CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Begroting 2024 tbv zienswijze gemeenten

Gemeenteraad 29 juni 2023, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Ontwerpbegroting 202425.076 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wat gaan we daarvoor doen?

Evenals voorgaande jaren richten we ons binnen de bedrijfsvoering op het verhogen van onze bedrijfsefficiency en het verkleinen van de bedrijfsvoeringsrisico's. Dat willen we onder meer bereiken door een effectieve en flexibele organisatie en informatiehuishouding te creëren. Dan gaat het bijvoorbeeld om de optimalisatie van processen en systemen. De behoefte van de inwoners staat daarbij voorop. Daarnaast ervaren we steeds meer en steeds complexere wettelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op onze bedrijfsvoering. Voorbeelden hiervan is wetgeving ten aanzien van inkoop en aanbesteden, arbeidsrecht (WNRA, WAB), vennootschapsbelasting, informatiebeheer en -beveiliging. Om aan alle eisen te voldoen, risico’s te beheersen en continuïteit te waarborgen, moeten we investeren in onze bedrijfsvoering. Die willen we robuuster inrichten. Dit doen we door het harmoniseren, beschrijven, automatiseren en digitaliseren van bedrijfsprocessen en systemen. Dankzij mobiele apparatuur als boordcomputers, tablets en het gebruik van apps streven we ernaar om tijd- en plaats-onafhankelijk te kunnen werken. Tegelijkertijd werken we aan de transparantie en openheid van Avri en verbinding met onze inwoners. Het werken aan een duurzame regio willen wij doen met duurzaam inzetbare medewerkers; gezonde en vitale medewerkers die veilig en met bezieling aan het werk zijn.

We hebben immers elke collega nodig. We zetten de komende jaren in op de volgende thema's: Vitaliteit: we gaan door met acties om de vitaliteit in de organisatie te vergroten. We willen hierbij vooral het eigenaarschap en initiatieven van medewerkers stimuleren en faciliteren. Strategische personeelsplanning: hiermee willen we de uitdagingen in de arbeidsmarkt aangaan en medewerkers breder en duurzaam inzetbaar maken. De reguliere aanpak past niet meer; er zijn innovatieve oplossingen nodig voor de toekomst.

25

Leren: we vinden het belangrijk dat medewerkers zich blijven ontwikkelen. We willen meer leren in de dagelijkse praktijk en zetten stevig in op scholing. Fouten maken kan: als we er maar van leren. Veiligheid: als werkgever zorgen we voor goede fysieke arbeidsomstandigheden, voldoende opleidings- en ontwikkelmogelijkheden en stimuleren we goede sociale arbeidsomstandigheden, zoals een waarderende cultuur en een reële werkdruk. 8.4 Wat gaat dat kosten? De overhead wordt conform de BBV-voorschriften centraal geraamd. In het overzicht van baten en lasten is de doorbelasting van overheadkosten naar de programma's inzichtelijk gemaakt. Hierin komt ook de meerjarenbegroting tot uitdrukking. Het overzicht van baten en lasten van dit programma is weergegeven in tabel 9.

ALGEMENE BATEN EN LASTEN PER TAAKVELD (x €1.000) Taakveld 0.4 Overhead Doorbelaste overhead naar programma Basispakket Doorbelaste overhead naar programma Pluspakket Doorbelaste overhead naar programma Bedrijfsafval Subtotaal taakveld 0.4 Overhead

2023 7.357 -4.852 -2.201 -304 0

2024 8.299 -5.433 -2.539 -327 0

2025 8.409 -5.489 -2.590 -330 0

2026 8.578 -5.599 -2.642 -337 0

2027 8.749 -5.711 -2.695 -344 0

Taakveld 0.5 Treasury Doorbelaste rentekosten naar programma's Subtotaal taakveld 0.5 Treasury

634 -634 0

469 -469 0

738 -738 0

959 -959 0

902 -902 0

Taakveld 0.9 Vennootschapsbelasting (Vpb) Doorbelaste Vpb naar programma Bedrijfsafval Subtotaal taakveld 0.9 Vennoorschapsbelasting

51 -51 0

22 -22 0

21 -21 0

20 -20 0

19 -19 0

Saldo van baten en lasten

0

0

0

0

0

Taakveld 0.10 Mutaties reserves

0

0

0

0

0

Resultaat na bestemming

0

0

0

0

0

Tabel 9: Meerjarenbegroting programma Algemene baten en lasten Taakveld 0.4 Overhead De kosten van de centrale bedrijfsvoering (‘overhead’) nemen met 16% toe ten opzichte van 2023. Autonome prijsstijgingen zijn de belangrijkste oorzaak. Een voorbeeld is de forse loonstijging door de cao 2023. In de voorgaande jaren hebben we geïnvesteerd in interne beheersing van de organisatie, anticiperend op de nieuwe wet- en regelgeving (rechtmatigheidsverantwoording). Ook hebben we ingezet op een betere en meer effectieve communicatie van Avri met inwoners en gemeenten. Daarnaast blijven we kritisch naar onze overhead kijken. Door deelname aan benchmark-onderzoeken van de branchevereniging NVRD blijven we onderzoeken waar besparingsmogelijkheden liggen ten aanzien van de overheadkosten. De overheaduitgaven zijn in voorliggende begroting verwerkt. In tabel 10 is de opbouw van de overhead weergegeven en afgezet tegen de begroting 2023. De overhead bedraagt 14% van de begroting van Avri. OVERHEAD Personeelskosten formatie Ondersteuning door derden Kapitaallasten Overige ICT budgetten Communicatie budgetten Huisvestingskosten Algemene kosten Totaal overhead bruto -/- incidentele dekking door reserves en voorzieningen Totaal overhead netto

2023 4.498 976 60 185 173 732 513 7.137 0 7.137

2024 5.519 961 117 180 155 745 622 8.299 0 8.299

Verschil 1.021 -15 57 -5 -18 13 109 1.162 0 1.162

Tabel 10: Overhead taakveld 0.4 Het financiële model voor de toerekening van indirecte kosten is gebaseerd op (de verhouding van) verwachte productie-uren. Op basis van deze verdeelsystematiek wordt aan de programma's Basispakket, Pluspakket en Bedrijfsafval respectievelijk 66%, 30% en 4% van de totale Overhead 0.4 toegerekend. De totalen van dit programma komen terug in hoofdstuk 16: het totaaloverzicht van baten en lasten (hoofdstuk 16).

26

De overhead is verdeeld in (Avri-brede) concernoverhead en afdelingsspecifieke overhead per werkproces. Op verzoek van de IBOR-gemeenten wordt de toerekening van overhead binnen het programma Pluspakket ook per DVO-gemeente inzichtelijk gemaakt. Zodoende kan de ontwikkeling van de overhead en de consequenties daarvan voor de uitvoeringsbudgetten 2023 van de gemeenten tijdig worden besproken. De IBOR-gemeenten kunnen – net als de andere gemeenten – in hun rol als deelnemer/eigenaar van Avri in het GR-begrotingsproces eventueel een zienswijze hieromtrent indienen. 8.5

Taakveld 0.5 Treasury

In het BBV is voorgeschreven dat de rentekosten aan de taakvelden moeten worden toegerekend met behulp van een (rente)omslag. Deze rentesystematiek werd ook in eerdere begrotingen toegepast en de rentekosten maken (op basis van de BBV-notitie rente) integraal onderdeel uit van de kosten van het taakveld. Het toerekenen van rente aan de taakvelden vindt plaats via het taakveld Treasury. De langlopende leningen van Avri bedragen circa € 37 miljoen, de bijbehorende rentelast is begroot op € 737.000. Het renteomslag percentage is gebaseerd op de boekwaarde van de activa (€ 37,1 miljoen) en bedraagt 2%. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 11: Financiering. Taakveld 0.9 Vennootschapsbelasting Vanaf 1 januari 2016 moeten overheidsbedrijven vennootschapsbelasting (Vpb) afdragen over winstgevende activiteiten. Met deze wet wil de regering mogelijke concurrentieverstoringen tussen private en publieke ondernemingen uit de weg ruimen. De activiteiten die betrekking hebben op de inzameling en verwerking van bedrijfsafval zijn onderhevig aan deze wetgeving en leiden dus tot betaling van vennootschapsbelasting. Ook de activiteiten in het Pluspakket, waarbij geen verrekening met de gemeente is overeengekomen, vallen onder de Vpb-plicht. Avri treedt hier op als marktpartij.

In de begroting van het Pluspakket wordt tegen kostprijs gewerkt, waardoor er geen resultaat wordt verwacht (en er geen Vpb wordt afgedragen). 8.6

Beleidsindicatoren

Als gevolg van de vernieuwde regels voor verslaggeving (BBV) is het verplicht om beleidsindicatoren in de programmaverantwoording op te nemen. Voor Avri zijn de beleidsindicatoren ‘externe inhuur’ en ‘overhead’ (afgezet tegenover het begrotingstotaal) relevant. BELEIDSINDICATOREN Externe inhuur Percentage kosten van totale loonsom Overhead Percentage overhead van totale lastenomvang

2023 5% 13%

2023 4% 14%

Tabel 11: Beleidsindicatoren programma Algemene baten en lasten

27

PARAGRAFEN

28

9

LOKALE HEFFINGEN

9.1 Inleiding De gemeenschappelijke regeling Avri is verantwoordelijk voor de afvalstoffenheffing van de acht deelnemende gemeenten. De gemeenschappelijke regeling Belasting Samenwerking Rivierenland (BSR) verzorgt voor GR Avri de belastingaanslagen en de inning daarvan. 9.2 Ontwikkeling van de gemiddelde tarieven afvalstoffenheffing In onderstaande tabel is de ontwikkeling van het gemiddelde tarief afvalstoffenheffing ten opzichte van 2023 toegelicht.

Tabel 12: Ontwikkeling tarief afvalstoffenheffing per 2024 Uit de tabel blijkt per 2024 een stijging van 7,9% van de gemiddelde afvalstoffenheffing met € 25 naar € 342. Die wordt met name veroorzaakt door de marktontwikkelingen. Er is sprake van autonome prijsstijgingen, veroorzaakt door de forse loonstijging (cao 2023), gestegen brandstofprijzen en hogere onderhoudskosten. Voertuigen worden langer gebruikt omdat de levering van nieuwe voertuigen is vertraagd en we zien hogere kosten voor onderhoudscontracten voor nieuwe voertuigen. Helaas ontkomen we door deze macro-economische ontwikkelingen niet aan een stijging van de afvalstoffenheffing, maar het percentage van 7,9% ligt onder de inflatie. Over de ontwikkeling van de milieustraten zijn verkennende gesprekken gevoerd met het Algemeen Bestuur. We zien structureel een toename van het aantal bezoekers en een groei van het aanbod van gescheiden afvalstromen. Om te garanderen dat het dienstenpakket van Avri uitgevoerd kan worden, is het noodzakelijk de personele bezetting voor de milieustraten en de inzameling uit te breiden. Daarnaast moeten we beter kunnen anticiperen op wijzigingen in het aanbod van afval- en grondstofstromen. Inmiddels zijn de nodige voorbereidingen gedaan. Wij streven er naar om nog in 2023 een eerste visie op de ontwikkeling van de milieustraten aan het AB voor te leggen.

Met deze begroting wordt een investeringskrediet gevraagd. Het effect op de afvalstoffenheffing komt vanaf 2025 tot uitdrukking. In grafiek 7 is de tariefontwikkeling van de afgelopen en komende jaren uiteengezet en afgezet tegen het (verwachte) landelijk gemiddelde (t/m 2022, bron: COELO)2. Ondanks de stijging komt het tarief van Avri ook in 2024 niet boven de verwachte gemiddelde afvalstoffenheffing van Nederland uit. Landelijk is in 2018-2022 de heffing gemiddeld 6,2% per jaar gestegen. Een meerpersoonshuishouden betaalde in 2022 gemiddeld € 317 euro. Dat is gelijk aan het gemiddelde tarief 2023 in het Avri-gebied.

2

basistarief 2023; € 287 per huishouden

29

Grafiek 7: Tariefontwikkeling afvalstoffenheffing 2010-2027 In meerjarig perspectief voor Nederland gaan we uit van een gemiddelde jaarlijkse stijging van de afvalstoffenheffing met 5% per jaar. De gemeentelijke woonlasten zijn de afgelopen vier jaar meer dan 4% per jaar gestegen. De afvalstoffenheffing steeg gemiddeld met 6,2% per jaar. Dit bleek uit het rapport Ontwikkeling gemeentelijke woonlasten 2018-2022, dat in maart 2022 verscheen. Door te blijven investeren in het beter scheiden van afval door inwoners, verwachten we stabilisatie van het aanbod van grondstoffen door inwoners. Gemiddeld genomen zijn grondstofvergoedingen de afgelopen jaren gedaald, waardoor de afvalstoffenheffing een steeds groter aandeel van de (meer beïnvloedbare en constante) uitvoeringskosten dekt. Via het programma GRIP werken we ook binnen de bedrijfsvoering aan het realiseren van meer prijsstabiliteit.

9.3

Uitgangspunten bij tarieven afvalstoffenheffing

Ontwikkeling areaal; aantal huisaansluitingen Het aantal geregistreerde huisaansluitingen volgt de meerjarige ontwikkeling van het aantal huishoudens volgens de meest recente cijfers van Belastingsamenwerking Rivierenland. Hierin wordt uitgegaan van een autonome groei van het aantal huisaansluitingen met 1,2% per jaar (gemiddelde autonome groei van de afgelopen vijf jaar). Vanwege de economische omstandigheden wordt daarnaast een groei van het aantal kwijtscheldingen verwacht van 0,05% per jaar. Per saldo groeit het aantal betalende huishoudens met circa 700 aansluitingen per jaar. Gemiddeld aantal aanbiedingen restafval De aanbiedingen restafval zijn gebaseerd op ervaringscijfers van het huidige afvalbeleid. De aanbiedgemiddelden liggen lager dan bij de invoering werd verwacht. We hebben nog steeds te maken met huishoudens waarbij geen aanbod van restafval is geregistreerd (zgn. ‘0-aanbieders’). Deze inwoners bieden het restafval op alternatieve wijze aan om betaling te voorkomen. Ook zien we dat het aanbod in een 30 liter-zak gemiddeld geen 4 maar 5 kg is. Dit betekent dat er verhoudingsgewijs meer afval moet worden verwerkt per aanbieding. Ook het verschil in aanbod bij hoogbouw ten opzichte van laagbouw is groot. Dat is te verklaren doordat bij hoogbouw GFT niet apart gescheiden kan worden. In de begroting 2021 zijn de aanbiedgemiddelden hierop bijgesteld.

Deze worden in de begroting 2024 gehandhaafd.

30

BATEN EN TARIEVEN AFVALSTOFFENHEFFING Aantal huishoudens Geregistreerde huishoudens Kwijtschelding Vernietiging, ontheffing etc. Betalende huishoudens % b etalende huishoudens

2022

2023

2024

2026

2027

102.064 -3.738 -2.386 95.940 94,0%

103.365 -4.135 -3.101 96.129 93,0%

104.187 -4.167 -3.126 96.894 93,0%

106.871 -4.809 -3.206 98.856 92,5%

108.239 -4.871 -3.247 100.121 92,5%

Gemiddeld aantal aanbiedingen restafval 30 ltr. (brengvoorziening) hoogbouw en stadscentra 30 ltr. (brengvoorziening) 60 ltr. (brengvoorziening) 140 ltr. (mini container) 240 ltr. (mini container)

38 19

35 17

35 17

35 17

35 17

5,4 6,4

5,4 6,4

5,4 6,4

5,4 6,4

5,4 6,4

Tarieven Basistarief Toeslag basistarief per extra mini container restafval

€ 279 € 50

€ 292 € 50

€ 317 € 50

€ 341 € 50

€ 353 € 50

Variabel tarief: aanbieding 30 ltr.(hoogbouw) Variabel tarief: aanbieding 30 ltr. (laagbouw)

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

Variabel tarief: aanbieding 140 ltr. (mini container) Variabel tarief: aanbieding 240 ltr. (mini container)

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

Baten afvalstoffenheffing (x € 1.000) Bruto baten afvalstoffenheffing Kwijtschelding Netto baten afvalstoffenheffing

30.441 -1.144 29.297

31.776 -1.258 30.518

34.431 -1.367 33.064

37.899 -1.691 36.208

39.553 -1.767 37.785

Kostendekkendheid tarief afvalstoffenheffing (x € 1.000) Netto baten afvalstoffenheffing Kosten van het basispakket Kostendekkendheid tarief afvalstoffenheffing

29.297 27.581 106%

30.518 30.518 100%

33.064 33.063 100%

36.208 36.208 100%

37.785 37.786 100%

Gemiddeld tarief afvalstoffenheffing per huishouden

€ 297

€ 317

€ 342

€ 366

€ 377

Tabel 13: Baten afvalstoffenheffing t/m 2027

9.4

Inrichting basistarief en variabele tarieven

Het gemiddelde, kostendekkende tarief afvalstoffenheffing bedraagt € 342 per huishouden. De afvalstoffenheffing bestaat sinds 2014 uit een basistarief en variabele tarieven (tarief per aanbieding restafval van de diverse aanbiedvolumes). Het variabele tarief betalen inwoners bij elke keer dat het restafval wordt aangeboden, het basistarief één keer per jaar samen met de andere lokale belastingen. In voorliggende begroting gaan we uit van gelijkblijvende variabele tarieven van € 1 per 30 liter aanbieding (Overige aanbiedvolumes naar rato). We verwachten minder aanbiedingen dan in 2023, door het apart inzamelen van incontinentiemateriaal. Dit betekent dat de gemiddelde kostenstijging per 2024 wordt gedekt door een stijging van het basistarief met € 25 naar € 3173. Die gaat gepaard met een verlaging van de gemiddelde variabele opbrengst met € 5. Dit is een gevolg van het gescheiden inzamelen van incontinentiemateriaal voor een aantal gemeenten. Het aantal aanbiedingen van restafval via de ondergrondse brengvoorziening is daardoor lager geworden. Het gemiddeld tarief afvalstoffenheffing per huishouden stijgt daarmee met € 25 naar € 342. De verhouding van het basisdeel en variabele deel komt hiermee op 93%-7%. Dit betekent dat gemiddeld 7% van de afvalstoffenheffing beïnvloedbaar is door het scheidingsgedrag van huishoudens.

Door de variabele tarieven te handhaven, streven we naar verdere prijsstabiliteit voor de inwoners. De hoogte van de variabele tarieven is dekkend voor de variabele kosten voor de inzameling en verwerking van het restafval. Dit betekent dat er geen prijsrisico wordt gelopen, wanneer het daadwerkelijke aanbiedgedrag afwijkt van de begroting. Door handhaving van de variabele tarieven worden de financiële risico’s niet vergroot. Dit is wenselijk, omdat Avri onvoldoende financiële weerstand heeft. Het handhaven van de variabele tarieven voor restafval betekent dat de prijsprikkel voor inwoners niet wordt vergroot. Dat zou namelijk een toenemend risico geven op vervuiling van grondstoffen. De komende jaren zetten we in op de kwaliteit van ingezamelde grondstoffen, en niet primair op verdere reductie van de hoeveelheid 3

basistarief 2023; € 292 per huishouden

31

restafval. Zo willen we de maatschappelijke kosten van vervuiling en afvaltoerisme – vertaald in de afvalstoffenheffing – terugdringen. De tarieven worden definitief vastgesteld bij de wijziging van de Verordening Afvalstoffenheffing Avri in december 2023. In bijlage 4 zijn twee alternatieve scenario’s opgenomen voor de inrichting van de variabele tarieven. 9.5

Opslagen op basistarief

Gemeenten kunnen ervoor kiezen opslagen te hanteren op het basistarief van de afvalstoffenheffing. Gemeenten hebben die mogelijkheid (binnen de wettelijke kaders) voor dekking van kosten die verband houden met de diensten voor inzameling en verwerking van huishoudelijke afvalstoffen. Deze diensten maken geen onderdeel uit van het uniforme Basispakket van Avri. 9.5.1 Verwijderen zwerfafval Een aantal regiogemeenten hanteert een opslag op het basistarief van de afvalstoffenheffing ter dekking van de kosten voor het verwijderen van zwerfafval dat ontstaat tijdens de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Avri maakt geen kosten voor het verwijderen van zwerfafval en deze opbrengsten maken daarom geen onderdeel uit van de begroting van Avri. De opbrengsten worden door Avri ontvangen van BSR en jaarlijks aan de betreffende gemeenten doorbetaald. Het opslagtarief wordt jaarlijks door de gemeenten bepaald en is opgenomen in de tarieventabel behorende bij de Verordening Afvalstoffenheffing Avri. 9.5.2 Gescheiden inzameling incontinentiemateriaal Gemeenten kunnen ervoor kiezen de kosten van gescheiden inzameling van incontinentiemateriaal te dekken met een opslag in de tarieven afvalstoffenheffing.

In de begroting 2024 van Avri is rekening gehouden met de gescheiden inzameling van incontinentiemateriaal in alle gemeenten, omdat naar verwachting alle gemeenten besluiten tot het gescheiden inzamelen van incontinentiemateriaal. In het AB van juli 2023 wordt besloten of deze plustaak eventueel een basistaak wordt. 9.6

Kostendekkendheid tarieven afvalstoffenheffing

Conform de wet- en regelgeving is het uitgangspunt dat de gemiddelde tarieven voor de dienstverlening in het programma Basispakket op begrotingsbasis niet meer dan 100% kostendekkend zijn. In tabel 14 is de kostendekkendheid gepresenteerd. Hieruit blijkt dat de tarieven niet meer dan 100% kostendekkend zijn. KOSTENDEKKENDHEID AFVALSTOFFENHEFFING (x €1.000) Lasten taakveld 7.3 Afval Inkomsten taakveld 7.3 Afval Mutatie voorzieningen Basispakket Netto kosten taakveld 7.3 Afval

2023 25.814 -4.706 1.226 22.334

2024 27.547 -4.753 1.340 24.134

2025 28.899 -4.334 1.000 25.565

2026 30.330 -4.158 1.000 27.172

2027 31.666 -3.996 1.000 28.670

Overhead BTW Kwijtscheldingen Totale kosten Basispakket

4.687 3.497 1.258 31.776

5.433 3.817 1.381 34.764

5.489 4.192 1.645 36.891

5.599 4.424 1.739 38.934

5.711 4.641 1.827 40.849

Baten afvalstoffenheffing

31.776

34.765

36.891

38.934

40.849

Kostendekkendheid

100%

100%

100%

100%

100%

Tabel 14: Kostendekkendheid afvalstoffenheffing 9.7

Opslag btw-compensatie

Gemeenten maken gebruik van de mogelijkheid om de btw (21%), die Avri in rekening brengt bij de gemeenten, te compenseren bij het btw-compensatiefonds. Hiervoor paste Avri een opslag toe van 13,5% van de kosten van het Basispakket. In het AB van 16 februari 2023 is besloten het BTW aandeel in de afvalstoffenheffing ‘vast te klikken’ op een vast bedrag van € 3.497.124 en daarmee het percentage langzaam terugbrengen tot het mengpercentage, passend bij de actuele BTW-druk. Deze opslag bedraagt voor 2024 11,8% en leidt (na verrekening met het btwcompensatiefonds) tot een voordeel voor de gemeenten. De compensabele btw mag volledig als kosten worden doorberekend aan de burgers via de afvalstoffenheffing. Elk percentage tussen 0% en 21% kan worden gehanteerd. Een hoger percentage dan het huidig opslagpercentage van 11,8% resulteert in een voordeel voor de gemeente ten koste van de afvalstoffenheffing. Een lager percentage levert een lagere afvalstoffenheffing op voor de burger maar ook een lagere opbrengst in de gemeentebegroting. De hoogte van de afvalstoffenheffing is dus te beïnvloeden door deze opslag.

32

9.8

Kwijtscheldingen

Het Algemeen Bestuur van GR Regio Rivierenland heeft in haar vergadering van 12 december 2012 de kwijtscheldingsregeling 2012 (met terugwerkende kracht) vastgesteld waarin; • De kosten van bestaan worden gesteld op 100% van de normuitkering als bedoeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; • Is bepaald dat ten aanzien van pensioengerechtigde personen niet de bijstandsnorm, maar de AOW-norm wordt gehanteerd; • Is bepaald dat kwijtschelding voor ondernemers (voor zover het heffingen in de privésfeer betreffen) mogelijk is; • Is bepaald dat bij de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding mede rekening wordt gehouden met de kosten van kinderopvang. Naast deze algemene beleidsregels is in artikel 9 van de Verordening Afvalstoffenheffing Avri de onderstaande bepaling voor kwijtschelding van de afvalstoffenheffing van kracht. Deze uitgangspunten zijn vastgesteld in het AB van december 2019 en verwerkt in deze begroting. Om de afvalscheiding ook onder deze groep bewoners te bevorderen, is het maximum bedrag van kwijtschelding op het variabele tarief naar beneden bijgesteld. Hiermee is er een betere verhouding tussen de hoogte van de kwijtscheldingen en de werkelijke gemiddelde inworpen/aanbiedingen restafval.

Bij de invordering van de afvalstoffenheffing komt het vaste tarief van de afvalstoffenheffing (zoals bepaald in hoofdstuk 1 van de tarieventabel) voor kwijtschelding in aanmerking.

33

10

WEERSTANDSVERMOGEN EN RISICOBEHEERSING

10.1 Inleiding De paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing biedt inzicht in het risicomanagement binnen Avri. Het beschrijft op welke wijze risicomanagement als vast proces binnen de bedrijfsvoering wordt toegepast en verankerd. Ook geeft deze paragraaf inzicht in het risicoprofiel van Avri en de bijbehorende weerstandscapaciteit en -ratio. Het uitgangspunt vormt de Nota risicomanagement en weerstandsvermogen 2017, die in februari 2017 door het Algemeen Bestuur werd vastgesteld. De weerstandscapaciteit is verder uitgewerkt in de Nota reserves en voorzieningen 2017 van Avri. 10.2 Ontwikkeling financiële risico's In deze paragraaf is voor ieder programma de ontwikkeling van het risicoprofiel weergegeven. Het actualiseren van het risicoprofiel is van belang gezien de grilligheid van de begroting en het geringe weerstandsvermogen de afgelopen jaren. In tabel 15 zijn de risico's per programma weergegeven. Het risicoprofiel uit de jaarstukken 2022 (peildatum 31-12-’22) is verwerkt in de begroting. De ontwikkeling van elk financiële risico geeft een indicatie van de eventuele financiële gevolgen voor Avri, als een risico daadwerkelijk optreedt. De inschatting van het financiële risico geldt voor het begrotingsjaar 2024.

ONTWIKKELING FINANCIELE RISICO'S ( * €1.000) Basispakket 1 Verkoop gebulkt materiaal 2 Prijsontwikkeling op de afvalmarkt 4 Faillissement van verwerkers 5 Betaling afvalstoffenheffing 6 Onzeker doelvermogen voor nazorg stortplaats 8 Data Registratie GSL 10 Chemische vervuiling of grondwatervervuiling 11 Avri Realisatie B.V. en Solar B.V. 12 Inzet medewerkers Afvalbeheer 14 Onzekerheid scheidingsgedrag huishoudens 17 Vervuiling van aangeboden grondstoffen 19 Vergoeding kunststof verpakkingen 23 Geschil met verwerker PMD's 24 Brandstofprijzen 25 CAO verhoging 2023 Totaal Basispakket

jaarrekening 2022

begroting 2024

Verschil Jaarrekening - begroting 2024

29 242 133 120 4.710 15 140 29 349 225 330 459 603 120 498 8.001

29 242 133 120 4.710 15 140 29 349 225 330 459 603 120 0 7.503

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 -498 -498

Pluspakket 13 Risico's uitvoering pluspakket activiteiten 24 Brandstofprijzen Totaal Pluspakket

75 25 100

75 25 100

0 0 0

Bedrijfsafval 2 Prijsontwikkeling op de afvalmarkt 4 Faillissement van verwerkers 12 Inzet medewerkers Afvalbeheer 24 Brandstofprijzen Totaal Bedrijfsafval

37 7 20 40 64

37 7 20 40 104

0 0 0 0 0

736

830

132

736

830

132

8.901

8.537

-366

Bedrijfsvoering 1 Gekwantificeerde risico's (10% taakveld 0.4) Totaal Bedrijfsvoering Totaal alle programma's

Tabel 15: Ontwikkeling financiële risico's Avri

34

De ontwikkeling van elk financiële risico geeft een indicatie van de eventuele financiële gevolgen voor Avri, als een risico daadwerkelijk optreedt. De inschatting van het financiële risico geldt voor het begrotingsjaar 2024. 10.3 Toelichting grootste en gewijzigde risico’s Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de grootste risico’s (> € 500.000) of gewijzigde risico’s ten opzichte van de jaarstukken 2022. 6 - Onzeker doelvermogen voor nazorg stortplaats; risico ongewijzigd De provincie en Avri hebben in december 2020 een bestuurlijk akkoord gesloten voor uitstel van de overdracht van de stortplaats van Avri. Dit akkoord heeft als doel om de kortetermijneffecten voor de gemeenten te verminderen. Die waren ontstaan door het besluit van Provinciale Staten in oktober 2020 om de rekenrente te verlagen. Kernpunt in dit bestuurlijk akkoord is de uitstel van het moment van overdracht voor onbepaalde tijd. In 2031 besluit de provincie na overleg met de Avri-gemeenten over het overdrachtsmoment. Tot dat moment zijn alle risico’s (zowel technisch als financieel) voor rekening van Avri. Hierbij is ook afgesproken om jaarlijks overleg te voeren over de technische en juridische aspecten van de nazorg, zowel bestuurlijk als financieel. Het geeft partijen de tijd voor implementatie van maatregelen die een efficiënte nazorg waarborgen.

Ook is er tijd om de benodigde financiële middelen op te bouwen. Het akkoord stelt de gemeenten bovendien in staat tijdig te anticiperen op de ontwikkelingen en invloed uit te oefenen op de besluitvorming. Bij de overdracht moeten voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. In de tijd gezien zijn verschillende uitgangspunten en parameters voor de bepaling van dit doelvermogen onzeker. Daardoor blijft de mogelijkheid bestaan dat er te weinig doelvermogen is opgebouwd op de nog nader te bepalen overdrachtsdatum. Er kunnen echter ook positieve effecten zijn, zoals een langere vervangingstermijn van toegepaste materialen of hogere beleggingsrendementen van het nazorgfonds. Al deze zaken zijn van invloed op het benodigde vermogen. De stortplaats wordt al meerdere jaren intensief gemonitord en onderhouden. De technische risico’s (zoals ongelijke ‘zetting’ en percolaatvorming) beschouwen we daarom als beheersbaar. Daarbij moet opgemerkt worden dat toekomstige (wettelijke) ontwikkelingen altijd van invloed kunnen zijn op de nazorgkosten. Avri loopt bij de opbouw van het toekomstig doelvermogen meerdere financiële risico’s. Deze risico’s/onzekerheden zijn niet te beïnvloeden, omdat de provincie autonoom bevoegd is te besluiten over de uitgangspunten. Daaronder ook het overdrachtsmoment, dat na overleg met de Avri-gemeenten wordt bepaald.

We verwachten dat in 2031 het moment van overdracht kan worden vastgesteld door de Provinciale Staten. Rekening houdend met de reële doorlooptijd van het (deels juridisch) sluitingsproces en contractuele afspraken, gaan we voor de inschatting van de risico’s uit van de vroegst mogelijke overdracht per 2034. Wij rekenen echter op overdracht per 2044 en voor de opbouw van het doelvermogen gaan we daar ook vanuit. Naar verwachting zal het nazorgfonds vóór het beslismoment in 2031 nog een studie uitvoeren voor actualisatie van de rekenrente. Die heeft de meeste invloed op het doelvermogen. Op dit moment is onzeker of de rente stijgt of daalt, hoe de beleggingsmix zich gaat ontwikkelen en welk effect deze wijzigingen vervolgens hebben. Dat kan zowel positief als negatief zijn. In 2022 heeft het rendement zich bijzonder negatief ontwikkeld. Er is nog geen definitieve jaarrekening van het nazorgfonds en daarmee ook nog geen definitief rendementspercentage over 2022. Op basis van de laatste berichten van de provincie houden we rekening met een negatief rendement van 10%. Om deze reden is er in 2022 € 826.000 in de voorziening stortplaats gedoteerd, ten laste van het jaarrekeningresultaat. Een andere belangrijke ontwikkeling in 2022 was het verschijnen van het landelijk eindrapport ‘Rekenrente nazorgfondsen stortplaatsen’.

Dit rapport is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opgesteld en bevat adviezen over het vormen van een landelijk nazorgfonds en de te hanteren systematiek voor het bepalen van de rekenrente. Het rapport is definitief en in IPO-verband wordt hier inmiddels over gesproken. Naar verwachting wordt hier in het eerste kwartaal 2023 over besloten. Uit het rapport wordt duidelijk dat de provincie Gelderland het risico eenzijdig bij de stortplaatshouders neerlegt. De adviezen in het rapport zouden voor het doelvermogen en het risicoprofiel heel gunstig uitpakken. Momenteel vinden er besprekingen plaats tussen de provincies en het Rijk, over de positie van het Rijk. Als het Rijk bereid is om bij calamiteiten als vangnet te dienen, zijn naar verwachting veel bezwaren van de provincies weggenomen. Dan staat niets de vorming van een landelijk fonds meer in de weg. Uit het rapport blijkt dat er meerdere varianten voor het bepalen van de rekenrente mogelijk zijn. De meest ongunstige variant uit het rapport geeft een rekenrente die ligt boven de huidige rekenrente van de provincie Gelderland. Gelderland hanteert een rekenrente van 3,1%. De laagste variant uit het rapport komt uit op 3,45%. Daarom hebben wij deze rekenrente van 3,45% opgenomen in de berekeningen voor het doelvermogen. Daarnaast hebben we het risicoscenario voor een lagere rekenrente aangepast.

De kans dat er een lagere rekenrente komt, is met het verschijnen van dit rapport sterk gedaald. Naast een hogere rekenrente hebben we in 2022 de inflatie in het rekenmodel verhoogd naar 1,87%. De basis voor dit inflatiecijfer is de gemiddelde jaarlijkse inflatie (over de periode 1-1-2014 naar 1-1-2022) waar rekening

35

mee wordt gehouden in het Rinasmodel. Dat model wordt landelijk gebruikt voor berekening van het doelvermogen. De hogere inflatie heeft een sterk negatief effect op het te bereiken doelvermogen. Op basis van de geactualiseerde uitgangspunten wordt in 2044 € 12,6 miljoen doelvermogen opgebouwd. Bij deze geleidelijke opbouw is per 2034 een bedrag van € 9,0 miljoen beschikbaar. Voor de bepaling van de financiële risico’s zijn met het Rinasmodel meerdere scenario’s berekend. De scenario’s gaan er vanuit dat één of meer punten afwijken van de huidige uitgangspunten van Avri en eventuele overdracht per 2034; • Bij een tussentijdse verlaging van de rekenrente naar bijvoorbeeld 2,5% (overige uitgangspunten ongewijzigd) neemt het doelvermogen bij overdracht in 2034 toe tot naar schatting € 46 miljoen. Dan bedraagt het tekort in het opgebouwd vermogen dus € 37 miljoen. • Uitgaande van alle provinciale uitgangspunten zou een verlaging van de rekenrente naar 2,5% zelfs leiden tot een doelvermogen van circa € 55,6 miljoen per 2034. Dan bedraagt het tekort in het opgebouwd vermogen dus € 46,6 miljoen. De kans dat de rente bij de volgende studie wordt verlaagd en in welke mate is op dit moment niet duidelijk. In het bestuursakkoord is afgesproken om jaarlijks de ontwikkelingen en verwachtingen voor de komende jaren te bespreken.

Dit stelt de gemeenten in staat om samen met de provincie te anticiperen op deze ontwikkelingen. De kans dat de genoemde uiterste effecten zich gaan voordoen wordt op dit moment als zeer klein ingeschat. Op basis van het landelijk rapport over de rekenrente hebben we de ingeschatte kans hierop verlaagd van 10% naar 5%. Er zijn de komende jaren ook ontwikkelingen mogelijk die een positief effect kunnen hebben op het doelvermogen. Voorbeelden zijn lagere nazorgkosten door technische ontwikkelingen, hogere beleggingsrendementen van de provincie of een hogere rekenrente. Rekening houdend met de diverse risicoscenario’s en de actuele inschatting van de kans dat deze zich voordoen, bedraagt het gekwantificeerd risico in de jaarrekening (maart 2022) € 4,7 miljoen, op basis van de toe te passen kans x effect-methode. Dit is € 2,1 miljoen lager dan in 2021. De daling heeft twee oorzaken. Enerzijds wordt met de hogere ingerekende inflatie het effect van een hogere inflatie verkleind. Anderzijds is de kans op verlaging van de rekenrente naar 2,5% gedaald, als gevolg van het verschijnen van het landelijk rapport Rekenrente. In voorliggende begroting is wederom € 1 miljoen toegevoegd aan de voorziening Basispakket, ter dekking van het risico dat het doelvermogen bij overdracht nadelig afwijkt van de opgenomen voorziening.

In paragraaf 10.4, over het weerstandsvermogen, wordt het effect hiervan zichtbaar. 12 – Inzet medewerkers uitvoering; risico ongewijzigd De arbeidsmarkt lijkt steeds krapper te worden. Ook voor uitzendbureaus is het steeds moeilijker om gekwalificeerd personeel te vinden. Op deze arbeidsmarkt is het ook steeds makkelijker voor personeel om over te stappen naar een andere werkgever. Als oplossing vergroten we onze vaste schil aan mensen en verkleinen we de flexibele schil. We bieden medewerkers de nodige opleidingen aan om hen breed inzetbaar te maken. Daarnaast kijken we ook naar de arbeidsvoorwaarden om bestaande medewerkers te behouden. Bij de IBOR-teams maken we veel gebruik van medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt. Door gewijzigde wetgeving zien we al jaren dat de instroom bij beschut werk afneemt, maar de uitstroom op peil blijft (pensionering, doorstromen naar regulier/ander werk). Sinds dit jaar is daarbij gekomen dat mensen eerder met pensioen kunnen (gewijzigde wetgeving). Hierdoor is de uitstroom versneld en voorzien we bij IBOR de komende jaren personeelskrapte. Dat dwingt ons tot keuzes in ons takenpakket. Al met al zorgt deze situatie voor een steeds hogere werkdruk bij de bestaande bezetting, met een evenredig toegenomen risico op ziekteverzuim.

14 - Onzekerheid scheidingsgedrag huishoudens; risico ongewijzigd In 2022 zijn de eerste stappen gezet in communicatie en voorlichting. Doordat de afvalcoaches pas laat in 2022 zijn geworven is de inzet van die medewerkers pas laat op gang gekomen. We blijven ook komende jaren inzetten op communicatie en voorlichting. Dat moet leiden tot het beter scheiden van grondstoffen. 17 - Vervuiling van aangeboden grondstoffen; risico ongewijzigd Uit sorteerproeven blijkt dat de vervuiling van GFT toeneemt. Overigens is er ook landelijk een forse stijging vervuiling GFT te zien. We zitten inmiddels op de grens van de landelijk vastgestelde norm. Dat maakt de kans op afkeur groot. We blijven inzetten op communicatie en voorlichting, mede door de afvalcoaches. Minder vervuiling is het doel. De effecten hiervan worden pas vanaf 2024 zichtbaar. 19 – Vergoeding kunststof verpakkingen; risico ongewijzigd De vervuiling in kunststof verpakkingen neemt landelijk sterk toe. De vergoedingen van het Afvalfonds worden vastgesteld op basis van deze landelijke vervuilingscijfers. Daarmee ontstaat het risico dat het Afvalfonds lagere vergoedingen gaat vaststellen en de PDB-inkomsten dus afnemen. Ook in de regio Rivierenland is de vervuiling

36

van PDB overigens toegenomen. Dit risico was bij de jaarrekening 2021 al opgehoogd, vanwege de mogelijk lagere vergoeding van het Afvalfonds. 23 – Geschil met verwerker PDB; risico ongewijzigd Avri heeft een geschil met de verwerker van het PDB-afval over de afrekening 2017, 2018, 2019 en 2020. Zowel Avri als de verwerker (Veolia) zijn op basis van het afgesloten contract van mening dat er recht is op compensatie door de tegenpartij. Volgens onze berekeningen komen we op een vordering van € 170.000. De verwerker stelt echter dat Avri € 1,2 miljoen moet betalen (tot en met afrekening 2019). In een vergelijkbaar geschil tussen Veolia en Afvalsamenwerking Limburg (ASL) heeft de rechtbank ASL geheel in het gelijk gesteld. Of Veolia in hoger beroep gaat is nog niet bekend. Wel zien wij de kans dat deze zaak in ons voordeel wordt beslecht sterk stijgen. Het risico kan echter nog wel stijgen, aangezien de totale claim vanuit Veolia is gestegen met € 0,7 miljoen, op basis van de aan ons gefactureerde eindafrekening over 2019. 24 – Risico brandstofkosten; risico ongewijzigd De grillige energiemarkt blijft een risico voor de bedrijfsvoering van Avri. Uiteraard worden hogere brandstofprijzen verwerkt in de begroting. De onvoorspelbaarheid van de brandstofprijzen maakt echter dat we hier een risico voor hebben opgenomen.

1 - Gekwantificeerde risico's (10% taakveld 0.4); risico gestegen De begroting 2024 geeft een overhead van € 8.299.000. De algemene bedrijfsreserve Avri heeft op basis van de 10% van de overhead een drempelwaarde van € 830.000. Het huidige en meerjarig voorziene saldo van deze reserve biedt voldoende weerstand om de risico's te dekken.

10.4 Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de gekwantificeerde risico's af te zetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. In de nota risicomanagement wordt de uitkomst gewaardeerd volgens onderstaande waarderingstabel: RATIO WEERSTANDSVERMOGEN Groter dan 2,0 Tussen 1,4 en 2,0 Tussen 1,0 en 1,4 Tussen 0,8 en 1,0 Tussen 0,6 en 0,8 Kleiner dan 0,6

BETEKENIS Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende

Tabel 16: Waarderingstabel weerstandsvermogen De ratio van het weerstandsvermogen wordt bepaald door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen op de gekwantificeerde en geactualiseerde risico's. Het Algemeen Bestuur heeft de gewenste weerstandsnorm vastgesteld op 'voldoende'. Dit betekent dat de beschikbare weerstandscapaciteit factor 1,0 van de gekwantificeerde risico's moet zijn.

37

jaarrekening 2022

ONTWIKKELING WEERSTANDSVERMOGEN

begroting 2024

Verschil

Basispakket

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

8.001 5.167 0,6 onvoldoende

7.503 6.572 0,9 matig

-498 1.405 0,3

Pluspakket

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

100 268 2,7 uitstekend

100 268 2,7 uitstekend

0 0 0,0

Bedrijfsafval

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

104 688 6,6 uitstekend

104 451 4,3 Uitstekend

0 -237 -2,3

Bedrijfsvoering

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

736 849 1,2 voldoende

830 849 1,0 voldoende

94 0 -0,2

TOTAAL

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

8.941 6.972 0,8 matig

8.537 8.140 1,0 voldoende

-404 1.168 0,2

Tabel 17: Ontwikkeling weerstandsvermogen Avri Weerstandsvermogen Basispakket Omdat de aanvulling van de weerstandscapaciteit voor het Basispakket een directe relatie heeft met de afvalstoffenheffing, is een meerjarige risico-inschatting gemaakt. De uitkomst is zichtbaar in tabel 18. Daaruit blijkt dat het weerstandsvermogen vanaf 2023 weer naar het gewenste niveau groeit. In de meerjarige ontwikkeling is nog geen rekening gehouden met de eventuele nadelige invloed van de CO2-heffing, vanwege de vele onzekerheden rond die heffing. Meerjarige ontwikkeling weerstandsvermogen basispakket (* € 1 mln) Gekwantificeerde risico's (A) Beschikbare weerstandscapaciteit (B) Ratio weerstandsvermogen Betekenis

B/A)

2022 € €

8,0 5,2

€ €

0,6 onvoldoende

2023

2024

2025

2026

2027

7,4 € 6,2 €

7,5 € 6,5 €

7,4 € 7,5 €

7,3 € 8,5 €

7,3 9,5

0,8 matig

0,9 matig

1,0 voldoende

1,2 voldoende

1,3 voldoende

Tabel 18: Meerjarige ontwikkeling weerstandsvermogen In grafiek 7 is de ontwikkeling van het weerstandsvermogen van het Basispakket weergegeven. Daarbij gaan we ervan uit dat de opbouw van het weerstandsvermogen jaarlijks zal plaatsvinden, met de risico-opslag in de afvalstoffenheffing van € 1 miljoen én de jaarlijkse storting van het surplus in de reserve bedrijfsafval. Voor de ontwikkeling van de risico’s gaan we ervan uit dat de risico’s zich grotendeels stabiel ontwikkelen.

38

Grafiek 8: Meerjarige ontwikkeling weerstandsvermogen Grafiek 8 laat zien dat Avri zich binnen enkele jaren al in een situatie bevindt dat de risico’s voldoende zijn afgedekt. Dit geldt als zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen. Daarbij is het belangrijk om te melden dat het risico van de stortplaats hierin is meegenomen op basis van een kans-keer-effect berekening. De risico-opslag in de afvalstoffenheffing is gebaseerd op het scenario dat de overdracht van de stortplaats moet plaatsvinden per 2034. In grafiek 9 is de ontwikkeling van het weerstandsvermogen weergegeven, uitgaande van het risico op directe overdracht van de stortplaats per 2034. Het totale risicoprofiel bestaat dan uit zowel het benodigde doelvermogen van € 15,3 miljoen als de overige risico’s van het Basispakket. In de grafiek wordt duidelijk dat een jaarlijkse aanvulling van de weerstandscapaciteit nodig is om dit scenario te kunnen afdekken. Wanneer de huidige opslag in de tarieven afvalstoffenheffing (€ 12 per huishouden) wordt gehandhaafd t/m 2034 kan het risico op (gedwongen) overdracht op basis van de (huidige) provinciale standpunten worden afgedekt.

Grafiek 9: Meerjarige ontwikkeling weerstandsvermogen (risico=effect)

39

10.5

Kengetallen financiële positie

Het BBV schrijft voor dat decentrale overheden door middel van kengetallen inzicht geven in hun financiële positie. Voor Avri zijn de kengetallen netto schuldquote, de solvabiliteitsratio en de structurele exploitatieruimte van belang. KENGETALLEN 2022 Netto schuldquote 39,2% Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen 39,2% Solvabiliteitsratio 3,8% Structurele exploitatieruimte 5,5%

2023 50,7% 50,7% 2,9% 4,8%

2024 43,9% 43,9% 2,7% 4,1%

2025 46,6% 46,6% 3,1% 3,4%

2026 39,8% 39,8% 3,1% -0,3%

2027 30,0% 30,0% 3,2% -0,2%

Tabel 19: Kengetallen financiële positie Netto schuldquote Dit kengetal geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van Avri ten opzichte van de omzet. Het laat zien in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Avri heeft geen leningen verstrekt, waardoor de kengetallen gelijk zijn aan de netto schuldquote. Solvabiliteitsratio Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan: het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Daarmee wordt inzicht gegeven in de mate waarin Avri in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Omdat het eigen vermogen beperkt is, is ook de solvabiliteit van Avri laag. Structurele exploitatieruimte De structurele exploitatieruimte is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte in de begroting aanwezig is om de huidige kosten te kunnen dragen.

40

11

FINANCIERING

11.1

Inleiding

Het BBV schrijft een financieringsparagraaf voor, waarin de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille staan. Het Treasurystatuut 2016 bevat nadere regels voor de uitoefening van de financieringsfunctie. 11.2

Externe ontwikkelingen

De huidige rentetarieven van de BNG bedragen op moment van samenstelling van deze begroting (maart 2023) rond de 3% voor een 10-jaars lineair af te lossen lening. De nieuw aan te trekken leningen zijn tegen dit percentage in deze begroting verwerkt. 11.3

Financieringsportefeuille Avri

De leningenportefeuille van Avri is als volgt opgebouwd: Financieringslasten begroting 2023 Geldlening Geldlening BNG 40.10.89.41 (2014) Geldlening BNG 40.110.118 (2015) Geldlening BNG 40.110.265 (2015) Geldlening BNG 40.110.308 (2015) Geldlening BNG 40.110.355 (2016) - Opstal Gem. Werf Tiel Geldlening BNG 40.110.356 (2016) - Grond Gem. Werf Tiel Geldlening BNG 40.112.541 (2019) - Nieuw Afvalbeleid Geldlening BNG 40.112.895 (2019) - Nieuw Afvalbeleid Geldlening BNG 40.113.548 (2020) - Nieuw Afvalbeleid Geldlening BNG 40.113.547 (2020) Geldlening BNG 40.102511 (2007) oude lening RegioRivierenland Geldlening BNG 40.112427 (2018) oude lening RegioRivierenland Financieringsbehoefte 2023 Financieringsbehoefte 2024 Totaal rentelasten Avri

oorspronkelijke hoofdsom € 10.000.000,00 € 5.000.000,00 € 5.000.000,00 € 5.000.000,00 € 2.900.000,00 € 1.400.000,00 € 5.000.000,00 € 4.400.000,00 € 1.400.000,00 € 3.600.000,00 € 5.000.000,00 € 500.000,00 € 11.000.000,00 € 7.500.000,00 € 67.700.000,00

Einde looptijd 15-1-2024 1-10-2035 2-1-2036 2-1-2036 25-1-2041 25-1-2041 22-1-2044 23-1-2044 17-1-2045 17-1-2045 17-1-2027 17-12-2018 1-1-2042 1-1-2043

1-1-2024 € 250.000 € 3.000.000 € 3.024.691 € 3.062.500 € 2.088.000 € 1.400.000 € 4.200.000 € 3.608.000 € 1.190.000 € 3.060.000 € 812.500 € 375.000 € 11.000.000 €0 € 37.070.691

Aflossing € 250.000 € 250.000 € 246.914 € 250.000 € 116.000 €0 € 200.000 € 176.000 € 56.000 € 144.000 € 250.000 € 25.000 € 550.000 €0 € 2.513.914

31-12-2024

Methode

€0 € 2.750.000 € 2.777.778 € 2.812.500 € 1.972.000 € 1.400.000 € 4.000.000 € 3.432.000 € 1.134.000 € 2.916.000 € 562.500 € 350.000 € 10.450.000 € 7.500.000 € 42.056.778

Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Fixe Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair

Rente percentage 2,00% 1,60% 1,60% 1,60% 1,75% 2,13% 1,55% 1,55% 0,69% 0,69% 4,34% 1,46% 3,00% 3,00%

2024 € 5.000 € 48.000 € 48.395 € 49.000 € 36.540 € 29.820 € 65.100 € 55.924 € 8.211 € 21.114 € 35.222 € 5.475 € 330.000 €0 € 737.801

*) Bij een fixe aflossingsmethode wordt tussentijds niet afgelost. Deze aflossingsmethode sluit het beste aan bij de waardering van de te financieren gronden, aangezien op gronden niet wordt afgeschreven.

Tabel 20: Financieringsportefeuille en rentelasten In de begroting is rekening gehouden met een aanvullende rentelast van afgerond € 330.000, ten behoeve van de financieringsbehoefte voor investeringen. De vraag op welke manier (duur, vorm en hoogte van betreffende lening) in de uiteindelijk benodigde financiering wordt voorzien, wordt beantwoord op het moment dat daadwerkelijk tot de investeringen wordt overgegaan. Dit is mede afhankelijk van de liquiditeitspositie en -prognose op dat moment.

41

11.4

Rentetoerekening

In onderstaande tabel is het renteschema uit de 'notitie rente 2017' van de commissie BBV opgenomen. Hiermee wordt inzicht gegeven in de rentelasten van externe financiering, het renteresultaat en de wijze van toerekening. RENTETOEREKENING Externe rentelasten over de korte en lange financiering Externe rentebaten Saldo rentelasten en rentebaten

2024 737.801 737.801

Rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend Aan taakvelden toe te rekenen externe rente

-195.595 542.206

Rente over eigen vermogen Rente over voorzieningen Totaal geraamde aan taakvelden toe te rekenen rente

542.206

Aan taakvelden toe te rekenen rente (via rente-omslag) Renteresultaat op het taakveld Treasury

-542.206 -

Tabel 21: Schema rentetoerekening

11.5

Kasgeldlimiet

De kasgeldlimiet stelt dat de gemiddelde netto vlottende schuld van een gemeenschappelijke regeling in een bepaald kwartaal niet hoger mag zijn dan 8,2% van het begrotingstotaal (ca. € 59 miljoen). Dit betekent dat Avri op grond van de kasgeldlimiet ca. € 4,8 miljoen aan kort geld mag aantrekken. 11.6

Rente risiconorm

De rente risiconorm bepaalt dat jaarlijks 20% van het begrotingstotaal onderhevig mag zijn aan renteherziening en herfinanciering. Zoals uit het overzicht van de leningportefeuille (tabel 20) blijkt, bedraagt het totaal van de aflossingen jaarlijks ca. € 2,5 miljoen. Dit bedrag blijft ruimschoots onder de risiconorm, die voor Avri ca. € 11,8 miljoen bedraagt. 11.7

Schatkistbankieren

Schatkistbankieren houdt in dat (lokale) overheden de financiële middelen die zij (tijdelijk) niet nodig hebben voor de uitoefening van hun taken en verantwoordelijkheden afromen naar de schatkist van het Rijk. Overschotten boven de € 275.000 worden automatisch overgeboekt naar de rekening van de schatkist.

42

12

12.1

BEDRIJFSVOERING

Inleiding

De paragraaf bedrijfsvoering richt zich op de processen die het mogelijk maken onze taken efficiënt, betrouwbaar en wendbaar uit te voeren. Dit doen wij met onze medewerkers en de ons ter beschikking staande middelen. De wereld om ons heen verandert in rap tempo en het is zaak dat onze bedrijfsvoering daarin mee ontwikkelt. Voor 2024 zien we daarin de volgende aandachtsgebieden. 12.2

Organisatie ontwikkeling

Avri is een organisatie in ontwikkeling. Verder bouwen aan een stabiele, wendbare, professionele en duurzame organisatie is waar we ons in 2024 op willen richten. In 2023 is de houtskoolschets opgeleverd en zijn de vervolgstappen gezet om deze houtskoolschets te vertalen in het strategisch koersplan. Deze vertaling heeft gevolgen heeft voor onze organisatie. Innovatie en educatie moeten we, meer dan tot nu toe, inbedden in de organisatie. Ook in bestuurlijk opzicht kan het nodige veranderen, wat vanuit de organisatie goed gefaciliteerd moet kunnen worden. Het stroomlijnen van informatiestromen tussen organisatie en bestuur en het optimaliseren van het besluitvormingsproces zijn belangrijke aandachtspunten. 12.3

Personeel

Ons personeel is het belangrijkste kapitaal wat we hebben om onze taken uit te voeren en onze doelstellingen te halen. Vinden van goed personeel is in het huidige tijdsgewricht niet eenvoudig evenals het vasthouden van goed personeel. Daarom zetten we instrumenten in om een aantrekkelijke werkgever te zijn. Hierbij is het nodig om te blijven investeren in het op peil brengen en houden van de vakkennis en de ontwikkeling van medewerkers. Alleen dan kunnen wij blijven bijdragen aan een schoon en veilig Rivierenland. Personeelskosten Voor de personeelskosten houden we rekening met de CAO stijging 2023, aangevuld met de indexatie van 4,4%, die opgenomen is in de kadernota. Inclusiviteit: meerwaarde voor kwetsbare groepen én gemeenten Avri zorgt voor maatschappelijke meerwaarde door kansen te bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Inmiddels werken zo’n 95 medewerkers met een achterstand tot de arbeidsmarkt mij ons. Zo begeleiden wij mensen uit de ‘kaartenbak’ (bijstand, WW, Wajong, Wia, statushouders) in het arbeidsproces. Voor de mensen draagt dit bij aan het gevoel van geluk en zelfstandigheid. Ze kunnen actief meedoen in de maatschappij. We blijven ook in 2024 de mogelijkheden om deze groep te vergroten verkennen.

Dat doen we door het aanbieden van werkervaringsplaatsen en leerwerkroutes en laagdrempelige werkzaamheden door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te laten uitvoeren. Onze deelname aan Cirtex biedt hierin nog extra kansen. Integriteit De medewerkers van Avri vallen onder de Ambtenarenwet. Dat betekent dat we als werkgever aandacht besteden aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie. Dit onderwerp verdient continue aandacht en zal de komende jaren nog verder geborgd worden, niet alleen bij indiensttreding van nieuwe medewerkers, maar ook bij medewerkers die al lang(er) in dienst zijn. Versterken HR functie Avri is een organisatie in ontwikkeling. De HR functie verandert steeds meer van uitvoerder naar business partner. Kennis van de organisatiekant is daarbij onontbeerlijk. Dit willen we bereiken door de HR functie aan de ‘organisatie-kant’ te versterken. Doorontwikkeling Financiële functie Binnen de financiële functie is in 2023 gestart met een transitie van administrateur naar financieel adviseur. Het uiteindelijke doel is om door te groeien naar businesspartner van de organisatie. Hiermee komen we meer aan de voorkant van het financieel proces. Deze transitie zal ook in 2024 nog doorlopen.

Huisvesting In het kader van de huisvesting revitaliseren we onze kantoren en algemene ruimtes zodat deze toekomstbestendig zijn en we uitstralen dat we een moderne aantrekkelijke werkgever zijn.

43

12.4 Herinrichting applicatielandschap Ons huidige applicatie landschap is in een soort van evolutie tot stand gekomen. Het gevolg hiervan is o.a. dat applicaties overlappende functionaliteiten hebben en dat gegevens in meerdere applicaties ingevoerd dienen te worden. We gaan nu over naar één applicatie voor alle ondersteunende processen. Hiermee verhogen we de efficiency en kwaliteit. Op termijn kunnen we dan kosten besparen aangezien we organisatie breed over consistente masterdata beschikken. De implementatie zal in 2024 starten en in 2025 operationeel zijn. ICT werkplek In 2024 loopt het contract met onze huidige ICT dienstverlener af. We grijpen dit moment aan om het nog beter mogelijke te maken om tijd- en plaatsonafhankelijk te werken en bestanden op tal van verschillende apparaten te kunnen delen. De achterliggende doelstelling is verder digitaliseren, efficiency verhogen en op termijn kosten besparen. De implementatie van de nieuwe ICT omgeving vindt in 2024 plaats. Datagestuurd werken We beschikken over een enorme hoeveelheid data. We gaan ons nog meer richten op het ontsluiten hiervan om de gegevens te vertalen naar informatie. Zo kunnen beslissingen beter onderbouwd worden, kan beter sturing gegeven worden aan de operatie en wordt de efficiency van de operatie verder verhoogd.

12.5 Privacy (WPG/AVG) Conform de Wet Politiegegevens (WPG) moeten organisaties die politiegegevens verwerken jaarlijks een interne audit uitvoeren en vierjaarlijks een externe audit laten uitvoeren. Sinds 2019 verwerken ook boa’s politiegegevens onder het regime van de WPG. Onze auditrapportage over het jaar 2021, opgesteld door een externe privacyauditor, is in 2022 met de Autoriteit Persoonsgegevens gedeeld. Het gevolg van de audit is dat we een concrete lijst met aandachtspunten op het gebied van de WPG en AVG hebben die we in 2023 op gaan lossen. Op grond van deze audit moeten we in 2024 een extra externe audit uit laten voeren en tevens eind 2023, 2024 en 2025 door interne controle een interne audit uit te laten voeren. Eind 2026 moeten we dan weer een externe audit uit te laten voeren. 12.6

Communicatie

Verandering in communicatie en gedrag Communicatie werkt van intern naar extern. Continu dragen wij onze kernwaarden uit. Al onze medewerkers zijn onze ambassadeurs in de regio. In 2023 zijn wij meer actief gaan inzetten op interne communicatie. Dit krijgt een vervolg in 2024. Denk hierbij aan de implementatie van een social intranet. Het strategisch koersplan is geactualiseerd aan de hand van de houtskoolschets . Dit is onze leidraad voor zowel de in- als externe communicatiestrategie. Nog meer zoeken wij de samenwerking met de inwoners in de versterking van de circulaire economie en richting duurzaamheid; de opdracht tot een klimaat neutrale leefomgeving. Onze Schone grondstoffen-campagne heeft hierin een centrale rol. Leidend zijn hierin de principes; afval verminderen, goed scheiden en circulariteit vanuit de R-ladder. Versterking van online communicatie De afgelopen jaren zien wij een toename van het belang van de online communicatiemiddelen waar wij actief op inzetten. Na deze jaren van opbouw en doorontwikkeling is 2024 het jaar van ‘meten is weten’. Dit draagt bij aan de wens van Avri om steeds meer data-gedreven te werken. In 2024 werken wij aan de nieuwe website. Deze biedt inwoners veel meer mogelijkheden tot selfservice en zal veel gerichter informatie verstrekken. Het doel is ook dat inwoners meer informatie krijgen die op hun persoonlijke situatie is toegesneden.

Vanzelfsprekend krijgt ook ‘web-toegankelijkheid’ hierin prominente aandacht. Communicatie over activiteiten Avri Om samen met inwoners uit de regio Rivierenland te voldoen aan de circulaire opdracht is ten eerste heldere communicatie over de kerntaken belangrijk. Wat kunnen de inwoners van Avri verwachten en wat verwacht Avri van de inwoners. Ook willen wij actief de media benaderen over innovatieve projecten die Avri in samenwerking met gemeenten en andere partners uitrolt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van de milieustraten tot circulaire ambachtscentra. Arbeidsmarktcommunicatie Gezien de demografische en economische ontwikkelingen ligt er een uitdaging, zoals bij iedere organisatie, om medewerkers te behouden en nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarom is het van groot belang om Avri krachtig te positioneren als een zich onderscheidende en aantrekkelijke werkgever. Wat blijkt, is dat het innovatieve en duurzame karakter van Avri een sterke aantrekkingskracht heeft. Echter dit heeft meer zichtbaarheid nodig. Hier gaan we in onze arbeidsmarktcommunicatie een speerpunt van maken. 12.7 Rechtmatigheidsverklaring In 2024 moet voor het eerst, over het boekjaar 2023, door het Dagelijks Bestuur een rechtmatigheidsverklaring afgegeven worden. Tot die tijd behoorde dat tot de werkzaamheden van de accountant. De invoering van de

44

“eigen” rechtmatigheidsverklaring over het boekjaar 2023 heeft impact op de organisatie. In de afgelopen jaren hebben we de basis gelegd om de rechtmatigheidsverklaring af te kunnen geven en komende jaren gaan we dit verder uitbouwen.

45

13

OPENBAARHEIDSPARAGRAAF WET OPEN OVERHEID (WOO)

De Woo bepaalt in artikel 3.5 dat bestuursorganen jaarlijks in de begroting aandacht besteden aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Woo en in de verantwoording verslag doen van de uitvoering van de wet, mede in relatie tot de beleidsvoornemens. Bestuursorganen gaan in de openbaarheidsparagraaf in op de beleidsvoornemens (c.q. behaalde resultaten) met betrekking tot de actieve en passieve openbaarmaking en de verbetering van de informatiehuishouding. Modellen voor de openbaarheidsparagraaf voor de rijksoverheid zijn inmiddels opgenomen in de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV6). 13.1 Openbaarheidsparagraaf Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden, als opvolger van de Wob (wet openbaarheid bestuur). Het doel van de Woo is een open overheid, die zorgdraagt voor een adequate en toegankelijke informatievoorziening. De Wet Open Overheid (Woo) legt aan bestuursorganen een aantal verplichtingen op. Eén van deze verplichtingen betreft het geven van een impuls aan openbaarheid door in de begroting en het verantwoordingsverslag in de jaarstukken aan te geven hoe rekening wordt gehouden met de bepalingen uit de Woo. Dit onderdeel is de invulling van deze verplichting in de begroting 2024. De Wet Open Overheid kent, samengevat, een viertal belangrijke aspecten: 1. de verplichting voor ieder bestuursorgaan om een Woo-contactfunctionaris aan te wijzen, 2.

verplichtingen gericht op passieve openbaarmaking, 3. verplichtingen gericht op actieve openbaarmaking en 4. het op orde brengen van de (digitale) informatiehuishouding 13.1.1 Woo-contactfunctionaris Avri heeft een Woo-contactfunctionaris aangesteld, die moet zorgen voor laagdrempeligheid en betere dienstverlening. De Woo-functionaris heeft een actieve voorlichtingsfunctie. Bewoners en andere belangstellenden hoeven niet direct en Woo-verzoek in te dienen, maar kunnen eerst bij de Woo-functionaris op een laagdrempelige manier informatie vragen. 13.1.2 Passieve openbaarmaking Ten behoeve van het recht van de burger om een Woo-verzoek (naast schriftelijk) ook elektronisch in te kunnen dienen is op de website van Avri een mogelijkheid gecreëerd om eenvoudig een Woo verzoek in te dienen. 13.1.3 Actieve openbaarmaking Belangrijk is dat medewerkers zich bewust zijn van de impact van de Woo op hun werk en nog meer het belang inzien van een transparante overheid. Aan de diverse verplichtingen tot publicatie wordt voldaan. In 2024 zullen de Woo-verzoeken, inclusief de schriftelijke beslissingen op die verzoeken en de daarbij verstrekte informatie op de website worden gepubliceerd. 13.1.4 Informatiehuishouding op orde De Woo verplicht dat de digitale informatiehuishouding binnen 8 jaar op orde wordt gebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12618268/1