie conform SC540 nader onderzocht dient te worden. Mogelijk dient na afloop van de voorgenomen sloopwerkzaamheden aanvullend onderzoek te worden verricht. Ook hierover zal het bevoegd gezag een definitieve uitspraak moeten doen. Voorgesteld wordt om in overleg met het bevoegd gezag een passende saneringsvariant te bepalen (afgraven en/of afdekken). Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Voorafgaand dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Historische vragenlijst Uit de historische vragenlijst ingevuld door de opdrachtgever blijkt dat in de periode tussen voorgaande onderzoeken en nu geen wijzigingen in bodemgebruik, geen civieltechnische werkzaamheden of anderszins veranderingen hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is de aanwezigheid van de bebouwing, tuin en de tegel- en klinkerverharding bevestigd. Verder zijn geen overige waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
Conclusie historisch onderzoek en locatiebezoek Uit de resultaten van voorgaande onderzoeken kunnen de volgende zaken worden geconcludeerd voor voorliggende locatie: De algemene actuele bodemkwaliteit (incl. asbest) ter plaatse van Blankensteijn 3-7 te Hedel is nog niet vastgesteld. Wel zijn op / tegen de perceelsgrens enkele boringen geplaatst ten behoeve van het nader onderzoek naar de grondverontreinigingen met zware metalen op het aangrenzende perceel, waarbij op de locatie aan de Blankensteijn3-7 geen ernstige verontreinigingen zijn aangetroffen; Uit het uitgebreide historisch onderzoek, voorafgaand aan voorgaande onderzoek, blijkt dat ter plaatse van Blankensteijn 3-7 twee gedempte sloten aanwezig zijn; Tijdens voorgaande onderzoeken van de aangrenzende percelen zijn in de grond diverse (asbestverdachte) puinbijmengingen aangetroffen. Tevens is zintuiglijk en/of analytisch asbest aangetroffen onder de bebouwing en in een grondwal direct achter de bebouwing. Derhalve is onderhavige locatie eveneens verdacht op het voorkomen van een grondverontreiniging met asbest; Afgezien van de gedempte sloten zijn verder geen bijzonderheden bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest); Tijdens het locatiebezoek voorafgaand aan het veldwerk zijn eveneens geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
In verband met de onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling wordt geadviseerd om ter plaatse van de Blankensteijn 3-7 een aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740:2009/A1:2016 en conform de NEN 5707:2015/C2:2017 volgens de verdachte strategie, aansluitend op voorgaande onderzoeken. Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met twee gedempte sloten die aanvullend dienen te worden onderzocht. In voorgaande onderzoeken is nog geen onderzoek verricht op PFAS. Derhalve is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek op PFAS uit te voeren. Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
11
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 4.1.
Bodemopbouw
In de Bommelerwaard is een circa 5 meter dikke deklaag aanwezig. De deklaag is een slecht doorlatende laag waarvan de sedimenten behoren tot de Nuenen Groep en het Holoceen. De deklaag bestaat hoofdzakelijk uit klei met plaatselijk zand- of veenlagen. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerend pakket is circa 65 meter dik en bestaat voornamelijk uit uiterst grove tot middel grove zanden (Formaties van Veghel en Sterksel). Het eerste watervoerend pakket wordt van het tweede watervoerend pakket gescheiden door een 40 à 50 meter dik slecht doorlatend pakket slibhoudende zanden en kleien (voornamelijk bestaande uit de formatie van Kedichem en de formatie van Tegelen) [5]. 4.2.
Geohydrologie
De afzettingen van de Maas onderscheiden zich van die van de Waal. De stroomruggronden in het sedimentatiegebied van de Maas zijn nagenoeg kalkarm. Deze stroomruggronden zijn over het algemeen te beschouwen als infiltratiegebieden. De standen van het grondwater en het oppervlaktewater worden in dit gebied kunstmatig beheerst. Langs de Maas is plaatselijk een nauwe relatie aanwezig tussen de standen van het rivierwater en het grondwater. Of kwel of inzijging optreedt, is sterk afhankelijk van de waterstand van de nabij gelegen Maas. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ligt tussen de 0,4 en 0,8 m-mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is lager dan 1,2 m-mv. Het grondwater in het eerste watervoerend pakket stroomt globaal in een west tot zuidwestelijke richting [5]. De locatie is, voor zover als bekend, niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. 5.
HYPOTHESE Op basis van de bekende gegevens wordt voor de locatie uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Daarbij vormen de aanwezigheid van de gedempte sloten en het voorkomen van PFAS aandachtspunten.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
12
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit (incl. gedempte sloten) De onderzoeksopzet voor het verkennend bodemonderzoek is opgesteld conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een diffuse niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL) met een oppervlakte van maximaal 1.000 m2. Alle boringen zijn doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv, aangezien naar verwachting een ophooglaag aanwezig is. Aanvullend wordt aandacht besteed aan de aanwezigheid van gedempte sloten middels het plaatsen van dwarsraaien van boringen tot circa 2,0 m-mv haaks op de slootdempingen. Hiervoor is één extra NEN-analyse opgenomen. De boringen worden uitpandig geplaatst in verband met de aanwezigheid van de bebouwing. Vooralsnog bestaat geen aanleiding om inpandig bodemonderzoek uit te voeren, mede aangezien uitpandig eerder verontreinigingen worden verwacht als gevolg van een mogelijke ophooglaag. PFAS De onderzoeksopzet voor het bodemonderzoek naar PFAS is gebaseerd op de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL). Hierbij wordt de oppervlakte naar boven afgerond, waardoor sprake is van een maximale oppervlakte van 1 hectare. De boringen zullen worden gecombineerd met de boringen van het verkennend bodemonderzoek.
In totaal worden twee mengmonsters samengesteld en geanalyseerd op PFAS. De mengmonsters zullen worden samengesteld uit de monsters van de grondlagen tot maximaal 1,0 m-mv. De diepere ondergrond en het grondwater behoeven niet op PFAS te worden onderzocht en zijn verder buiten beschouwing gelaten. Het onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals op 29 november 2019 geactualiseerd verstrekt aan de Tweede Kamer. Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. Verkennend onderzoek naar asbest De onderzoeksopzet voor het verkennend onderzoek naar asbest is opgesteld conform de onderzoeksstrategie voor een diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging uit de NEN 5707:2015/C2:2017 voor een locatie van maximaal 1.000 m2. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden in totaal minimaal 6 proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarvan minimaal 1 proefgat wordt doorgezet tot in de ongeroerde ondergrond middels een Edelmanboor met een brede diameter van 12 cm (gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek). Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn.
Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Van de meest verdachte grondlagen uit de proefgaten wordt minimaal één mengmonster samengesteld voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). De veldwerkzaamheden voor het verkennend onderzoek naar asbest zijn zoveel als mogelijk gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek. Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
13 Nader grondonderzoek naar PAK (boringen B04 en B05) Op basis van de tussentijdse analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek (sterk verhoogde gehalten voor PAK in de ondergrond (circa 0,5-1,0 m-mv bij boring B04 en B05) is, na overleg met de opdrachtgever, direct besloten om een nader onderzoek uit te voeren. Bij het uitvoeren van een nader bodemonderzoek conform de NTA 5755 wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd conceptueel model. Op basis van tussentijdse analyseresultaten uit onderhavig onderzoek is voor de sterk verhoogde gehalten voor PAK het conceptueel model gehanteerd zoals in tabel 6.1 weergeven. Tabel 6.1: Conceptueel model nader grondonderzoek PAK (boringen B04 en B05) Conceptueel model Oorzaak van de verontreiniging
Onbekend (mogelijk ophooglaag)
Ernst van de verontreiniging
Vooralsnog kan niet worden uitgesloten of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK, aangezien in de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van de boringen B04 en B05 van onderhavige onderzoekslocatie sterk verhoogde gehalten voor PAK zijn aangetoond. De aangetoonde sterk verhoogde gehalten zijn zowel horizontaal als verticaal niet afgeperkt. Er kan niet worden uitgesloten dat 25 m3 sterk verontreinigde grond met gehalten > interventiewaarde aanwezig is.
Spoed van de sanering / Zorgplicht
Er is naar verwachting sprake van een oud geval van ernstige bodemverontreiniging (grotendeels ontstaan vóór 1987). Momenteel is nog niet bekend of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Onderzoeksopzet
Ten behoeve van de afperking van de sterk verhoogde gehalten voor PAK, ter plaatse van de boringen B04 en B05, worden voor de horizontale en verticale afperking in totaal 19 boringen geplaatst rondom en ter plaatse van de boring B04 en B05. Ter verificatie en voor de verticale afperking zullen twee boringen (B101 en B106) worden geplaatst ter plaatse van de boringen B04 en B05 tot circa 2,5 m-mv. Vier boringen (B102 t/m B105) zullen direct rondom boring B04 worden geplaatst in de eerste ring tot circa 1,5 m-mv ter horizontale afperking. Eveneens zullen vier boringen (B107 t/m B110) direct rondom boring B05 worden geplaatst in een eerste ring tot circa 1,5 m-mv ter horizontale afperking. Aanvullend zullen circa 9 boringen (B111 t/m B119), ter horizontale afperking, rondom en tussen de boringen uit de eerste ring worden geplaatst tot circa 1,5 m-mv. Analyses fase 1 Van de boringen ter plaatse van de reeds aangetoonde sterk verhoogde gehalten (B101 en B106) zal, ter verticale afperking, de grondlaag onder de reeds aangetoonde sterk verhoogde gehalten worden geanalyseerd op PAK. Van de boringen uit de eerste ring (B102 t/m B105 en B107 t/m B110) zal van alle 4 de boringen de grondlaag van circa 0,5-1,0 m-mv worden geanalyseerd op PAK ter horizontale afperking. Daarnaast zal van de boringen B111 en B117 de grondlaag van 0,5-1,0 m-mv worden geanalyseerd ter horizontale afperking.
Analyses fase 2 Indien de analyseresultaten hier aanleiding toe geven kunnen tijdens fase 2 aanvullende analyses worden ingezet ter (verdere) horizontale en/of verticale afperking. In totaal worden dus minimaal 12 grondmonsters op PAK (inclusief lutum en organisch stof) geanalyseerd.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
14
6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: ECSIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De peilbuis is, na een standtijd van minimaal één week, bemonsterd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep en een Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 11 maart 2020
Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker De heer D.W. Sluis
18 maart 2020 8 april 2020 21 april 2020
Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.
De heer D.W. Sluis De heer C.C.G. van Rossum De heer D.W. Sluis
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6) 2001 (v. 6) 2001 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 11 boringen (B01A-C t/m B07A-C) geplaatst. Hierbij is boring PB07B afgewerkt met een peilbuis. De twee dwarsraaien zijn gesitueerd ten behoeve van de gedempte sloten. Ter plaatse van de raaiboring B01A-C is, ter plaatse van alle drie de raaiboringen, op circa 1,0 m-mv gestuit op KLIC. Ter vervanging is boring B02 doorgezet tot circa 2,0 m-mv. Ten behoeve van het nader grondonderzoek zijn uiteindelijk in totaal 20 boringen gezet (B101 t/m B120). Boringen B101 t/m B119 zijn d.d. 8 april 2020 in fase 1 geplaatst en boring B120 in fase 2 d.d. 21 april 2020.Ter plaatse van boring B117A is, op circa 0,7 m-mv, gestuit op een ondoordringbare wortellaag van een naastgelegen boom. Derhalve is, ter vervanging, boring B117B geplaatst. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Verkennend bodemonderzoek Nader grondonderzoek
Boringen / peilbuis Minimaal 1,0 m-mv Minimaal 2,0 m-mv B01A-C, B03, B04, B05, B06 B02, B07A, B07C B101, B106 B102, B103, B104, B105, B107, B108, B109, B110, B111, B112, B113, B114, B115, B116, B117A, B117B, B118, B119, B120
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
Peilbuis (filterstelling m-mv) PB07B (3,00 - 4,00) -
15 Grondwater Het grondwater uit peilbuis PB07B is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 18 maart 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest op de locatie is allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie volledig (100 %) bedekt is met een tegel- en klinkerverharding. Er heeft derhalve geen efficiënte maaiveldinspectie (> 25 % zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdende hiermee, geen asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en op basis van de maaiveldinspectie en de zintuiglijke waarnemingen, zijn uiteindelijk in totaal 7 proefgaten, B01B, B02, B03, B04, B05, B06, B07B van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Voor de inspectie van de ondergrond zijn de proefgaten B02 en PB07B doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot minimaal 2,0 m-mv.
Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij is geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In het veld zijn op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de onderzoeksopzet zijn 3 grondmengmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.6 van hoofdstuk 8 weergegeven. De situatieschets met de geplaatste boringen, peilbuis en gegraven proefgaten is opgenomen als bijlage 2. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest zijn opgenomen als bijlage 7.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
16
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een verkennend bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
17 Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit [7] tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (meest recente versie 29 november 2019), worden gehanteerd. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 0,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 eveneens geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels SEM analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.
De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
18
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf onderzijde van de aanwezige verharding afwisselend uit matig fijn, zwak siltig zand en zwak zandige of zwak siltige klei. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven bijlage tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring / Proefgat Diepte boring proefgat (m -mv) Verkennend bodemonderzoek B03 Ja 1,00 B04 Ja 1,00 B05
Ja
1,00
B06
Ja
1,00
B07A Nee 2,00 PB07B Ja 4,00 B07C Nee 2,00 Nader grondonderzoek naar PAK B101 Nee 2,50
B102 B103 B105
Nee Nee Nee
1,50 1,50 1,50
B106
Nee
2,50
B107 B108 B109 B110
Nee Nee Nee Nee
1,50 1,50 1,50 1,50
B111 B112 B113
Nee Nee Nee
1,50 1,50 1,50
B114 B115 B116 B117B
Nee Nee Nee Nee
1,50 1,50 1,50 1,50
B118
Nee
1,50
B119 B120
Nee Nee
1,50 1,50
Traject (m -mv)
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
0,50 - 1,00 0,30 - 0,50 0,50 - 1,00 0,20 - 0,50 0,50 - 1,00 0,30 - 0,50 0,50 - 1,00 0,30 - 0,50 0,30 - 0,50 0,30 - 0,50
Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei
Sporen puin Sterk puinhoudend Sporen puin Sterk puinhoudend Sporen puin Zwak puinhoudend Sporen puin Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend
0,30 - 0,70 0,70 - 1,00 1,00 - 2,50 0,30 - 1,00 0,50 - 1,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,50 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,50 0,50 - 1,00 0,20 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,50 0,10 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50
Zand Klei Klei Zand Klei Zand Klei Zand + Klei Klei Klei Zand Zand Zand Klei Zand Klei Zand Zand Klei Zand Klei Zand Klei Zand Zand Zand Zand
Uiterst puinhoudend Zwak puinhoudend Sporen baksteen Matig puinhoudend Sporen baksteen Uiterst puinhoudend Sporen baksteen Sterk baksteenhoudend, zwak betonhoudend Volledig baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Zwak baksteenhoudend, sporen beton Matig baksteenhoudend, zwak betonhoudend Zwak baksteenhoudend Matig baksteenhoudend Sporen baksteen Sterk baksteenhoudend Sporen baksteen Matig baksteenhoudend Zwak baksteenhoudend Sporen baksteen Uiterst puinhoudend Sporen baksteen Uiterst puinhoudend Sporen baksteen Uiterst baksteenhoudend, sporen beton Sterk puinhoudend Uiterst puinhoudend Sterk puinhoudend
Toelichting bij tabel 8.1: Sporen < 1 % bodemvreemd materiaal; Zwak ≥ 1 < 5 % bodemvreemd materiaal; Matig ≥ 5 < 10 % bodemvreemd materiaal; Sterk ≥ 10 < 20 % bodemvreemd materiaal; Uiterst ≥ 20 < 50 % bodemvreemd materiaal; Volledig > 50 % bodemvreemd materiaal; + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal).
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
19 Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdachte materialen (> 20 mm) en overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Voor de diverse asbestverdachte puinbijmengingen tijdens het verkennend bodemonderzoek is een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd middels proefgaten en asbestanalyses. De volledige laag baksteen en de bijmengingen met baksteen (sporen tot uiterst) die tijdens het nader grondonderzoek zijn aangetroffen door een 2018 gecertificeerde medewerker betrof definieerbaar baksteen. Conform de NEN 5707 / NEN 5897 zijn baksteenhoudende grond en baksteenlagen definieerbaar en onverdacht op het voorkomen van asbest en derhalve zijn deze baksteenlaag en -bijmengingen niet aanvullend onderzocht op asbest. Tevens zijn tijdens het nader onderzoek wederom bijmengingen met puin waargenomen, die tijdens het verkennend bodemonderzoek reeds onderzocht zijn op asbest middels proefgaten en asbestanalyses. Deze lagen behoeven derhalve tijdens het nader onderzoek niet nogmaals op asbest te worden onderzocht. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. De toetsingsresultaten van de PFAS analyses zijn opgenomen als bijlage 6. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
20 Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 13215625
(Meng)-monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
MM04
Individuele PCB
De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning
13222003
B04-3
Aangezien de som parameter voor PCB de index van 0,5 niet overschrijdt en het aangetoonde gehalte voor PAK de interventiewaarde reeds ruimschoots overschrijdt, wordt de eindconclusie van dit onderzoek naar verwachting niet beïnvloed. De periode tussen monsterneming en in behandeling nemen op het lab was groter dan de toegestane conserveertermijn, hierdoor is de betrouwbaarheid van het resultaat mogelijk beïnvloed De gemeten gehalten voor organische parameters (zoals PAK), welke op organische stof worden gecorrigeerd, zijn mogelijk overschat. Aangezien de interventiewaarden voor PAK in beide monsters ruimschoots zijn overschreden wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Individuele PAK
13222003
B03-2, B04-3, B05-3, B06-3
Minerale olie
13222003
B04-3, B05-3
Droge stof, organische stof en lutum
13235917
B112-3, B113-2, B115-2, B116-2, B117A-2, B118-2, B119-2, B120-2
Individuele PAK
De periode tussen monsterneming en in behandeling nemen op het lab was groter dan de toegestane conserveertermijn, hierdoor is de betrouwbaarheid van het resultaat mogelijk beïnvloed Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX, vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters. De conserveringstermijn van het monster is overschreden. Dit heeft mogelijk de representativiteit van het monster beïnvloed.
Aangezien het gehalte voor naftaleen, welke de conserveertermijn bepaald, dermate laag is en derhalve de som parameters PAK nauwelijks beïnvloed in de diverse monsters, wordt ons inzien de eindconclusie van het onderzoek hierdoor niet beïnvloed.
Toelichting bij tabel 8.2: PCB Polychloor bifenylen; PAK Polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
Grond Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden, zijn de onderstaande grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. Aangezien tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van de gedempte sloten zintuiglijk geen slib of bodemvreemde bijmengingen zijn waargenomen, zijn deze monsters gemengd met de algemene kwaliteit. Op basis van tussentijdse analyseresultaten (sterk verhoogd gehalte voor PAK en licht verhoogd gehalte voor minerale olie die de index van 0,5 benadert) is besloten om, na overleg met de opdrachtgever, in eerste instantie mengmonster MM04 uit te splitsen en de deelmonsters separaat te laten onderzoeken op PAK en minerale olie. Op basis van deze aanvullende analyseresultaten is besloten om direct een nader grondonderzoek naar PAK uit te voeren, waarbij in twee fases veldwerk is uitgevoerd en monsters zijn geanalyseerd. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven.
Diverse onderzoeken, Blankensteijn 3-7 te Hedel Rapportnr.: B19.7756 versie: 01 datum: 8 mei 2020
21 Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng)monster
Omschrijving
Algemene kwaliteit (incl. slootdempingen) MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: MM02 MM03 MM04
MM05
Bovengrond, klei Zintuiglijk: sterk puinhoudend Bovengrond, klei Zintuiglijk: zwak puinhoudend Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen puinhoudend Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
Aanvullend analytisch onderzoek (uitsplitsing MM04) B03-2 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen puinhoudend B04-3 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen puinhoudend B05-3 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen puinhoudend B06-3 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen puinhoudend Nader grondonderzoek PAK (fase 1) B101-4 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen baksteenhoudend B102-2 Grond, zand Zintuiglijk: matig puinhoudend B103-2 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen baksteenhoudend B104-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B105-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: uiterst puinhoudend B106-3 Ondergrond, klei Zintuiglijk: B107-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteenhoudend B108-3 Ondergrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteenhoudend B109-2 Ondergrond, klei Zintuiglijk: zwak baksteenhoudend en sporen betonhoudend B110-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: matig baksteenhoudend en zwak betonhoudend B111-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: matig baksteenhoudend B117B-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: uiterst puinhoudend B112-3 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sporen baksteenhoudend B113-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: sterk baksteenhoudend B115-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: zwak baksteenhoudend B116-2 Grond, klei Zintuiglijk: sporen baksteenhoudend B117A-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: B118-2 Ondergrond, zand Zintuiglijk: uiterst puinhoudend B119-2 Ondergrond, klei Zintuiglijk: uiterst baksteenhoudend en