CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

B6. MER (inclusief adviezen Cie. mer en aanvullingen)

Commissie Ruimte 16 oktober 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Uiterwaarden Wamel, Dreumel en Heerewaarden29.256 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

MER, AANVULLINGEN EN TOETSINGSADVIEZEN COMMISSIE MER Leeswijzer Milieueffectrapportage (MER) UWDH..............................................................................................................2 Milieueffectrapport (MER) - 19 juli 2023.........................................................................................................................5 (Eerste) Voorlopig toetsingsadvies commissie mer - 20 december 2023........................................................................261 Aanvulling op het MER - 14 maart 2024 .....................................................................................................................274 (Tweede) Voorlopig toetsingsadvies commissie mer - 16 april 2024 .............................................................................589 Tweede aanvulling op het MER: Gevoeligheidsanalyse geohydrologie UWDH - 21 juli 2024 ..........................................599 Definitief toetsingsadvies commissie mer - 8 augustus 2024 ........................................................................................642

Leeswijzer Betreft

Ons kenmerk

Datum

Leeswijzer Milieueffectrapportage (MER) UWDH 20240823-RWS165-ADV-Leeswijzer MER stukken-1.0 23 augustus 2024

Milieueffectrapport (19 juli 2023) In het kader van het project UWDH is een milieueffectrapport (MER) opgesteld (19 juli 2023). Hierin zijn de effecten van het plan op een groot aantal criteria beoordeeld zodat het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de besluitvorming wordt meegenomen. Het MER is tijdens de zienswijzeperiode van het ontwerp bestemmingsplan getoetst door de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Ciemer). (Eerste) Voorlopig toetsingsadvies (20 december 2023) Cie-mer heeft in haar voorlopig toetsingsadvies van 20 december 2023 geconstateerd dat op een aantal aspecten essentiële informatie ontbreekt. Het gaat om de volgende punten: Onderbouwing voorkeursalternatief. De onderbouwing van de keuzes die gemaakt zijn in het ontwerpproces en de ontwerpopties of varianten die daarbij zijn afgevallen is onvoldoende. Daarbij is vooral relevant welke rol het milieubelang en de projectdoelen hierbij hebben gespeeld. Effecten na de uitvoering:  Doordat informatie over de grondwatermodellering ontbreekt is de onderbouwing van de effecten op de binnendijkse kwel, de onzekerheden daarin en de effectiviteit van te nemen maatregelen onvoldoende.  De effecten op archeologische waarden zijn in het MER niet op de juiste manier beoordeeld. De consequenties daarvan voor de uitvoering worden daardoor mogelijk onderschat.

Effecten tijdens de uitvoering:  De stikstofuitstoot die optreedt tijdens de uitvoering is (behalve van de aanleg van recreatieve voorzieningen) niet onderzocht. De effecten van stikstofdepositie op natuurwaarden en mogelijke maatregelen om deze te beperken (bijvoorbeeld gebruik van elektrisch materieel) zijn hierdoor niet in beeld.  De tijdelijke effecten van de aanlegfase (geluid, luchtkwaliteit, verkeer, verstoring) en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen of te verzachten zijn onvoldoende onderzocht. Aanvulling op het MER (14 maart 2024) In een aanvulling op het MER is voor elk van de door de Cie-mer aangegeven tekortkomingen een tekstuele of procesmatige verduidelijking dan wel een heroverweging van de effectscores (archeologie) of een aanvullend onderzoek (effecten aanlegfase) opgenomen. De aanvulling op het MER geeft voor de initiatiefnemers geen andere inzichten die leiden tot aanpassing van het voorkeursalternatief uit het MER. Wel is een aantal aanvullingen op het proces van uitvoering nader in de contracteisen opgenomen.

Blad 2

(Tweede) Voorlopig toetsingsadvies (16 april 2024) De aanvulling op het MER is opnieuw ter toetsing aan de Cie-mer voorgelegd. Op 16 april 2024 is het toetsingsadvies van deze aanvulling op het MER verschenen. De Cie-mer constateert hierin dat nagenoeg alle eerdere tekortkomingen op het MER voldoende zijn onderbouwd en aangevuld. Op één onderdeel ontbreekt echter nog informatie. Dit betreft de onzekerheid omtrent de effecten op de grondwaterhuishouding (kwel) aan de binnenzijde van de dijk. De Cie-mer adviseert om een gevoeligheidsanalyse uit te voeren. (Tweede) Aanvulling op het MER: Gevoeligheidsanalyse geohydrologie (21 juni 2024) Achtergrondinformatie Onderdeel van het project UWDH is het realiseren van geulen en overstromingsvlakten in de uiterwaarden. Om de effecten van deze ingrepen op de waterhuishouding tot geaccepteerde en goedgekeurde niveaus te verkleinen, is voorzien in maatregelen. Deze maatregelen bestaan uit het aanbrengen van klei onder de bodem van de geulen en te voorzien in een extra waterberging. Het treffen van aanvullende extra maatregelen leidt niet tot een verdere reductie van effecten en is daarmee niet effectief. Bij dit proces zijn de gemeenten West Maas en Waal en Maasdriel en het waterschap Rivierenland nauw betrokken geweest als bevoegde gezagen.

De effecten van de realisatie van de geulen en overstromingsvlakten en het effect van de maatregelen is berekend met een regionaal grondwatermodel (MORIA). Dit model is een gekalibreerd en gevalideerd rekenmodel, waarin voor het project UWDH aanpassingen zijn doorgevoerd. Door het ontbreken van ijkingsresultaten van het gebruikte en voor dit project aangepaste geohydrologisch model zijn de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende geohydrologische effecten bij de voorgenomen ontwikkeling niet goed te beoordelen. Vooral de onzekerheden over de weerstand van de aanwezige ondiepe kleilagen in de uiterwaarden zijn daarbij van belang. Daarom heeft de Cie-mer geadviseerd om een aanvullende gevoeligheidsanalyse uit te voeren waarin de samenhang tussen de weerstand van de ondiepe kleilagen en de geohydrologische effecten wordt bepaald. De gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd voor de situatie zonder en met de voorgestelde maatregelen. Meer specifiek is gevraagd om berekeningen uit te voeren met een realistische worst case situatie voor de waarde van de weerstand van de ondiepe kleilaag in de uiterwaarden en om vervolgens aan te geven of dit aanleiding geeft om extra mitigerende maatregelen te nemen of achter de hand te houden voor het geval er (onverwachte) negatieve effecten optreden.

Opzet van de gevoeligheidsanalyse In het eerdere geohydrologische model was uitgegaan van een basisweerstand van de kleilaag van 100 dagen per meter klei. Dit is in het algemeen een gangbaar en gebruikelijk uitgangspunt voor klei in de deklaag. In aanvulling hierop zijn berekeningen uitgevoerd waarin voor deze weerstand een onder- en een bovengrens is aangehouden: Als ondergrens is uitgegaan van een weerstand van 50 dagen per meter klei. Een dergelijke lage weerstandswaarde zou kunnen voorkomen als de klei sterk heterogeen van samenstelling is of zand(laagjes) bevat. Voor het plangebied is een uitgebreide inventarisatie van de kleisamenstelling uitgevoerd. Op basis hiervan is geconstateerd dat een lagere weerstandswaarde beneden de 50 dagen per meter klei als niet realistisch kan worden beoordeeld. Als bovengrens is uitgegaan van een weerstand van 200 dagen per meter klei. Nog hogere waarden zouden alleen bij zware tot zeer zware klei kunnen voorkomen, maar dergelijke kleitypes

Blad 3

zijn tijdens het eerder uitgevoerde veldonderzoek in het plangebied niet aangetroffen. Bovendien leiden hogere weerstandswaarden vaak juist tot een onderschatting van de binnendijkse effecten. Met de hiervoor genoemde waarden als boven- en ondergrens voor de weerstand van de kleilagen wordt dus een realistische worst case situatie in beeld gebracht. De berekende effecten zijn grafisch weergegeven met zogenaamde ‘verschilkaarten’. Hierdoor wordt overzichtelijk weergegeven waar binnen het plangebied er een toe- of afname van de berekende effecten ontstaat bij een weerstand van 50 of 200 dagen (per meter klei) ten opzichte van de eerder doorgerekende basissituatie (100 dagen per meter klei). Er zijn zowel verschilkaarten gemaakt voor een hoogwatersituatie als een laagwatersituatie1, voor zowel de freatische grondwaterstand als de stijghoogte. Resultaten en conclusie Uit de analyse van deze verschilkaarten is gebleken dat de onderlinge veranderingen op de grondwaterstanden en de stijghoogten binnendijks beperkt zijn tot maximaal 0,05 m. Dit is zowel bij hoogwater als bij laagwater het geval gebleken. Een andere weerstand van de kleilaag zal dan ook weinig effect hebben op de binnendijkse geohydrologische situatie.

Uit de gevoeligheidsanalyse is geconcludeerd dat bij de gehanteerde boven- en ondergrens voor de weerstand van de ondiepe kleilaag er geen significante verschillen ontstaan op de freatische grondwaterstand en stijghoogte bij T=10 hoog- en laagwater. Op basis hiervan is door de adviseur in de gevoeligheidsanalyse geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om extra mitigerende maatregelen te nemen of achter de hand te houden. Definitieve toetsingsadvies (8 augustus 2024) De gevoeligheidsanalyse is opnieuw aan de Cie-mer voorgelegd. Op 8 augustus 2024 heeft zij in haar definitieve toetsingsadvies aangegeven dat met de gevoeligheidsanalyse voldoende informatie is gegeven over de hydrologische effecten en de effectiviteit van de mitigerende maatregelen. Hiermee bevat het MER inclusief de aanvullingen alle essentiële informatie om besluiten te kunnen nemen over het project UWDH, nu het milieubelang volwaardig is meegenomen.

1

Hoog- en laagwatersituaties die eens in de 10 jaar voorkomen (T=10).

Opdrachtgever: Projectnr: Datum:

Rijkswaterstaat, Provincie Gelderland, Staatsbosbeheer RWS165-0001 19 juli 2023

Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:

Rijkswaterstaat, Provincie Gelderland, Staatsbosbeheer RWS165-0001 20230719-RWS165-0001-RAP-MER-2.1 Definitief 19 juli 2023

Opsteller:

Verificatie: T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl

© 2023 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.

Validatie:

+ C 0 D+ R 0 C+ V 0 P.

INHOUDSOPGAVE

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

Aanleiding .............................................................................................................................................................. 21 Ligging van het plangebied ........................................................................................................................................ 21 M.e.r. en ruimtelijke ordening..................................................................................................................................... 23 Doel van het milieueffectrapport.................................................................................................................................. 24 Procedure ............................................................................................................................................................... 25 Leeswijzer .............................................................................................................................................................. 25

2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3

Achtergronden en probleemstelling .............................................................................................................................. 27 Doelstellingen en randvoorwaarden voor het project ........................................................................................................ 33 Doelstellingen.......................................................................................................................................................... 33 Overige randvoorwaarden en uitgangspunten................................................................................................................. 33 Voorgeschiedenis van het project................................................................................................................................. 36

3.1 3.2 3.3 3.4

Thema’s................................................................................................................................................................. 43 Wijze van planontwikkeling en effectbeschrijving............................................................................................................ 43 Referentiesituatie ..................................................................................................................................................... 46 De effectbeoordeling................................................................................................................................................. 48

4.1 4.2

Beleidskader ........................................................................................................................................................... 51 Te nemen besluiten en te verkrijgen vergunningen .......................................................................................................... 59

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Algemeen ............................................................................................................................................................... 61 Begrenzing van het plangebied ................................................................................................................................... 61 Beschrijving van het voorstel voor het DO2.0................................................................................................................. 69 Varianten op het voorstel voor het DO2.0 ..................................................................................................................... 74 Wijze van aanleg ..................................................................................................................................................... 75

7.1 7.2

Algemeen ............................................................................................................................................................... 81 Toetsing van het voorstel voor het DO2.0 ..................................................................................................................... 81

9.1 9.2 9.3

Algemeen ............................................................................................................................................................... 93 Leemten in kennis en informatie ................................................................................................................................. 93 Concept-evaluatieprogramma...................................................................................................................................... 94

10.1 10.2 10.3

Inleiding................................................................................................................................................................. 99 Wijze van effectbeschrijving ....................................................................................................................................... 99 Ontwikkeling van het ontwerp ...................................................................................................................................100

5

11.1 11.2 11.3 11.4 11.4.1.1 11.4.1.2 11.4.1.3 11.5

Rivierkunde ........................................................................................................................................................... 107 Waterkeringen....................................................................................................................................................... 120 Grondwater ........................................................................................................................................................... 122 Oppervlaktewater ................................................................................................................................................... 129 Effect van hergebruik van vrijkomende grond ............................................................................................................... 135 Risico op blauwalg (door nalevering nutriënten) ........................................................................................................... 136 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 136 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 137

12.1 12.1.1 12.1.2 12.2 12.3 12.4 12.5

Beschermde gebieden ............................................................................................................................................. 139 Natura 2000......................................................................................................................................................... 139 Overige beschermde gebieden (GNN, NURG, KRW) ....................................................................................................... 143 Beschermde soorten ............................................................................................................................................... 148 Kans op ontstaan van stikstofgevoelige habitats ........................................................................................................... 154 Ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden .................................................................................................................... 155 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 157

13.1 13.2 13.3 13.4

Bodemkwaliteit...................................................................................................................................................... 159 Aardkundige waarden ............................................................................................................................................. 162 Grondverzet .......................................................................................................................................................... 166 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 167

14.1 14.2 14.3 14.4

Landschap ............................................................................................................................................................ 169 Cultuurhistorie ....................................................................................................................................................... 190 Archeologie ........................................................................................................................................................... 193 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 197

15.1 15.2 15.3 15.4 15.5

Wonen en werken .................................................................................................................................................. 199 Recreatie .............................................................................................................................................................. 203 Verstoring ............................................................................................................................................................. 208 Verkeer ................................................................................................................................................................ 208 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 210

16.1 16.2 16.3

Huidige situatie en referentiesituatie........................................................................................................................... 213 Effectbeschrijving.................................................................................................................................................... 213 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 214

17.1 17.2 17.3 17.4

Kabels en leidingen................................................................................................................................................. 215 Explosieven........................................................................................................................................................... 217 Externe veiligheid ................................................................................................................................................... 218 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 220

18.1 18.2 18.3

Hinder tijdens de uitvoering ...................................................................................................................................... 221 Stikstofdepositie tijdens de aanlegfase ....................................................................................................................... 221 Samenvattende effectbeoordeling.............................................................................................................................. 222

6

BIJLAGEN

7

SAMENVATTING 1. Inleiding Rijkswaterstaat, Staatbosbeheer en de provincie Gelderland werken al langere tijd samen aan plannen voor natuurontwikkeling in de Uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden (UWDH). Dit gebied behoort tot de gemeente Maasdriel en de gemeente West Maas en Waal en loopt globaal van Fort Sint Andries in het zuidwesten tot voorbij de Prins Willem Alexanderbrug (N323) bij Beneden-Leeuwen in het noordoosten. Het traject heeft een lengte van circa 15 kilometer en een oppervlakte van circa 665 ha (zie afbeelding S1).

Afbeelding S1

Ligging van het plangebied

Door het gebied opnieuw in te richten en anders te beheren, wordt het aantrekkelijker voor diverse plant- en diersoorten. Zo wordt invulling gegeven aan de ambities uit verschillende beleidsprogramma’s zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW), Natura 2000, Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) en versterking van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de provinciale uitwerking van het Natuurnetwerk Nederland. Het streven is gericht op het realiseren van ecologische kwaliteit en toekomstbestendig beheerde natuur, passend bij het dynamische riviersysteem van de uiterwaarden van de Waal. Om deze doelen mogelijk te maken, moeten de bestemmingsplannen buitengebied van de gemeente Maasdriel en van de gemeente West Maas en Waal worden aangepast. Ook moeten verschillende vergunningen worden aangevraagd, waaronder een ontgrondingenvergunning. Vanwege de aard en omvang van de geplande activiteiten in dit gebied, moet daarbij tevens een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Hierin worden de effecten van het plan op een groot aantal criteria beoordeeld zodat ‘het milieubelang’ vroegtijdig en volwaardig in de besluitvorming wordt meegenomen.

9

2. Doelstellingen De doelstellingen voor het project zijn gedefinieerd als het realiseren van 10 km meestromende nevengeul, 54,8 ha uiterwaardverlaging overstroomgebied, 130 ha Natura 2000-inrichting behorend tot de GNN en 141 ha behorend tot het NURG. Daarbij wordt gestreefd naar een toename van de ecologische kwaliteit, waarbij op een aantoonbare wijze een afgewogen optimalisatie (tussen onder andere rivierkunde, ecologie en landschap) is uitgevoerd. Dit wordt gecombineerd met een zo duurzaam mogelijk beheer, om hiermee maximaal bij te dragen aan de doelstellingen uit de KRW, GNN en NURG voor het uiterwaardengebied en nieuwe verblijfplaatsen te creëren voor onder andere de kamsalamander, rivierprik, zeeprik en verschillende vogelsoorten. Een andere inrichting van het gebied met meer nat-droog-gradiënten en een ander beheer van het gebied moet leiden tot een toename van de biodiversiteit. 3. Alternatieven en varianten Zoals reeds in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) uit 2017 is aangegeven, is er in dit project niet voor gekozen om meerdere alternatieve inrichtingsvoorstellen uit te werken en die met elkaar te vergelijken om vervolgens op basis daarvan een voorkeursalternatief te kiezen.

In plaats daarvan is er sprake van één ontwerp voor het hele uiterwaardengebied dat in een aantal ontwerprondes samen met de betrokken stakeholders uit de omgeving steeds verder is doorontwikkeld en getoetst tot een voorkeursontwerp. Voor onderdelen van het plan zijn gedurende het planproces (zie afbeelding S2) wel ontwerpvarianten uitgewerkt en meegewogen. De uitkomsten van de tussentijdse toetsronden, zijn gebruikt om ook het milieubelang in een vroegtijdig stadium een rol in het planproces te laten spelen. Naast onder andere rivierkundige en landschappelijke overwegingen is tevens getoetst op draagvlak, eigendommen en financiële haalbaarheid. Dit heeft geleid tot een steeds verdere optimalisatie van het ontwerp en resulteerde in het ‘Voorstel voor het DO2.0’. Dit is het planvoornemen, ofwel de voorgenomen activiteit die in het MER is ten opzichte van de referentiesituatie getoetst op alle beoordelingscriteria uit de NRD. Op basis van deze toetsresultaten is beoordeeld of er extra mitigerende of compenserende maatregelen nodig zijn of eventuele ontwerpaanpassingen. Dit leidt uiteindelijk tot het definitieve ontwerp DO2.1 dat als voorkeuralternatief (VKA) in de bestemmingsplannen wordt verankerd en waarvoor de vergunningen worden aangevraagd.

Afbeelding S2

Ontwerpproces planuitwerking

4. Het voorstel voor het DO2.0 In het plan voor UWDH is voorzien in de realisering van vijf meestromende nevengeulen met een totale lengte van circa 10 km (ruim 9,5 km), 54,8 ha overstromingsvlakte en de inrichting van 263 hectare nieuwe natuur (waarvan 135 ha NURG). Samen met de 192 ha reeds ingerichte natuur ontstaat in het gebied een totaal areaal GNN van circa 455 ha. Onderstaand is per deelgebied een korte omschrijving van het ontwerp opgenomen. Voor een nadere beschrijving van het ontwerp en een aantal tussentijdse keuzes die zijn gemaakt, wordt verwezen naar hoofdstuk 10 van het MER.

10

In het meest noordoostelijk deel van het plangebied, ter plaatse van de Willem-Alexanderbrug (N323) bij Beneden Leeuwen, is op de beschikbare gronden direct aan de oever van de Waal een gebied aangewezen dat wordt ingericht als verruigd (kruiden- en faunarijk) grasland. Het gebied wordt als een kleine afzonderlijke begrazingseenheid beheerd. Waar sprake is van begrazing worden rasters en toegangspoorten aangebracht. Op het gedeelte tussen de Hul en de Veerweg is in het ontwerp een permanent stromende nevengeul (nevengeul Wamel) opgenomen. Deze geul kent een inlaatwerk (oversteekbaar voor wandelaars) en een brug voor beheer en onderhoud van het achterliggend gebied. De geul begint bij de Hul in het voormalige haventje van de steenfabriek achter de terp en eindigt in de oevergeul achter de langsdam. De locatie waar de oude Tielsche krib heeft gelegen wordt ingepast evenals andere oude relicten van kribben. Ten zuidwesten hiervan heeft het veer naar Tiel in het verleden aangemeerd en heeft het vroegere veerhuis gestaan. De oude veerweg is thans nog als structuur in het landschap zichtbaar in de vorm van de populierenlaan vanaf Wamel tot aan de verlegde Zomerdijk. Door het aanbrengen van twee grote lindebomen wordt de locatie van het oorspronkelijke veerhuis in het verlengde van de oude Veerweg als historisch relict in het landschap gemarkeerd.

Aanwezige kabels en leidingen zijn in het ontwerp ingepast. In het driehoekig perceel aan de Dorpsstraat (eigendom Staatsbosbeheer) wordt ooibos gerealiseerd om invulling te geven aan de Natura 2000- en de GNN-opgave. Ooibos op deze locatie maakt het mogelijk om de doorkijkjes vanaf de Winterdijk door de bestaande bosschages aan de dijkvoet over de uiterwaarden te handhaven en voorkomt negatieve effecten in het stroomvoerend deel. In de binnenbocht van de Waal, waar ook het Veer naar Tiel aanmeert, is de nevengeul Tielse Plaat ontworpen, waarbij rekening is gehouden met de aanwezige kabels en leidingen. Bij de uitstroomvoorziening is de bestaande voet van een strekdam als erosiebestendige basis gebruikt om de uitstroom vast te leggen. Om de Veerweg oversteekbaar te houden en bij het veer te komen, wordt ter plaatse van de kruising van de Veerweg met de nevengeul een overrijdbaar inlaatkunstwerk gerealiseerd. De bodem van de geulen is zodanig geoptimaliseerd dat zo gunstige mogelijke situaties worden gecreëerd voor de stroomminnende fauna bij de verschillende afvoeren in de seizoenen. Tijdens het planproces is besloten af te zien van de gedeeltelijke verondieping van de Vonkerplas met gebiedseigen materiaal, waardoor de Vonkerplas ongemoeid blijft. Tussen de Vonkerplas en de Waaldijk ligt ‘t Vaticaan.

Dit is een cultuurhistorisch waardevol relict dat is ontstaan na een eerder dijkdoorbraak omstreeks 1850, waarna de Waaldijk om deze wielen is heen gelegd. Deze wielen met omliggende begroeiing blijven gehandhaafd. Het landschappelijk beeld wordt verder versterkt door twee kleinere percelen in het oostelijk deel in te richten als extra ooibos. Aan de noordzijde van de Vonkerplas in de Waal achter de langsdam stroomt de geul Dreumel in. De geul is gesitueerd tussen de leikade en de oever van de Waal en takt vervolgens aan op de bestaande strang Dreumel. Het aanwezige (voormalige) gronddepot aan de zuidzijde van de Vonkerplas maakt vanwege de eigendomssituatie geen onderdeel uit van het plan. In het ontwerp vervolgt de nevengeul Dreumel vanaf het depot aan de zuidzijde van de Vonkerplas vervolgens de oorspronkelijke contouren van het landschap (bestaande strang en eerdere klei-ontgraving). Plaatselijk wordt deze wel verdiept om de doorstroomfrequentie te bevorderen. De geul mondt uit in de scheepswerf van Dreumel. Ter plaatse van de kruising met de gasleiding is de vergraving beperkt vanwege de noodzakelijke dekking. Ten noorden van Bato’s erf zijn twee natuurlijke (ongestuurde) overstromingsvlaktes ontworpen.

Een overstromingsvlakte is een laagte die wordt gecreëerd in het gebied die frequent kan overstromen waarna het water wordt vastgehouden en langzaam kan uitzakken in de bodem. Dergelijke vlaktes zijn belangrijk voor de voortplanting van bijvoorbeeld de winde en de kamsalamander, maar ook Natura 2000-soorten als de porseleinhoen, watersnip en steltlopers profiteren hiervan. Hiervoor is het nodig de randzone rondom de vlakte te sluiten zodat een geïsoleerd lager gebied ontstaat.

11

Ter plaatse van Bato’s erf blijft in het ontwerp de bosontwikkeling beperkt tot het grondgebied waarop thans de hoogwatervrije vergunning is gelegen. Daarnaast zijn hier enkele poelen voorzien voor de kamsalamander. Ten zuiden van Bato’s erf wordt de bestaande eenzijdig aangetakte strang doorontwikkeld tot een stromende nevengeul Varikse Plaat. Bij de instroomopening is inlaatwerk (oversteekbaar voor wandelaars) voorzien. De nevengeul Varikse plaat lijkt qua ontwerp op de nevengeul Wamel. Na een korte passage door de oeverwal loopt deze door via de vlakke uiterwaard die relatief recent is ontstaan. Ter hoogte van De Voorn stroomt de nieuwe nevengeul uit in een kort restant van de voormalige strang. Deze is in het eerst traject vrijwel precies breed genoeg om aan het gewenste principeprofiel te voldoen. Enkel het meest zuidelijke deel van de geul moet wat uitgediept worden. De beide restanten van de oude eilanden De Voorn en Heerewaarden die buitendijks zijn komen te liggen door de aanleg van de afsluitdijk kunnen worden ingericht als gestuurde overstromingsvlakte. Hiervoor is hoofdzakelijk een aanpassing van het beheer (peilbeheer) nodig, waarbij het water na een overstroming vanuit de rivier wordt vastgehouden in plaats van direct weer uitgelaten te worden.

Dit kan eenvoudig door de bestaande sluizen te sluiten op het moment dat het waterpeil in de bekade gebieden een bepaald hoog niveau heeft bereikt. Er staat dan, afhankelijk van de bodemhoogte, tot maximaal 2 meter water in de bekade gebieden. Door wegzijging (dit is een neerwaartse stroming van (grond)water / infiltratie) en later in het jaar door verdamping zal het peil weer dalen en na circa 2 tot 3 maanden is het gebied weer grotendeels droog. In het ontwerp is de eenzijdig aangetakte strang Heerewaarden vervangen door een stromende nevengeul. Bij de keuze voor het tracé volgt dit grotendeels de bestaande strang van Heerewaarden. Om hier een stromende nevengeul mogelijk te maken is deze strang aan de bovenstroomse zijde doorgetrokken tot aan de Waal. In het zuidelijke deel van het tracé wordt de strang van Heerwaarden gevolgd. De breedte van deze strang wordt niet veranderd, zodat de huidige structuur herkenbaar blijft. Deze strang ligt deels in de dijkzone, waar het waterschap beperking oplegt aan het graven in de bodem. De diepte van de nieuwe geul is daarom afgestemd op de huidige bodemligging van de strang en dit is een van de redenen waarom bij Heerewaarden, net als bij Dreumel, geen permanent stromende nevengeul mogelijk is en daarom gekozen is voor een grotendeels stromende nevengeul. Dit betekent dat deze geul ca. 85% van de tijd mee stroomt.

Tijdens zeer lage waterstanden kan deze tijdelijk droogvallen, maar de geul kent ook diepere plekken zodat vissterfte wordt voorkomen. Voor de bereikbaarheid van het eiland tussen de geul en de Waal komen er meerdere passages over de geul 5. Te verwachten effecten: rivierkunde en hydrologie Uit de uitgevoerde rivierkundige berekeningen is gebleken dat de ingreep als waterstandsneutraal is beoordeeld. Naast waterstandseffecten is in het rivierkundig onderzoek ook een analyse gemaakt van de bodemveranderingen (morfologische effecten) in de vaargeul. Gedurende het ontwerpproces is een maximale inspanning geleverd om de mate van aanzanding tot een minimum te beperken. Hierbij zijn diverse ontwerpvarianten en mitigerende maatregelen doorgerekend. Hierbij is uiteindelijk geconstateerd dat er nog altijd een zekere mate van aanzanding resteert. Een verdere mitigatie, bijvoorbeeld door ophoging van de oeverwallen is niet te verenigen is met de overige projectdoelstellingen (ten aanzien van landschap / ecologie / KRW). Voor wat betreft de dwarsstroming is op vier locaties een verbetering van de dwarsstroming berekend, en op één locatie enige verslechtering. Hiervoor zijn optimalisaties doorgevoerd (kleine verhoging ter hoogte van het inlaatwerk in de geul Wamel om te voorkomen dat extra water door de uiterwaarden stroomt) om deze effecten te mitigeren.

De resterende effecten ten aanzien van morfologie en dwarsstroming worden in een separate trajectstudie opgepakt. Uit het uitgevoerde hydrologisch modelonderzoek is gebleken dat het plan op een aantal locaties kan leiden tot ongewenste veranderingen van de grondwaterstanden. Om toch aan de richtlijnen van het waterschap Rivierenland te kunnen voldoen, is daarom besloten op een aantal plekken in de geulen een kleilaag van 25 à 50 cm aan te brengen en hiermee de infiltratie/drainageweerstand van de geulen te vergroten. Daarnaast wordt tussen Dreumel en Heerewaarden een binnendijkse waterberging gerealiseerd nabij de overstromingsvlakte om het toegenomen kweldebiet op te kunnen vangen.

12

6. Te verwachten effecten: Natuur Het plangebied behoort tot het Natura 2000-gebied Rijntakken en is deels gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk. Ten behoeve van de planontwikkeling is een natuurtoets en voortoets met passende beoordeling uitgewerkt, waarin is beoordeeld of het plan leidt tot beïnvloeding van de beschermde natuurgebieden. Met de herinrichting van de uiterwaarden wordt uitvoering gegeven aan het beheerplan Natura 2000-gebied Rijntakken. Daarom is voor de natuurontwikkelingsmaatregelen op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) geen ontheffing of vergunning nodig om de werkzaamheden uit te voeren. Dit geldt zowel voor het onderdeel gebiedsbescherming als voor het onderdeel soortenbescherming. De aanleg van de recreatieve voorzieningen (twee recreatieve bruggen en 21 parkeerplaatsen op een drietal locaties) is niet vergunningsvrij, maar deze werkzaamheden worden all electric uitgevoerd, waardoor geen effecten op instandhoudingsdoelen optreden. In het kader van de zorgplicht, dient echter wel rekening met de aanwezige soorten gehouden te worden. In aanloop naar de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden binnen het plangebied, dient derhalve een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden, waarin omgeschreven wordt op welke manier zo veel als mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van deze soorten in het gebied.

Dit ecologisch werkprotocol dient voorafgaand aan de uitvoering ter toetsing aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In de eindsituatie ontstaat een natuurgebied met hoge ecologische kwaliteit en is sprake van versterking van de kernkwaliteiten uit de verschillende beleidsprogramma’s (extra areaal en extra kwaliteit KRW, Natura 2000, GNN, NURG). 7. Te verwachten effecten: Bodem Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken is gebleken dat de bodem ter plaatse bestaat uit zand en klei waarbij sprake is een erg heterogene milieuhygiënische bodemkwaliteit die varieert van altijd toepasbaar tot en met niet toepasbaar (NT). Zware metalen en PCB worden plaatselijk sterk verhoogd gemeten en de bovenste twee meter van het maaiveld is verdacht op het voorkomen van PFAS. In de diepere, veelal zandige, bodemlagen is de bodem antropogeen onbelast met kwaliteitsklasse altijd toepasbaar. De vrijkomende grond die verontreinigd is, wordt afgevoerd naar het Rijksbaggerdepot Hollandsch Diep en de herbruikbare grond vervalt aan de aannemer of wordt binnen het plangebied hergebruikt. 8.

Te verwachten effecten: Landschap, cultuurhistorie en archeologie Bij het ontwerpen van de nevengeulen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de al aanwezige landschappelijke structuren en cultuurhistorische waarden in het gebied die in het ontwerp zijn geïntegreerd en als inspiratiebron gebruikt voor de ligging van de geulen. Op basis van oude rivierkaarten zijn de oude strangen en laagten in het gebied doorontwikkeld tot meestromende nevengeulen. De oude Tielsche Krib en de laanstructuur waar vroeger het veer naar Tiel heeft gelopen blijven gehandhaafd. Op basis van archeologisch onderzoek is geconstateerd dat voor sommige delen een lage verwachtingswaarde geldt met een kleine kans op het aantreffen van vondsten in de ondergrond. Hier is geen aanvullend onderzoek nodig. Voor andere delen is aanbevolen om graafwerkzaamheden onder begeleiding van een archeologisch deskundige uit te voeren. 9. Te verwachten effecten: woon – en leefmilieu en overige effecten De aanwezige woonfuncties worden niet beïnvloed en ook bedrijven in de omgeving worden niet in hun eventuele toekomstige ontwikkeling belemmerd. Tijdens de aanlegfase kan tijdelijk hinder of overlast (geluid, lucht, stikstof), ontstaan, maar om dit te beperken worden contracteisen geformuleerd. Om de rust in het gebied te bewaken, wordt enkel extensieve recreatie (struinen, wandelen en plaatselijk vissen) toegestaan.

Er worden geen recreatieve voorzieningen zoals fietspaden door het gebied aangelegd. Op een aantal locaties bij de entrees van het gebied komt een beperkt aantal nieuwe parkeerplaatsen, om overlast door wildparkeren tegen te gaan. Voor het plangebied wordt een beheerplan opgesteld. Gezien de beoogde natuurdoeltypen in combinatie met de ruimtelijke opdeling van het projectgebied (gescheiden door de haven) is voor het toekomstig beheer uitgegaan van weidebeheer en hooibeheer met eventueel nabeweiding. Voor begrazing worden in eerste instantie runderen ingezet, die mogelijk aangevuld worden met paarden. In het ontwerp is rekening gehouden met de aanwezige kabels en leidingen en de bijbehorende beschermingszones zijn gerespecteerd. Ook is een explosievenonderzoek gedaan.

13

10. Voorkeursalternatief (VKA) Zoals eerder is aangegeven, is in dit MER één ontwerp voor het plangebied in een aantal ontwerprondes steeds doorontwikkeld. Gedurende dit ontwerpproces zijn voor onderdelen verschillende varianten uitgewerkt en afgewogen op meerdere argumenten, waaronder milieuoverwegingen. Dit heeft geleid tot een voorstel voor het DO2.0 (het planvoornemen ofwel de voorgenomen activiteit) dat in deel B van dit MER aan alle beoordelingscriteria uit de NRD is getoetst en beoordeeld op de effecten ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van deze effectbeschrijvingen is beoordeeld of deze aanleiding geven tot het nemen van aanvullende mitigerende of compenserende maatregelen en/of om het voorstel voor het DO2.0 aan te passen. Dit is enkel voor het aspect geohydrologie het geval gebleken. Door het op een aantal plaatsen aanbrengen van de kleilagen worden ongewenste hydrologische effecten grotendeels gemitigeerd binnen de toelaatbare bandbreedte. Deze maatregelen maken onderdeel uit van het voorstel voor het DO2.0 dat getoetst is, en daarom is een beperkt negatief effect aan dit criterium toegekend. Om dit effect verder te beperken, is voor het VKA geadviseerd om aanvullend ter hoogte van Bato’s Erf een binnendijkse waterberging te realiseren in het definitieve DO2.1.

Om te voorkomen dat verontreinigd grondwater vanuit het depot aan de zuidzijde van de Vonkerplas via de geul Dreumel in het oppervlaktewater terecht komt, is als extra preventieve maatregel voorgesteld om de bodem van de geul hier van klei te voorzien. Daarnaast hebben de initiatiefnemers gedurende het planvormingstraject waarin het voorstel voor het DO2.0 werd getoetst enkele percelen minnelijk kunnen verwerven. Dit leidt niet tot een ander ontwerp van de nevengeulen of overstromingsvlaktes, maar deze percelen worden wel anders beheerd en toegevoegd aan het areaal natuurgebied. Hierdoor valt de toets op doelbereik van het definitieve DO2.1 nog wat hoger uit dan is omschreven in paragraaf 7.2 van dit MER. Het planvoornemen (voorstel voor het DO2.0) ging uit van de realisering van 263 ha nieuwe natuur in aanvulling op de 192 ha reeds ingerichte GNN natuur zodat een totaal natuurgebied ontstaat van 455 ha. Het Definitieve ontwerp DO2.1 gaat uit van de realisering van 287 nieuwe natuur ha in aanvulling op de 207 ha reeds ingerichte GNN natuur zodat een totaal natuurgebied ontstaat van 494 ha. Verder is het voorkeursalternatief (VKA) van de initiatiefnemers op hoofdlijnen gelijk aan het planvoornemen zoals omschreven in hoofdstuk 5 van dit MER. In afbeelding S3 is de presentatietekening van het DO2.1 (het VKA van de initiatiefnemers) opgenomen.

Een meer gedetailleerde versie van deze tekening is toegevoegd in bijlage B6 van dit MER.

Afbeelding S3

14

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

Afbeelding S3 (vervolg)

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

Afbeelding S3 (vervolg)

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

15

Afbeelding S3 (vervolg)

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

Afbeelding S3 (vervolg)

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

16

Afbeelding S3 (vervolg)

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

Afbeelding S3 (vervolg)

Presentatietekening voorkeursalternatief DO2.1

17

DEEL A: ALGEMEEN

19

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding De rivier de Waal dankt zijn naam aan de vele meanders die de rivier in het verleden kende. De Waal is nog altijd de meest dynamische van alle grote rivieren in Nederland. Sinds de veertiende eeuw is de mens begonnen met het inkaderen van de rivier, onder andere door normalisering van de vaarweg en het aanleggen van dijken. Aanvankelijk waren deze maatregelen voornamelijk bedoeld om individuele dorpen of gemeenschappen tegen het water te beschermen; later is een aaneengesloten dijkensysteem aangelegd met kribben om de route van het water te beheersen en het risico op overstromingen te verminderen. De natuurlijke landschapsvormingsprocessen van erosie en sedimentatie zijn daardoor voor een belangrijk deel afgenomen en de uiterwaarden zijn toen in intensief agrarisch gebruik genomen. In combinatie met een verslechtering van de waterkwaliteit heeft dit intensieve agrarisch grondgebruik in de loop der jaren geleid tot een steeds verdere achteruitgang van de aanwezige natuurwaarden in de uiterwaarden langs de Waal. Ook ter plaatse van Wamel, Dreumel en Heerewaarden is dit het geval geweest. Na de hoogwateroverlast in 1993 en 1995 is een grote focus gelegd op het vergroten van de hoogwaterveiligheid door het verbeteren (versterken en ophogen) van de dijken en het verhogen van de doorstroming van de rivieren tijdens hoogwater.

Het Deltaprogramma [18] onderstreept de noodzaak en urgentie om ons ook op langere termijn goed te (blijven) wapenen tegen toekomstige klimaatverandering en de bijbehorende steeds extremere weersomstandigheden. Tegelijk is daarbij ook het besef ontstaan dat projecten in het kader van de bescherming tegen hoogwater(on)veiligheid prima kunnen worden gekoppeld aan een verbetering van de omgevingskwaliteiten in het uiterwaardengebied, bijvoorbeeld door andere typen natuur te (laten) ontwikkelen of recreatieve routes aan te leggen. Zo kunnen meer integrale gebiedsontwikkelingen tot stand worden gebracht. Twee belangrijke uitvoeringsprogramma’s die hieraan bijdragen zijn de Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) en de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het NURG zet vooral in op natuurontwikkeling en het behouden en versterken van het Natuur Netwerk Nederland (NNN); de KRW focust op verbetering van de waterkwaliteit. Ook zijn de Rijntakken, waar ook de Waal toe behoort, sinds enkele jaren aangemerkt als Europees beschermd natuurgebied (Natura-2000), waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgelegd. De uiterwaarden langs de Waal maken veelal deel uit van het Gelders Natuur Netwerk (GNN, dit is de voormalige Ecologische Hoofdstructuur EHS), maar zijn nog niet altijd als zodanig ingericht en kennen vooralsnog een agrarisch grondgebruik.

Op basis van deze beleidsmatige doelen en ambities (zie ook hoofdstuk 2) zijn en worden de komende jaren langs de Waal diverse projecten uitgevoerd, waaronder een grootschalig natuurontwikkelingsproject in de Uiterwaarden van Wamel, Dreumel en Heerewaarden (UWDH). Herinrichting van het gebied in deze uiterwaarden is nodig om de natuur weer te herstellen en te versterken. Het streven is daarbij gericht op het realiseren van ecologische kwaliteit, en toekomstbestendig beheerde natuur, passend bij het dynamische riviersysteem van de uiterwaarden.

1.2

Ligging van het plangebied Het plangebied waar de herinrichting van UWDH is voorzien, is gelegen aan de zuidzijde van de Waal in de provincie Gelderland, op het grondgebied van de gemeente Maasdriel (Kern Heerewaarden) en de gemeente West Maas en Waal (kern Wamel en kern Dreumel) en loopt globaal van Fort Sint Andries in het zuidwesten tot voorbij de Prins Willem-Alexanderbrug (N323) over de Waal bij Beneden-Leeuwen in het noordoosten. Het traject heeft een lengte van circa 15 km en meet een oppervlakte van circa 665 ha. Het hele gebied tussen de Waal (vanaf de gemeentegrens in het hart van de Waal) en de teen van de winterdijk (onderdeel van dijkringgebied 40) maakt deel uit van het initiële plangebied. De winterdijk zelf behoort niet tot het plangebied.

21

De ligging en indicatieve begrenzing van het plangebied is opgenomen in afbeelding 1.1. Dit gebied vormt het totale zoekgebied waarbinnen de voorgenomen activiteiten worden gerealiseerd. Zoals in paragraaf 3.2 wordt toegelicht, komt het uiteindelijke ontwerp in een aantal cyclische ontwerprondes tot stand, waarbij bepaalde deelgebieden kunnen afvallen of toegevoegd worden. De uiteindelijke plangrens van het voorkeursalternatief (en dus de begrenzing van het plangebied van de op te stellen bestemmingsplannen c.q. vergunningaanvragen) zal worden beperkt tot die gebieden van de uiterwaarden die daadwerkelijk worden heringericht en zal dus afwijken van dit initiële zoekgebied uit afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied bestaat van noord naar zuid in feite uit een drietal uiterwaarden met elk verschillende gebiedskenmerken: De Wamelse uiterwaard, gelegen in het noordoosten van het plangebied, is een relatief brede uiterwaard in de binnenbocht van de Waal, met veel natuurelementen langs de dijk. Deze uiterwaard sluit direct aan op de Dreumelse uiterwaard aan de zuidwestzijde en loopt aan de oostzijde door tot Beneden-Leeuwen (net onder de Prins Alexanderbrug in de N323). Markante plaatsen binnen deze uiterwaard zijn het veerhuis tegenover Tiel en de oude steenfabriekslocatie De Hul. Deze uiterwaard kent thans grotendeels een agrarisch grondgebruik. De Dreumelse uiterwaard loopt vanaf het noorden van de Vonkerplas tot aan Bato’s erf, de voormalige steenfabriek in Heerewaarden die al in 1840 in gebruik is genomen en in 1982 is gesloten. Dit is een relatief smalle uiterwaard waarbinnen oude en deels vergraven strangen en weilanden aanwezig zijn. In het zuidelijk deel van deze uiterwaard was ooit een overlaat tussen de Waal en de Maas aanwezig. In dit gebied bevindt zich een scheepswerf met bijbehorende haven. Delen van deze uiterwaard zijn in gebruik als grasland. Verder zijn in deze uiterwaard enkele woningen gelegen.

De waaluiterwaard van Heerewaarden, ook wel de Kop van Heerewaarden genoemd, is gelegen in het zuidwestelijk deel van het plangebied en loopt vanaf kanaal Sint Andries tot en met Bato’s erf. Bato’s erf ligt op een hoge zandkop waar de Maas en Waal elkaar naderen. Dit gebied is enkele jaren geleden door de provincie ingericht als natuurgebied en rivierpleisterplaats. Ten zuidwesten

22

daarvan in de stroomluwte ligt een reliëfrijke uiterwaard met een oeverwal, voornamelijk in gebruik als grasland. In de uiterwaard van Heerewaarden is eveneens een aantal woningen gelegen. In dit MER wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het plangebied is het zoekgebied waarbinnen de voorgenomen activiteit (herinrichting van / natuurontwikkeling in de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden plaatsvindt. De ligging van het plangebied is in afbeelding 1.1 opgenomen. Dit kan worden gezien als het zoekgebied waarbinnen het planvoornemen zal worden gerealiseerd. Gedurende het ontwerpproces zullen de uiteindelijke contouren van het ontwerp (onder andere op basis van beschikbare grondeigendommen) op een aantal punten worden geconcretiseerd en wijzigen. De uiteindelijke begrenzing van het plangebied, zijnde de begrenzing van het gebied waarvoor de twee bestemmingsplannen worden opgesteld, zal dus gedurende het ontwerpproces nader worden ingekaderd binnen dit zoekgebied uit afbeelding 1.1. Het studiegebied is het gebied waarbinnen effecten als gevolg van de voorgenomen herinrichting van de uiterwaarden kunnen optreden, het effectgebied. Het studiegebied is dus ruimer dan het plangebied, en kan bovendien per milieuaspect verschillen. Het studiegebied is daardoor dus op voorhand niet uniform grafisch weer te geven in één figuur.

1.3

M.e.r. en ruimtelijke ordening De voorgenomen herinrichting van de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden is niet (volledig) mogelijk binnen de vigerende bestemmingsplannen [34, 37] buitengebied van de gemeente Maasdriel en de gemeente West Maas en Waal. Er dient derhalve een nieuw ruimtelijk plan te worden opgesteld, om de voorgenomen activiteiten planologisch mogelijk te maken. Tijdens het opstellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) [2] voor dit project was nog niet definitief besloten of er twee bestemmingsplannen zouden worden opgesteld, of dat wordt gekozen voor één overkoepelend Provinciaal Inpassingsplan (PIP). Nadien is in initiatiefnemers (Rijkswaterstaat Oost-Nederland, de provincie Gelderland en Staatsbosbeheer) en de beide gemeenten gekozen voor de bestemmingsplanprocedure. Hierbij worden twee bestemmingsplannen opgesteld: één voor het deel van het plangebied dat is gelegen op het grondgebied van de gemeente Maasdriel en één voor het deel van het plangebied dat is gelegen op het grondgebied van de gemeente West Maas en Waal. In de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit m.e.r. [1] is geregeld dat plannen of besluiten (zoals een bestemmingsplan) met mogelijk significante negatieve gevolgen voor het milieu op hun effecten moeten worden getoetst. Op 1 juli 2010 is de Wet modernisering m.e.r. in werking getreden.

Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer waar het gaat om de procedures en wettelijke bepalingen met betrekking tot het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. In samenhang hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Dit besluit is nadien op onderdelen nog gewijzigd. De meest recente wijziging is op 16 mei 2017 in werking getreden. Een belangrijke verandering in de Wet modernisering m.e.r. is het aanpassen van de richtlijnen met betrekking tot de activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. moet worden doorlopen. Niet alleen zijn de hoogten van de plandrempels voor verschillende activiteiten gewijzigd; ook het karakter ervan is veranderd. De beoordelingsdrempels uit het ‘oude’ Besluit m.e.r. (weergegeven in onderdeel C en D van de bijlage bij het besluit) zijn sinds 1 april 2011indicatief geworden en mogen niet langer als harde grens worden gezien. Het bevoegd gezag (BG) moet zich er voortaan van vergewissen of de activiteiten in dit onderdeel ook beneden de drempels geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst, maar die beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Bij de voorgenomen herinrichting van de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden zijn meerdere m.e.r.(beoordelings)-plichtige besluiten aan de orde. De beide bestemmingsplannen zijn gezien de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten al direct en in zichzelf m.e.r-plichtig, maar daarnaast is er sprake van een plan-m.e.r.-plicht omdat het ruimtelijk plan een kader vormt voor m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten. Het voorliggende MER zal zowel gebruikt worden ten behoeve van de besluitvorming over het ruimtelijk plan als voor

23

de vergunningen die noodzakelijk zijn ten behoeve van de realisatie van het planvoornemen en heeft daarom het karakter van een gecombineerd Plan- en Project-MER. Dit heeft onder andere tot gevolg dat in dit MER tevens dient te worden ingegaan op effecten die optreden tijdens de aanlegfase. Bij de herinrichting van de uiterwaarden geldt op basis van bijlage C bij het Besluit milieueffectrapportage een directe m.e.r.-plicht. Activiteit C16.1 stelt namelijk dat ‘de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem’ als m.e.r.-plichtige activiteit wordt aangemerkt indien er sprake is van een oppervlakte van 25 ha. of meer. Omdat de nevengeulen worden aangelegd in een gebied met een groter oppervlak dan 25 ha, is er in dit project sprake van een plan-m.e.r.-plicht voor de bestemmingsplannen en een project-m.e.r.-plicht voor de ontgrondingenvergunning. Daarnaast geldt in dit project ook nog een m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de volgende activiteiten zijn voorzien: ‘Het uitvoeren van een landinrichtingsproject, dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’ met een oppervlakte van 125 ha.

of meer van water, natuur, recreatie of landbouw (Activiteit D9); ‘De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de gronden met een agrarische bestemming’ op een oppervlakte van 100 ha. of meer (activiteit D27). De beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of op voorhand kan worden uitgesloten dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen optreden. Indien uit deze m.e.r.-beoordeling blijkt dat dit niet het geval is, dient alsnog een MER te worden opgesteld. Omdat in dit geval toch al sprake is van een m.e.r.plicht (zie boven), is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet meer aan de orde. Naast het Besluit m.e.r. vormt de Wet natuurbescherming een tweede mogelijke aanvliegroute tot het verplicht moeten uitvoeren van een m.e.r.-procedure. In een zogenaamde voortoets wordt onderzocht of als gevolg van de voorgenomen activiteiten significant negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Indien dit niet het geval is, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Besluitvorming over een ruimtelijk plan (zoals een bestemmingsplan) wordt dan Plan-m.e.r.plichtig.

Een derde en laatste aanvliegroute die zou kunnen leiden tot het verplicht moeten uitvoeren van een m.e.r.(beoordelings)procedure is gelegen in het feit dat een provincie in haar provinciale milieuverordening specifieke activiteiten kan benoemen, waarvoor in aanvulling de activiteiten zoals genoemd in bijlage C en D van het Besluit-m.e.r. ook een MER of m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. De provincie Gelderland heeft dit niet gedaan, waardoor deze laatste aanvliegroute geen extra aanleiding is tot een m.e.r.-plicht.

1.4

Doel van het milieueffectrapport De doelstelling van een milieueffectrapport en de procedure tot vervaardiging ervan is om het milieubelang een volwaardige en vroegtijdige plaats in het besluitvormingsproces te geven wanneer er sprake is van het voornemen tot het uitvoeren van activiteiten met mogelijk ingrijpende milieugevolgen voor de omgeving. Het MER geeft objectief weer welke milieugevolgen te verwachten zijn als gevolg van de realisering van een geplande ingreep of activiteit. Daartoe worden de effecten (op basis van verschillende criteria) van het planvoornemen (‘de voorgenomen activiteit’) en eventuele varianten en alternatieven hiervan beschreven en beoordeeld. Ook worden eventuele compenserende of mitigerende maatregelen beschreven om negatieve effecten te beperken. In het MER vindt wel een vergelijking maar geen weging van de verschillende aspecten plaats. Gebruik makend van de effectbeschrijvingen en –beoordelingen uit dit MER kiest de initiatiefnemer uiteindelijk een voorkeursalternatief dat planologisch wordt vastgelegd en waarvoor de benodigde vergunningen worden aangevraagd. Bij deze keuze voor het voorkeursalternatief kunnen overigens ook andere belangen dan enkel milieuargumenten een rol spelen, zoals financieel-economische, of politieke overwegingen of eigendomsposities.

Het opstellen van een MER is geen op zichzelf staand doel of plan, maar is altijd een hulpmiddel bij de besluitvorming door het bevoegd gezag over de betreffende activiteit. Om die reden is een MER altijd gekoppeld

24

aan een overheidsbesluit (bijvoorbeeld vaststelling van een bestemmingsplan of verlening van een vergunning) of een bij wet bepaalde planvorm (zoals vaststelling van een structuurvisie) en onderdeel van de procedure die daarvoor dient te worden doorlopen.

1.5

Procedure In voorliggend geval is sprake van het opstellen van een gecombineerd Plan- en Project-MER dat wordt gebruikt ten behoeve van de besluitvorming over de bestemmingsplannen en de ontgrondingenvergunning. De m.e.r.-procedure in het kader van de voorgenomen herinrichting van de Uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden is formeel van start gegaan met (de kennisgeving van) het verschijnen van de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) [2] (zie bijlage B3). De NRD heeft van 1 maart 2017 tot en met 11 april 2017 voor eenieder ter inzage gelegen. Alle ontvangen reacties zijn door het bevoegd gezag samengevat en voorzien van een inhoudelijke reactie [4]. Ook is de NRD voor advies aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.) en een aantal overige wettelijke adviseurs verzonden. Op 21 april 2017 heeft Cie-m.e.r. haar advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport uitgebracht [3]. In dit advies is aangegeven welke informatie het MER moet bevatten om het mogelijk te maken het milieubelang volwaardig in de besluitvorming mee te laten wegen. De provincie Gelderland heeft in juli 2017 de reactienota [4] en de op basis daarvan aangepaste NRD [53] vastgesteld. Op basis van deze kaders is het voorliggend MER opgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14538010/1