CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

B6. MER (inclusief adviezen Cie. mer en aanvullingen)

Gemeenteraad 14 november 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Uiterwaarden, Wamel, Dreumel en Heerewaarden29.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Binnen deze m.e.r.-procedure wordt de rol van initiatiefnemer vervuld door Rijkswaterstaat Oost-Nederland, mede namens de provincie Gelderland en Staatsbosbeheer (SBB). De gemeenteraden van Maasdriel en West Maas en Waal zijn het bevoegd gezag voor het bestemmingsplan. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor de ontgrondingsvergunning. Afgesproken is dat de provincie Gelderland hierbij optreedt als centraal aanspreekpunt (‘coördinerend bevoegd gezag’). Als het MER gereed is, wordt het ter toetsing aan de Cie-m.e.r. aangeboden. Daarna wordt het samen met de ontwerp bestemmingsplannen en de ontwerp-ontgrondingsvergunning, gedurende 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan een ieder hierop zienswijzen kenbaar maken. Op basis van de ontvangen zienswijzen worden de plannen eventueel aangepast en ter vaststelling aan het bevoegd gezag aangeboden. Het plan wordt pas vastgesteld als de m.e.r.-procedure tot aan deze stap correct en volledig is doorlopen en de gegevens uit het MER redelijkerwijs aan het uiteindelijke plan of besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Dit is voor plannen geregeld in artikel 7.13 van de Wet milieubeheer.

1.6

Leeswijzer Dit MER is onderverdeeld in een algemeen deel (deel A, hoofdstuk 1 tot en met 9) en een deel B (hoofdstuk 10 tot met 17) waarin de verschillende milieueffecten achtereenvolgens thematisch worden beschreven. Na dit algemeen inleidend hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 van dit MER ingegaan op de probleem- en doelstelling van het project en de voorgeschiedenis van de planontwikkeling. Hoofdstuk 3 beschrijft de wijze van planvorming en geeft een overzicht van beoordelingscriteria waarop het ontwerp getoetst zal worden en van de relevante autonome ontwikkelingen die bepalend zijn voor de referentiesituatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op het relevante beleidskader en wordt een overzicht gegeven van de te nemen besluiten en aan te vragen vergunningen. Hoofdstuk 5 van het MER beschrijft het planvoornemen, ofwel de voorgenomen activiteiten (het voorstel voor het DO2.0) en motiveert hoe met in de NRD aangekondigde varianten op het ontwerp is omgegaan. Hierna worden in hoofdstuk 6 de te verwachten milieueffecten (die in deel B nader zijn uitgewerkt) voor elk van de beoordelingscriteria samengevat weergegeven, waarna in hoofdstuk 7 wordt getoetst in hoeverre de in hoofdstuk 2 genoemde projectdoelen worden behaald.

Hoofdstuk 8 bevat een voorstel voor het voorkeursalternatief (DO2.1), waarna in hoofdstuk 9 het overzicht met de leemten in kennis en informatie en een aanzet voor het evaluatieprogramma is opgenomen. In deel B zijn hoofdstuksgewijs de beschrijvingen van de huidige situatie en de milieueffecten uitgewerkt voor de verschillende thema’s en beoordelingscriteria. Na een algemeen hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op

25

rivierkunde en water (hoofdstuk 11), natuur (hoofdstuk 12), bodem (hoofdstuk 13), landschap, cultuurhistorie en archeologie (hoofdstuk 14), woon- en leefmilieu (hoofdstuk 15), landbouw (hoofdstuk 16), overige effecten (hoofdstuk 17) en tenslotte effecten in de aanlegfase (hoofdstuk 18). Ten behoeve van dit MER geraadpleegde literatuur is in bijlage 1 opgenomen. In het MER is hier middels [x] naar verwezen.

26

2

PROBLEEM- EN DOELSTELLING EN VOORGESCHIEDENIS VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de probleem- en doelstelling van het project. Deze doelstellingen worden zoveel mogelijk kwantitatief weergegeven zodat uiteindelijk een toets op doelbereik kan worden uitgevoerd. Paragraaf 2.1 gaat nader in op de achtergronden en probleemstelling die de aanleiding zijn geweest voor het project. Hieruit volgen de projectdoelstellingen die in paragraaf 2.2 zijn opgenomen. Daarnaast is een aantal randvoorwaarden geformuleerd die leidend zijn (geweest) bij de verdere planvorming. In paragraaf 2.3 tenslotte wordt ingegaan op de voorgeschiedenis van het project

2.1

Achtergronden en probleemstelling Zoals in de inleiding van het vorige hoofdstuk reeds is gesteld, heeft de voorgenomen herinrichting van de Uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden (UWDH) meerdere aanleidingen: 1. Beperkte waterkwaliteit o KRW 2. Beleidsmatige status als (beschermd) natuurgebied, waaronder o Natura 2000 o NNN/GNN o NURG Hoogwaterveiligheid vormt geen expliciete aanleiding voor dit project. Aanpassing van de Waaldijk direct ten zuiden en ten oosten van het plangebied is pas voorzien voor de periode na 2025 en maakt derhalve geen onderdeel uit van de scope van dit project. Ook rivierverruiming met als doel verlaging van de waterstanden op de Waal is voor dit gebied geen aanleiding voor herinrichting van de uiterwaarden van Wamel, Dreumel en Heerewaarden. Het project wordt waterstandsneutraal uitgevoerd.

Ad 1. Beperkte waterkwaliteit (KRW-opgave) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die gericht is op het verbeteren van de ecologische kwaliteit van het water in de grote rivieren [8]: in 2027 moeten alle grote Europese oppervlaktewateren voldoende schoon en ecologisch gezond zijn. Naast de kwaliteit van het water zelf, moet ook de fysische gesteldheid van de rivieren, hun oevers en uiterwaarden op orde worden gebracht. Daarom is in de KRW vereist dat lidstaten een maatregelenprogramma opstellen en elke zes jaar een terugkoppeling over de stand van zaken geven door middel van stroomgebied-beheerplannen. Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn onder andere dat er voldoende ruimte wordt gecreëerd voor waterplanten en ondiepe zones voor vis en andere waterdieren. Deze Europese richtlijn is voor wat betreft de Rijntakken nationaal verankerd in het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 [69]. Om de genoemde doelstellingen te bereiken, zijn op basis van de beschrijving van de situatie van 2014 concrete maatregelenpakketten uitgewerkt. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de uitvoering van de KRW-maatregelen in het hoofdwatersysteem.

De verschillende KRW-maatregelen worden in 3 tranches uitgevoerd: de eerste tranche maatregelen is inmiddels afgerond en liep van 2010 tot en met 2015, de tweede tranche maatregelen liep van 2016 tot en met 2021 en de derde tranche maatregelen zal worden uitgevoerd in de periode tussen 2022 en 2027. De te nemen maatregelen bestaan onder andere uit de aanleg van meestromende nevengeulen, vispassages en natuurvriendelijke oevers. In het MER dat ten behoeve van de besluitvorming over het NWP is opgesteld, is in algemene zin geconcludeerd dat strangen, nevengeulen en overstromingsvlakten een positieve invloed hebben op de waterkwaliteit en natuurwaarden in de uiterwaarden. In een van de factsheets bij het BPRW [52] zijn alle in de tweede tranche te nemen KRW-maatregelen voor de Bovenrijn en de Waal benoemd. Uit de analyse van de bestaande situatie van het waterlichaam blijkt dat met

27

name de toestand voor macrofauna en vissen niet op orde is (zie tabel 2.1) en er voor een aantal verontreinigende stoffen normoverschrijding aanwezig is. Met betrekking tot de voor de Waal belangrijke ecologische kwaliteitselementen blijkt dat als gevolg van de sterke dynamiek en het beperkt geschikte habitat (macrofyten, macrofauna), de matige waterkwaliteit (macrofauna) en de beperkte paai- en opgroei- mogelijkheden (vissen) niet voldaan kan worden aan de gestelde doelstelling van een Goed Ecologisch Potentieel. De aanleg van nevengeulen, strangen, uiterwaardverlagingen, natuurvriendelijke oevers kunnen een bijdrage leveren aan het herstellen van de leefgebieden van de macrofyten, macrofauna en vissen en daarmee aan het behalen van de doelstellingen van de KRW. Vervolgens is in deze factsheet een aantal aanvullende maatregelen benoemd om de gewenste ecologische toestand te bereiken, waaronder de aanleg van een aantal nevengeulen en uiterwaardverlagingen. Voor het plangebied waren in de factsheets tot aan 2022 zowel de aanleg van de 2 km meestromende nevengeul (project ‘RWS-Y3006: uiterwaarden Wamel, Dreumel en Heerewaarden, nevengeul’) als de 5,3 km aangetakte strang (project RWS-Y3007: uiterwaarden Wamel, Dreumel en Heerewaarden, aantakken strang’) genoemd als maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren. Nadien zijn deze factsheets geactualiseerd.

Bij de uitwerking projectdoelstellingen komen deze terug (zie paragraaf 2.2). Tabel 2.1

KRW-doelen (tweede tranche) en bestaande toestand biologie Bovenrijn en Waal [52] Doelstelling (GEP)** Toestand 2021 Macrofauna (EKR)* ≥ 0,50 Matig Overige waterflora (EKR)* ≥ 0,23 Goed VIS (EKR)* ≥ 0,31 Ontoereikend

* EKR staat voor Ecologische KwaliteitsRatio, een getal tussen 0 en 1 dat de biologische kwaliteitstoestand van een waterlichaam weergeeft, uitgedrukt als het verschil tussen de feitelijke en de gewenste ecologische toestand, waarbij waarde 1 overeen komt met de natuurlijke referentie ** GEP staat voor Goed Ecologisch Potentieel, en geeft het te bereiken KRW doel weer

Hoewel de oorspronkelijke scope enkel zag op de realisatie van de tranche 2-opgave, heeft de initiatiefnemer gedurende het planproces besloten met het project UWDH tevens te willen bijdragen aan een deel van de KRWopgave uit de derde tranche. Het landelijke KRW-programma, en specifiek het deel dat bij RWS-Oost-Nederland is belegd, kampt namelijk met diverse issues die de realisatie (maakbaarheid en haalbaarheid) van de opgave bemoeilijken. Dit betreft onder andere het tijdig verkrijgen van de eigendommen en het inpassen van de maatregelen in relatie tot de eisen ten aanzien van rivierkunde en scheepvaart. Hierdoor is het onzeker of de tranche 3-opgaven voor met name meestromende geulen en in mindere mate eenzijdig aangetakte strangen realiseerbaar zijn voor de in Europees verband afgesproken opleverdatum van 2027. Daarom is gedurende het planproces besloten te bekijken of binnen het project UWDH de aanleg van meer nevengeulen tot een optie behoort. Gebleken is dat de aanleg van 2,9 km nevengeul extra zorgt voor een ecologisch aaneengesloten systeem van geulen op deze locatie, en daarmee de realisatie van een belangrijke stapsteen voor vissen en macrofauna tussen De Biesbosch en de Gelderse Poort. Daarnaast is gebleken dat de uiterwaardeverlaging/overstromingsvlaktes een ander type milieu bieden aan vissen, macrofauna en (water)planten dan de geulen.

Deze diversiteit is nuttig en nodig voor de paai en opgroei van diverse soorten. Deze vlaktes bevatten slechts een deel van het jaar water. Met het wegzijgen en/of verdampen van het water ontstaan er omstandigheden die goed zijn voor soorten uit de Natura 2000 en GNNdoelen. Langs de nevengeulen en in de ongestuurde overstromingsvlakten kan zich vegetatie ontwikkelen die bijdraagt aan de waterkwaliteit. Specifiek betreft het voor de nevengeulen het mogelijk maken van riet/ruigte, mengklasse 90/10 en rivierbegeleidend bos langs de oevers. Vegetatie langs en op de oevers zorgt onder andere voor schuil- en paaiplekken voor de diverse (watergebonden) fauna. Rivierbegeleidend bos is van belang in het kader van beschaduwing van het water (beperken temperatuurverschillen) en als beperking van de windeffecten op het oppervlaktewater. De wijzigingen in vegetatie zullen tot ontwikkeling komen middels gericht beheer. Ter plaatse van de overstromingsvlakte biedt riet/ruigte een beschut habitat voor diverse watergebonden fauna.

28

Hierbij wordt steeds gezocht naar een zo goed mogelijk evenwicht tussen landschappelijke, ecologische en rivierkundige belangen. Ad 2. Beleidsmatige status als (beschermd) natuurgebied. Naast de Kaderrichtlijn Water (KRW), die zoals gezegd vooral inzet op waterkwaliteit, zijn er voor het plangebied meerdere beleidsmatige programma’s aan de orde die aanleiding zijn geweest voor de voorgenomen herinrichting en natuurontwikkeling in de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden, waaronder: a) Natura 2000/Vogelrichtlijngebied; b) NNN/GNN; c) NURG. Ad a) Natura 2000/Vogelrichtlijngebied De uiterwaarden van de Rijntakken, waartoe ook de Waal behoort, herbergen belangrijke natuurwaarden. Daarom zijn ze grotendeels aangewezen als onderdeel van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000 [7]. Deze aanwijzing brengt met zich mee dat een aantal natuurtypen en leefgebieden voor diersoorten beschermd en uitgebreid moet worden. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, gericht op een duurzame bescherming van deze planten en dieren en is een beheerplan vastgesteld. Deze doelen zijn geformuleerd op het niveau van de hele Rijntakken en zijn opgenomen in tabel 2.2. Uit het beheerplan [47] blijkt dat de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden niet zijn aangewezen als kerngebied. Het betreft alleen Vogelrichtlijn (VR) gebied.

Wel is aangegeven dat de ontwikkeling van de volgende doelen een waardevolle aanvulling betekenen op het ecologisch functioneren van het ecosysteem van de Rijntakken [45, 47] als geheel: Slikkige rivieroevers. De ontwikkeling van dit type is gekoppeld aan projecten waarin nevengeulen worden gerealiseerd; Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen), Bever en Aalscholver. Hiervoor zijn boskernen in de Dreumelse waard en in de Heerewaardse uiterwaarden aangegeven; Droge hardhoutooibossen. Hiervoor komen twee locaties langs de Waal in aanmerking: Bato’s erf en op circa 10 km ten oosten van het plangebied in Afferden Deest; Trekvissen (Zeeprik, Rivierprik, Elft, en Zalm). De ontwikkeling van een meestromende nevengeul in onder andere de Heerewaardense uiterwaarden draagt bij aan een goede spreiding van meestromende geulen over de Rijntakken; Kamsalamander. De Wamelse uiterwaard is door de provincie Gelderland aangewezen als leefgebied voor de kamsalamander. Voor de overige habitattypen en habitatsoorten zijn er in het ontwerp beheerplan Rijntakken [47] geen doelen van toepassing voor UWDH. Wel zijn er bijzondere kansen voor droge graslanden (stroomdalgrasland) en porseleinhoen. Daarnaast zijn er Natura 2000-doelen geformuleerd die van toepassing zijn op het hele Rijntakken-gebied, en niet specifiek voor UWDH.

Het betreft hier in de regel doelen voor vissen en vogels zonder uitbreidingsopgave: Broedvogels: IJsvogel, Oeverzwaluw; Viseters: Fuut, Aalscholver, Nonnetje; Duikeenden: tafeleend, Kuifeend; Grondeleenden: Wintertaling, Wilde eend, Pijlstaart, Slobeend, Bergeend, Krakeend; Kleine zwaan, Wilde zwaan; Toendrarietgans, Kolgans, Grauwe gans, Brandgans, Smient; Steltlopers: Scholekster, Goudplevier, Kievit, Kemphaan, Grutto, Tureluur, Wulp.

29

Tabel 2.2

30

Natuurdoelen Natura 2000 voor de (hele) Rijntakken [45, 47]

Bovenstaande doelen zijn van toepassing op het hele Natura 2000-gebied de Rijntakken. Onderstaand is meer specifiek ingezoomd welke habitattypen en habitatsoorten binnen het plangebied UWDH aanwezig zijn: H6120-Stroomdalgraslanden. Potentieel geschikte groeiplaatsen zijn aanwezig op de oeverwallen langs de Waal, vooral ter hoogte van de Vonkerplas en verder noordwaarts tot aan het pontje. Waarschijnlijk zullen delen al kwalificeren als habitatytype stroomdalgraslanden. H6430C-Ruigten en zomen (droge bosranden). Potentieel geschikte groeiplaatsen zijn mogelijk aanwezig ten oosten van de Vonkerplas, waar drogere bossen afgewisseld worden met natte graslandjes op wat hogere gronden. Ook lijken de struweelhagen en bossen ter plaatse van de voormalige steenfabriek op Bato’s Erf geschikte groeiplaatsen te bieden. H91E0A-Vochtige alluviale bossen – zachthoutooibossen. Ten oosten en noordoosten van de Vonkerplas zijn goed ontwikkelde bossen van dit type aanwezig. N3270- Slikkige rivieroevers. Potentieel geschikte groeiplaatsen zijn aanwezig langs de geulen ten zuiden van de Vonkerplas. Op deze plekken zijn groeiplaatsen van slijkgroen aangetroffen. Circa 50% van de oevers lijkt geschikt voor dit habitattype.

Ad b) NNN/GNN Ook op nationaal niveau zijn grote delen van de uiterwaarden ter plaatse van Wamel, Dreumel en Heerewaarden beschermd: ze maken onderdeel uit van de landelijke NNN-gebieden (Natuurnetwerk Nederland, die provinciaal GNN, ofwel Gelders Natuur Netwerk heet). Dit is de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De NNN borgt de bescherming en uitbreiding van leefgebieden en soorten, maar niet alle delen van het plangebied die tot de NNN behoren, zijn op dit moment al als natuurgebied ingericht. De provincie Gelderland heeft aangegeven dat de begrenzing van het GNN zal worden aangepast op basis van het uiteindelijke voorkeursontwerp voor UWDH dat mede op basis van voorliggend MER wordt bepaald. De provincie Gelderland wil de kwaliteit van de natuur in stand houden door financiële ondersteuning van terreineigenaren bij het beheer van natuur. Deze subsidiemogelijkheden heeft de provincie vastgelegd in het natuurbeheerplan 2022 [28]. Uit de beheertypenkaart van het provinciale Natuurbeheerplan [28] blijkt dat voor het plangebied de volgende natuur- en beheertypen zijn aangewezen: N02 Rivieren / N02.01 Rivier (blauw); N12 Rijke graslanden en akkers / N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (groen-geel); N14.01 rivier- en beekbegeleidend bos (middelgroen); N14.03 Haagbeuken- en essenbos (donkergroen).

Naast de natuurbeheertypenkaart is in het natuurbeheerplan een ambitiekaart opgenomen. Hieruit blijkt dat enkele percelen zijn aangewezen als: N00.01 functieverandering van landbouw naar nieuwe natuur; N00.02 inrichting nieuwe natuur. Mede op basis van het bovenstaande heeft de provincie een doelstelling geformuleerd om als onderdeel van dit project binnen de uiterwaarden van Wamel, Dreumel en Heerewaarden circa 130 ha. nieuwe natuur in te richten, onder andere in de vorm van ooibos en natuurlijke graslanden die efficiënt toekomstbestendig beheerd kunnen worden. Ad c) NURG Het NURG staat voor Nadere Uitwerking Rivierengebied. Dit is een uitvoeringsprogramma onder regie van Staatsbosbeheer (namens ministerie van LNV) dat vooral in zet op natuurontwikkeling en bijdrage aan het Gelders Natuur Netwerk (GNN) in de uiterwaarden van het rivierengebied. De doelstelling in het kader van het NURGprogramma is gedefinieerd als het ontwikkelen van dynamische nieuwe (rivier)natuur in de uiterwaarden van de Rijntakken en bedijkte Maas. Hierbij geldt als uitgangspunt dat NURG-projecten ook kunnen/dienen bij te dragen aan rivierverruiming in het kader van hoogwaterveiligheid. Op basis van deze beleidsmatige doelen en ambities

31

zijn en worden de komende jaren langs de Waal diverse projecten uitgevoerd, waaronder de voorgenomen grootschalige natuurontwikkeling in de Uiterwaarden van Wamel, Dreumel en Heerewaarden (UWDH). Het NURG programma is nagenoeg afgerond. UWDH wordt een van de laatste projecten die onder dit programma zal worden uitgevoerd. Met de realisering van het planvoornemen wordt invulling gegeven aan de NURG-opgave die is geformuleerd voor de “Kop van Heerewaarden”, het zuidwestelijk deel van het plangebied UWDH. Deze uiterwaard moet worden ingericht als natuurlijk eenheid die geschikt is als leefgebied voor veel vogelsoorten waaronder steltlopers, eenden en grasetende watervogels. Natuurontwikkeling dient daarom in dit gebied vooral gericht te zijn op het realiseren van vochtige graslanden, plas-drasterreinen en stilstaande wateren. Daarnaast kunnen op oeverwallen bijzondere vegetaties ontstaan zoals stroomdalgrasland. Voorwaarde daarvoor is wel dat eventueel nog aanwezige stortsteen wordt verwijderd en een extensief begrazingsbeheer wordt toegepast [45]. In afbeelding 2.1 is de NURG-begrenzing ter plaatse van het plangebied weergegeven. Voor de Kop van Heerewaarden geldt in het kader van NURG een verwervings- en inrichtingsopgave van 29 respectievelijk 132 ha. nieuwe natuur, waarvan een klein gedeelte (ter plaatse van Bato’s erf) in 2012.

De te realiseren natuurdoeltypen zijn in het NURG niet nader geconcretiseerd. Deze doelen worden door de provincie als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (zie boven) bepaald. Gronden waarop het NURG van toepassing is, behoren veelal tevens tot het GNN.

Afbeelding 2.1

Begrenzing NURG ter plaatse van het plangebied [66].

Mede op basis van het bovenstaande heeft de provincie een doelstelling geformuleerd om als onderdeel van dit project binnen de uiterwaarden van Wamel, Dreumel en Heerewaarden circa 141 ha. nieuwe natuur (NURG) in te richten, onder andere in de vorm van ooibos en natuurlijke graslanden. Deze natuur dient bij voorkeur in de vorm van grote robuuste eenheden te worden gerealiseerd zodat efficiënt toekomstbestendig beheer mogelijk is. Daar waar dit vanwege eigendomsposities of een ecologisch beter ontwerp niet mogelijk blijkt, zal een mozaïek beheer/patroonbeheer worden voorgesteld.

32

2.2

Doelstellingen en randvoorwaarden voor het project

2.2.1

Doelstellingen Gelet op het voorgaande, zijn in het voortraject de volgende projectdoelstellingen geformuleerd die moeten worden behaald door het herinrichten van de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden:  De aanleg van 2 km meestromende nevengeul die bijdraagt aan de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW, 2e tranche);  De aanleg van 5,3 km aangetakte strang (drie stuks) die bijdraagt aan de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW, 2e en 3e tranche);  De inrichting van circa 260 ha. nieuwe natuur, een en ander passend binnen de doelstellingen en kernkwaliteiten van het Natura 2000, het Gelders Natuur Netwerk (GNN), en het NURG (Nadere Uitwerking Rivierengebied). Bestaande, reeds ingerichte natuurgebieden worden daarbij niet meegerekend. Gedurende het planproces dat sinds 2017 is doorlopen en waarbij het ontwerp voor het plangebied in een iteratief proces met alle stakeholders steeds verder is doorontwikkeld (zie paragraaf 3.2), is geconstateerd dat eenzijdig aangetakte strangen niet leiden tot de gewenste ecologische kwaliteit. Dit vanwege het hoog dynamische systeem van de Waal en daarmee het droogvallen van de geulen in het opgroeiseizoen van onder andere de vissen. Om toch de gewenste ecologische kwaliteit te behalen, zijn de eenzijdig aangetakte strangen herontworpen tot meestromende nevengeul.

Daarom is besloten de drie bovenstaande initiële projectdoelstellingen (ten opzichte van de huidige situatie) als volgt te herdefiniëren1: 5,3 km meestromende nevengeul (KRW-maatregel Y3007). 4,7 km meestromende nevengeul (KRW-maatregel Y3006 en surplus2). 54,8 ha. uiterwaardverlaging overstroomgebied (surplus). 130 ha. Natura 2000-inrichting (GNN). 141 ha. NURG inrichting. Daarbij streven de initiatiefnemers naar een zo hoog mogelijke ecologische kwaliteit, waarbij op een aantoonbare wijze, een afgewogen optimalisatie is uitgevoerd, mede in combinatie met een zo duurzaam mogelijk beheer, om hiermee maximaal bij te dragen aan de KRW-doelstellingen voor de Waal (zie ook de vorige paragraaf). De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft in haar advies over reikwijdte en detailniveau voor het MER [3] voorgesteld om de projectdoelstellingen zoveel mogelijk kwantitatief te formuleren zodat achteraf een toets op doelbereik kan worden uitgevoerd. Daarnaast stelt de commissie voor om (bijvoorbeeld aan de hand van een LESA, Landschapsecologische systeemanalyse) een nadere prioritering van de doelstellingen aan te brengen en zo te voorkomen dat uiteindelijk een ontwerp tot stand komt dat een onsamenhangende verzameling wensen is. Dit risico kan zeker ontstaan indien niet alle doelen complementair maar zelfs conflicterend blijken te zijn.

De drie initiatiefnemers (Rijkswaterstaat Oost-Nederland, provincie Gelderland en Staatsbosbeheer) hebben aangegeven op voorhand een dergelijke prioritering van de doelstellingen niet expliciet vast te willen leggen. Uitgangspunt is het streven naar maximale ecologische kwaliteit. Tijdens het planproces is gebleken dat de gewenste KRWkwaliteit met eenzijdig aangetakte strangen niet kon worden behaald. Om de KRW-doelen toch te behalen, is daarop besloten tot een scopewijziging en is uitgegaan van de aanleg meestromende nevengeulen in plaats van eenzijdig aangetakte strangen).

2.2.2

Overige randvoorwaarden en uitgangspunten Naast bovenstaande algemene projectdoelstellingen waaraan het plan getoetst dient te worden, is vooraf met de initiatiefnemers een aantal randvoorwaarden en uitgangspunten gedefinieerd waarmee bij de planuitwerking rekening gehouden dient te worden. Hierbij is onderscheid gemaakt in algemene randvoorwaarden voor het

1

Het project UWDH was aanvankelijk genoemd in de tweede tranche van het programma KW. Met deze nieuwe doelstellingen wordt invulling gegeven aan de totale KRW opgave, en ook al een bijdrage geleverd aan de derde tranche. 2 In te zetten omwisselmaatregel voor KRW doelen in andere uiterwaarden.

33

project en uitgangspunten voor het ontwerp (om de gewenste maximale ecologische kwaliteit te bewerkstelligen) en voor de milieueffecten. Randvoorwaarden voor het project Het gegeven de primaire projectdoelen realiseren van een zo hoog mogelijke ecologische kwaliteit waarbij op aantoonbare wijze een afgewogen optimalisatie is uitgevoerd, mede in combinatie met een zo duurzaam mogelijk toekomstig beheer, om hiermee maximaal bij te dragen aan de KRW-doelstelling voor de Waal. Maatregelen worden alleen genomen op eigendommen die reeds in bezit zijn van de initiatiefnemers of die minnelijk verworven kunnen worden. Er vindt geen onteigening plaats. Particuliere eigendommen worden gerespecteerd en blijven bereikbaar. De veerdiensten naar Tiel en Varik worden in stand gehouden (al dan niet op de bestaande locatie). Het project mag binnendijks niet leiden tot een toename van kwel/en of verdroging. De kwaliteit, stabiliteit en robuustheid van de naastgelegen waterkeringen mag niet nadelig worden beïnvloed. Het project moet vergunbaar zijn vanuit het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK 5.0). Dit betekent onder andere dat het ontwerp niet mag leiden tot een toename van de waterstanden op de Waal. Een afname van de waterstanden is op zich wel toegestaan zolang de afvoerverdeling niet wordt aangetast.

Ook mag het niet leiden tot substantiële onaanvaardbare extra aanzanding en verondieping of tot significante dwarsstroming. Toetsjaar voor de milieueffecten in de eindsituatie is 2035 (tien jaar na planrealisatie); toetsjaar voor milieueffecten in de aanlegfase is 2023. Bij het ontwerp moet actief gezocht worden naar mogelijkheden om synergie tussen het bereiken van de KRW-doelen en de Natura 2000-doelen, NURG en de GNN. Uitgangspunten voor het ontwerp en de milieueffecten Oorspronkelijk uitgangspunt voor het ontwerp vormt het schetsontwerp conform het natuur-plus scenario uit de pre-verkenning van 2014. De twee gemeenten (West Maas en Waal en Maasdriel) stellen bestemmingsplannen binnen de wettelijke termijnen vast en de Raad van State werkt binnen de gestelde termijnen. De provincie Gelderland draagt zorg voor de coördinatie van de procedures op basis van de Ontgrondingenwet. Voor het project geldt geen doelstelling ten aanzien van het verlagen van het maatgevend hoogwater (geen rivierverruimingsopgave voor deze uiterwaarden). Vrijkomende grond als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten kan, afhankelijk van de bodemkwaliteit van het materiaal en indien dit bijdraagt aan verbetering van de ecologische kwaliteit (KRW) binnen het plangebied doelmatig worden dan wel ter beschikking worden gesteld aan de aannemer.

In het ontwerp wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de aanwezige resten van strangen en nevengeulen in het gebied. Ligging, vormgeving en maatvoering van de nieuwe geulen sluiten waar mogelijk aan op de (cultuur)historische en landschappelijke structuren in het gebied. In het gebied wordt gestreefd naar het realiseren van zo groot mogelijk aaneengesloten beheerbare eenheden. Alle percelen van Staatsbosbeheer en de Rijksoverheid zijn in principe vrij toegankelijk voor struinen in de eindsituatie. Vanwege kostenbeheersing worden ter plaatse van de aanwezige hogedrukgasleidingen en de hoogspanningsleidingen geen belemmerende werkzaamheden uitgevoerd. In het ontwerp wordt een maximaal vergunbare vegetatieruwheid vastgelegd zodat de beheerruimte voor vegetatie zo groot mogelijk is. De beheervorm zal worden afgestemd op de natuurdoeltypen die zich mogen ontwikkelen. Dijkversterking van de Waaldijk in het kader van het HWBP is pas na 2025 aan de orde en maakt geen onderdeel uit van het project. De plangrens is gelegen aan de buitenteen van de winterdijk.

34

Ecologische ontwerpeisen Om een goede ecologische kwaliteit te verkrijgen, zijn ecologische ontwerpeisen voor de permanent en de tijdelijk meestromende nevengeulen opgenomen. Deze zijn weergegeven in de tabellen 2.3 en 2.4 en zijn door et al. voor dit project geformuleerd. De eisen voor de permanent meestromende nevengeul zijn geformuleerd op basis van de habitateisen van de KRW-soortgroepen (waterplanten, macrofauna en vissen). De ontwerpeisen voor de tijdelijk meestromende nevengeulen zijn gebaseerd op de ecologische eisen van reofiele vis (juvenielen), aangevuld met eisen voor de terrestrische levensfase van macrofauna en voor een stabiel leefmilieu. Voor de juveniele vis is daarbij vooral van belang dat de geul meestroomt in de periode maart tot en met de zomer. Tabel 2.3 Ecologische ontwerpeisen permanent stromende nevengeul Criterium Eis Stabiel leefmilieu Stabiliteit stroomrichting en –snelheid Geen/ beperkte golfslag a.g.v. scheepvaart Geen netto sedimentatie/ erosie Meestroomfrequentie >360 dagen/ jaar Stroomsnelheid Minimum stroomsnelheid 0,1 m/s Aanwezigheid van zones met stagnant water in maart-juli 0–0,2 m/s (juvenielen) Bankfull 0,5-0,7 m/s Waterdiepte Lage afvoeren: minimaal 0,8 m Aanwezigheid ondiepe zones in maart-juli 0,2–0,5 m (juvenielen) Waterbreedte Gemiddelde afvoeren (2.225 m3/s): ca.

15 m Substraat Zand, grind (en stenen) Variatie in lengteprofiel en dwarsprofiel Aanwezigheid rivierhout Aanwezigheid van zones met geïnundeerde vegetatie met licht stromend water 0,05-0,4 m/s in april-juni (paai) Beschutting water Aanwezigheid grind/stenen, diepe kommen, holle oever, overhangende vegetatie, boomwortels, obstakels en/of vegetatie Beschutting oever Bomen, struiken en ruigtevegetaties langs het water Tabel 2.3 Ecologische ontwerpeisen niet-permanent stromende nevengeulen Criterium Eis Stabiel leefmilieu Stabiliteit stroomrichting en –snelheid Geen/ beperkte golfslag a.g.v. scheepvaart Geen netto sedimentatie/ erosie Stroomsnelheid Licht stromend tot stagnant water 0–0,2 m/s Bankfull 0,5-0,7 m/s Waterdiepte Aanwezigheid ondiepe zones in maart-juli 0,2–0,5 m Substraat Zand, grind (en stenen) Variatie in lengteprofiel en dwarsprofiel Aanwezigheid rivierhout Aanwezigheid van zones met geïnundeerde vegetatie met licht stromend water 0,05-0,4 m/s in april-juni (paai) Temperatuur <25 oC (serpeling <15 oC) Connectiviteit In verbinding met hoofdstroom in maart-juli Doorlopende bodemovergang vanuit hoofdstroom in maart-augustus (geen obstakels) Beschutting water Aanwezigheid grind/stenen, diepe kommen, holle oever, overhangende vegetatie, boomwortels, obstakels en/of vegetatie Beschutting oever Aanwezigheid bomen, struiken en ruigte vegetaties langs het water

35

Deze ecologische ontwerpeisen voor de permanent meestromende geulen zijn vervolgens als volgt geoperationaliseerd: 1) De geul voert onder vrijwel alle omstandigheden minimaal 50 cm water. 2) Circa eens in de 7 – 10 jaar mag dit tijdelijk minder zijn. 3) Behoudens extreem lage afvoeren (frequentie <1% van de tijd) treedt geen droogval op. De tijdelijk meestromende nevengeulen zijn vooral van waarde als opgroeigebied voor juveniele reofiele vissoorten. Dit betekent dat de omstandigheden vooral in het voorjaar en de zomer geschikt moeten zijn. Op basis hiervan zijn de ecologische ontwerpeisen als de waterdiepte van dit type geulen als volgt geoperationaliseerd: 1) De geul voert in de maand mei minimaal 50 cm water; 2) Circa eens in de 7 – 10 jaar mag dit tijdelijk minder zijn; 3) Behoudens extreme laagwaterperioden (frequentie < 1% van de tijd) treedt droogval in mei-juni niet op.

2.3

Voorgeschiedenis van het project De plannen voor de ontwikkeling van dynamische natuurwaarden in de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden zijn niet nieuw. De belangrijkste mijlpalen die relevant zijn voor de planhistorie zijn de Visie Fort Sint Andries, het programma Waalweelde West en de Préverkenning die in 2014 is opgesteld in het kader van de MIRT procedure. Onderstaand wordt op deze drie mijlpalen ingegaan. Visie Fort Sint Andries In 1994 is de Visie Fort Sint Andries [44] verschenen. Hierin heeft het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) samen met de provincie Gelderland een toekomstvisie voor de natuurontwikkeling in het gebied tussen de Maas en de Waal geschetst. Het streefbeeld uit deze visie is in afbeelding 2.2 samengevat weergegeven. Om dit streefbeeld te bereiken, is een aantal inrichtingsmaatregelen voor de korte termijn (periode 1994-2010) benoemd. Deze zijn afgebeeld in afbeelding 2.3. Hierin is onder andere voor het eerst gesproken over de inrichting van een aantal strangen en nevengeulen in de uiterwaarden van Wamel, Dreumel en Heerewaarden. Ook de inmiddels voltooide ontgronding/delfstofwinning ter plaatse van de Vonkerplas is hierin aangegeven.

Naar aanleiding van het verschijnen van deze visie zijn diverse gronden, ook binnen het plangebied, aangekocht en heeft een ruilverkaveling plaatsgevonden, met als doel om meer natuurwaarden in de uiterwaarden van de Maas en de Waal te realiseren. Als uitvloeisel van deze visie zijn of worden langs de noordoever van de Waal inmiddels onder andere de uiterwaarden van Passewaaij, de Stiftsewaard bij Ophemert en de Heesseltsche Waard heringericht en is bij Hurwenen een nevengeul aangelegd [45]. Ook langs de Maas zijn als uitwerking van deze visie in het verleden al verschillende natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd.

Afbeelding 2.2

36

Streefbeeld visie Fort Sint Andries [44]

Afbeelding 2.3

Inrichtingsmaatregelen uit visie Fort Sint Andries [44]

Programma WaalWeelde West Sinds 2006 werken verschillende belangenorganisaties, bedrijven, overheden en bestuurders onder regie van de provincie Gelderland en de Radboud Universiteit Nijmegen samen aan het programma WaalWeelde. De samenwerking heeft als doel de vele opgaven en belangen langs de Waal met elkaar te verknopen. Naast de veiligheidsmaatregelen tegen hoogwater liggen er namelijk ook andere opgaven in het gebied, waar overheden mee aan de slag gaan. Het is een integrale aanpak, waarin de verschillende belangen worden meegewogen in het programma waardoor er ook meer draagvlak voor ingrepen langs de rivier ontstaat. Centrale kapstok van alle ontwikkelingen binnen het programma Waalweelde is het streven naar meer ruimtelijke kwaliteit en samenhang in het hele Waalgebied. Om deze gewenste ruimtelijke kwaliteit en samenhang goed te borgen, is in 2015 de Structuurvisie WaalWeelde West vastgesteld [42]. Ten behoeve van de besluitvorming over deze structuurvisie is tevens een milieueffectrapport opgesteld waarin is onderzocht welke uiterwaarden in het gebied geschikt zijn om ruimte te bieden aan de Waal, voor natuurontwikkeling of voor ruimtelijke economische functies. In afbeelding 2.4 is een uitsnede uit de plankaart van deze structuurvisie opgenomen.

Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied (voor zover gelegen op het grondgebied van Heerewaarden, gemeente Maasdriel) is voorzien in natuurontwikkeling (groene arcering) en de aanleg van een aantal nevengeulen in de Kop van Heerewaarden. Daarnaast zijn er pleisterplaatsen of vertierplekken voorzien waar recreatie en toerisme kan plaatsvinden. De Dreumelse en Wamelse uiterwaarden (grondgebied van de gemeente West Maas en Waal) zijn niet opgenomen in de Structuurvisie WaalWeelde West. Voor deze uiterwaarden geldt voor de middellange termijn (tot 2025) op basis van de huidige inzichten geen extra hoogwaterveiligheidsopgave.

37

Afbeelding 2.4

Uitsnede plankaart Structuurvisie Waalweelde West [42]

Preverkenning UWDH In 2014 heeft de provincie Gelderland in samenwerking met Dienst Landelijk Gebied (DLG) een preverkenning uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Kop van Heerewaarden laten uitvoeren [50]. Het realiseren van grotere eenheden natuur, passend bij het dynamisch riviersysteem vraagt om een zorgvuldige afweging met landbouw, cultuurhistorie en de aanwezige woonfuncties. In de preverkenning zijn uitgaande van de beleidsopgaven en de visie op de ruimtelijke structuur twee ontwikkelingsrichtingen gedefinieerd: Het scenario ‘basisnatuur’. Dit scenario, waarvan het schetsontwerp in afbeelding 2.5 is afgebeeld, gaat uit van het realiseren van een basiskwaliteit natuur om met minimale inspanning op korte termijn een meer duurzame en samenhangende inrichting voor het gebied te realiseren. o Voor het buitenkaads deel worden de nog resterende productiegraslanden omgezet in bloemrijke graslanden (stimulering van de biodiversiteit). Dit door voorwaarden te stellen aan agrarisch medegebruik, bijvoorbeeld ten aanzien van maaidata, bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Door het verwijderen dan wel herschikken van rasters ontstaan grotere aaneengesloten beheerseenheden. Er worden geen vergravingen voorzien. o De zomerkade kan een verbindend element zijn om naast de winterdijk het gebied meer te ontdekken met de nodige dwarsverbindingen vanuit de dorpen.

Daarmee ontstaat een samenhangende recreatiestructuur en het gebied toegankelijker wordt voor wandelaars. o Het oudhoevig land in Wamel, tussen de zomer en de winterkade behoudt haar agrarische functie en grondeigenaren worden verleid om meer natuurlijk agrarisch beheer in te zetten o In een vervolgfase kan met omwonenden worden bekeken hoe routes en knooppunten met de dijk worden versterkt.

38

Afbeelding 2.5 -

Schetsontwerp scenario ‘basisnatuur’ [50]

Het scenario ‘natuur +’. Dit tweede scenario gaat uit van het benutten van kansen voor beleidsmatig gewenste vormen van natuurontwikkeling tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten en met meerwaarde voor het gebied. Er is een afgewogen ontwerp uitgewerkt dat uitgaat van het aantakken op de Waal van in totaal vier te vergraven geulen, waarvan er een meestromend is. Daarmee ontstaat meer dynamiek in de uiterwaarden, meer open water, slikkige oevers en meer gradiënten van nat naar droog. Ook wordt ingezet op ooibosontwikkeling en aanleg van stroomdalgraslanden op de hoge zandige oeverwallen. De zandwinplas wordt in dit scenario deels verondiept waardoor natuurwaarden toenemen en er meer diversiteit in aquatische milieus ontstaat. Uitgangspunt is een waterstandsneutraal plan. Dit ontwerp bestaat uit: o Een smalle meestromende nevengeul van circa 2 km in de bocht bij Wamel. Op de hogere delen aan de oevers liggen potenties voor stroomdalgraslanden. Hier kan opzanding plaatsvinden. Tussen de veerstoep en de Hul wordt het maaiveld plaatselijk verlaagd waardoor de doorstroming verbetert. Het oostelijk deel van de Vonkerplas wordt verondiept (circa 1 mln. m3 grond die vanuit het project vrij komt) tot het niveau waar ondiepten ontstaan (+3m NAP en voor het overige deel tot max 5m onder waterpeil om verdere opstuwing te voorkomen).

De Vonkerplas wordt in het zuiden aangetakt op een van de te graven geulen (lengte 1,8 km), deels gebruik makend van het bestaande geulsysteem en met vergraving van het nog aanwezige gronddepot. In de Kop van Heerewaarden worden twee eenzijdig aangetakte geulen van 2 resp.1,5 km gecreëerd, gebruik makend van de ligging van bestaande geulen in het gebied. Het terreinbeheer wordt in het buitenkaadse deel uitgevoerd door geïntegreerd coöperatief beheer gericht op natuurlijk graslandbeheer met seizoensbegrazing. Op hogere delen is ruimte voor stroomdalgraslanden en plaatselijk (waar het riviersysteem het toelaat) is ruimte voor meer ruigte en struweel. o In een volgende planfase kunnen de recreatieve mogelijkheden van de zomerkade worden versterkt, in aansluiting op de aanwezige pleisterplaatsen en vertierplekken.

39

o

o

Voorgesteld wordt om het oud hoevig land tussen de zomer en winterdijk bij Wamel in landbouwkundig gebruik te laten met behoud van aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden. In dit gebied kan wel gezocht worden naar mogelijkheden om het leefgebied van de kamsalamander te versterken. In de stroomluwte van Bato’s erf wordt de ontwikkeling van zacht- en hardhoutooibos mogelijk gemaakt. In dit scenario wordt voorgesteld om bij Wamel meer doorzicht vanaf de dijk te creëren. Dit kan dan worden gecompenseerd in een boskern.

Dit scenario is gevisualiseerd in afbeelding 2.6.

Afbeelding 2.6

Schetsontwerp scenario ‘natuur+’ [50]

In de preverkenning is geconstateerd dat scenario 1 (Basisnatuur) zich met name richt op natuuropgaven (385 ha. natuurgebied dat een meer eenduidig beheer krijgt, gericht op bloemrijk grasland en waarbij agrarisch medegebruik mogelijk is) en er niet of nauwelijks wordt ingespeeld op kansen en potenties van het gebied, en niet wordt voldaan aan de ontwikkelingsrichting uit de Structuurvisie WaalWeelde West [42]. Ook de KRWopgave is in dit scenario niet opgenomen. Door het geïntegreerd natuurlijk graslandbeheer zal in dit scenario (Natuur +) naar verwachting een grotere biodiversiteit ontstaan dan in scenario 1. In het scenario ‘Natuur +’ is sprake van een meerwaarde die door een integrale gebiedsontwikkeling kan ontstaan, terwijl in scenario 1 (basisnatuur) enkel sprake is van een sectorale natuuropgave [50].

40

Vanwege de natuurwinst, aansluiting bij de kaders uit de Structuurvisie en de mogelijkheid voor meekoppelkansen hebben de drie initiatiefnemers van het project UWDH, de provincie Gelderland, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat Oost-Nederland, besloten om het scenario ‘natuur+’ in de verdere planvorming nader uit te werken. Aandachtspunt hierbij is de gedeeltelijke verondieping van de Vonkerplas waar de gemeente West maas en Waal zeer kritisch over is.

41

3

PLANAANPAK

3.1

Thema’s Het doel van een MER is het inzichtelijk maken van de milieueffecten van een bepaalde ruimtelijke ingreep, ook wel het planvoornemen of de voorgenomen activiteit genoemd, (inclusief varianten ervan) en deze te vergelijken ten opzichte van de referentiesituatie, ook wel het nulalternatief genoemd. Deze effectbeschrijving en – beoordeling dient op een dusdanige wijze te geschieden dat de resultaten van het onderzoek ondersteunend zijn in de besluitvorming (in dit geval over de bestemmingsplannen en de ontgrondingenvergunning voor de herinrichting van de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden) en het milieubelang een vroegtijdige en volwaardige plaats in de besluitvorming over een initiatief kan krijgen. In het MER worden zowel de milieueffecten van de voorgenomen activiteit als de mate van doelbereik beoordeeld. In een toets van het doelbereik wordt beoordeeld in hoeverre de uitvoering van de voorgenomen activiteit beantwoordt aan de projectdoelstellingen. In onderhavig project is sprake van een gecombineerd Planen Project-MER dat zowel wordt gebruikt bij de besluitvorming over het ruimtelijk plan als de ontgrondingenvergunning. Bij het bepalen van de milieueffecten wordt daarom zowel ingegaan op effecten die optreden gedurende de aanlegfase als op effecten als gevolg van het gebruik in de eindsituatie.

Tevens wordt aangegeven of effecten tijdelijk, permanent, ophefbaar of onomkeerbaar zijn, op korte of langere termijn spelen en of er sprake is van cumulatieve effecten. Ook wordt aangegeven welke mitigerende en/of compenserende maatregelen mogelijk en/of noodzakelijk zijn. Naast het beschrijven van negatieve effecten wordt ook ingegaan op positieve effecten voor het milieu. Zoals in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) [2, 53] voor dit project is aangegeven, worden daarbij in deel B van dit MER achtereenvolgens de volgende aspecten beschouwd:  Water;  Natuur  Bodem;  Landschap, cultuurhistorie en archeologie;  Woon- en leefmilieu;  Landbouw;  Overige effecten;  Effecten in de aanlegfase.

3.2

Wijze van planontwikkeling en effectbeschrijving In dit MER vindt onderzoek naar milieueffecten plaats aan de hand van de beoordeling van de voorgenomen activiteiten, ofwel het planvoornemen, zoals omschreven in hoofdstuk 5 van dit MER. Zoals in de NRD [2, 53] reeds is aangegeven, is daarbij uitgegaan van één alternatief dat wordt afgewogen tegenover de referentiesituatie, dat in paragraaf 3.3 wordt omschreven. Voor onderdelen van het plan zijn gedurende het planproces wel ontwerpvarianten uitgewerkt en meegewogen. Dit heeft geleid tot een optimalisatie van het ontwerp dat uiteindelijk in dit MER is getoetst op alle beoordelingscriteria uit de NRD [53]. Samen met de verschillende projectpartners (Rijkswaterstaat Oost-Nederland, de Provincie Gelderland en Staatsbosbeheer) en diverse stakeholders uit de omgeving, waaronder de gemeente West Maas en Waal en de gemeente Maasdriel, Waterschap Rivierenland en omwonenden, is een cyclisch iteratief ontwerpproces doorlopen middels verschillende ontwerpateliers, waarbij het schetsontwerp (SO) uit de eerder opgestelde preverkenning (volgens het Natuur+ scenario) zich als het ware steeds verder doorontwikkelt naar een Definitief Ontwerp.

De uitkomsten van de verschillende tussentijdse toetsronden zijn gebruikt om ook het milieubelang (bijvoorbeeld rivierkunde en landschap) een vroegtijdige en volwaardige rol in de besluitvorming te laten spelen.

43

Enkele voorbeelden hiervan zijn: In tussentijdse hydrologische berekeningen is bepaald of het plan kan leiden tot ongewenste binnendijkse effecten en beïnvloeding van de waterkering. Daar waar dit kan optreden, is vanuit het waterschap Rivierenland en gemeente West Maas en Maal als randvoorwaarde gesteld hier als mitigerende maatregel kleilagen aangebracht dienen te worden. Op basis van het milieukundig bodemonderzoek is bekeken of bepaalde grondstromen binnen het plangebied kunnen worden hergebruikt, of waarheen ze dienen te worden afgevoerd. Vanwege het sterk dynamische karakter van de Waal is nader onderzoek uitgevoerd naar de KRWkwaliteit van eenzijdig aangetakte strangen en is voorgesteld deze te heroverwegen en de scope van het project te wijzigen (aanleg van meestromende geulen in plaats van eenzijdig aangetakte strangen). Ook een uiterwaardverlaging bij Wamel is in een eerdere planfase vervallen omdat deze tot een lagere ecologische kwaliteit en bijdrage aan de KRW leidt dan een nevengeul. Om ongewenste morfologische effecten te voorkomen is in het planproces onderzocht of het effectief is om de aanwezige oeverwallen tussen de Waal en de geulen/strangen op te hogen. Dit bleek te leiden tot ongewenste effecten vanuit landschap en ecologie (regelmatig overstromen leidt juist tot gewenste vegetatieontwikkeling) en is daarom als niet wenselijk beoordeeld.

Op basis van een cultuurhistorische en landschappelijke analyse (in lijn met de LESA-systematiek) is steeds gekeken hoe oude structuren en elementen in het gebied in het ontwerp kunnen worden geïntegreerd en/of teruggebracht. Voorbeelden hiervan zijn de ligging van geulen en laagtes op oude rivierkaarten, de locatie van het voormalige veerhuis en de ligging van de Oude Tielsche krib alsook van andere kribben in relatie tot de historische landschapsvorming van de uiterwaarden en de ligging van de geulen. Daarnaast kan in dit verband worden gewezen op het behoud van de rust en openheid in het gebied (zicht op de Waal) en het handhaven van de oeverwallen. Deze aanpak is in afbeelding 3.1 schematisch weergegeven.

Afbeelding 3.1

Ontwerpproces planuitwerking

Zoals in de NRD [2, 53] reeds is aangegeven, wordt de basis voor het ontwerpproces gevormd door het scenario ‘natuur +’ uit de preverkenning [50] van 2014. Rekening houdend met de vooraf geformuleerde randvoorwaarden en uitgangspunten (zie paragraaf 2.2.2 van voorliggend MER) is dit schetsontwerp (SO) dat al in 2014 door derden is opgesteld, in een aantal ontwerpsessies samen met stakeholders doorontwikkeld tot een basisontwerp (BO). Daarnaast zijn er voor een aantal onderdelen van dit basisontwerp (ontwerp)varianten uitgewerkt. Gedurende het ontwerpproces zijn diverse individuele ‘keukentafelgesprekken’ met direct belanghebbenden uit het gebied gevoerd als ook gesprekken met belangenorganisaties en vergunningverlenende instanties zoals het waterschap Rivierenland gevoerd. Alle belangen, wensen, eisen en mogelijke meekoppelkansen vanuit de omgeving zijn geïnventariseerd en in een gezamenlijke honoratiesessie met de initiatiefnemers is afgewogen welke meekoppelkansen / wensen wel en niet worden meegenomen in de verdere planontwikkeling.

44

Dit basisontwerp is samen met de benoemde varianten in een eerste toetsing beoordeeld op een aantal ‘dominante’ thema’s die van belang zijn voor de besluitvorming over een vergunbaar, betaalbaar en uitvoerbaar ontwerp voor het nemen van een tussentijdse Go/No-Go-beslissing en uiteindelijk leidend tot een MIRT 3-besluit: Deze ‘dominante thema’s’ zijn: Doelbereik; Rivierkunde (hoogwaterveiligheid, hinder of schade door hydraulische effecten en morfologische effecten); Geohydrologie (grondwaterstanden) en waterveiligheid (stabiliteit waterkering en piping); Draagvlak in de omgeving; Financiële haalbaarheid; Grondposities. Op basis van deze uitkomsten is een keuze gemaakt om een aantal ontwerpvarianten te laten vervallen dan wel mee te nemen in de verdere planvorming. Ook zijn er suggesties voor planwijzigingen in de volgende ontwerpronde uitgewerkt, mede op basis van een nieuwe reeks individuele keukentafelgesprekken met omwonenden en ontwerpateliers. Gelijktijdig met de toetsing op bovenstaande criteria zijn het basisontwerp en het DO 1.5 tevens geaudit (validatie) door een onafhankelijk expertteam vanuit Smart Rivers, een onafhankelijk samenwerkingsverband van rivierecologen.

Hierin is waardering uitgesproken voor de gekozen aanpak om één ontwerp te toetsen en steeds verder door te ontwikkelen en niet verschillende alternatieven tegen elkaar af te wegen en daaruit een keuze te maken. De onafhankelijke audit door het expertteam heeft geleid tot optimalisatie van het eisenregister en tot suggesties voor een aantal nieuwe varianten voor delen van het ontwerp. Parallel hieraan is een nieuwe ronde met ontwerpateliers doorlopen en is het basisontwerp doorontwikkeld tot een voorlopig ontwerp ‘DO1.5’ inclusief een aantal resterende ontwerpvarianten hierop. In dit DO1.5 zijn tevens de gehonoreerde wensen met projecten uit de omgeving verwerkt. Het DO1.5 is vervolgens opnieuw getoetst op bovenstaande ‘dominante’ thema’s. Dit heeft geleid tot de totstandkoming van het DO1.99. Tijdens de toetsing van het DO1.99 intensiveerde op zowel landelijk als provinciaal en lokaal niveau de maatschappelijke en politieke discussie over de ecologische waarde van voormalige zandwinplassen in relatie tot het verondiepen van deze plassen. De gemeente West Maas en Waal heeft daarop gemeentelijk beleid opgesteld [73] met een specifiek stappenplan bij de grootschalige toepassing van grond.

Het aanvankelijke initiatief om de zuidzijde van de Vonkerplas gedeeltelijk te verondiepen met gebiedseigen materiaal (voor zover dat voldoet aan het Besluit bodemkwaliteit, Bbk) dat vrijkomt bij het graven van de geulen en daarmee de ecologische kwaliteit te vergroten, is losgelaten vanwege het ontbreken van maatschappelijk draagvlak bij omgevingspartijen en onduidelijkheid over de ecologische meerwaarde. In plaats daarvan is besloten om al het materiaal af te voeren. Dit is een bestuurlijk besluit geweest van de bestuurlijke begeleidingsgroep van het project UWDH. Daarnaast is tijdens het ontwerpproces door RWS geconstateerd dat eenzijdig aangetakte strangen leiden tot een niet afdoende ecologische kwaliteit. Dit in tegenstelling tot de meestromende nevengeul, die de gewenste kwaliteit wel levert en bijdraagt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit heeft geleid tot een bestuurlijke opdracht om een extra ontwerpronde uit te voeren waarbij de eenzijdig aangetakte strangen zijn geoptimaliseerd tot meestromende nevengeulen. Deze zijn met de deelnemers van de ontwerpateliers en omgevingspartijen (i.v.m. Covid-19 digitaal) besproken. Naar aanleiding hiervan zijn ook de oorspronkelijke projectdoelstellingen opnieuw gedefinieerd (zie paragraaf 2.2.1).

Dit heeft geleid tot het voorstel voor het DO2.0 dat in voorliggend MER is gedefinieerd als het planvoornemen ofwel de voorgenomen activiteit. Dit planvoornemen is in hoofdstuk 5 van deel A van het MER omschreven. In deel B van het MER is in paragraaf 10.2 een nadere toelichting opgenomen van het groeiproces dat het ontwerp heeft doorgemaakt.

45

Vervolgens vindt er een integrale milieubeoordeling plaats waarin de te verwachten effecten van het voorstel voor het DO2.0 (ten opzichte van het nulalternatief) worden beschreven voor alle beoordelingscriteria uit de NRD [2, 53] die in paragraaf 3.4 zijn opgenomen. Deze resultaten zijn uitgewerkt in deel B van dit MER en de resultaten zijn in deel A samenvattend opgenomen in hoofdstuk 6 van dit MER. Dit proces leidt uiteindelijk tot een voorkeursontwerp (het VKA) dat in de bestemmingsplannen wordt verankerd en waarvoor de vergunningen worden aangevraagd. Dit is het definitieve ontwerp DO2.1 dat als VKA is vastgesteld door de bestuurlijke begeleidingsgroep (BBG).

3.3

Referentiesituatie In dit MER worden de effecten van het planvoornemen beschreven en beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie, ofwel het nulalternatief. De referentiesituatie is gedefinieerd als de huidige situatie, inclusief de autonome ontwikkeling tot 2032. Dit houdt in: de situatie in 2032 zonder dat de voorgenomen activiteit wordt gerealiseerd, maar de gedefinieerde autonome ontwikkelingen wel doorgang vinden. Een initiatief wordt daarbij pas als autonome ontwikkeling aangemerkt indien daarover een formeel besluit (bijvoorbeeld in de vorm van een verleende vergunning) is genomen, zodat voldoende zeker is dat deze ontwikkeling ook doorgaat indien het planvoornemen niet doorgaat. Het initiatief om de Waal en de Maas bij Heerewaarden mogelijk in de toekomst met elkaar te verbinden is om deze reden nog niet concreet genoeg en in voorliggend MER niet als autonome ontwikkeling aangemerkt.

Rekening houdend met de NRD [2, 53], het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage [3] en de vastgestelde reactienota van de provincie Gelderland [4] zijn de volgende initiatieven aangemerkt als autonome ontwikkeling die deel uitmaken van de referentiesituatie / het nulalternatief voor het project UWDH: Programma Stroomlijn Stroomlijn [21] is een programma van Rijkswaterstaat, gericht op het verwijderen van begroeiing (opgaande vegetatie) in de uiterwaarden langs de verschillende grote rivieren van ons land. Binnen dit programma worden fasegewijs op veel locaties bomen en struiken die in de stroombaan van de grote rivieren staan, verwijderd. Hierdoor kan worden gezorgd voor een betere doorstroming van de rivieren tijdens hoogwater (als de uiterwaarden ‘vol staan’), zodat het risico op overstromingen wordt verkleind. Als onderdeel van dit programma zijn de afgelopen tijd ook in de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden al diverse ‘rivierkundige obstakels’ in de vorm van bomen, ruigten, riet en struweel verwijderd. Onder andere (maar niet alleen) in de zone ten zuiden van de Vonkerplas (zie onderstaand figuur) is in het kader van het Programma Stroomlijn [21] veel opgaande vegetatie verwijderd.

In de rivierkundige modelberekeningen die voor dit project zijn uitgevoerd, is er voor wat betreft de waterstanden en doorstroombaarheid vanuit gegaan dat in de referentiesituatie/het nulalternatief alle geplande en vergunde maatregelen uit het programma Stroomlijn [21] volledig zijn uitgevoerd.

Afbeelding 3.2:

46

Overzicht te verwijderen bosschages vanuit programma Stroomlijn.

Kribverlaging en aanleg langsdammen Als gevolg van uitschuring van de vaargeul zijn verschillende kribben (de stenen ‘dwarsliggers langs de oevers van de Waal) in de loop der tijd te hoog komen te liggen, waardoor ze een belemmering voor de doorstroombaarheid zijn gaan vormen. In het kader van het programma Ruimte voor de Rivier zijn de afgelopen jaren in totaal 450 kribben in de Waal tussen Nijmegen en Gorinchem met circa 1 meter verlaagd. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat ter plaatse van het plangebied een pilotproject uitgevoerd. Tussen Wamel en Ophemert zijn circa 40 kribben verwijderd en vervangen door zogenaamde langsdammen. Dit zijn stenen dammen in de vaargeul, parallel aan (in plaats van dwars op) de oever. Hierdoor ontstaat een scheiding tussen de hoofdvaargeul voor de beroepsvaart en een oevergeul voor de recreatievaart. Ook ter plaatse van het plangebied zijn deze langsdammen aanwezig. Het vooraf verwachte effect hiervan is een waterstandsdaling tijdens zeer hoog water van 6 tot 12 cm. Momenteel loopt er een programma om de werking van dit pilotproject te monitoren. Afhankelijk van de uiteindelijke evaluatie en monitoringsresultaten kunnen langsdammen in de toekomst mogelijk op meer plekken als rivierkundige ingreep worden toegepast. Voor de rivierkundige modelberekeningen in dit project is uitgegaan van het door Rijkswaterstaat uitgeleverd model.

Hierin zijn de langsdammen als een van de uitgevoerde actualiseringsmaatregelen aan het model toegevoegd zodat ze deel uitmaken van de referentiesituatie. Voor wat betreft de bodemhoogte van de oevergeul en de drempels aan de bovenstroomse zijde van de langsdammen is in overleg met Rijkswaterstaat uitgegaan van de momentopname uit 2017 aangezien niet duidelijk is hoe deze zich in de toekomst zullen ontwikkelen. FluviaTiel De gemeente Tiel werkt samen met de provincie en het Waterschap aan de overzijde van de Waal aan het project FluviaTiel in de Kleine Willemspolder. Dit project bestaat uit een versterking van de Echteldsedijk door de realisatie van een klimaatdijk. Daarnaast worden er maatregelen genomen om de overlast van kwelwater in het oosten van Tiel te verminderen, en wordt er circa 32 ha. nieuwe natuur aangelegd (in combinatie met recreatieve routes voor wandelaars). In een toekomstige fase is in het gebied achter de dijk (het Vijverterrein) woningbouw gepland, maar dat initiatief is thans nog niet voldoende concreet uitgewerkt en maakt derhalve geen onderdeel uit van de referentiesituatie. De eerste fase van het project FluviaTiel (dijkversterking en natuurontwikkeling) is in 2017 vergund en maakt derhalve onderdeel uit van de referentiesituatie/het nulalternatief.

Tiel Waardenburg / Varik – Heeselt (TiWa/VaHe) De gemeente Neerijnen, de provincie Gelderland, Waterschap Rivierenland en het ministerie van I&M waren tijdens het opstellen van de NRD voor UWDH bezig met de planvorming van het project TiWa/VaHe. De Rivierverruiming in Varik-Heesselt, als onderdeel van de voorkeursstrategie uit het Deltaprogramma Rivieren [18, 19], zou worden gecombineerd met een dijkverbetering op het traject Tiel-Waardenburg. Voor dit laatste project wordt momenteel een m.e.r.-procedure doorlopen in het kader van de MIRT-procedure. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft in haar advies over reikwijdte en detailniveau voor het MER voor UWDH [3] aangegeven dat er een wisselwerking met dit project aan de overzijde van de Waal bestaat en heeft daarom aanbevolen om in het voorliggend MER voor UWDH een korte gevoeligheidsanalyse op te nemen van de verschillende scenario’s uit het project TiWa/VaHe voor UWDH. In de loop van 2018 heeft de minister van I&M echter besloten dat de rivierverruiming Varik Heesselt nu niet doorgaat en de dijkverbetering Tiel-Waardenburg als separaat project wordt voortgezet. In 2019 en 2020 zijn de plannen voor deze dijkverbetering uitgewerkt en per december 2020 liggen het ontwerp projectplan waterwet en de bestemmingsplannen samen met het bijbehorende milieueffectrapport ter inzage.

Aangezien de dijkversterking conform het RBK waterstandsneutraal wordt uitgevoerd is het uitvoeren van de door de Commissie mer aanbevolen gevoeligheidsanalyse tussen beide projecten thans niet langer aanwezig. Depots nabij de scheepswerf in Dreumel Nabij de scheepswerf in Dreumel zijn op dit moment nog enkele gronddepots / terpen aanwezig die zowel landschappelijk als rivierkundig relevant zijn binnen het plan. Als onderdeel van bestaande juridische verplichtingen met de huidige grondeigenaar wordt ervan uitgegaan dat deze (voor zover gelegen binnen het plangebied) zijn verwijderd voordat de realisatie van de voorgenomen activiteiten plaatsvindt. In de referentiesituatie zijn deze niet opgenomen. Dit geldt niet voor het gronddepot aan de zuidzijde van de Vonkerplas dat reeds als een bodemtoepassing wordt gezien door het bevoegde gezag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14648715/1