Bijlage 1 Bouwsteen Klimaatmitigatie
Tekst van het document
Bouwsteen Klimaatmitigatie voor Omgevingsvisie Maasdriel 1.
Inleiding
1.1 Leeswijzer De opbouw van dit document is als volgt: Hoofdstuk 1 (Inleiding) licht de status van de bouwsteen toe en legt uit hoe deze past binnen de systematiek van de Omgevingswet. Hoofdstuk 2 (Context) beschrijft de landelijke trends, lokale situatie en lokale opgaven die klimaatmitigatiebeleid richting geven, en bevat de samenwerkingspartners en de samenhang met andere kernopgaven. Hoofdstuk 3 (Beleidskeuzes) bevat de beleidsinhoud: deelvisie, doelen, beleidsaanpakken en doorwerking naar eventuele omgevingsprogramma’s. Integraliteit en gebiedsgericht werken Met gekleurde labels geven we aan over welke onderwerpen en deelgebieden de beleidsuitspraken in de bouwsteen gaan. Naast dat dat handig is voor de lezer, laat dat zien welke thema’s met elkaar samenhangen en over welke deelgebieden de beleidsuitspraken gaan. Subthema’s Klimaat, duurzaamheid omgevingskwaliteit
en
Klimaatmitigatie Klimaatadaptatie Water Groen/biodiversiteit Omgevingskwaliteit
Landbouw, economie toerisme Landbouw Economie Toerisme Recreatie
en
Wonen, welzijn en voorzieningen Wonen Welzijn Zorg Voorzieningen
Milieu, gezondheid en leefbaarheid Veiligheid Gezondheid Leefbaarheid Mobiliteit Openbare Ruimte
Gebieden Woongebieden
Centra
Kernrand
Bedrijventerreinen
Buitengebied binnendijks
Buitengebied buitendijks
1.2 Inhoud en status bouwsteen U leest hier de Bouwsteen klimaatmitigatie van de gemeente Maasdriel. Dit document vormt een bouwsteen van de toekomstige omgevingsvisie. De gemeenteraad stelt deze bouwsteen vast, met het doel om de hoofdlijnen op het gebied van klimaatmitigatie op te nemen in de nieuwe omgevingsvisie (versie 2.0), die naar verwachting wordt vastgesteld in 2026. Zodra deze bouwsteen is opgenomen in de omgevingsvisie, vervalt de zelfstandige status van dit document. De inhoud van deze bouwsteen sluit aan bij wat de Omgevingswet vraagt van een omgevingsvisie. Volgens de wet moet een omgevingsvisie ingaan op drie hoofdzaken: a. Een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; b. De hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied;
c. De hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. De hoofdlijnen uit deze bouwsteen worden later – als de gemeenteraad akkoord is met de omgevingsvisie – verder uitgewerkt door het college. Dat gebeurt in een zogenoemd (vrijwillig) omgevingsprogramma. Dit is een uitvoeringsgericht beleidsstuk dat de visie concreter maakt. We maken bewust onderscheid tussen: het strategische deel (de visie: wat willen we?); en het uitvoerende deel (het programma: hoe gaan we dat doen?). Dit sluit aan op hoe de Omgevingswet beleid opbouwt. Ook de rolverdeling tussen gemeenteraad en college wordt hierdoor zuiverder. De raad bepaalt: de koers van het beleid (hoofdlijnen); het budget; en controleert of het college het beleid goed uitvoert. Het college werkt die hoofdlijnen verder uit en zorgt voor maatregelen om de doelen te halen (zoals benoemd in artikelen 3.2 en 3.5 van de Omgevingswet). In deze bouwsteen werken we één van de kernopgaven van de omgevingsvisie verder uit: “In 2050 is Maasdriel een CO₂-neutrale en circulaire gemeente.” Deze opgave maakt deel uit van het bredere integrale thema klimaat, duurzaamheid & Omgevingskwaliteit.
2.
Context
Duurzaamheid is een breed concept wat in het algemeen verwijst naar ontwikkelingen waarin er een balans is tussen milieu, mens en economie, zonder dat dit ten koste gaat van de behoeften van toekomstige generaties. In deze bouwsteen verwijst de term duurzaamheid specifiek naar klimaatmitigatie: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, zodat gevolgen van klimaatverandering worden beperkt. Daarbij ligt de nadruk op het bevorderen van de energietransitie, de warmtetransitie en de circulaire economie.
2.1 Landelijke trends
Toenemende elektrificatie en elektriciteitsvraag door de transitie van fossiel naar duurzame energie: o Duurzaam verwarmen en koelen: In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen woningen aardgasvrij zijn. In 2050 gebruiken alle woningen en overige gebouwen in Nederland geen aardgas meer en stappen naar verwachting over op individuele of collectieve (elektrische) warmteoplossingen. o Groei in elektrische voertuigen en benodigde fysieke ruimte: de komende jaren neemt het aantal elektrische voertuigen fors toe. Gemeenten hebben daarbij een sleutelrol in het aanleggen van (publieke) laadinfrastructuur. De gemeente Maasdriel werkt hieraan samen via de regionale concessie die vanuit de GeldersOverijsselse Regionale Agenda Laadinfrastructuur (GO-RAL) wordt georganiseerd. o Regionale samenwerking aan landelijke doelstellingen: Binnen regio FruitDelta Rivierenland zijn met het opstellen van de Regionale Energiestrategie (RES) Rivierenland afspraken gemaakt over de verdeling van de doelstellingen en realisatie van grootschalige hernieuwbare energieopwekking uit zon en wind. Daarbij is het streven dat minimaal 50% hiervan lokaal eigendom is en dat opbrengsten terugvloeien naar de omgeving. Er is afgesproken dat de gemeente Maasdriel 126 GWh/jr grootschalige opwek realiseert voor 2030 (20 ha zonnevelden, 21,5 ha zon-op-dak en 5 windturbines).
Naast het onderwerp duurzame opwek wordt er kennis gedeeld op het gebied van warmte-oplossingen.
Kleinschalige energieopwekking: de afgelopen jaren is het aantal inwoners en ondernemers dat zelf energie opwekt (bijvoorbeeld via zonnepanelen) sterk toegenomen. Ook neemt de interesse van inwoners en ondernemers in nieuwe manieren van energieopwekking en -opslag toe. o Doorwerking landelijk en provinciaal beleid: vanuit het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) wordt gekeken naar kansrijke combinaties van lokale energievraag en worden mogelijke inpassingen van Kleine Modulaire Reactoren (SMR) in kaart gebracht. Netcongestie, netverzwaring en een robuust energiesysteem: de toenemende elektrificatie en ontwikkelingen in energieopwekking en -opslag hebben een grote impact op het elektriciteitsnet, wat netcongestie veroorzaakt. Een uitdaging die landelijk speelt en zowel op het hoog-, midden- als laagspanningsnet voorkomt. Het heeft grote invloed op onder andere het aansluiten van woningen en bedrijven, het realiseren van grootschalige opwekking en het uitrollen van aardgasvrije warmteoplossingen. In Maasdriel is de netcongestie op het hoogspanningsnet momenteel het grootste knelpunt. Netbeheerder Liander werkt aan het verzwaren van het midden- en laagspanningsnet om te voorkomen dat dit ook grote knelpunten worden. Regionaal en lokaal wordt er gewerkt aan maatregelen die netcongestie verminderen.
Op dit moment wordt door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een Maatschappelijk Prioriteringskader opgesteld. Dit gaat netbeheerders verplichten om bij netcongestie bepaalde partijen voorrang te geven op de wachtlijst voor transportcapaciteit. Duurzame woning- en gebouwenvoorraad en energie besparen: o Landelijke en regionale afspraken: Maasdriel heeft zich in 2018 gecommitteerd aan het Gelders Energieakkoord (GEA). In het GEA is een energiebesparing van 1,5% per jaar vanaf 2013 afgesproken. Daarnaast hebben de woningcorporaties via de landelijke prestatieafspraken zich gecommitteerd aan het verduurzamen van hun woningvoorraad. o Spanningsveld tussen opgaven en doelen: De ambities op het gebied van energietransitie, woningbouw, stikstofreductie, flora & fauna en circulariteit zijn groot en botsen in de praktijk regelmatig. o Diversiteit in bebouwing: Voor ieder gebouw is een andere aanpak nodig, afhankelijk van type bebouwing, mate van isolatie, huidige staat en bouwjaar. o Behoeften en belangen van diverse doelgroepen: woningeigenaren, huurders, monumenteneigenaren, verenigingen van eigenaren (VvE’s), maatschappelijk vastgoed eigenaren en bedrijven hebben andere specifieke uitdagingen en behoeften bij de verduurzamingsopgave. Daarnaast is er een groep inwoners die energie-armoede ondervindt: deze groep vraagt om extra ondersteuning en ontzorging.
o Innovaties: er zijn steeds meer ontwikkelingen in technieken, isolatiematerialen en -methoden. Daarin is de transitie naar een circulaire economie ook steeds meer zichtbaar. Er is meer aandacht voor biobased materialen en circulair materialengebruik. Veranderend energiebewustzijn en marktdynamiek: de energie- en warmtetransitie veroorzaakt hoger elektriciteitsverbruik en ontwikkelingen in de markt zorgen voor veranderingen in energieverbruik. Recente ontwikkelingen zoals hoge gas- en energieprijzen, de toekomstige afschaffing van de salderingsregeling en CO2 heffing voor de industrie werken door in het energieverbruik. Daarnaast zijn er veel ontwikkelingen in de markt rondom energiebesparing, opwekking en opslag. Nieuwe technieken en de betaalbaarheid daarvan brengen nieuwe uitdagingen met zich mee zoals een hoger energieverbruik door het gebruik van bijvoorbeeld airco’s, elektrificatie van vervoer, smart systemen en AI. Conflicterende ruimteclaims: de benodigde ruimte voor opgaven zoals de aanleg en verzwaring van infrastructuur, woningbouw, energieopwekking en klimaatadaptatie zetten o
steeds meer druk op de schaarse fysieke ruimte. Het is nodig om inzicht te krijgen in de opgave, om (ambitiegedreven) keuzes te maken en koppelkansen aan te grijpen voor het multifunctioneel inzetten van de fysieke ruimte. Landelijke (tijdelijke) financiële ondersteuning voor capaciteit en uitvoering: gemeenten ontvangen steeds vaker incidentele en (semi-)structurele gelden om capaciteit en uitvoering op klimaatmitigatie te waarborgen. Dit volgt uit de regisserende en uitvoerende rol die het Rijk aan gemeenten heeft toegekend, binnen de energie- en warmtetransitie. Transitie naar circulaire economie: er is steeds meer aandacht voor duurzaam gebruik van materialen en grondstoffen. Vanuit het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) wordt de transitie naar een circulaire economie gestimuleerd.
2.2 Lokale situatie
De totale CO2-uitstoot (inclusief verkeer en vervoer) in Maasdriel is in 2023 met 27% afgenomen ten opzichte van 2017. Het jaar 2017 wordt gebruikt als referentiejaar voor 1990, omdat van dat jaar de data ontbreekt. De landelijke tussendoelstelling voor 2030 is 55% reductie van de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990. Het totale energiegebruik in Maasdriel is in 2023 met 15% gedaald ten opzichte van 2017. Deze dalingen vonden met name plaats binnen de sectoren gebouwde omgeving en landbouw. De in 2021 vastgestelde RES 1.0 ambitie voor 2030 beschrijft de bijdrage van Maasdriel aan grootschalige opwek. 70 GWh/jr windenergie (waarvan 40 GWh/jr begin 2026 is gerealiseerd), 33 GWh/jr zon-op-dak (waarvan 11 GWh is gerealiseerd) en 23 GWh/jr zon-op-veld (nog niet gerealiseerd). Dit vertaald zich naar 5 windturbines (waarvan 2 nog in de ambitiefase), 20 hectare aan zon-op-veld en 21,25 hectare zon-op-dak. Het percentage elektrische auto’s ligt in Maasdriel in 2024 met 5% iets lager dan het landelijk gemiddelde (6,1%). Netcongestie speelt op verschillende niveaus. Hierdoor komen, naast bedrijfsuitbreidingen en ontwikkelingen, ook verduurzamingstrajecten gericht op elektrificatie onder druk te staan. Circulariteit staat in Maasdriel nog in de kinderschoenen.
2.3 Lokale opgaven
Het verminderen van energiegebruik. Het realiseren van duurzame hernieuwbare opwek. Het realiseren van een robuust energiesysteem. Het isoleren van woningen en andere gebouwen. Regie voeren op en uitvoeren van een gefaseerde, gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie, o.a. door duurzame alternatieven voor aardgas in beeld te brengen en benutten. Het bevorderen van elektrisch rijden en het faciliteren van de benodigde publieke laadinfrastructuur. Dit wordt uitgewerkt in het subthema mobiliteit. Het bevorderen van de transitie naar een circulaire economie.
2.4 Waarom werken we aan deze kernopgave?
Klimaatwet: o CO2-reductie van 55% in 2030 t.o.v. 1990 o Netto-uitstoot van broeikasgassen in 2050 is nul o Elektriciteitsproductie is in 2050 100% CO2-neutraal Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) (met een beoogde inwerkingtreding van 1 juli 2026): o Opstellen warmteprogramma uiterlijk 31 december 2026 (met actualisatie elke 5 jaar)
Regierol in lokale warmtetransitie: aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving via gebiedsgerichte aanpak Toezicht en handhaving Energiebesparingsplicht (uitvoering via Omgevingsdienst Rivierenland) waaronder op: o Informatieplicht o Onderzoeksplicht o Erkende maatregelenlijsten energiebesparing (EML) Europese richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EU EPBD) IV: o Inwoners en ondernemers voorzien van objectieve informatie en te wijzen op mogelijkheden om te verduurzamen (bijvoorbeeld door middel van een Energieloket) Energieprestatie-eisen voor huurwoningen en utiliteitsgebouwen (vanaf 2026 in Besluit bouwwerken leefomgeving): o Huurwoningen moeten uiterlijk op 1 januari 2029 minimaal energielabel D hebben o Eisen utiliteitsgebouwen wordt nog nader uitgewerkt door het Rijk.
Minimaal te behalen eisen vanuit EU EPBD IV: Vanaf 2030 energieprestatie utiliteitsgebouwen beter dan de slechtst presterende 16% uit 2020 Vanaf 2033 energieprestatie utiliteitsgebouwen beter dan de slechtst presterende 26% uit 2020 Soortenbescherming bij isolatie gebouwen (Omgevingswet): o Het uitvoeren van een flora- en fauna-activiteit (een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten) is niet toegestaan zonder vergunning en de daarin opgenomen maatregelen Nationaal Programma Circulaire Economie: o In 2030 50% minder gebruik van grondstoffen (referentiejaar wordt landelijk nog nader bepaald) o In 2050 is Nederland volledig circulair o
2.5 Met wie werken we samen aan deze kernopgave?
Provincie Gelderland Regio Rivierenland Regiogemeenten Liander TenneT Gemeenschappelijke regeling (GR) Avri, Cirtex, nutsbedrijven en samenwerkingspartners Lokale betrokkenen zoals inwoners, ondernemers en ondernemerscollectieven, woningcorporaties, gebieds- en energiecoöperaties
2.6 Verhouding met andere thema’s en kernopgaven Klimaat, duurzaamheid en omgevingskwaliteit
Klimaatadaptatie: zonder klimaatmitigatie en het verminderen van CO2-uitstoot zal de klimaatadaptatie opgave steeds verder toenemen. Andersom draagt klimaatadaptatie bij aan het versnellen van klimaatmitigatie door een klimaat robuuste leefomgeving te creëren. Een koelere leefomgeving verkleint bijvoorbeeld de behoefte aan actieve koeling via een installatie, wat direct bijdraagt aan energiebesparing. Water: met klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast en droogte toe. Tegelijkertijd kost drinkwaterwinning, zuivering en transport veel energie. Door meer water vast te houden en waar mogelijk water te hergebruiken is er minder energie nodig. Water kan mogelijk ook een bron van warmte of koelte zijn.
Groen/biodiversiteit: bij het isoleren van woningen en gebouwen moet rekening worden gehouden met beschermde soorten. Omgevingskwaliteit: maatregelen zoals grootschalige opwek, netverzwaring en aardgasvrije warmteoplossingen, moeten zorgvuldig worden ingepast om de omgevingskwaliteit te borgen.
Landbouw, economie en toerisme
Landbouw: om opgaven zoals grootschalige opwek te realiseren is er beschikbare grond nodig. Mogelijk kan een combinatie worden gezocht tussen landbouwgrond en grootschalige energieopwekking. Daarnaast heeft de glastuinbouw en landbouw een hoge energievraag. Vanuit regelgeving wordt deze sector gestimuleerd om te verduurzamen en hun CO2-uitstoot te verlagen. Economie: vanuit regelgeving worden ondernemers en bedrijven(terreinen) gestimuleerd om te verduurzamen en hun CO2-uitstoot te verlagen, bijvoorbeeld door te investeren in energiebesparende maatregelen. Netcongestie zet aan tot slimme oplossingen.
Wonen, welzijn en voorzieningen
Wonen: woningen zullen voor 2050 aardgasvrij moeten zijn. Dit betekent dat de huidige woningvoorraad op een andere manier verwarmd moet worden en de energievraag moet worden beperkt. Deze woningen zullen naar verwachting voor een groot deel overstappen naar elektrische verwarming, waardoor de elektriciteitsaansluiting van deze woningen mogelijk moet worden vergroot. Daarnaast is de verwachting dat er tot 2040 nog aanzienlijke aantallen woningen worden gebouwd in Maasdriel. Netcongestie kan een belemmering vormen in het aansluiten van deze nieuwbouwwoningen op het elektriciteitsnet. Daarom wordt onder andere gekeken naar netbewuste nieuwbouw. Welzijn: energiebesparende maatregelen zoals het isoleren van woningen kunnen bijdragen aan het verbeteren van het woonklimaat, de betaalbaarheid van de energierekening en het tegengaan van energiearmoede. Dit draagt bij aan het welzijn van onze inwoners. Voorzieningen: vanuit regelgeving wordt de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed gestimuleerd. Dit heeft betrekking op bijvoorbeeld dorpshuizen, multifunctionele accommodaties, sportaccommodaties en onderwijs- en kind accommodaties.
Milieu, gezondheid en leefbaarheid
Veiligheid: de toenemende elektrificatie, opwek en opslag van elektriciteit kan ook veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij de inzet van thuis- en autobatterijen en installaties die energie opwekken, kunnen risico’s ontstaan. Gezondheid: maatregelen om CO2-uitstoot te verlagen kunnen impact hebben op de gezondheid van inwoners. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen negatieve effecten (bijv. geluidsoverlast) en de positieve effecten (bijv. verminderen van luchtvervuiling). Mobiliteit: de transitie naar duurzame mobiliteit, zonder het gebruik van fossiele brandstoffen, is essentieel om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Duurzame mobiliteit kan daarnaast ook bijdragen aan het besparen van energie door bijvoorbeeld in te zetten op het stimuleren van duurzame mobiliteitsvormen zoals (e-)bikes, openbaar of gedeeld vervoer.
Openbare ruimte: om de energie- en warmtetransitie te realiseren is openbare ruimte nodig. Een integrale afweging is nodig om de schaarse beschikbare openbare ruimte op een goede manier te verdelen over de verschillende opgaven.
3.
Beleidskeuzes
Subthema’s Klimaat, duurzaamheid omgevingskwaliteit
en
Klimaatmitigatie Klimaatadaptatie Water Groen/biodiversiteit Omgevingskwaliteit
Landbouw, economie toerisme Landbouw Economie Toerisme Recreatie
en
Wonen, welzijn en voorzieningen Wonen Welzijn Zorg Voorzieningen
Milieu, gezondheid en leefbaarheid Veiligheid Gezondheid Leefbaarheid Mobiliteit Openbare ruimte
Gebieden Woongebieden
Centra
Kernrand
Bedrijventerreinen
Buitengebied binnendijks
Buitengebied buitendijks
3.1 Deelvisie In 2050 is Maasdriel een CO₂-neutrale en circulaire gemeente. We stimuleren inwoners en ondernemers om bij te dragen aan de aanpak van de gezamenlijke opgaven in de energietransitie, warmtetransitie en transitie naar een circulaire economie. We beperken de gevolgen van klimaatverandering en dragen bij aan een leefbare omgeving, voor onszelf en voor de generaties na ons. De lusten en lasten zijn eerlijk verdeeld, de energie-infrastructuur is goed ingepast in de openbare ruimte en producten en grondstoffen worden opnieuw gebruikt. Als slimme volger werken we samen en gebruiken we bewezen technieken en kennis. Zo werken we aan een duurzame, betaalbare, betrouwbare en toegankelijke energieen warmtevoorziening voor iedereen. We beperken de energie- en warmtevraag zo veel als mogelijk. De duurzame en hernieuwbare energie die nodig is wekken we groot- en kleinschalig op, waarbij inwoners en ondernemers mede-eigenaar kunnen zijn. Om het elektriciteitsnet zo min mogelijk te belasten richten we het energiesysteem van Maasdriel robuust, flexibel en toekomstbestendig in.
3.2 Doelen en beleidsaanpak Wat willen we bereiken (doelen) 1.
1
In 2030 wekken we grootschalig duurzame elektriciteit op d.m.v. windenergie, zon-op-dak en zonop-land, zoals afgesproken in de RES1. Voor windenergie en zon-opland streven we naar minimaal 50% lokaal eigendom. We werken aan een CO2-neutrale elektriciteitsproductie, die uiterlijk in 2050 gerealiseerd wordt in lijn met de landelijke ontwikkelingen.
Hoe willen we dat bereiken (beleidsaanpak op hoofdlijnen) 1.1. Faciliteren en stimuleren van grootschalige zonne-energie d.m.v. zon-op-dak i.c.m. slimme oplossingen om netcongestie te beperken.
Toelichting
1.2. Medewerking verlenen aan de realisatie van de resterende ambitie voor windenergie (planologisch faciliteren).
Door de realisatie van grootschalige windenergie te faciliteren dragen we bij aan een toename van duurzame energie.
Zon-op-dak is een belangrijke vorm van grootschalige opwek. Door dit te combineren met slimme oplossingen, bij voorkeur achter de meter zoals via direct gebruik van energie en energieopslag, kan netcongestie worden beperkt.
In de voortgangsrapportage van de RES (2025) is de geplande duurzame opwek in Maasdriel in 2030 gestegen van 126 naar 137 GWh/jaar ten opzichte van het oorspronkelijke RES 1.0-bod. Deze toename komt vooral door hogere opbrengsten uit windenergie dan eerder geraamd. Dit verandert niets aan de afgesproken inzet: 5 windturbines (waarvan 2 nog in de ambitiefase), 20 hectare aan zonnevelden en 21,25 hectare zon op gebouwen (met nog 17 GWh/jaar in ambitie). Deze inzet blijft conform de gemaakte afspraken over de gemeentelijke bijdrage aan de RES 1.0-doelstellingen.
1.3. Stimuleren van de realisatie van zon-op-veld door het inzetten van een maatschappelijke tender (regisseren).
Door een maatschappelijke tender uit te zetten voor zon-op-veld dragen we bij aan de realisatie van grootschalige opwek van duurzame energie, waarbij tegelijkertijd maatschappelijke belangen worden geborgd. Daarnaast passen we de zonneladder toe.
1.4. Kaders stellen voor participatie en lokaal eigendom bij toekomstige grootschalige opwek (reguleren).
Door kaders te stellen zorgen we ervoor dat inwoners kunnen meeprofiteren van opbrengsten en actief betrokken worden bij de plannen voor grootschalige opwek. Slimme oplossingen kunnen netcongestie verminderen door energieopwekking en gebruik beter op elkaar af te stemmen. Ze voorkomen daarmee overbelasting van het elektriciteitsnet. Door beleid waar mogelijk te verruimen en belemmeringen weg te nemen, vergroten we de ruimte voor kleinschalige collectieve initiatieven om in hun eigen energiebehoefte te voorzien. Door vroegtijdig rekening te houden met netcapaciteit in omgevingsplannen worden knelpunten voorkomen. Dit draagt bij aan een robuuster energiesysteem en ondersteunt toekomstige groei. Door in te zetten op lokaal en direct gebruik van lokaal opgewekte energie verminderen we de druk op het net.
2.
Kleinschalige collectieve initiatieven hebben de mogelijkheid om in hun eigen energiebehoefte te voorzien, zonder het elektriciteitsnet onevenredig te belasten.
2.1. Stimuleren en faciliteren van lokaal gedragen, slimme oplossingen voor netcongestie bij opwek en gebruik. 2.2. Onderzoeken van de mogelijkheden voor verruiming van het beleid voor kleinschalige opwek.
3.
Het energiesysteem (energieopwek, -opslag, -transport en -verbruik) is robuust, toekomstbestendig en gericht op de groei van Maasdriel.
3.1. De belasting en capaciteit van het elektriciteitsnet meewegen in de planvorming van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (regisseren). 3.2. Stimuleren van lokale energieopwekking in combinatie met lokaal energieverbruik. 3.3. Samenwerken met de netbeheerder om de ruimtelijke inpassing en tijdige uitrol van energieinfrastructuur te regisseren.
3.4. Stimuleren en waar mogelijk faciliteren van flexibele benutting van het elektriciteitsnet door inwoners en ondernemers.
4.
We besparen in Maasdriel minimaal 1,5% energie per jaar.
3.5. Netbewuste nieuwbouw stimuleren door ontwikkelaars te adviseren en onderzoeken hoe we dit kunnen vastleggen 4.1. Verlagen energieverbruik (stimuleren). 4.2. Verduurzamen gemeentelijk (maatschappelijk) vastgoed (realiseren).
4.3. Toezien op de uitvoering van de energiebesparingsplicht voor bedrijven en monitoren van energielabels van gebouwen (reguleren). 4.4. Isolatie van gebouwen stimuleren. 4.5. De beperkingen voor de verduurzaming van gebouwen waar mogelijk
Om het energiesysteem robuust en toekomstbestendig te maken zijn netverzwaring en de uitrol van energieinfrastructuur noodzakelijk. Door actief samen te werken met de netbeheerder kunnen we deze ruimtelijke ontwikkelingen beter coördineren en op elkaar afstemmen. Direct gebruik van energie tijdens periodes van opwek helpt piekbelastingen te verminderen en daarmee netcongestie te beperken. Daar waar externe partijen zoals een ondernemingsvereniging acties hierop initiëren, faciliteren we hen zoveel mogelijk. Door netbewuste nieuwbouw te stimuleren helpen we overbelasting van het elektriciteitsnet te voorkomen en beperken we knelpunten bij het aansluiten van nieuwe woningen. Door informatievoorziening sturen we op gedragsverandering en het maken van energiezuinige keuzes. Door gemeentelijk vastgoed te verduurzamen dragen we bij aan energiebesparing en we geven het goede voorbeeld. Waar mogelijk gebruiken we de subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA), daarnaast leidt besparen ook tot terugverdienen. Dit waarborgt dat bedrijven en gebouweigenaren hun verplichtingen nakomen. Een hogere isolatiegraad van gebouwen zorgt voor energiebesparing. Middels ontzorgen, het verstrekken van informatie en subsidies, het mogelijk maken van innovatieve oplossingen en het
wegnemen (regisseren).
5.
In 2050 is de gebouwde omgeving aardgasvrij. Als tussendoel wordt het aardgasverbruik in 2035 met minimaal 60% verminderd t.o.v. 2019.
5.1. We geven regie aan een gefaseerde, gebiedsgerichte en gedragen warmtetransitie middels een warmteprogramma en (wijk)uitvoeringsplannen.
5.2. De uitvoering van de isolatieopgave faciliteren, waarbij we rekening houden met beschermde diersoorten die in de gebouwen voorkomen. 5.3. Faciliteren en regisseren bij het isoleren van de woning van doelgroepen die energiearmoede ondervinden. 5.4. Inzetten op structurele samenwerking met regionale en lokale organisaties en initiatieven (realiseren).
6.
In 2050 zijn we onderdeel van een circulaire economie.
5.5. We identificeren en stimuleren het gebruik van duurzame warmtebronnen en -oplossingen. In de kernen onderzoeken we waar collectieve duurzame alternatieven mogelijk zijn en stimuleren het gebruik hiervan (regisseren). In het buitengebied voorzien we enkel individuele warmteoplossingen. 5.6. Creëren van bewustwording door middel van informeren, betrokkenheid genereren en handelingsperspectief bieden aan inwoners en ondernemers in de verduurzaming van de leefomgeving (faciliteren). 6.1. Stimuleren van circulair handelen binnen de eigen organisatie.
6.2. De gemeente jaagt aan en initieert. Daarnaast worden circulaire initiatieven vanuit de samenleving ondersteund. 6.3. Reductie van restafval en stimulering gescheiden inzameling en/of hergebruik grondstoffen (regisseren)
wegnemen van (beleids)beperkingen. Hiermee maken we het voor inwoners makkelijker om te verduurzamen en energie te besparen. Door het opstellen van een warmteprogramma (als onderdeel van het programma klimaatmitigatie) en (wijk)uitvoeringsplannen wordt inzichtelijk waar, wanneer en hoe de overstap van aardgas naar alternatieve warmteoplossingen plaatsvindt. Dit vergroot de uitvoerbaarheid en draagt bij aan het verminderen van aardgasverbruik. Isolatie vermindert de energievraag en vormt daarmee een belangrijke stap richting de inzet van aardgasvrije warmteoplossingen. Door deze opgave te faciliteren en de ecologische randvoorwaarden te borgen nemen we dit obstakel in de transitie voor de inwoners weg. Door inwoners gericht te ondersteunen maken we energiebesparing haalbaar voor iedereen, ook voor inwoners met energiearmoede. Door samen te werken kunnen we kennisdelen, projecten versnellen en afstemming borgen, wat bijdraagt aan het verminderen van aardgasverbruik. Waar mogelijk maken we gebruik van incidentele subsidies. Het in kaart brengen en actief stimuleren van duurzame warmtebronnen en oplossingen is een noodzakelijke stap richting een aardgasvrije gebouwde omgeving. Door te onderzoeken waar en welke collectieve warmteoplossingen mogelijk zijn, bieden we inwoners duidelijkheid en richting in de overstap naar aardgasvrij.
Door inwoners en ondernemers goed te informeren, te betrekken en handelingsperspectief te bieden, vergroten we het draagvlak voor de warmtetransitie en stimuleren we actief gedrag richting een aardgasvrije gebouwde omgeving. Door circulair te handelen vervult de gemeente een voorbeeldrol. Hiermee leveren we niet alleen een directe bijdrage aan de circulaire economie, maar stimuleren we ook bewustwording en betrokkenheid onder inwoners en ondernemers. Door circulaire initiatieven te initiëren, te stimuleren en te ondersteunen, dragen we bij aan de ontwikkeling van de circulaire economie. Dit werken we de komende jaren verder uit in het grondstoffenplan via de GR Avri.
3.3 Beleidsdoorwerking Beleidsdocument Omgevingsprogramma klimaatmitigatie (energie- en warmtetransitie en circulaire economie)
Opdracht tot verdere uitwerking (niet-limitatief) Warmtetransitie De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)2 bepaalt dat het Warmteprogramma een verplicht onderdeel is in de Omgevingswet en uiterlijk 31 december 2026 moet worden vastgesteld. Volgens het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw)1 moeten de volgende onderdelen in dit programma worden opgenomen: Duurzame warmteopties en bijbehorende isolatieniveaus per wijk/gebied in beeld (voor zover bekend) Aanwijzen locaties en aantal gebouwen waar de gemeente in de periode t/m 2035 het voornemen heeft tot de inzet van de aanwijsbevoegdheid (maatwerkregel Bbl); Een overzicht van het aantal gebouwen dat naar verwachting wordt geïsoleerd; Overzicht van de per locatie beoogde energieinfrastructuur ter vervanging van de aansluiting op gas en de totale kosten daarvan Participatieaanpak Energietransitie Regels/richtlijnen rondom grootschalige duurzame opwek, inclusief kaders voor participatie en lokaal eigendom Werken aan oplossingsrichtingen voor netcongestie Beschrijving van de aanpak om energiebesparing te stimuleren, met speciale aandacht voor energiearmoede Omgevingsfonds voor grootschalige energieprojecten instellen.
Circulaire economie Werk maken van inbedding circulaire economie Uitvoeren Grondstoffenplan Opstellen en implementeren Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en Inkopen (MVOI)
2
De Wgiw en de Bgiw is wetgeving die naar verwachting op 1 juli 2026 in werking treedt.
Bijlagen 1. Totstandkoming en participatie In 2024 hebben we het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 en het duurzaamheidsbeleid tussen 2020-2024 zowel kwalitatief als kwantitatief geëvalueerd. De inzichten en leerpunten uit deze evaluatie vormen een belangrijke basis voor de bouwsteen Klimaatmitigatie. Om de integraliteit van deze bouwsteen te borgen hebben we de raad, andere beleidsvelden, externe partners en belanghebbenden, en inwoners vroegtijdig meegenomen in het proces om deze bouwsteen op te stellen. De opbrengsten hiervan nemen we niet alleen mee in deze bouwsteen maar ook in het nog op te stellen omgevingsprogramma. Raad In februari 2025 is de raad tijdens een raadsinformatieavond geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en het proces om te komen tot deze bouwsteen Klimaatmitigatie. Vervolgens zijn de raads- en commissieleden gevraagd om op stellingen te reageren om input op te halen voor deze bouwsteen. In bijlage 3 staat een verslag van deze avond en de opgehaalde input. Andere beleidsvelden en externe partners Gedurende 2025 is op meerdere momenten de inhoud van de bouwsteen voorgelegd aan collega’s van verschillende beleidsvelden om integraal af te stemmen op de andere bouwstenen en inbreng op te halen.
Dit is ook aan externe partners en belanghebbenden (Liander, het Energieloket, de woningbouwcoörporaties, ondernemersverenigingen en gebiedscoöperatie Bommelerwaar) gevraagd. Inwoners In april 2025 hebben we gelijktijdig een digitale vragenlijst uitgezet en twee fysieke inloopbijeenkomsten georganiseerd voor inwoners om input te kunnen leveren. Daarbij lag de nadruk op het ophalen van welke wensen, behoeftes, ideeën en zorgen er leven onder inwoners met betrekking tot de thema’s energietransitie, warmtetransitie en circulariteit. Meer dan 100 inwoners vulde de vragenlijst in. De inloopbijeenkomsten waren niet drukbezocht maar er zijn goede en waardevolle gesprekken gevoerd. Desondanks ontstond een goed beeld over wat er speelt en welke behoeftes er leven ten aanzien van de rol van de gemeente.
2. Toelichting doel reductie aardgasverbruik De gemeente heeft als doel dat het aardgasverbruik in 2035 met minimaal 60% wordt verminderd t.o.v. 2019, met als einddoel om in 2050 een volledig aardgasvrije gebouwde omgeving te hebben (zie grafiek hieronder). Deze ambitie voor 2050 sluit aan bij landelijke doelstellingen en draagt bij aan een toekomstbestendige en duurzame energievoorziening. Dit gefaseerde doel biedt een realistisch en uitvoerbaar pad: er wordt gestart met de meest haalbare stappen, terwijl er voldoende tijd en ruimte blijft om de meer complexe opgaven richting 2050 goed voor te bereiden en uit te voeren.
Aardgasverbruik Gebouwde omgeving gemeente Maasdriel 25
Aardgas (miljoen m3)
20 15 10 5 0
10 12 14 16 18 20 22 24 26 28 30 32 34 36 38 40 42 44 46 48 50 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20
Historisch verbruik
Doelstelling
3. Verslag werksessie raadsinformatieavond 25 februari 2025 Op 25 februari 2025 is de raad van Maasdriel tijdens een raadsinformatieavond geïnformeerd over de evaluatie van het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 en het daaropvolgende duurzaamheidsbeleid tot medio 2024 en het proces om te komen tot een nieuwe duurzaamheidsvisie (als bouwsteen voor de Omgevingsvisie). Vervolgens zijn de raadsleden gevraagd om op stellingen te reageren om input op te halen voor de bouwsteen Klimaatmitigatie. In dit verslag wordt op hoofdlijnen beschreven wat is opgehaald. Algemeen Met betrekking tot de landelijke en provinciale CO₂-besparingsdoelen kiest men vooral voor meelopen en volgen. De ambities moeten haalbaar zijn en aansluiten bij zowel de gemeente als de gemeentelijke organisatie, waarbij de belangen van ondernemers en inwoners worden meegenomen. Er wordt opgemerkt dat het belangrijk is om mee te gaan met de grote groep, omdat zelfs wanneer je vooruitloopt het lastig is om de doelstellingen te behalen. Door gebruik te maken van leerpunten en ervaringen van koplopers, lopen we minder risico. Daarnaast wordt genoemd dat het van belang is om de gemaakte keuzes te vertalen naar het beschikbare budget en een goede afweging te maken met andere domeinen. De meerderheid wil lokale initiatieven stimuleren en waar mogelijk samenwerken met ondernemers.
Daarbij wordt aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar initiatieven die bijdragen aan het algemeen belang en voldoende draagvlak hebben. De gemeente moet actief meedenken over hoe iets wél mogelijk kan zijn, bijvoorbeeld door te kijken naar versoepeling van regels en leges. Daarnaast is het belangrijk dat er een duidelijke structuur is waar inwoners en ondernemers terechtkunnen. Met betrekking tot het goede voorbeeld geven als gemeentelijke organisatie door meer te doen dan wettelijk verplicht, lopen de meningen uiteen van helemaal oneens tot neutraal. De
meerderheid vindt namelijk dat dit geen extra kosten met zich mag meebrengen. De gemeente moet vooral het voorbeeld geven in lijn met wat zij ook van inwoners en ondernemers verwacht. Wel wordt opgemerkt dat, als het om een investering gaat die op termijn iets oplevert, extra kosten acceptabel kunnen zijn. Ook wordt benoemd dat het belangrijk is om kansen te benutten voor financiële ondersteuning vanuit het Rijk. Aardgasvrij en energiebesparing De drie meest genoemde woorden in discussies over aardgasvrij wonen en energiebesparing waren ‘realistisch’, ‘haalbaar’ en ‘betaalbaar’. Men kiest er vooral voor om met betrekking tot de landelijke doelstelling voor aardgasgebruik (een beetje) mee te lopen. Sommige raadsleden geven aan dat Maasdriel niet voorop hoeft te lopen en volgen ook voldoende is. Hoewel enkele raadsleden aangeven dat de warmtetransitie mogelijk is en dat de gemeente initiatieven kan faciliteren, ziet de meerderheid uitdagingen op het gebied van betaalbaarheid en haalbaarheid van de opgave. De voorkeur gaat daarom uit naar focus op andere, beter haalbare onderwerpen. Sommigen geven aan eerst technische ontwikkelingen af te willen wachten voordat verdere stappen worden gezet. De meningen over het verkennen van collectieve warmteoplossingen lopen uiteen.
Niemand is hier duidelijk voorstander van, en de meeste raadsleden bevinden zich in het midden of neigen naar oneens. Of er zo snel mogelijk onderzoek moet worden gestart naar collectieve warmtevoorzieningen blijft een punt van twijfel. De meerderheid geeft aan dat het wel belangrijk is en dit mag worden uitgevoerd, zolang het voor inwoners geen extra kosten meebrengt. De belangrijkste begrippen in de warmtetransitie zijn duidelijk: ‘keuzevrijheid’ en ‘betaalbaarheid’. Inwoners moeten financieel voordeel ervaren en mogen vooral niet meer gaan betalen voor hun warmte. Er is brede erkenning dat extra ondersteuning nodig is voor inwoners die te maken hebben met energiearmoede. Veel raadsleden vinden participatie belangrijk voor degenen die willen meedenken, hoewel anderen ook mogelijke vertraging van processen benoemen als mogelijk risico wanneer op te veel onderwerpen wordt geparticipeerd. Verder werd benoemd dat voorzieningen zoals dorpshuizen een belangrijke sociale functie hebben en extra ondersteuning verdienen. Ook werd opgemerkt dat Maasdriel een actief ondernemersklimaat heeft en dat samenwerking met Zaltbommel kansen biedt om grootschaliger samen te werken en bijvoorbeeld subsidies aan te vragen voor de verduurzaming van bedrijven.
Duurzame lokale opwek en opslag / energiesysteem De meerderheid van de raadsleden wil de beschikbaarheid van energie niet als leidend afwegingscriterium meenemen bij nieuwe ontwikkelgebieden, terwijl een klein deel hier neutraal tegenover staat. Ruimtelijke kwaliteit wordt als belangrijker afwegingscriterium gezien dan energievoorziening. Tegelijkertijd is er erkenning voor de noodzaak om anders te ontwikkelen en slimme oplossingen toe te passen, zodat de beschikbaarheid van energie in mindere mate een probleem vormt. De meerderheid van de raadsleden staat positief tegenover het faciliteren van slimme oplossingen rondom transportcapaciteit en de koppeling tussen opwek en opslag (neutraal tot helemaal mee eens). Er worden kansen gezien voor zelfvoorzienendheid, ontkoppeling van het net en de uitwisseling van warmte en koelte. Een aantal raadsleden benadrukken dat
de rol van de gemeente vooral stimulerend moet zijn, niet faciliterend. Daarnaast wordt opgemerkt om in gesprek te gaan met lokale ondernemers om te inventariseren welke kansen benut kunnen worden. De raadsleden geven aan dat het beleid voor lokale duurzame opwek herzien of aangevuld moet worden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kleinschalige en grootschalige opwek. Enkele raadsleden pleiten ervoor om bijvoorbeeld de maximale hoogte van kleinschalige windturbines te verhogen, omdat de huidige limiet vaak leidt tot een onrendabele businesscase. In lijn met het beleid wordt voorkeur gegeven aan zonne-energie op daken (of mogelijk boven parkeerplaatsen), maar er wordt ook opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met piekproductie overdag. Verder moet het beleid ruimte bieden voor creativiteit en innovaties. Sommige raadsleden spreken zich expliciet uit tegen grote windturbines, één pleit in plaats daarvan voor de inzet van modulaire kleine kerncentrales. Laadinfrastructuur Wat betreft de integrale laadvisie wordt aangegeven dat het laden op bedrijventerreinen vooral de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf is. De gemeente kan hierin wel een faciliterende rol spelen. Voor doelgroepenvervoer wordt benadrukt dat de gemeente elektrisch vervoer moet stimuleren en dit aspect moet meenemen in aanbestedingen.
De laadinfrastructuur voor openbaar vervoer dient vooral op provinciaal of regionaal niveau te worden geregeld. Hierbij wordt als mogelijke optie het inzetten van elektrische trolleybussen, zoals in Arnhem, benoemd. Daarnaast wordt voorgesteld om bedrijfswagens te verbieden bij openbare laadpalen in woonwijken. Ook wordt geopperd om een boete in te voeren voor bestuurders die hun voertuig onnodig lang laten staan na volledig opladen (laadpaalkleven). Circulaire economie Ook met betrekking tot de landelijke doelstelling voor het gebruik van primaire grondstoffen kiest men er voornamelijk voor om te volgen of mee te lopen. Vooroplopen wordt als niet haalbaar beschouwd. Wat betreft het meenemen van circulariteit als criterium bij nieuwbouw lopen de meningen sterk uiteen. Sommige raadsleden pleiten ervoor om circulair bouwen in het beleid op te nemen. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat het vooral van belang is om voldoende woningen te bouwen en dat er goed moet worden nagedacht over de herkomst van circulaire grondstoffen, zoals hout. Ook over het stimuleren en faciliteren van initiatieven voor de circulaire economie en biobased bouwen verschillen de meningen, maar de meerderheid is hier voorstander van. Daarbij wordt gedacht aan maatregelen zoals korting op bouwleges bij circulair bouwen en het aanpassen van de vergunningverlening om dit te bevorderen.
4. Managementsamenvatting uit ‘Evaluatierapport Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 en duurzaamheidsbeleid 2020-2024’ Dit evaluatierapport geeft inzicht in de effectiviteit en impact van het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 en het daaropvolgende duurzaamheidsbeleid in de periode hierna tot medio 2024. Deze inzichten dienen als basis voor het ontwikkelen van een nieuwe duurzaamheidsvisie (de bouwsteen Klimaatmitigatie) voor de periode tot 2030 en een uitvoeringsprogramma voor de komende twee jaar. In november 2016 heeft de gemeenteraad in een unaniem aangenomen motie het college van B&W van Maasdriel verzocht beleid rondom duurzaamheid uit te werken. Voordien ontbrak een visie op het brede beleidsdomein van duurzaamheid en was er geen budget om acties op te pakken. Met het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 is een basis gelegd voor het aanpakken van complexe duurzaamheidsopgaven door de gemeente Maasdriel. Inmiddels is de looptijd van het Duurzaamheidsprogramma verstreken. Bevindingen evaluatie In het Duurzaamheidsprogramma waren geen concrete doelen voor de korte of lange termijn benoemd. Het programma was voornamelijk bedoeld om eerdere op zichzelf staande acties en projecten aan elkaar te verbinden en de inzet op duurzaamheid een meer structureel karakter te geven.
Het programma richtte zich op vijf thema’s: 1) Hernieuwbare energie 2) Verduurzaming van de woningvoorraad 3) Duurzaam ondernemen 4) Anderen stimuleren 5) Onze eigen organisatie Met de vaststelling van het Duurzaamheidsprogramma in 2017 is de vrijblijvendheid van de gemeentelijke inzet op duurzaamheid sterk afgenomen. Beleidsmatige en maatschappelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de gemeente extra stappen heeft gezet ten opzichte van wat in het Duurzaamheidsprogramma was opgenomen. De komst van het landelijke Klimaatakkoord en regionale en lokale uitwerkingen hiervan zoals de Regionale Energiestrategie (RES) en de Transitievisie Warmte (TVW) hebben geleid tot extra ambtelijke inzet. Daarnaast zijn er diverse subsidieregelingen vanuit het Rijk opgezet die de aanpak van energiebesparing bij huishoudens hebben ondersteund. De afgelopen periode heeft het beleid zich gericht op hernieuwbare energie, energiebesparing, publieke laadinfrastructuur en de Transitievisie Warmte. Ondanks de vooruitgang, blijven er knelpunten zoals de beperkte ambtelijke capaciteit. Om de effectiviteit van ons beleid te versterken en beter aan te sluiten op de actuele en toekomstige behoeften, is extra capaciteit noodzakelijk. Het Rijk heeft hiervoor middelen beschikbaar gesteld, die zullen bijdragen aan een versterking van onze ambtelijke capaciteit op het gebied van klimaat- en energiebeleid.
Conclusie en aanbevelingen Het evaluatierapport benadrukt dat, hoewel het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 een goede start heeft gegeven, verdere stappen nodig zijn om de verduurzaming van onze gemeente te waarborgen. Voor de ontwikkeling van een nieuwe duurzaamheidsvisie en bijbehorende uitvoeringsagenda zijn de volgende aanbevelingen gedaan.
1. Formuleren van SMART-doelstellingen Het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 miste concrete doelstellingen. Voor de nieuwe visie wordt aanbevolen om doelen volgens de SMART-methode (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden) te formuleren. Dit vergroot de helderheid, haalbaarheid van doelstellingen en biedt de mogelijkheid om voortgang effectief te monitoren. Het is aan te bevelen om per duurzaamheidsthema één of meerdere doelstellingen te formuleren en deze te koppelen aan budget en ambtelijke capaciteit. Hiermee wordt een prioritering in de doelstellingen en bijbehorende projecten aangebracht. 2. Nieuwe projecten koppelen aan doelstellingen Bij het opstellen van de nieuwe uitvoeringsagenda is het essentieel om projecten direct te koppelen aan de duurzaamheidsthema’s, beschikbare budgetten en capaciteit. Daarnaast is het zinvol om het programma iedere twee jaar te evalueren en te herijken, zodat kan worden ingespeeld op beleidsmatige en maatschappelijke ontwikkelingen die momenteel nog niet kunnen worden voorzien. 3. Communicatiestrategie ontwikkelen Er wordt geadviseerd om een communicatiestrategie voor duurzaamheid te ontwikkelen. Hiermee kan de gemeente structureel communiceren over lopende projecten, in nauwe samenwerking met externe partners. 4.
Versterken van wendbare organisatie De ambtelijke capaciteit is het afgelopen jaar vergroot, wat de slagkracht van de gemeente verbetert. De capaciteit blijft echter onder de door de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) aanbevolen 8-9 fte. Daarom is het belangrijk om helder prioriteiten te stellen en de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten. 5. Positionering in het beleidshuis van het ruimtelijke domein Er wordt aanbevolen om de nieuwe visie duidelijk te positioneren binnen het beleidshuis van het ruimtelijke domein. De nieuw op te stellen Omgevingsvisie biedt een kader waarin de duurzaamheidsambities als integraal onderdeel van het totale ruimtelijke beleid kunnen worden opgenomen.