antwoorden op technische vragen fractie SSM
Tekst van het document
Vraag 1: In het Raadsvoorstel lezen we bij artikel 1.5 roept vragen op. Vallen ook vernieuwingsscholen (Vrije school, Renaissance scholen e.d.) binnen deze verordening en de jurisprudentie? Zo ja? Heeft de Gemeente zicht op hoeveel gezinnen/kinderen naar dit soort type onderwijs reizen? (*Zie ook Artikel 8 van de toelichting. In het regeerakkoord van 2017 is dit wel opgenomen). Hoe houden we de openeinderegeling binnen de perken? Het vervoer naar vrije scholen valt binnen de verordening, het betreft hier een zogenoemde “levensbeschouwelijke grondslag”. Een dergelijke keuze is verankerd in de Grondwet. Hetzelfde geldt voor de keuze voor onderwijs op geloofsrichting. Voor andere vernieuwingsscholen, zoals Renaissance-scholen, Democratisch onderwijs, Jenaplan etc. geldt dat deze scholen zich onderscheiden op basis van een onderwijskundige methode. Ouders kiezen hiervoor op basis van andere gronden dan geloofs- of levensbeschouwelijke gronden. Daarmee vallen deze scholen buiten de verordening en is leerlingenvervoer niet van toepassing. Voor deze (vernieuwings)scholen geldt ook dat ze niet allemaal zijn erkend, en daarmee vallen ze automatisch buiten de verordening. Voor het beeld: op dit moment zijn er 4 kinderen die met leerlingenvervoer reizen naar scholen vanwege een antroposofische levensovertuiging (de vrije school).
Wij hebben 1x de (informatieve) vraag gehad of leerlingenvervoer mogelijk was naar Democratisch Onderwijs in Den Bosch, dit is niet tot een aanvraag (of afwijzing) gekomen. Vraag 2: De nieuwe verordening wordt gecommuniceerd via de Gemeentepagina en in een apart schrijven naar eenieder die gebruik maakt/gaat maken van de verordening? Is er een overgangsregeling voor de gezinnen die n.a.v. De nieuwe verordening er op achteruit gaan? De nieuwe verordening gaat in na vaststelling door de gemeenteraad. Dat betekent (als het goed is) dat deze leidend is voor het nieuwe schooljaar. Vanzelfsprekend wordt de nieuwe verordening online gepubliceerd. De (ouders van) kinderen in het leerlingenvervoer krijgen (jaarlijks) een uitnodiging om opnieuw een aanvraag in te dienen voor het nieuwe schooljaar. Daarin zullen we verwijzen naar onze nieuwe verordening en aangeven waar ouders deze kunnen vinden / raadplegen. Overigens is het aanvraagproces afgelopen jaar ook volledig gedigitaliseerd. Op onze website willen we ook een Vraag- en Antwoordsectie maken (de welbekende FAQ’s), waar ouders gemakkelijk antwoorden kunnen vinden op de meest gestelde vragen. Het is wat ons betreft een misvatting dat gezinnen “erop achteruit gaan” in de nieuwe verordening. De nieuwe verordening stelt ons nog beter in staat om bij aanvragen de meest passende vorm van leerlingenvervoer in te zetten.
Dat is niet altijd een taxi(bus). Er zijn ook andere vormen van leerlingenvervoer: openbaar vervoer (al dan niet met begeleiding) of een fietsvergoeding (al dan niet met begeleiding). Het vergroten van de zelfredzaamheid van de kinderen in het leerlingenvervoer is voor ons een belangrijk uitgangspunt. Waarbij we constateren dat de meeste kinderen steeds meer dingen zelf kunnen naarmate zij ouder worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het fietsen van grotere afstanden (vanaf 9 jaar gaan we uit van 6 km enkele reis). In de praktijk kan dat betekenen dat de toekenning van leerlingenvervoer “in vorm” kan wijzigen van vervoer per taxibus naar zelf fietsen naar school (fietsvergoeding). Dit was onder de huidige verordening overigens ook al zo. Vraag 3: Er is een afstandscriterium van 6 km. Er is 1 SBO voorziening in de nabije omgeving ( in Zaltbommel.) SSM is op de hoogte van een casus, waarin een kind uit Rossum op 5,9 km woont van SBO De Toermalijn en geen recht heeft op Leerlingenvervoer. Dit zou wat ons betreft niet moeten kunnen. Kan er worden opgenomen dat elk kind dat vervoer nodig heeft en woonachtig is in Maasdriel gebruik kan maken van Leerlingenvervoer? Het afstandscriterium van 6 km om in aanmerking te komen voor leerlingenvervoer is niet nieuw, het stond ook al in de vorige verordening. Wel nieuw is dit criterium voor stages (art. 15, lid 3b).
We realiseren ons dat dit gevolgen kan hebben voor reeds lopende stages. Om die reden zullen we dit afstandscriterium (voor stages) dus pas gaan toepassen in het nieuwe schooljaar, zodat ouders dit mee kunnen wegen in de keuze van de stage. Daarnaast is ook artikel 9 lid 2 van toepassing, waarin staat dat er geen afstandsgrens geldt als het een gehandicapte leerling betreft (die als gevolg van zijn
of haar handicap niet zelf – al dan niet onder begeleiding – kan reizen met fiets of OV). In antwoord op uw vraag: dat betekent inderdaad dat alle leerlingen die behoefte hebben aan een vervoersvoorziening naar school of stage, én voldoen aan de daartoe gestelde criteria (in de verordening), gebruik kunnen maken van een vorm van leerlingevervoer (goedkoopst passend). Elke aanvraag wordt beoordeeld op basis van artikel 17. Als er geen beroep gedaan kan worden op de uitzondering zoals genoemd in art 9 lid 2 (leerling is gehandicapt en als gevolg daarvan aangewezen op taxivervoer), en het afstandscriterium van toepassing is (afstand is groter dan 6 km), dan is er aanspraak op een vergoeding op basis van de kosten van het open vervoer. Als het college echter van oordeel is dat de leerling al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van de fiets dan wordt er een fiets (kilometer) vergoeding toegekend. Kan de leerling niet of niet onder begeleiding met de fiets of het openbaar vervoer reizen, dan is er vervoer per taxibus mogelijk.