B2 Toelichting op gevallen delegatiebesluit Omgevingsplan Maasdriel
Tekst van het document
Toelichting Delegatielijst Omgevingsplan Maasdriel Gevallen waarin de bevoegdheid tot het wijzigen van delen Toelichting van het Omgevingsplan Maasdriel wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders A.
wijzigingen van technische aard met het oog op de leesbaarheid van Een omgevingsplan is een nieuw instrument dat het plan of het verbeteren van de dienstverlening en die geen een
andere
vorm
heeft
dan
de
wijzigingen tot gevolg hebben voor de geldende regels over bestemmingsplannen
en
de
gemeentelijke
activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals het aanpassen van verordeningen.
omgevingsplan
Een
huidige bestaat
annotaties of strikt redactionele wijzigingen van de tekst van of grofweg uit drie onderdelen: 1) (juridische) tekst; 2) definities in het omgevingsplan;
locaties (werkingsgebieden) en 3) annotaties. Er
bestaat
straks
maar
één
omgevingsplan.
Daarmee wordt de structuur van het omgevingsplan (tekstopbouw) belangrijk om ervoor te zorgen dat het
omgevingsplan
overzichtelijke
op
manier
een
wordt
heldere
gevuld
en
met
de
inhoudelijke regels. Wijzigingen in deze structuur (tekstopbouw)
hebben
alleen
gevolgen
voor
leesbaarheid en de dienstverlening. En geen gevolgen voor de activiteiten die wel/niet zijn toegestaan in de fysieke leefomgeving. De regels in het omgevingsplan kunnen worden geannoteerd. De functie hiervan kan als volgt worden toegelicht. Wie in een webwinkel op zoek is naar een boek, toetst een zoekwoord in en filtert bijvoorbeeld op prijs, taal en beschikbaarheid. De webwinkel laat vervolgens een overzichtelijk lijstje van opties zien, binnen een totaal van misschien wel tienduizenden titels. Deze selectiekracht wordt verkregen door annotaties: voor de gebruiker nietzichtbare labels die aan de producten van de webwinkel
worden
gehangen.
annotaties
hebben
alleen
gevolgen
voor
de
geen
gevolgen
voor
de
dienstverlening.
En
Wijzigingen
in
activiteiten die wel/niet zijn toegestaan in de fysieke leefomgeving. B.
wijzigingen als gevolg van het corrigeren van evidente fouten, Het delegeren van de bevoegdheid aan het college kennelijke verschrijvingen of verkeerde verwijzingen;
in deze gevallen zorgt ervoor dat evidente fouten of kennelijke snel kunnen worden hersteld. Hierbij kan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing gelaten worden als het gaat om een wijziging die alleen ziet op het herstel van een kennelijke verschrijving. Bij een kennelijke verschrijving moet worden gedacht aan een kennelijke fout in de beschrijving van het besluit of op de bijbehorende kaarten. Het gaat hierbij alleen om gevallen, waarbij voor iedereen duidelijk is dat er in het besluit of op bij dat besluit behorende kaart een onbedoelde fout is geslopen. Wijzigingen die voortkomen uit nieuwe
(beleidsmatige)
inzichten
vallen
hier
dus
uitdrukkelijk niet onder. C.
wijzigingen van de toelichting op het omgevingsplan waarin de Elk omgevingsplan krijgt een toelichting, die tevens onderbouwing staat voor de in het omgevingsplan opgenomen regels; de
onderbouwing
bevat
van
de
in
het
omgevingsplan opgenomen regels. De in de regels op te nemen doelen – met welk oogmerk een regel wordt gesteld – kunnen nader worden uitgewerkt in de toelichting bij het omgevingsplan. Wijzigingen in de toelichting op het omgevingsplan hebben geen gevolgen voor de activiteiten die wel/niet zijn toegestaan in de fysieke leefomgeving. D.
wijzigingen die noodzakelijk zijn vanwege wet- of regelgeving van Rijk Bij het stellen van regels in het omgevingsplan, of
provincie,
waarbij
er
geen
sprake
is
van
beleidsvrijheid moet
(instructieregels);
de
gemeente
voldoen
aan
de instructieregels van het Rijk en de provincie. Rijk en provincie stellen de instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of vanwege specifieke taken. Wanneer
nieuwe
instructieregels
worden
toegevoegd via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Rijk) of de Omgevingsverordening kan het zijn dat het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Indien daarbij
geen
sprake
is
van
keuzevrijheid
(beleidsvrijheid) levert het een versnelling en vermindering
in
werklast
op
als
raad
de
bevoegdheid tot het wijzigen delegeert aan het college. E.
wijzigingen die passen binnen de wijzigingsbevoegdheden en Op basis van vigerende regelgeving, de Wet uitwerkingsplichten (art. 3.6 Wet ruimtelijke ordening) uit de ruimtelijke ruimtelijke ordening, kan in een bestemmingsplan plannen, zoals bedoeld in artikel 4.6 Invoeringswet Omgevingswet, en een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht die na inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege worden opgenomen. De wijzigingsbevoegdheid uit onderdeel uitmaken van het omgevingsplan (tijdelijk deel)
het bestemmingsplan brengt met zich mee dat het college van burgemeester en wethouders (‘B&W’) het bestemmingsplan, mits aan de voorwaarden zoals in het bestemmingsplan opgenomen, wordt voldaan,
zelfstandig
kan
wijzigen,
via
een
wijzigingsplan. Voor de hier bedoelde bevoegdheid tot wijzigen of uitwerken (artikel 3.6 Wro) wordt geen overgangsregeling getroffen, omdat het na de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk is om een wijzigingsplan of uitwerkingsplan vast te stellen. Voor
het
wijzigen
omgevingsplan
op
of
uitwerken
van
het
grond
van
in
de
bestemmingsplannen wijzigingsbevoegdheden
de
opgeschreven en
uitwerkingsplichten
verstrekt de gemeenteraad daarom een nieuw delegatiebesluit aan B&W. Hiermee wordt qua procedure zo veel mogelijk aangesloten bij de “oude”
wijzigingsbevoegdheden
en
uitwerkingsplichten waar B&W ook zelfstandig het
bestemmingsplan kan wijzigen of uitwerken. Voor de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen voor in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen geldt wél overgangsrecht. Een in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen (art. 3.6 Wro) over in dat deel van het plan omschreven onderwerpen
of
bevoegdheid
onderdelen tot
geldt
het
als
een
stellen
van
maatwerkvoorschriften in het omgevingsplan over daarbij aangewezen onderwerpen (artikel 22.11 Omgevingswet). F.
wijzigingen als gevolg van verwerking van uitspraken van de Afdeling Hierbij gaat het om uitspraken waarbij het bevoegd Bestuursrechtspraak van de Raad van State die in de plaats worden gezag (de gemeenteraad) geen keuze meer heeft gesteld van het besluit tot vaststelling en/of wijziging van het om te bepalen op welke manier de uitspraak omgevingsplan;
verwerkt wordt in het omgevingsplan. Het gaat hier dus niet om uitspraken waarbij de rechter constateert dat de belangenafweging over moet worden gedaan en waarbij het bevoegd gezag nog kan bepalen op welke manier de regels van het omgevingsplan worden gewijzigd.
G.
wijzigingen als gevolg van een onherroepelijke omgevingsvergunning Een gemeente moet uiterlijk 5 jaar na een voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in onherroepelijke omgevingsvergunning voor een artikel 4.17 Omgevingswet, en die binnen vijf jaar verwerkt moeten buitenplanse omgevingsplanactiviteit het worden in het omgevingsplan
omgevingsplan aanpassen (artikel 4.17, Ow). Deze verplichting geldt nog niet direct na het in werking treden van de Omgevingswet. De verwachting is dat dit pas vanaf eind 2029 geldt (artikel 22.5, lid 2, Omgevingswet). Deze verplichting geldt alleen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die:
bestaat uit het in stand houden van een bouwwerk
niet overeenstemt met een functie van een locatie
Verder moet de activiteit een blijvend karakter hebben. Het geldt dus niet voor tijdelijke activiteiten, zoals het kappen van een boom. Als blijkt dat het aanpassen van het omgevingsplan uiteindelijk niet mogelijk is, moet de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gewijzigd of ingetrokken worden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als een instructieregel deze wijziging van het omgevingsplan niet toelaat. Dit staat in de artikelen 8.97a tot en met 8.97c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. H.
wijzigingen als gevolg van de aanwijzing, wijziging of intrekking van Als de Omgevingswet in werking is getreden dan
de aanwijzing van gemeentelijke monumenten;
vindt het aanwijzen van gemeentelijke monumenten plaats in het omgevingsplan (art. 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet). Het college van burgemeester en wethouders is op dit moment bevoegd tot een aanwijzing, wijziging of intrekking van de aanwijzing krachtens de Monumentenverordening gemeente Maasdriel 2010. Met het opnemen van dit geval op de
lijst
wordt
beleidsneutraal
beoogd om
om
te
deze
zetten
werkwijze naar
de
Omgevingswet. In
de
bruidsschat
opgenomen
voor
is
een
de
huidige
overgangsbepaling gemeentelijke
monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
De
wijziging
van
artikel
3.16
Erfgoedwet door de Invoeringswet Omgevingswet wordt daartoe uitgesteld, zodat de verordening ook in deze overgangsfase nog van kracht blijft. Tot het moment dat het tijdelijke omgevingsplan wordt omgezet in een omgevingsplan (uiterlijk 2029 maar
dat
kan
gemeentelijke
ook
eerder)
monumenten
kunnen
nieuwe
nog
worden
aangewezen op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Gemeenten kunnen er echter ook meteen voor kiezen om nieuwe gemeentelijke monumenten te beschermen in het omgevingsplan. I.
wijzigingen
van
regels
met
betrekking
tot
specifieke Artikel 16.55 Omgevingswet bepaalt dat voor een
aanvraagvereisten/ indieningsvereisten voor aanvragen voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over de door de aanvrager te verstrekken gegevens en bescheiden. Daarmee wordt bijvoorbeeld de grondslag geboden om in het omgevingsplan voor te schrijven dat de aanvrager om een omgevingsvergunning voor deze activiteiten een archeologisch rapport moet overleggen. Deze aanvraagvereisten zijn bedoeld om in de uitvoering (vergunningverlening) de juiste gegevens te ontvangen om een aanvraag goed te beoordelen. Het wijzigen van deze aanvraagvereisten past dan ook goed bij de uitvoerende rol van het college. Het wijzigen van de inhoudelijke beoordelingscriteria voor de vergunningverlening valt niet onder deze bevoegdheid. Die bevoegdheid hoort bij de kaderstellende rol van de raad.
J.
wijzigingen die het gevolg zijn van de verplichte omzetting van een TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog TAM-IMRO plan naar een STOP-TPOD plan
geen
gebruik
kunnen
maken
van
het
planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld indien publiceren via het DSO nog problemen geeft, of indien de plansoftware nog niet alle daarvoor
benodigde functies biedt of indien te weinig tijd rest voor de gemeente om het planproces goed te beproeven. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen voor het mogelijk
maken
van
urgente
ruimtelijke
ontwikkelingen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek
betreft
de
bestaande
uitwisselingsstandaard
IMRO
(Informatiemodel
Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. De TAM-IMRO plannen gaan deel uitmaken van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is immers een
wijziging
rechtswege
van
(tijdelijk
het deel),
omgevingsplan alleen
wordt
van die
opgesteld, bekendgemaakt en beschikbaar gesteld met de huidige techniek. TAM-IMRO plannen hebben weliswaar de technische vorm van de bestemmingsplannen die deel zijn van het tijdelijk deel, maar juridisch gezien vallen ze onder het nieuwe deel. Ze moeten dus ook voldoen aan de instructieregels van het rijk en de provincie. Later moeten deze TAM-IMRO plannen alsnog conform de nieuwe STOP/TPOD-standaard van de Omgevingswet
gepubliceerd
worden.
Wanneer
deze omzetting beleidsneutraal plaatsvindt heeft dat geen nieuwe gevolgen voor de activiteiten die wel/niet zijn toegestaan in de fysieke leefomgeving.