CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

2020.1045 Toelichting Herziening Well 2023, Heust ong. VG01

Gemeenteraad 17 april 2025, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststelling "Well herziening 2023, Heust ong. "12.057 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen.

28

Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van pluimvee- en varkenshouderijen. In dit geval liggen er in de directe omgeving geen pluimvee- en/of varkenshouderijen. Geitenhouderijen in de omgeving In het rapport VVO is gesteld dat er tevens gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van geitenhouderijen. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden een grotere kans hebben op het krijgen van longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden die nu nader onderbouwd zijn voor een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontstekingen voordoet. Binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen gelegen. Stappenplan GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een stappenplan om ruimtelijke ontwikkelingen te beoordelen in het kader van het aspect volksgezondheid. Aan de hand van de ontwikkeling is het stappenplan doorlopen en bijgevoegd als separate bijlage.

Uit het stappenplan blijkt dat er geen aandachtspunten zijn gevonden waardoor nader advies van de GGD niet noodzakelijk wordt geacht. Het aspect volksgezondheid met betrekking tot pluimvee-, varkens- en geitenhouderijen vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.8

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. Gezien in de omgeving voornamelijk burgerwoningen zijn gelegen, kan niet worden gesproken van een gemengd gebied. Daarom dient te worden uitgegaan van de richtafstanden op basis van het gebiedstype ‘woonwijk’.

Het bedrijf ten zuiden van plangebied betreft een kleinschalig aannemersbedrijf. Ten aanzien van aannemersbedrijven (<1.000 m2) dient een afstand van 30 meter tot

29

woningen te worden aangehouden. De werkelijke afstand tussen het bedrijf (bouwvlak) en het plangebied bedraagt circa 23 meter en is daarmee kleiner dan 30 meter. Echter ligt de woning aan Heust 25 op een kortere afstand van dit bedrijf. Met de realisatie van de gewenste woning wordt het bedrijf dan ook niet meer in de (uitbreidings)mogelijkheden beperkt dan in de huidige situatie reeds het geval is. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een agrarisch perceel waarop een bedrijfsgebouw aanwezig is. Ter plaatse is een kleinschalige timmerwerkplaats aanwezig. De werkzaamheden vinden enkel inpandig en slechts op kleine schaal plaats. Hierdoor zijn de effecten op de omgeving minimaal. Het bedrijf ligt op circa 10 meter afstand van het beoogde woning. Gezien de kleinschaligheid van het bedrijfje en de werkzaamheden enkel inpandig plaatsvinden, zijn er geen grote belemmeringen te verwachten. Ten zuidwesten van het plangebied is een werkplaats van een bouwbedrijf gelegen.. Ten aanzien van dit bedrijf dient een afstand van 50 meter tot woningen te worden aangehouden. De afstand van het bedrijf (bouwvlak) en het plangebied bedraagt circa 54 meter en is daarmee groter dan 50 meter, waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand. Ten slotte zijn er burgerwoningen in de omgeving op kortere afstand van de bedrijven gelegen dan het plangebied.

Hierdoor vormen de bestaande woningen eerder een belemmering voor de bedrijvigheid dan de nieuwe woning. De nieuwe woning zorgt dan ook niet voor een extra belemmering voor deze bedrijven, waardoor dit naar verwachting geen problemen oplevert. Enerzijds vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de ontwikkeling van een nieuwe woning binnen het plangebied en anderzijds vormt de nieuwe woning geen belemmering voor de (ontwikkeling van) bestaande functies in de omgeving.

5.1.9

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Zowel uit het bestemmingsplan als de Risicokaart komt naar voren dat er geen kabels en/of leidingen in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone vereisen. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk. Hoogspanningslijnen Om te bepalen of er in de nabijheid van het plangebied hoogspanningslijnen zijn gelegen, is de netkaart van het RIVM geraadpleegd. Uit de netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen door of in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Dit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

30

5.1.10

Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Binnen een afstand van 50 meter vinden geen activiteiten plaats waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Hiermee is het aannemelijk dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat, waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het voornemen.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

5.2.1

Beleid Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de

31

waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om negatieve hydrologische consequenties te compenseren. Uitgangspunt Waterschap Rivierenland Het uitgangspunt van Waterschap Rivierenland is dat nieuwe ontwikkelingen ‘hydrologisch neutraal’ dienen te worden uitgevoerd. Hemelwater mag niet versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij een toename van het verhard oppervlak is compensatie aan water vereist. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, een enkele woning, etc., moeten compenseren kan er door het Waterschap een eenmalige vrijstelling worden afgegeven van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied. De toepassing van deze vrijstelling dient te worden aangevraagd bij de afdeling Vergunningen van het Waterschap Rivierenland.

5.2.2

Waterhuishoudkundige situatie Het plangebied ligt in Well en heeft een omvang van circa 1.700 m². In de huidige situatie betreft het perceel een stuk onbebouwde grond. In de toekomstige situatie zal het oppervlakte aan verharding op het perceel dan ook toenemen. Daarnaast wordt er ten behoeve van de bouw van de nieuwe woning een groot oppervlakte aan verouderde bebouwing aan Heust 27 gesloopt. Bodem en grondwater Om de waterhuishoudkundige effecten van onderhavige ontwikkeling te kunnen beoordelen is inzicht nodig in de bodemopbouw en stand van het grondwater ter plaatse van het plangebied. In het uitgevoerde infiltratieonderzoek (bijlage V) wordt nader ingegaan op deze aspecten. Hemelwater In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd waardoor hemelwater direct kan infiltreren in de grond. Door de realisatie van een nieuwe woning met bijbehorende bijgebouw(en) en verharding, neemt het oppervlakte aan verharding ter plaatse toe. Nieuwe ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden. Uitgangspunt is dan ook dat een locatie hemelwaterneutraal ontwikkeld wordt. Het hemelwater dat op de nieuwe bebouwing valt wordt gescheiden gehouden van het afvalwater en moet op eigen terrein opgevangen worden en kunnen infiltreren. Om dit te realiseren zullen waterbergende of infiltratievoorzieningen moeten worden getroffen.

Om de dimensies van de voorziening te kunnen bepalen is een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Aangezien het vloeroppervlak van de beoogde bebouwing nog niet vast staat wordt in dit onderzoek uitgegaan van een worst-case scenario waarbij sprake is

32

van een grote mate van bebouwing. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage V. Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek opgenomen. In het uitgevoerde infiltratieonderzoek wordt geadviseerd een wadi met een inhoud van 38,4 m3 aan te leggen als infiltratiesysteem welke is voorzien van een noodoverloop. De wadi is voorzien in de noordwestelijke hoek van het plangebied en is tevens weergegeven in de landschappelijke inpassing. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten van het plangebied loopt de A-watergang ‘Meersloot’ van Waterschap Rivierenland. Deze waterloop maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Wel zal er rekening mee worden gehouden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de waterhuishoudkundige situatie. Riolering Conform de Leidraad Rioleringen en het beleid van het waterschap is het voor nieuwbouw gewenst om een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen. Afvalwater zal in de beoogde situatie worden aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Gezien het feit dat de ontwikkeling kleinschalig van aard is, zal de huidige capaciteit van het rioleringsstelsel de toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Dit gebied is

33

op een afstand van ruim 6,6 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen. Deze afstand is dusdanig groot en de ontwikkeling is dermate kleinschalig van aard dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het aspecten gebiedsbescherming zijn dus geen belemmeringen te verwachten.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en/of bomen binnen een plangebied fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het plangebied betreft een braakliggend stuk grond. In dit geval zijn er geen bebouwing en bomen op het perceel aanwezig, waardoor deze verstoring niet aan de orde is. Gezien er ten behoeve van de realisatie van de nieuwe woning schuren worden gesloopt, is nader gekeken of de sloop van deze schuren een significant negatief effect kan hebben op (beschermde) diersoorten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage. In de te slopen bebouwing zijn oude sporen van de kerkuil aangetroffen in de vorm van oude braakballen (in ontbindende fase) en uitwerpselen.

Het betreft met zekerheid geen vaste verblijfs-/voortplantingsplaats, maar een zogenaamde (voormalige) ‘roestplaats’ van de kerkuil. Derhalve wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Nader onderzoek naar overige soorten wordt, door het ontbreken van een potentiële verblijfsof voortplantingsplaats en/of gezien er geen sporen zijn aangetroffen, wordt tevens niet noodzakelijk geacht. Gelet op het feit dat er een voormalige roestplaats is gevonden, is het advies om maatregelen te treffen in de vorm van het plaatsen van een nestkast. Deze maatregel wordt voldoende geacht in het kader van soortenbescherming. Een kast plaatsen op de kavel zelf, is echter niet mogelijk, aangezien er geen bijgebouwen behouden blijven en de huidige woning hiervoor derhalve niet geschikt is gelet op de vormgeving van de gevels. Er is gezocht naar een geschikte plaats in de omgeving van het plangebied. Hiervoor is de Uilenwerkgroep van Natuurwacht Bommelerwaard ingeschakeld. De Uilenwerkgroep heeft geconstateerd dat er twee geschikte plekken zijn in de omgeving van Heust 27 voor het plaatsen van nestkasten. Deze geschikte plekken betreffen de adressen aan Heust 43 en Heust 3. Door het nemen van deze maatregelen en daarmee het bieden van alternatieven als roestplaats voor de kerkuil vormt het slopen van de schuur geen belemmering in het kader van soortenbescherming.

Ten aanzien van dit aspect zijn dan ook geen onevenredig negatieve effecten te verwachten.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in

34

Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de beleidskaart conform het archeologiebeleid (2013) van de gemeente Maasdriel ligt het plangebied in de beleidszone ‘Waarde – archeologie 3’ (figuur 12). Dit betekent dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht bij een verstoringsdiepte van meer dan 30 cm beneden maaiveld en een plangebied met een grotere oppervlakte dan 500 m2.

Figuur 11 Archeologische beleidskaart met plangebied zwart omkaderd

35

In dit geval heeft het gehele plangebied een oppervlakte van circa 1.700 m 2, waardoor de vrijstellingsgrens van 500 m2 wordt overschreden. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlage. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich oorspronkelijk in het stroomgebied van de Maas bevindt. Het ligt op de stroomrug van de onbedijkte Maas. Op deze stroomrug zijn naar verhouding een klein aantal vondsten aangetroffen uit de Romeinse tijd en een grotere hoeveelheid vondsten uit de Vroege en Late Middeleeuwen. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat tot de maximaal geboorde diepte van 500 cm -Mv kleiige afzettingen van een restgeul aanwezig zijn. De top van de geulvullingen bestaat uit verlandingsafzettingen waarin geen tekenen van rijping of andere indicaties zijn aangetroffen die duiden op een intact archeologisch niveau. Hierboven zijn dijkdoorbraakafzettingen met daarop (historische) ophooglagen aanwezig bestaande uit respectievelijk een zandlaag en matig zandige klei met veel baksteenpuin. De meeste boringen tonen aan dat er een (rest)geul in de ondergrond aanwezig is. Hier kunnen watergerelateerde vondsten zoals dumps en/of constructies in worden aangetroffen.

Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Op het relevant archeologisch niveau wordt voornamelijk sporen van landgebruik en een schuurtje verwacht. De plannen en bodemingrepen zijn echter nog niet duidelijk. Op het moment dat het plangebied wordt vrijgegeven en daarna onverhoopt archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Maasdriel).

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Gelderland sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. Conform de beleidskaart ‘Cultuurhistorie’ van de provincie Gelderland blijkt dat de planlocatie niet ligt binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied en er zijn tevens geen cultuurhistorische elementen binnen het plangebied aanwezig. De locatie voor de beoogde woning heeft conform het bestemmingsplan de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. In de toelichting behorende bij het bestemmingsplan is opgenomen dat het grootste deel van de kern Well bestaat uit bebouwing met tuinen en in het zuidwesten is nog sprake van een klein gedeelte open agrarisch gebied. Dit gebied heeft een hoge waardering wat betreft historische geografie. De rest van de kern heeft een lage waardering

36

Uitbreiding van de woonfunctie binnen het bestaand bebouwd gebied of aansluitend aan de noordzijde is mogelijk, mits rekening wordt gehouden met de bestaande landschappelijke karakteristiek. Met de realisatie van slechts één woning wordt rekening gehouden met de bestaande woning en wordt het perceel geheel landschappelijk ingepast. De landschappelijke kwaliteit in de omgeving gaat hierdoor niet achteruit, maar wordt juist verbeterd. Daarnaast zorgt de sloop van de verouderde schuur aan de Heust 27 en het inpassen van deze slooplocatie niet voor afbreuk van de cultuurhistorische waarden in het gebied. Ten behoeve van de realisatie van de woning wordt de schuur op de locatie aan Heust 27 gesloopt. Deze schuur ligt binnen het perceel waarop de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ van toepassing is. Deze dubbelbestemming heeft betrekking op de (woon)boerderij op de locatie welke is opgenomen in de gemeentelijke monumentenlijst. De te slopen schuur beschikt niet over cultuurhistorische waarden. In de brief van 22 oktover 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel aangegeven medewerking te verlenen aan het realiseren van de gewenste woning mits de schuur aan Heust 27 wordt gesloopt. Gezien deze gestelde voorwaarde heeft de gemeente reeds aangegeven akkoord te zijn met de sloop van de schuur.

Daarnaast worden beide locaties landschappelijk ingepast waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige waarden in de omgeving. De cultuurhistorische (woon)boerderij blijft ongewijzigd behouden en door het inpassen van de woning wordt de beleving van de cultuurhistorische waarde van de woning benadrukt. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit In de huidige situatie vinden er geen verkeersbewegingen plaats vanaf of naar de planlocatie. Het toevoegen van nieuwe woningen zal dan ook zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Voor het bepalen van de toename van het aantal verkeersbewegingen is de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Ervan uitgaande dat het gaat om een vrijstaande koopwoning welke ligt binnen het gebied ‘rest bebouwde kom’ met een ‘niet stedelijk’ karakter dient te worden uitgegaan van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Gezien de infrastructuur de huidige verkeersbelasting zonder problemen kan verwerken en de toename slechts beperkt is, worden er geen belemmeringen verwacht. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om deze verkeerstoename te verwerken waardoor de Heust geen aanpassingen behoeft.

37

5.6.2

Parkeren Conform het geldende bestemmingsplan dient bij ontwikkelingen te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid zoals opgenomen in de ‘Beleidsregels parkeernormen 2024’. Uit deze beleidsregels volgt dat per woning dient te worden voorzien in 2,6 en dus afgerond 3 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt is dat parkeren zoveel op het eigen terrein plaatsvindt. In dit geval zullen twee van deze drie parkeerplaatsen zonder belemmeringen en vrij bereikbaar moeten zijn vanaf de openbare weg. In dit geval is het perceel (1.700 m2) voldoende groot om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. In de landschappelijke inpassing is te zien dat kan worden voorzien in de benodigde parkeergelegenheid. Het parkeeraspect levert dan ook geen belemmering op.

38

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voor het planvoornemen zijn enkel vergunningen benodigd die op basis van legesheffing worden geïnd en de kosten derhalve anderszins zijn verzekerd. Het is dan ook niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft de direct omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkeling door middel van een brief. Deze brief is persoonlijk afgegeven, waarbij de mogelijkheid is geboden om zowel mondeling als schriftelijk te reageren op de beoogde plannen. Vanuit de omgeving zijn tot op heden geen bezwaren tegen de gewenste plannen kenbaar gemaakt, maar het is wel wenselijk om meer informatie te ontvangen wanneer er duidelijkheid is over het uiteindelijke plan om goed beeld te krijgen van (onder andere) de uitstraling en invloed op het straatbeeld. Er is derhalve afgesproken om de omgeving op de hoogte te blijven houden van de ontwikkelingen. Bijlage VII betreft een verslag van de omgevingsdialoog en de informatiebrief welke de buurtbewoners hebben ontvangen. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Well herziening 2023, Heust ong.’ heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzageperiode is een zienswijze ontvangen. In de Nota van Zienswijzen (bijlage IX) wordt hier nader op ingegaan.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15401527/1