Beroep Euroship (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
HDD
Â
Q
HDD
advies Voorstraat 8 4033 AD Lienden
&
085023
BA
_info@hddadvies.nl
BTW
72296275 __NL859063495 BO1
EB
_www.hddadvies.nl
IBAN
NL11 ABNA
9059
KvK
advies Rechtbank Gelderland Team
Bestuursrecht
Postbus
9030
6800 EM Arnhem Ons kenmerk:
Eur147
Datum:
12-06-2023
Uw kenmerk:
Betreft:
-
Beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel weigering van de aanvraag om omgevingsvergunning van 3 mei 2023 met nummer
inhoudende de ODR2106989
Geachte
heer / mevrouw,
van Euroships services B.V. wij namens de heer (geanonimiseerd) BEN aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Deze aanvraag ziet op de bouw van een loods op het perceel Heerenwaardensestraat 24 in Heerewaarden. Hier heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel uiteindelijk op 3 mei 2023 een beslissing (ODR2106989) genomen. Het college heeft helaas en naar de opvatting van reclamant onterecht besloten de aanvraag om omgevingsvergunning te weigeren. Daarom dienen wij namens reclamant een beroepsschrift in waarin wij uiteenzetten waarom de omgevingsvergunning onterecht is geweigerd. Kort gezegd is het college van oordeel dat het initiatief in strijd is met het bestemmingsplan en zijn zij niet bereid om mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan. Reclamant is het niet eens met de stelling dat het initiatief in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. De overwegingen van het college om te komen tot de weigering van de omgevingsvergunning, zijn verwoord in de reactie op de ingediende zienswijze. Wij zullen de overwegingen van het college stuk voor stuk weerleggen.
Op 14 juni 2021 (reclamant) een
1.
hebben
De
bedrijfsactiviteiten van reclamant zijn met de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied Binnendijks deel 2006” onder het overgangsrecht komen te vallen. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan zijn alleen nog activiteiten tot maximaal milieucategorie 2 toegestaan op de locatie. De activiteiten die plaatvinden binnen het bedrijf van reclamant vallen onder milieucategorie 4.1. Op de locatie worden schepen gebouwd en onderhouden tot 25 meter lengte. Met de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied Binnendijks deel 2006” onder het overgangsrecht komen te vallen. Het bestemmingsplan dat aan dit bestemmingsplan vooraf ging sloot de activiteiten van reclamant niet uit. Hierover zijn het college en reclamant het eens. Met de vaststelling van de bestemmingsplannen “Buitengebied herziening 2016” en “Buitengebied herziening 2022, reparatieplan” zijn de activiteiten opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. Een bestaande legale activiteit mag alleen onder het overgangsrecht worden gebracht als de bestaande situatie op basis van nieuwe planologische inzichten niet meer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en / of het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat het bestaande gebruik op termijn zal verdwijnen.
door Vergunningen
Bestemmingsplannen
Subsidies
0828
2235
13
Reeds in 2006 was het duidelijk dat de activiteiten van reclamant op deze locatie niet binnen afzienbare tijd zouden worden beëindigd. De initiatiefnemer heeft ten behoeven van zijn bedrijf in 1996 een nieuwe bedrijfshal gebouwd en een aanmeervoorziening van 135 meter lengte gerealiseerd. Desondanks zijn de activiteiten van reclamant onder het overgangsrecht gebracht. Dit is in strijd met vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden om de activiteiten onder het overgangsrecht te brengen. Lopende de procedure om tot vaststelling te komen van het bestemmingsplan “Buitengebied Binnendijks deel 2006” is desgevraagd aan reclamant aangegeven dat hij zijn activiteiten op deze locatie voort kon zetten. Hij is daarbij niet geïnformeerd over eventuele beperkingen als gevolg van het overgangsrecht. Daarom heeft hij verder nooit gereageerd op bestemmingsplannen die in procedure waren met betrekking tot zijn locatie. Nu is reclamant geconfronteerd met de opvatting van het college dat er beperkingen voortvloeien uit het overgangsrecht. Maar omdat reeds in 2006 duidelijk was dat de activiteiten van reclamant niet zouden worden beëindigd hadden deze activiteiten nooit onder het overgangsrecht mogen worden gebracht. ,
Het college stelt in haar overwegingen dat dit aspect niet relevant is voor deze procedure. Dit is niet juist. Bij de afweging of meegewerkt wordt aan een afwijking van het bestemmingsplan moeten alle relevante aspecten meegewogen worden. Als blijkt dat de activiteiten onterecht onder het overgangsrecht zijn gebracht is dat zeer relevant. Dan biedt deze procedure een mogelijkheid om die ‘fout’ deels te herstellen en dat is ruimtelijk zeer relevant. Het mag niet zo zijn dat reclamant de dupe is van het onterecht onder het overgangsrecht brengen van de activiteiten. Dit is dus wel degelijk een relevant aspect die meegewogen moet worden bij de beslissing op de aanvraag. Overigens is reclamant van oordeel dat het initiatief niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Dat komt onder 3 aan de orde. Maar vanuit het huidige perspectief van het college is er kennelijk wel sprake van een afwijking van het vigerende bestemmingsplan. Het college had dit aspect dan ook moeten betrekken bij de overwegingen om te komen tot een beslissing op de aanvraag. 2.
Het college is van oordeel dat het bouwen van de opslagloods in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2016”. Inmiddels is het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2022 reparatieplan” in werking getreden. Dit is onjuist. Het bouwplan voldoet aan de bouwregels uit het vigerende bestemmingsplan. Het overgangsrecht is enkel van toepassing op het gebruik. ,
Het college stelt dat de aanvraag om omgevingsvergunning zowel aan de bouwregels als aan de gebruiksregels van het bestemmingsplan wordt getoetst. Het college stelt dat uit de aanvraag zou blijken dat de nieuwe opslagloods gebruikt zal worden voor activiteiten die in milieucategorie 4. 1 vallen. Het college baseert deze aanname op het begeleidend schrijven bij de aanvraag. Deze aanname is onjuist. Overigens ging het college er eerder in deze procedure van uit dat door de bouw van de loods meer ruimte beschikbaar zou komen in de bestaande hal zodat daar de activiteiten in milieucategorie 4. 1 uitgebreid zouden kunnen worden. Ook dat is een onjuiste aanname welke namens reclamant gedurende de procedure is weerlegt. Het is een onjuiste aanname van het college dat de bedrijfsactiviteiten worden uitgebreid. De bedrijfsactiviteiten worden gemoderniseerd. Dit wil reclamant doen door de huidige opslag die
buiten plaatsvindt te verplaatsen naar de nieuw te bouwen loods. Het betreft dus enkel het verplaatsen van bestaande opslag en geen uitbreiding van de activiteiten. In hun reactie op de zienswijzen verwijst het college naar artikel 6. 5. 1 onder a van het geldende bestemmingsplan. Dit artikel komt niet voor in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2022”. Het is voor reclamant niet duidelijk welk artikel hier bedoeld is. Mogelijk is artikel 6. 1 onder a bedoeld. 3.
Het college is van oordeel dat het beoogde gebruik in strijd is met de regels voor ruimtelijke ordening. Reclamant is het hier mee oneens. De huidige bedrijfsactiviteiten zijn met de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied Binnendijks deel 2006” onder het overgangsrecht komen te vallen. Dit overgangsrecht is in de daaropvolgende bestemmingsplannen overgenomen. Inmiddels is het overgangsrecht uit het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2022 reparatieplan” van toepassing. Op grond van artikel 45. 2 onder a mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet. Op grond van artikel 45. 2 onder b is het verboden om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te veranderen of te laten veranderen in een ander met het plan strijdig gebruik tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Het college stelt op basis van de luchtfoto uit 2006 ook de buitenopslag ten behoeve van de activiteiten in milieucategorie 4. 1 ook onder het overgangsrecht vallen. Deze luchtfoto zou als bijlage 1 zijn bijgevoegd maar deze ontbreekt bij het toegezonden besluit. Volgens het college geeft dit geen aanleiding om een opslagloods toe te staan ten behoeve van de activiteiten in milieucategorie 4. 1.
Het college gaat ook hierbij onterecht uit van de aanname dat de activiteiten in milieucategorie 4. 1 hiermee uitgebreid worden. Dit is niet het geval. Het betreft uitsluitend het verplaatsen van de huidige buitenopslag naar binnen. In de huidige situatie vind opslag plaats en ook in de beoogde situatie. Er is in die zin geen sprake van een verandering van het gebruik. Overigens omschrijft het bestemmingsplan niet wat onder opslag moet worden verstaan. Alleen wat onder een opslag bedrijf moet worden verstaan. En dat valt onder milieucategorie 1 of 2. De activiteit opslag past dus ook binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Met het beoogde gebruik veranderd het gebruik niet. Er kan zelfs gesteld worden dat het gebruik qua aard wordt verkleind omdat de buitenopslag naar binnen wordt verplaatst. Hierdoor zal de impact op de omgeving kleiner zijn dan in de huidige vorm. De nieuwe hal zal het zicht op de opslag verminderen en een geluiddempende werking hebben naar de omgeving toe. Dat betekent dat het initiatief niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Naar de opvatting van reclamant had de omgevingsvergunning verleend moeten worden. Daarbij had de aanvraag conform de reguliere procedure moeten zijn ,
,
,
,
afgehandeld. 4.
Met de aanvraag om omgevingsvergunning wordt beoogd een ruimte te realiseren waar de huidige buitenopslag naar toe kan worden verplaatst zodat deze binnen plaatsvindt. Het college blijft in haar overwegingen vasthouden aan de opmerking uit het begeleidend schrijven bij de aanvraag dat de opslagloods bedoeld is voor de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Waarom het college hier aan vast blijft houden is voor reclamant volstrekt onduidelijk. Het college geeft aan dat de aanvraag om omgevingsvergunning leidend is bij de beoordeling. Dat is op zich juist. Maar waar het college aan voorbijgaat is dat er aanvullende stukken ingediend kunnen worden die betrokken worden bij de beoordeling van de aanvraag. Gedurende de procedure is herhaaldelijk namens reclamant aangegeven dat er geen sprake zal zijn van uitbreiding van de activiteiten die onder categorie 4. 1 vallen. ,
Het gaat enkel om het verplaatsen van de buitenopslag naar binnen. Dit schriftelijk aangegeven en ook in gesprekken. Deze schriftelijke toelichtingen moeten in ieder geval als onderdeel van de aanvraag worden beschouwd. Het college gaat hier aan voorbij en houdt vast aan een opmerking uit het begeleidend schrijven bij de oorspronkelijke aanvraag. Waarbij uit de overige ingediende stukken op geen enkele wijze blijkt dat de opslagloods bedoeld is om uitbreiding van activiteiten mogelijk te maken. De aanname van het college dat de opslagloods uitbreiding van de activiteiten in milieucategorie 4. 1 mogelijk maakt is uiteindelijk de enige reden om de aanvraag te weigeren. Een aanvraag om omgevingsvergunning kan niet geweigerd worden op basis van een aanname. Zoals het college zelf ook aangeeft moet de aanvraag worden beoordeeld op basis van de ingediende stukken en dat is inclusief eventuele aanvullingen. Als later blijkt dat de initiatiefnemer toch de activiteiten in milieucategorie 4. 1 uitbreidt is handhaving de juiste weg om daar een einde aan te maken en niet op voorhand op basis van een aanname een omgevingsvergunning weigeren. Het college stelt ook dat zij op basis van luchtfoto’s hebben geconstateerd dat de buitenopslag sinds 2006 is uitgebreid.
Los van het feit dat een luchtfoto een momentopname betreft is op de luchtfoto van 2022 geen toename van het verharde oppervlak waarneembaar. Het is daarom niet aannemelijk dat de buitenopslag daadwerkelijk is uitgebreid. De buitenopslagcapaciteit in ieder geval niet. Het college geeft aan van oordeel te zijn dat binnen opslag als een intensiever gebruik wordt gezien dan buitenopslag. Daarbij gaat het college er van uit dat dit de mogelijkheid biedt gevoeliger materiaal op te slaan en/of bedrijfsactiviteiten uit te voeren. Dat dit tot de mogelijkheden zou kunnen behoren betekent niet dat de initiatiefnemer dat ook gaat doen. Het college gaat hierbij wederom uit van de aanname dat materialen die nu binnen in de bestaande bedrijfshal worden opgeslagen verplaatst kunnen worden naar de nieuwe loods waardoor de activiteiten in milieucategorie 4. 1 uit kunnen breiden. Dit is zoals reeds eerder is aangegeven niet aan de orde. De initiatiefnemer heeft behoefte aan het verplaatsen van de buitenopslag naar binnen. Mocht de initiatiefnemer andere activiteiten ontplooien dan is handhaving de enige juiste weg om daar een einde aan te maken. Niet op voorhand een omgevingsvergunning weigeren. ,
,
5.
Als reactie op het standpunt van reclamant dat handhaving de enige juiste weg is om eventueel strijdig gebruik te beëindigen verwijst het college naar hun overweging 2. Het college gaat daarbij niet in op de stelling dat handhaving de enige juiste weg is. Het college stelt enkel op basis van een aanname dat er sprake zal zijn van strijdig gebruik. Namens reclamant is voldoende duidelijk gemaakt dat dit niet aan de orde zal zijn.
6.
Het college stelt dat de bouw van de opslagloods in juridische zin gezien moet worden als een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. In de overwegingen die ten grondslag liggen aan de weigering van de omgevingsvergunning verwijst het college naar de overwegingen onder 4. Onder 4 onderbouwt het college echter niet waarom met de bouw van de opslagloods in juridische zin sprake is van een uitbreiding van de activiteiten. Het college baseert zich daarbij wederom op de aanname dat er een uitbreiding van activiteiten gaat plaatsvinden op basis van het begeleidend schrijven bij de aanvraag. Dit terwijl duidelijk is aangegeven dat dit geenszins de bedoeling is van reclamant. Het college legt aan het standpunt geen regelgeving of jurisprudentie ten grondslag.
7.
Het college heeft het dictum van het ontwerpbesluit aangepast naar aanleiding van de ingediende zienswijzen. Hier kan reclamant zich in vinden op dit punt.
8.
Het college stelt dat het argument dat reclamant voor zijn bedrijfsvoering gebonden is aan het water en dat dit eventuele verplaatsing bemoeilijkt niet relevant is voor deze procedure. Hier is reclamant het niet mee eens. Dit argument ondersteund namelijk het feit dat er geen enkel zicht is op de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten op deze locatie. Dat is een reden dat het college en de gemeenteraad hadden kunnen voorzien dat de activiteiten op deze locatie niet binnen afzienbare termijn zouden worden beëindigd. Zij hadden mede op basis daarvan moeten afzien van het onder het overgangsrecht brengen van de activiteiten. Dat de raad op termijn een passende bestemming toe zal moeten kennen aan de locatie zou voor het college mede aanleiding kunnen zijn om de omgevingsvergunning te verlenen. Het bedrijf zal immers niet worden beëindigd binnen afzienbare termijn. Door de opslagloods toe te staan zal eventuele hinder naar de omgeving afnemen. De situatie wordt gunstiger voor de omgeving. Overigens is reclamant zoals eerder aangegeven van mening dat het college deze afweging niet hoeft te maken omdat het initiatief naar het oordeel van reclamant voldoet aan de regels van het vigerende bestemmingsplan en er dus sprake is van een gebonden beschikking.
9.
Het college is van oordeel dat op de voorbereiding van de beschikking de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Reclamant is het daar niet mee eens. Het college verwijst voor de onderbouwing daarvoor naar de overwegingen onder 2 en 3. Namens reclamant is onder 2 en 3 omschreven waarom dit standpunt van het college naar het oordeel van reclamant onjuist is. Reclamant is van oordeel dat het initiatief voldoet aan de regels van het bestemmingsplan inclusief het overgangsrecht waardoor de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. De omgevingsvergunning had 8 weken nadat de aanvraag is ingediend verleend moeten worden. ,
,
10. Op grond van artikel 45. 2 onder a van het vigerende bestemmingsplan mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet. Op grond van artikel 45. 2 onder b is het verboden om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te veranderen of te laten veranderen in een ander met het plan strijdig gebruik tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Het bestaande gebruik omvat bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4. 1 in combinatie met buitenopslag. Het college stelt dat de activiteiten die onder milieucategorie 4. 1 vallen zullen worden uitgebreid. Het college verwijst daarbij naar hun overwegingen onder 3. Daar stelt het college dat het overgangsrecht enkel van toepassing is op het gebruik van de opstal en het perceel dat ten tijde van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan “Buitengebied Binnendijks deel” aanwezig was. Het college stelt daarbij dat de bouw van een opslaghal afwijkt van het overgangsrecht en dat daarom de gevraagde omgevingsvergunning uitsluitend met een afwijking van het bestemmingsplan kan worden toegestaan. Reclamant is het hier niet mee eens. Dit is namens reclamant onder 3 uiteengezet. ,
,
,
11. Het college volgt het standpunt niet dat opslagactiviteiten onder milieucategorie 1 dan wel 2 vallen waardoor deze rechtstreeks zijn toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het college is van oordeel dat deze activiteit niet los gezien kan worden van de activiteiten in de bestaande bedrijfshal. Hier is reclamant het niet mee eens. Voor het effect op de omgeving maakt het niet uit wat er opgeslagen wordt op het terrein of in de nieuwe opslaghal tenzij het gevaarlijke stoffen betreft. Wat precies onder opslag moet worden verstaan is ook niet gedefinieerd in het bestemmingsplan. ,
Een zelfstandig opslagbedrijf zou op deze locatie zondermeer toegestaan zijn ook als deze tegen vergoeding in opslag zou voorzien voor het bedrijf van reclamant. Het college stelt verder dat zij de opslagactiviteit niet los kunnen zien van de overige activiteiten binnen het bedrijf. Namens reclamant is het college er eerder op attent gemaakt dat onder de Omgevingswet activiteiten wel afzonderlijk beoordeeld kunnen of moeten worden. Daarom is aan het college in overweging gegeven de aanvraag op deze wijze te beoordelen. Opnieuw stelt het college dat uit de aanvraag redelijkerwijs valt op te maken dat met de bouw van de opslagloods wordt beoogd de activiteiten in milieucategorie 4 uit te breiden. Hierbij baseert het college zich wederom op het begeleidend schrijven bij de aanvraag. Dit terwijl er aanvullende stukken zijn ingediend waarin uiteen is gezet dat dit geenszins de bedoeling is. Ook deze aanvullende stukken maken deel uit van de aanvraag. Kennelijk acht het college die inhoudelijke stukken niet van belang en het begeleidend schrijven wel. Waarom het college dat standpunt in blijft nemen is voor reclamant niet duidelijk. ,
12. Namens reclamant is gesteld dat het verboden is het gebruik dat onder het overgangsrecht valt op grond van artikel 45. 2 onder b te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdig gebruik tenzij de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Reclamant is van oordeel dat het gebruik naar aard wordt verkleind door de opslag naar binnen te verplaatsen. Er zal vanuit de omgeving minder zicht zijn op de opslag. De loods zal een akoestische demping hebben. Daarnaast zal de hinder als gevolg van andere milieubelastende thema’s zoals stof gevaar en trilling afnemen. Er is geen sprake van een verandering naar een ander met het plan strijdig gebruik. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met het overgangsrecht uit artikel 45. 2 en kan binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt gerealiseerd worden. Het college is het hier niet mee eens. Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar wat zij onder 2 en 3 heeft overwogen. Namens reclamant hebben wij uiteengezet waarom wij van oordeel zijn dat de overwegingen van het college niet juist zijn. ,
,
13. Zoals reeds eerder aangegeven is aan het college in overweging gegeven om de aanvraag te benaderen vanuit het perspectief van de Omgevingswet. Het college stelt terecht dat de aanvraag op grond van het huidige recht moet worden behandeld. Maar omdat het college van oordeel is dat het initiatief in strijd is met het vigerende bestemmingsplan behoort het college alle relevante aspecten te betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Onder de Omgevingswet moeten activiteiten binnen een aanvraag afzonderlijk beoordeeld worden. Aangezien de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanstaande is is het niet vreemd om de aanvraag ook in dat licht te bekijken. In die situatie moeten de bedrijfsactiviteiten die onder milieucategorie 4. 1 vallen en de opslagactiviteiten afzonderlijk beoordeeld worden. In dat geval moet geconcludeerd worden dat de opslag activiteiten gewoon voldoen aan de regels van het bestemmingsplan of na 1 januari 2024 het Omgevingsplan. Als dat nu al bekend is is het onzorgvuldig om daar geen rekening mee te houden. Zeker omdat het aannemelijk is dat (ook) na 1 januari 2024 het initiatief binnen het geldende planologische regime kan worden toegestaan. Dit argument is naar het oordeel van reclamant wel degelijk relevant. ,
,
,
,
HDD
Â
Q
&
085023
BA
_info@hddadvies.nl
BTW
__NL859063495 BO1
EB
_www.hddadvies.nl
IBAN
NL11 ABNA
9059
KvK
Â
=S HDD
_ 72296275
advies
Voorstraat 8 4033 AD Lienden
advies Conclusie: Uit het voorgaande
blijkt dat het college de beslissing om
de
omgevingsvergunning
te
weigeren enkel stoelt op de opmerking uit het begeleidend schrijven bij de aanvraag waaruit het college opmaakt dat met de aanvraag wordt beoogd de bedrijfsactiviteiten ter plaatse uit te breiden. Het college gaat er aan voorbij dat namens reclamant en door reclamant zelf nadrukkelijk is aangegeven dit niet het beoogde doel is van de aanvraag. De weigering is dan ook
gebaseerd op de aanname van het college dat beoogd wordt om bedrijfsactiviteiten uit te en daarbij gaat het college voorbij aan aanvullend ingediende stukken. Op voorhand basis van een aanname een omgevingsvergunning weigeren is niet de juiste weg om te op voorkomen dat er in de toekomst mogelijk strijdig gebruik zal plaatsvinden. Handhaving is daartoe de geëigende weg. breiden
Verzoek: Namens
reclamant verzoek ik u om
omgevingsvergunning
met
nummer
het besluit tot het weigeren ODR2106989
van
van
3 mei 2023 te
de
gevraagde vernietigen. Voorts
verzoek ik u namens reclamant het college op te dragen een nieuw besluit te nemen en daarbij alle relevante aspecten te betrekken. Tevens verzoek ik u namens reclamant het
college te veroordelen
in de
proceskosten.
Hoogachtend,
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) Advies Adviseur
bedrijfsontwikkeling
NB. Tot op heden is de beslissing op de aanvraag nog niet gepubliceerd. Wij vragen ons daarom af of de beroepstermijn formeel al wel gestart is. Om geen risico te nemen dienen dit
beroep
al wel in binnen
zes
weken
na
de
bekendmaking
aan
reclamant.
Bijlagen: Volgens inventarislijst
door Vergunningen
Bestemmingsplannen
Subsidies
wij
0828 2235
13