CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025

Oordeelsvormende vergadering 3 december 2024, gemeente LosserBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 202520.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Zaaknr Documentnr

: 24Z01813 : 24.0020671

Onderwerp

: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025 De raad van de gemeente Losser; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, van 5 november 2024; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet, en gehoord de opmerkingen van de Participatieraad Sociaal Domein Losser; overwegende dat: • ingezetenen een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; • dat van ingezetenen verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; • dat ingezetenen die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; • dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische

of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang. Besluit vast te stellen: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025.

1

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen en reikwijdte Verordening Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. In deze Verordening en de daarop berustende bepalingen worden verstaan onder: a. abonnementstarief: de hoogte van de maximale bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen; b. budgethouder: de persoon aan wie het pgb is toegekend; c. budgetperiode: de periode waarop een pgb betrekking op heeft; d. collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt. De Regiotaxi kan ook als individueel (rolstoel)taxivervoer worden verstrekt; e. financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waarin op grond van deze Verordening bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld; f. financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten die rechtstreeks aan de cliënt wordt uitbetaald en waarvoor geen oordeel wordt gegeven over de kwaliteit; g. huishoudelijke ondersteuning: het in overwegende mate overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van de cliënt dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort voor zover de huisgenoten naar oordeel van het college geen gebruikelijke hulp kunnen bieden; h.

hulpvraag: een melding van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; i. hoofdverblijf: daar waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en - in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel - zal staan ingeschreven; dan wel - het feitelijke woonadres indien de cliënt met een briefadres is ingeschreven; j. huisgenoot: de persoon of personen met wie de cliënt een huishouden voert; k. instandhoudingskosten: een door het college te bepalen bedrag dat bestemd is voor onderhoud, reparatie en verzekering verband houdend met de te verstrekken maatwerkvoorziening, waaronder ook een WA- verzekering bij vervoersvoorzieningen kan worden gerekend; l. leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont en een huishouden voert; m. normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het kunnen verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, het kunnen doen van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning. Daaronder kan onder omstandigheden tevens de toegang tot de berging, tuin of balkon worden verstaan; n.

ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 achtste lid van de wet, waaruit de cliënt kan afleiden of een maatwerkvoorziening is aangewezen; o. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; p. pgb-plan: een plan opgesteld door (of namens) de budgethouder waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de wet of deze Verordening; q. pgb-vertegenwoordiger: een door de budgethouder ingeschakelde derde van wie het college heeft vastgesteld dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen. Het kan gaan om een door de cliënt gemachtigde persoon of wettelijke vertegenwoordiger die gewaarborgde hulp biedt in dat kader; r. professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan de vakbekwaamheid voor in ieder geval de medewerkers die bij de organisatie in dienst zijn;

2

s. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; t. vervoersvoorziening: een maatwerkvoorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen; u. voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling waarop de cliënt aanspraak kan doen gelden met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan; v. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; w. woning: een woonruimte welke volgens algemeen maatschappelijk aanvaarde maatstaven bestemd en geschikt is voor permanente bewoning en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen, mits bestemd en nog tenminste tien jaar geschikt voor permanente bewoning; x. woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning; y.

ZZP’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en voldoet aan in ieder geval de vakbekwaamheid, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een Zzp’er in ieder geval de volgende criteria gelden: 1 niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; en 2 door de Belastingdienst aangemerkt als Zzp’er voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden). 2. Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en/of op de daarop gebaseerde lagere regelgeving en/of de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Reikwijdte Verordening 1. Deze Verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning in de vorm van maatwerkvoorzieningen, voor ingezetenen van de gemeente Losser. 2. Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Losser. 3. Voor ingezetenen van Nederland met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of opvang geldt dat zij zich melden bij, en de daarmee verband houdende aanvraag indienen in de gemeente Enschede.

Het college van de gemeente Losser zorgt zo nodig voor een zorgvuldige overdracht.

Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. De wijze waarop de melding wordt gedaan is vormvrij. 3. Het college registreert de melding en bevestigt de ontvangst van een melding mondeling, schriftelijk of digitaal aan de cliënt. 4. Het college maakt met de cliënt en of zijn vertegenwoordiger, een afspraak voor het gesprek, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Verordening. Deze afspraak is tevens een bevestiging als bedoeld in het derde lid. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

3

Artikel 2.2 Onafhankelijke cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel 2.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 2.4 Gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen de deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e.

de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijke nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college bespreekt: a. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn; b. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4.

Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

4

Artikel 2.5 Ondersteuningsplan 1. Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Het college verstrekt aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een ondersteuningsplan. Artikel 2.6 Aanvraag 1. Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk, mondeling of digitaal indienen bij het college nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 2.4 is uitgevoerd. 2. Een op voorgeschreven wijze ingevuld en door de cliënt ondertekend ondersteuningsplan wordt aangemerkt als aanvraag. 3. De cliënt die een aanvraag indient, kan opmerkingen aan het ondersteuningsplan toevoegen. Het college kan deze meewegen in de beoordeling van de aanvraag. 4. Het ondersteuningsplan is onderdeel van de beschikking. Artikel 2.7 Advisering 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit noodzakelijk is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2. De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Algemeen 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Losser kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover noodzakelijk en de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. eigen kracht; b. algemeen gebruikelijke voorzieningen; c. gebruikelijke hulp; d. mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; e. algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 2. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.5 en voor zover aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en daardoor zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3. Heeft de hulpvraag betrekking op beschermd wonen of opvang, dan draagt het college zorg voor de overdracht aan de gemeente Enschede. 4. Op aanvragen om voor beschermd wonen of opvang wordt beslist op basis van de op dat moment geldende Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Enschede. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budget 1.

De indicatie om een maatwerkvoorziening gaat niet eerder in dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag. 2. Het college weigert een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb, als deze is gerealiseerd: a. voor de melding van de hulpvraag; b. na de melding van de hulpvraag maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend.

5

3. Het college weigert een pgb voor de kosten van een maatwerkvoorziening als de cliënt binnen de budgetperiode opnieuw een aanvraag doet omdat: a. de met de pgb aangeschafte maatwerkvoorziening niet meer bruikbaar of beschikbaar is door aan de cliënt te verwijten omstandigheden; en b. er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. 4. Als de afschrijvingstermijn van een geïndiceerde maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken kan deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst passende bijdrage worden aangemerkt. 5. De cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt (al dan niet in de vorm van een pgb), zorgt voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de verstrekte woningaanpassing dekt voor het risico van de schade. 6. De cliënt zorgt voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als de maatwerkvoorziening al dan niet aangeschaft met een pgb, wordt meegenomen naar het buitenland of buiten de gemeente. Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorziening algemeen 1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover noodzakelijk is om de cliënt in redelijke mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven: a.

als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; b. in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat als: a. een maatwerkvoorziening, waarop de aanvraag betrekking heeft, al in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling aan de cliënt is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij deze verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid of participatie; c. de cliënt gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening; d. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om huishoudelijke ondersteuning, begeleiding of dagbesteding. Artikel 3.4 Gebruikelijke hulp 1. Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden gevergd houdt het college, onverminderd de wettelijke definitie, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte; b. de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; c. de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Artikel 3.5 Beginsel van primaat 1.

Het college kan maatschappelijke ondersteuning verstrekken als collectieve maatwerkvoorziening en/of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt. 2. Het college beoordeelt of de cliënt die een woning bewoont (huurder of eigenaar), kan verhuizen als: a. de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift; en b. voor zover een passende of goedkopere aanpasbare woning in de gemeente Losser binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar is.

6

3. Het college stelt in het Financieel Besluit het bedrag vast wanneer het primaat van verhuizen als bedoeld in het vorige lid wordt overwogen. 4. Als het verstrekken van een woningaanpassing en/of woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt, dan wordt aan de cliënt die (toch) verhuist naar een andere (geschikte) woning geen financiële tegemoetkoming verstrekt als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid aanhef en onder a. Artikel 3.6 Financiële tegemoetkoming 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor kosten die verband houden met: a. Verhuizen; b. Huurderving welke gelijk is aan de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van het huurbedrag waarvoor een huurtoeslag kan worden toegekend; c. Noodzakelijke woningsanering, tenzij het afgeschreven goederen betreft. De hoogte wordt gebaseerd op de Nibud-normen voor stoffering; d. Tijdelijke huisvesting. Deze kosten worden gebaseerd op systematiek Wet op de huurtoeslag; e. Het gebruik van een (eigen) auto in verband met lokale verplaatsingen, rekening houdend met de samenvallende vervoersbehoeften van de cliënt en diens huisgenoten. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkomingen vast in het Financieel besluit en voor de kosten in het eerste lid onderdeel b ook de omvang en duur.

Hoofdstuk 4 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning 1. De ondersteuning bij het huishouden is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. het schoon en leefbaar houden van de woning; b. het beschikken over schone en draagbare kleding; c. het beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven; d. het beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; e. het thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het gezin behoren. Artikel 4.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Huishoudelijke activiteiten gericht op het schoonhouden van de woning worden slechts verstrekt als dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. 2. Een cliënt komt niet in aanmerking voor ondersteuning bij het huishouden indien hij een of meer huisgenoten heeft die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. 3. De algemene voorziening was- en strijkservice bestaat uit: het wassen en drogen en zonodig strijken van het wasgoed en een haal- en brengservice.

Hoofdstuk 5 Begeleiding individueel, dagbesteding en kortdurend verblijf Artikel 5.1 Criteria algemeen 1. Begeleiding individueel en dagbesteding is gericht op: ontwikkeling, stabilisering of herstel van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. 2. Onder herstelgerichte maatschappelijke ondersteuning wordt in ieder geval het (weer) aanleren van vaardigheden en toeleiding naar voorliggende oplossingen verstaan. 3. De beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden vastgesteld op basis van de leefgebieden van de Zelfredzaamheidsmatrix.

7

Artikel 5.2 Criteria begeleiding individueel 1. Het college kan begeleiding individueel basis of begeleiding individueel plus verstrekken. 2. Voor begeleiding individueel basis ondervindt de cliënt matige beperkingen op één of meerdere leefgebieden en wordt voldaan aan twee of meer criteria: a. de cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; b. de cliënt kan de hulpvraag voldoende begrijpelijk maken; c. de cliënt is gemotiveerd om aan de hulpvraag te werken; d. de cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; e. er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek; f. de leefsituatie van de cliënt is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalaties; g. de cliënt is staat tot het uitstellen van de hulpvraag. 3. Voor begeleiding individueel plus ondervindt de cliënt ernstige beperkingen op meerdere leefgebieden en wordt voldaan aan twee of meer criteria: a. de cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; b. de cliënt kan de hulpvraag onvoldoende begrijpelijk maken; c. de cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de hulpvraag te werken; d. de cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; e. de cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; f.

de leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; g. de cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de hulpvraag. 4. De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont. Er kan gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen. 5. De begeleiding wordt geïndiceerd in tijd en frequentie. Artikel 5.3 Criteria dagbesteding en vervoer 1. Het college kan dagbesteding basis en dagbesteding plus verstrekken. 2. Voor dagbesteding basis ondervindt de cliënt matige beperkingen op één of meerdere leefgebieden en wordt voldaan aan meerdere van de volgende criteria. De cliënt: a. heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; b. kan de hulpvraag voldoende begrijpelijk maken; c. kan beperkt of geen inzicht hebben in de eigen beperkingen, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; d. vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek. 3. Voor dagbesteding plus ondervindt de cliënt ernstige beperkingen op meerdere leefgebieden en wordt voldaan aan twee of meer van de volgende criteria. De cliënt: a. heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; b. kan de hulpvraag onvoldoende begrijpelijk maken; c. heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; d.

vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; e. is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen. 4. Dagbesteding basis of dagbesteding plus vindt plaats in groepsverband op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie (woning) van de cliënt. 5. De dagbesteding wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel bestaat uit 3,5 uur waarbij de cliënt minimaal drie uur aanwezig is op de locatie waar de dagbesteding wordt geboden. 6. Onder dagbesteding kan tevens het noodzakelijke vervoer vallen zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding. 7. Het vervoer als bedoeld in het vorige lid wordt noodzakelijk geacht als de cliënt:

8

a. niet in staat is zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de dagbesteding te bereiken of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen; b. niet met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen naar de dagbesteding kan worden begeleid. Artikel 5.4 Criteria kortdurend verblijf 1. De cliënt die geen indicatie heeft of kan krijgen op grond van de Wet langdurige zorg kan in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als: a. dit noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten; en b. de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning die gepaard gaat met het overnemen van permanent toezicht dan wel 24 uurs ondersteuning in de nabijheid, niet zijnde het bieden van intramurale geneeskundige zorg. 2. Kortdurend verblijf omvat een etmaal.

Hoofdstuk 6 Ondersteuning gericht op het wonen Artikel 6.1 Criteria wonen algemeen 1. Woonvoorzieningen worden slechts verstrekt als deze zijn gericht op: a. het verminderen of wegnemen van beperkingen voor het kunnen uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen (normale gebruik van de woning); en/of b. het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n), in de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 2. Een cliënt kan alleen voor een woningaanpassing, een traplift of een andere huislift in aanmerking komen wanneer het primaat van verhuizen niet wordt toegepast en deze langdurig noodzakelijk is. 3. Een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 4. Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een woonvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. 5.

Het college verstrekt geen woningaanpassing bestemd voor gemeenschappelijke ruimten anders dan: - het verbreden van toegangsdeuren; - het aanbrengen van elektrische deuropeners; - de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel); - het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; - het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning. 6. Het college verstrekt geen hulpmiddelen of een woningaanpassing als de cliënt woonachtig is of gaat wonen in een woning of wooncomplex waarvan verwacht mag worden dat deze geschikt is voor de bewoners gelet op een (te verwachten) ondersteunings- of zorgbehoefte. 7. Geen woningaanpassing wordt verstrekt ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers. 8. Geen woningaanpassing wordt verstrekt In levensloopbestendige woongebouwen. 9. Geen woningaanpassing, traplift of andere huislift wordt verstrekt voor zover die tijdens nieuwbouw of verbouwing zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen of anderszins voorkomen hadden kunnen worden.

9

Artikel 6.2 Criteria wonen specifiek 1. De aanvraag voor een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift kan in ieder geval worden geweigerd als: a. de noodzaak tot het verstrekken van deze maatwerkvoorziening(en) het gevolg is van een verhuizing waartoe geen aanleiding bestond gelet op belemmeringen in het normale gebruik van de woning en er geen andere dringende reden aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de, gelet op de (te verwachten) beperkingen, op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. de cliënt is verhuisd naar een woning die niet bestemd of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; e. de noodzaak van de woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. 2. Het college kan Nadere regels stellen over het bepaalde in het vorige lid onderdeel e. 3.

Het college weigert een woonvoorziening waaronder een financiële tegemoetkoming voor verhuizen indien geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning. Artikel 6.3 Criteria verplaatsen in en om de woning Hulpmiddelen voor het zich verplaatsen in en om de woning worden slechts verstrekt als: a. deze zijn gericht op het in staat stellen de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken voor het normale gebruik van de woning waaronder met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik of een traplift; b. deze noodzakelijk zijn voor de verplaatsingen om de woning. Artikel 6.4 Criteria bezoekbaar maken van de woning 1. Het college kan een woonvoorziening waaronder een woningaanpassing verstrekken gericht op het bezoekbaar maken van een woning in de gemeente Losser, als: a. de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wet Langdurige Zorg in Losser; en b. er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt; en c. de voorziening niet wordt verstrekt op grond van bestuurlijke afspraken (landelijk). 2. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. 3.

Het college stelt de maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning vast in het Financieel Besluit.

Hoofdstuk 7 Ondersteuning gericht op het lokaal verplaatsen Artikel 7.1 Resultaat lokaal verplaatsen 1. Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken gericht op het lokaal verplaatsen in de vorm van een: a. vervoersvoorziening; b. gebruikerspas voor de Regiotaxi; c. financiële tegemoetkoming als de cliënt geen gebruik kan maken van maatwerkvoorzieningen in natura of deze niet als (goedkoopst) passende bijdrage kunnen worden aangemerkt,

10

als de cliënt geen gebruik kan maken van het reguliere Openbaar Vervoer. 2. De maatwerkvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid zijn slechts gericht op het zich lokaal kunnen verplaatsen waarmee de volgende resultaten kunnen worden bereikt: a. het kunnen bereiken van winkels; b. het kunnen onderhouden van sociale contacten; c. het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten. 3. Onder lokaal worden bestemmingen van 15 tot 25 kilometer vanaf de woning verstaan. 4. De te verstrekken vervoersvoorziening(en) maken lokale verplaatsingen mogelijk met een omvang van 1500 kilometer per jaar. Het college kan in individuele gevallen, gelet op de noodzakelijke vervoersbehoefte, afwijken van deze omvang.

Hoofdstuk 8. Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 8.1 Algemeen 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en het bepaalde in deze Verordening. 2. De cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een pgb stelt een pgb-plan op, tenzij het een hulpmiddel of woningaanpassing betreft. Het college stelt een format voor dit pgb-plan beschikbaar. 3. De budgethouder maakt gebruik van de toepasselijke modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. 4. De budgethouder draagt er zorg voor dat de derde aan wie het pgb wordt besteed op wie het Arbeidstijdenwet niet van toepassing is, niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht. Artikel 8.2 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1. Het college weigert het pgb als de budgethouder of diens pgb-vertegenwoordiger geen pgb-plan indient of een bespreking van het pgb-plan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt. 2. Het college weigert het pgb als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de budgethouder ingeschakelde pgb-vertegenwoordiger: a. bij een eerdere verstrekking deze persoon als pgb-vertegenwoordiger optrad en niet heeft ingestaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen; b.

anderszins naar oordeel van het college geen of onvoldoende sprake is van gewaarborgde hulp wat betreft het nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen. 3. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een derde waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door dezelfde derde of door een aan die derde gelieerde (rechts)persoon wordt geboden, tenzij het wonen (verblijf) onderdeel is van de indicatie. Artikel 8.3 Kwaliteitseisen derde aan wie het pgb wordt besteed 1. De kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid die gelden voor de door het college gecontracteerde aanbieders zijn ook van toepassing op een professional. 2. Onder vakbekwaamheid worden diploma’s uit het diplomaregister DUO verstaan dan wel een daarmee gelijkwaardig EVC-certificaat verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC. 3. Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van een professional en niet-professional is niet ouder dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden en niet ouder dan drie jaar. Een VOG wordt elke drie jaar opnieuw aangevraagd. Eerste graad bloedverwanten of daarmee vergelijkbare personen beschikken niet over een VOG.

11

Artikel 8.4 Besteding en declaratie 1. Het pgb mag niet worden besteed aan een algemeen gebruikelijke voorziening. 2. Het pgb mag niet aan een persoon worden besteed die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3. Het pgb mag niet worden besteed aan de kosten voor: - bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers), - het voeren van een pgb-administratie, - hulp bij het aanvragen en beheren van het pgb, - contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo), - het volgen van cursussen over het pgb, - informatiemateriaal, - bijkomende zorgkosten, - het vervoer (reiskosten) van de derde aan wie het pgb wordt besteed. 4. De budgethouder mag een pgb voor diensten gedurende maximaal 13 weken per kalenderjaar buiten de gemeente Losser besteden aan de ondersteuner genoemd in het pgb-plan, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. 5. De budgethouder mag het pgb voor diensten gedurende maximaal zes weken per kalenderjaar tijdens verblijf buiten Nederland besteden aan de ondersteuner genoemd in het pgb-plan, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. 6. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag. 7. Het college verleent geen éénmalige uitkering nadat het pgb is beëindigd. 8.

Het college maakt geen gebruik van een feestdagenuitkering. 9. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan. 10.Het pgb wordt binnen drie maanden na toekenning aangewend voor bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een langere termijn hanteren. Artikel 8.5 Hoogte persoonsgebonden budget niet zijnde beschermd wonen en opvang 1. Voor de goedkoopst passende maatwerkvoorziening hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen. 2. Voor begeleiding individueel geldt: a. 85% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; b. het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a. kunnen worden aangemerkt. 3. Voor dagbesteding geldt: a. 85% van het tarief per dagdeel voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; b.

het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a. kunnen worden aangemerkt; c. voor vervoer van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt geboden geldt 85% van het tarief per kilometer. 4. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt: a. 85% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; b. het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij huishoudelijke hulp van de voor de betreffende periode geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a. kunnen worden aangemerkt. 12

4. Het pgb voor kortdurend verblijf wordt vastgesteld op basis van een offerte. 5. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Financieel besluit. Artikel 8.6 Hoogte persoonsgebonden budget overig 1. De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. 2. Behoudens de kostprijs als bedoeld in artikel 10.4 tweede lid kan het college de hoogte van het pgb vaststellen op basis van de economische levensduur van de geïndiceerde maatwerkvoorziening. 3. Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte als de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders. 4. Het college stelt het pgb voor het realiseren van een woonaanpassing vast op basis van: a. een door het college goedgekeurd programma van eisen; b. richtprijzen en normen uit Casadata of meerdere offertes; c. eventuele bijkomende noodzakelijke kosten die van een architect of legeskosten. Het college kan Nadere regels stellen welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. 5. Het college stelt de omvang van de budgetperiode die geldt voor hulpmiddelen vast in het Financieel besluit. 6.

Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders en de kosten bedoeld in het vierde lid onder c vast in het Financieel besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het toekenningsbesluit.

Hoofdstuk 9 Bijdrage in de kosten, kostprijs, ritbijdrage en reserveringstoeslag Artikel 9.1 Eigen bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen 1. De cliënt is een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd van een verstrekte maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een pgb. 2. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen en/of pgb’s is gebaseerd op het abonnementstarief. 3. De Regiotaxi is uitgezonderd van het abonnementstarief. 4. De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de maand waarin ondersteuning feitelijk is geboden, het hulpmiddel feitelijk is geleverd, de woonaanpassing is gerealiseerd of het pgb is toegekend. 5. De bijdrage in de kosten voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen blijft verschuldigd als de cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel een pgb. 6. Geen bijdrage in de kosten is verschuldigd voor: a. een rolstoelvoorziening; b. het vervoer van en naar de groepsondersteuning; c. woningaanpassing van personen in de leeftijd tot 18 jaar; d. voor de maatwerkvoorziening die als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. 7. De bijdrage voor de opvang wordt vastgesteld en geïnd door de aanbieder die de opvang biedt.

Artikel 9.2 Bijdrage in de kosten algemene voorziening De cliënt die gebruik maakt van de was- en strijkservice is aan de aanbieder een bedrag verschuldigd van € 5,00 per waszak.

13

Artikel 9.3 Ritbijdrage en reserveringstoeslag 1. Voor het gebruik van de Regiotaxi is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage en een eventuele reserveringstoeslag verschuldigd aan de aanbieder. 2. De bedragen worden gepubliceerd op www.regiotaxitwente.nl. Artikel 9.4 Kostprijs 1. De kostprijs van de maatwerkvoorziening is: a. de huurprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten; b. de koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten; c. in geval van diensten het tarief dat het college verschuldigd is aan de aanbieder. 2. De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het bedrag van het pgb in de betreffende budgetperiode. 3. De kostprijs van de algemene voorziening als bedoeld in artikel 9.2 is gebaseerd op de kosten die die het college verschuldigd is aan de aanbieder minus de bijdrage in de kosten voor de algemene voorziening die cliënten verschuldigd zijn.

Hoofdstuk 10 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik Artikel 10.1 Bevoegdheid 1. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of pgb’s, en ter bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: a. de regels uit de wet; b. de regels uit deze Verordening; c. de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. 2. De controles als bedoeld in het eerste lid kunnen betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning of ondersteuning door derden in geval van een pgb. 3. Het college kan: a. de besteding van pgb’s, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de budgethouder nog voldoet aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen; b. bij de controle als bedoeld in onderdeel a ook de derde betrekken aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan; c. de ondersteuning geboden door aanbieders, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de aanbieder of de ondersteuning nog voldoen aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. 4. Voor de controle als bedoeld in het eerste lid heeft het college geen specifieke aanleiding nodig. Het college kan bij de controles een thematische aanpak hanteren. 5.

De controles kunnen worden uitgevoerd door het college of de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de wet. 6. Het college rapporteert periodiek aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van de bestrijding van misbruik en het oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 10.2 Informatieplicht en fraudepreventie Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

14

Artikel 10.3 Medewerkingsplicht De aanbieder, budgethouder of derde aan wie het pgb wordt besteed, zijn desgevraagd verplicht aan het college of de toezichthoudende ambtenaar verantwoording af te leggen over de geboden ondersteuning. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. Artikel 10.4 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het pgb als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed of een aan die derde gelieerde (rechts)persoon. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort voert het college of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 10.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en bestrijden van geweld.

Hoofdstuk 11 Beëindiging, herziening en intrekking en terugvordering Artikel 11.1 Beëindiging Behoudens artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel pgb in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen als: a. niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van of krachtens deze Verordening; b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dit gebeurt in het kader van de te bieden maatschappelijke ondersteuning; c. de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer heeft in de gemeente Losser; d. de cliënt is overleden. Artikel 11.2 Herzien of intrekken van besluiten 1. Behoudens artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een herziening of intrekking van de beslissing als bedoeld in de artikelen 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2.

Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de cliënt niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze Verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het pgb, de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst.

15

Artikel 11.3 Terugvordering geldswaarde 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming dan wel pgb is herzien of ingetrokken, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde: a. van een maatwerkvoorziening of een financiële tegemoetkoming; of b. van het ten onrechte genoten pgb, terugvorderen van de cliënt als de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden en van de derde als degene daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. 2. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid van de wet.

Hoofdstuk 12 Kwaliteit, klachten en medezeggenschap Artikel 12.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 12.2 Verhouding prijs en kwaliteit van voorziening geleverd door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs- kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a.

kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van de wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en wettelijke verplichtingen en verbonden aan het leveren van de dienst; b. de aard en de omvang van de te verrichten taken; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. de kosten van bijscholing van het personeel. 2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs en de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: • aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; • instructie over het gebruik van de voorziening; • onderhoud van de voorziening; en • verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. 3. Het college draagt zorg voor de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning en de werkzaamheden van Veilig Thuis.

16

Artikel 12.3 Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze Verordening. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van geleverde voorzieningen en diensten. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen en aanbieders door periodiek overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliënttevredenheidsonderzoek. Artikel 12.4 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders.

Hoofdstuk 13 Mantelzorgwaardering en inspraak Artikel 13.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college geeft de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten vorm in overleg met Stichting Fundament. Artikel 13.2 Inspraak 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de Inspraakverordening Losser 2004. 2. Het college stelt de betrokken adviesraad van het college, zijnde de Participatieraad Losser, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over de Verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning. Het college voorziet hierbij de participatieraad van ondersteuning om zijn rol effectief te kunnen vervullen.

Hoofdstuk 14 Slotbepalingen Artikel 14.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze Verordening en het Besluit, indien toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 14.2 Intrekking oude Verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2022 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2025. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van aan deze Verordening voorafgaande Verordeningen totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025, worden afgehandeld krachtens die Verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in het eerste lid genoemde Verordening wordt beslist met inachtneming van de die Verordening.

17

Artikel 14.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2. Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 december 2024, De voorzitter,…… De griffier,……

18

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025 Algemeen De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) draagt gemeenten onder meer op te zorgen voor maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet) wordt verstaan: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang. Eigen verantwoordelijkheid De wetgever stimuleert burgers regie te nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk te zijn voor hun eigen ontplooiing. Dat wil zeggen hoe zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers wordt verwacht dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wmo 2015 brengt de rechten en plichten van de burgers meer met elkaar in evenwicht.

De Wmo 2015 biedt in dat kader meer mogelijkheden dan de Wmo (oud) om burgers op een goede manier maatschappelijk te ondersteunen zonder dat dit altijd hoeft te leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Inwoners van de gemeente Losser die zelf, dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, kunnen een beroep doen op de door gemeente Losser georganiseerde ondersteuning. Als de cliënt dat wenst, kan de noodzakelijke ondersteuning ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Samen met de professional van de gemeente Losser bespreekt de cliënt de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen. Maatwerk Bij de beoordeling of het bieden van ondersteuning nodig is, gaat het om maatwerk, rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Hierover gaan de professionals van de gemeente Losser met de cliënt en eventueel zijn mantelzorger in gesprek. De eventuele behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger bij de uitvoering van taken maakt daar ook onderdeel van uit. Daarbij staan de eigen mogelijkheden (eigen kracht) van de cliënt en het te bereiken resultaat centraal en wordt zoveel mogelijk een integrale benadering nagestreefd.

Dat wil zeggen dat de ondersteuning zo nodig wordt afgestemd op het cliëntsysteem waar de cliënt onderdeel van uit maakt. Andere wetten zoals de Participatiewet en de Jeugdwet kunnen daar ook een rol bij spelen. Van dat gesprek ontvangt de cliënt een verslag. De gemeente Losser voert de regie op het te behalen resultaat zoals dat in het besluit is vastgesteld. Opdracht gemeenteraad Artikel 2.1.3 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet, van het beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Losser. Voor de inwoners van Losser biedt deze verordening duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor de professionals van de gemeente Losser biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de inwoner die zich meldt met een hulpvraag.

19

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo 2015 is een groot aantal definities opgenomen, dit is de reden waarom het aantal begripsbepalingen in deze verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Eerste lid Onder a: abonnementstarief Sinds 1 januari 2020 is het abonnementstarief voor eigen bijdragen in de Wmo 2015 van kracht. Onder b: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de cliënt: de budgethouder. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden). Onder c: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde maatwerkvoorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag. Onder d: collectieve maatwerkvoorziening Deze maatwerkvoorziening wordt individueel verstrekt maar kan wel door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Voorbeelden zijn: de Regiotaxi en dagbesteding. Onder e: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder f: financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). De definitie van maatwerkvoorziening in de wet (art.

1.1.1 lid 1 Wmo 2015) is naar het oordeel van de CRvB zo ruim dat hieronder ook een financiële tegemoetkoming kan vallen. Het gaat in de praktijk vaak om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college geen oordeel te geven over de kwaliteit. Er geldt in ieder geval geen trekkingsrecht zoals bij pgb’s. Onder g: huishoudelijke ondersteuning Met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRVB:2016:1402) is duidelijk geworden dat huishoudelijke ondersteuning, net als huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo (oud), binnen het bereik van de Wmo 2015 valt. De wet geeft echter geen definitie van huishoudelijke ondersteuning. Deze definitie sluit daarom zoveel mogelijk aan bij de wettelijke definitie zoals die tot 1 januari 2015 luidde in de Wmo (oud). Onder h: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt feitelijk de melding als bedoeld in de wet verstaan. Na de melding van de hulpvraag voert het college een onderzoek uit (zie artikel 2.3 en 2.4). Onder i: hoofdverblijf Het gaat om waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Losser te

20

kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 6.2, eerste lid. Onder j: huisgenoot Bij huisgenoten is sprake van gezamenlijk een huishouden voeren. Een huurder of kostganger wordt niet aangemerkt als huisgenoot. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit huur- of kostgangersovereenkomst. Onder k: instandhoudingskosten Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder l: leefeenheid De begripsbepaling vloeit voort uit de wettelijke bepaling over gebruikelijke hulp. Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en met elkaar een huishouden voeren. Het college kan na het onderzoek tot het oordeel komen dat van hen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Onder m: normaal gebruik van de woning De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of huishoudelijke ondersteuning. Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Onder n: ondersteuningsplan Nadat het gesprek heeft plaatsgevonden en het onderzoek is afgerond maakt het college een verslag waarin de uitkomsten van het onderzoek staan (het ondersteuningsplan).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=97094216-dbf3-464e-840c-c856e71f5328