CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting_Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser.pdf

Oordeelsvormende vergadering 20 september 2022, gemeente LosserBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser26.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode cirkel) weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risisokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijken geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied, zodat sprake is van een rustig omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast/ In dit geval gaat het om de omzetting van een agrarisch erf naar een recreatiebestemming en de uitbreiding van een bestaand recreatiebedrijf. Het dichtstbijzijnd milieugevoelig object betreft de bedrijfswoning in het naastgelegen agrarische bouwvlak (Oldenzaalsestraat 135a). In dit geval is er in de nieuwe situatie in zijn volledigheid sprake van een recreatiebedrijf. Deze functie kan op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ het best worden aangeduid met de functie ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken). Voor een dergelijke functie geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid en 30 m voor BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld de aspect geur en gevaar. Het bouwvlak van het agrarisch bedrijf ligt direct aangrenzend aan het plangebied, waarmee de richtafstand niet wordt gehaald. In dit geval is er door Kragten een akoestisch onderzoek uitgevoerd teneinde de effecten van het plan voor naastgelegen perceel in beeld te brengen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van de toelichting. Goede ruimtelijke ordening – langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het hoogste berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van alle activiteiten binnen de uitbreiding van het landgoed bedraagt 33 dB(A) in de dag- en 33 dB(A) in de avondperiode (38 dB(A) etmaalwaarde) ter plaatse van de woning aan de Oldenzaalsestraat 135A. Hiermee wordt de richtwaarde van 45 dB(A) (etmaalwaarde) uit stap 2 van de VNG-publicatie gerespecteerd. Daarmee is aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leeflklimaat voor het aspect geluid. Daarnaast blijkt uit het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de bestaande en de gehele inrichting dat de uitbreiding ter plaatse van de woning aan de Oldenzaalsestraat 135A niet relevant bijdraagt aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van de gehele inrichting.

Er is derhalve geen sprake van een verslechtering van het woonen leefklimaat voor het aspect geluid. Goede ruimtelijke ordening – maximaal geluidniveau Het hoogst berekende maximale geluidniveau ten gevolge van alle activiteiten binnen de uitbreiding van het landgoed bedraagt 51 dB(A) in de dag- en in de avondperiode ter plaatse van de woning aan de Oldenzaalsestraat 135A. De hoogste niveaus worden in de dag- en avondperiode veroorzaakt door een schreeuwende persoon op het buitenterrein. Hiermee wordt de richtwaarde van 65 dB(A) in de dag- en 60 dB(A) in de avondperiode uit stap 2 van de VNG-publicatie gerespecteerd. De maximale geluidniveaus ten gevolge van de uitbreiding van het landgoed veroorzaken geen hogere niveaus dan ten gevolge van de bestaande inrichting. Er is derhalve geen sprake van een verslechtering van het woonen leefklimaat voor het aspect geluid. Verkeersaantrekkende werking De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting (indirecte hinder) bedraagt ten hoogste 24 dB(A) in de dag- en 25 dB(A) in de avondperiode. Dit komt neer op een etmaalwaarde van 30 dB(A). De richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt hiermee gerespecteerd.

Activiteitenbesluit milieubeheer Het hoogste berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de te toetsen activiteiten in de toekomstige situatie (uitbreiding en huidige situatie) bedraagt 38 dB(A) in de dag- en 25 dB(A) in de avondperiode (38 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt de standaard normstelling van 50 dB(A) (etmaalwaarde) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer ruimschoots gerespecteerd. Conform het Activiteitenbesluit milieubeheer is hierbij het stemgeluid niet beschouwd. Binnen de inrichting treden geen piekgeluiden op die conform het Activiteitenbesluit milieubeheer beschouwd dienen te worden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande functies (in de omgeving). De groepsaccommodaties zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. De bedrijfswoningen betreffen zowel geur- als geluidgevoelige objecten. In de nabijheid van het plangebied (direct aangrenzend, Oldenzaalsestraat 135a) ligt een agrarisch bedrijf. Het betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf. Agrarische bedrijven kunnen vanwege de milieuhinder die ze veroorzaken wel van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van woningen en kunnen andersom ook door nieuwe milieugevoelige functies (bijvoorbeeld wonen) belemmerd worden.

Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering”, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Op deze plaats wordt het aspect geur dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Wanneer dit buiten beschouwing wordt gelaten, geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld In dit geval ligt het plangebied direct aangrenzend het agrarisch bedrijf, waarmee de richtafstand niet gehaald wordt. Het deel dat direct aan dit agrarisch erf grenst, betreft de huidige recreatieve bestemming en het huidige agrarische erf. Hiervoor geldt dat binnen een zone van 30 meter geen nieuwe gevoelige functies opgericht worden. Binnen deze zone bevinden zich twee groepsaccommodaties, enkele vakantiewoningen en een bestaande bedrijfswoning (binnen de recreatieve bestemming). Deze functies zijn reeds beschermd tegen de eventuele geluidhinder van naastgelegen agrarisch erf. Deze ontwikkeling veranderd daar niets aan, waarmee het agrarisch erf niet (verder) wordt beperkt. Dit geldt ook wanneer er aan de verblijfsrecreatie ondergeschikte zorgfuncties worden gerealiseerd, aangezien zowel recreatieve functies als zorgfuncties geluidgevoelig zijn en niet worden beschermd tegen hinder van naastgelegen agrarisch bedrijf. Overigens is deze ondergeschikt zorg planologisch reeds toegestaan. Tot slot geldt dit ook wanneer er in een bedrijfswoning een groepsaccommodatie gerealiseerd wordt, want ook deze beide functies zijn gevoelig. Bovendien is het reeds mogelijk om binnen de bestaande bebouwing onder andere groepsaccommodaties toe te staan. Het huidige bestemmingsplan biedt deze mogelijkheid al.

Er is dan planologisch gezien ook geen sprake van het realiseren van extra gevoelige functies nabij dit agrarisch bedrijf. Wanneer er binnen de zone van 30 meter nieuwe gebouwen worden gebouwd ten aanzien van recreatie, dan kunnen deze ook gebruikt worden ten behoeve van de recreatie. Echter geldt in alle gevallen dat bestaande gevoelige functies (groepsaccommodaties, vakantiewoningen en bedrijfswoningen, zie ook afbeelding 3.2) reeds op kortere afstand liggen dan eventuele nieuwe gevoelige functies (in de her te bouwen schuur). Er is dan ook geen sprake van extra beperking van het naastgelegen agrarisch bedrijf. Bovendien zijn in het gehele huidige agrarische bouwvlak (direct grenzend aan het betreffende andere agrarische bouwvlak) reeds gevoelige functies zoals bedrijfswoningen planologisch mogelijk. Ook hierdoor wordt het nabijgelegen agrarisch bedrijf niet verder beperkt dan nu het geval is. De drie groepsaccommodaties zijn wel nieuw, echter betreffen dit geen geluidgevoelige objecten. Dit is in jurisprudentie bevestigd (ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1). Hierin staat het volgende vermeld: ‘is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder. Een camping is dat evenmin.

Op grond van de Wgh kunnen de vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen aldus niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Zoals reeds aangegeven liggen de nieuwe groepsaccommodaties op ruim 50 meter uit de grens van het agrarisch bouwvlak. Hiermee wordt de richtafstand gehaald en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien is de afstand tussen de groepsaccommodaties en het agrarisch erf in dit plan groter ten opzichte van de locatie waar de groepsaccommodaties in eerste instantie vergund waren (binnen het bestaande recreatieperceel). Gezien vorenstaande wordt gesteld dat het agrarisch bedrijf niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt en dat er in het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4

Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Zoals onder milieuzonering al aangegeven, ligt er direct aangrenzend aan het plangebied een agrarisch bedrijf. In dit geval zijn er binnen het huidige plangebied reeds geurgevoelige objecten aanwezig, betreffende de voormalige agrarische bedrijfswoning (omgezet naar een groepsaccommodatie) en verscheidene vakantiewoningen. Deze worden reeds beschermd tegen de hinder van andere bedrijven en zijn bepalend voor de ontwikkelingsruimte van het naastgelegen agrarisch bedrijf. Met de omzetting van dit agrarische perceel naar een recreatieperceel danwel het realiseren van een inpandige zorgfunctie of een extra groepsaccommodatie in de herbouwde schuur of in de bedrijfswoningen, verandert dit niet. Gesteld wordt dat er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het agrarisch bedrijf niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden beperkt wordt.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Het wettelijk kader is de Wet natuurbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Floraen faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebied wordt geregeld via de Wet natuurbescherming. Provincies vormen het bevoegd gezag voor de duurzame veiligstelling van deze gebieden in hun provincie. Voor activiteiten die leiden tot aantasting van de duurzame instandhouding van deze gebieden dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om te onderzoeken wat de effecten zijn van de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld planologische ontwikkeling op beide locaties ten aanzien van natuurwetgeving is door BJZ.nu een stikstofdepositieberekening met behulp van Aerius uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor de gebruiksfase van het voornemen per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Daarentegen is er sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. Er wordt tevens verwezen naar bijlage 3 van de stikstofberekening, waarin een verschilberekening is opgenomen met de referentiesituatie en de beoogde gebruiksfase. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van zowel Natura 2000-gebied als het NNN weergegeven.

Afbeelding 5.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN en de Natura 2000 (Bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied ligt deels binnen het NNN. De te realiseren gebouwen (betreffende de groepsaccommodaties en de schaapskooi) liggen buiten het NNN. Voor het NNN geldt geen schaduwwerking, waarmee er geen sprake is van aantasting van de kernwaarden van het NNN. Voor de gronden die binnen het NNN liggen geldt dat er in dit plan sprake is van het behouden van de bestaande natuur ter plaatse en het ontwikkelen van nieuwe natuur. De kernwaarden van het NNN worden hiermee juist versterkt. In het ruimtelijk kwaliteitsplan is nadrukkelijk rekening gehouden met de karakteristieken en kenmerken van het NNN. Gezien vorenstaande wordt gesteld dat het plan in overeenstemming is ten aanzien van het NNN.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is er sprake van de bouw van een schaapskooi en drie groepsaccommodaties. Deze gebouwen worden allen gebouwd op graspercelen, die intensief worden beheerd en onderhouden. Er is geen sprake van hoogopgaand groen. Ten aanzien van de beoogde bouw is er dan ook geen sprake van aantasting van de ecologische waarden. Ten aanzien van de aanleg van natuur wordt gesteld dat dit een positief effect heeft op de aanwezige soorten. Een ecologisch onderzoek naar soortenbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. 5.7.4

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.

5.8

Archeologie & cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is deels voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Op grond van deze bestemming is een archeologisch onderzoek nodig bij bodemingrepen groter dan 2.000 m2 en dieper dan 30 cm. Deze oppervlakte wordt in dit geval niet overschreden. Bij de aanleg van de natuur wordt niet dieper dan 30 cm afgegraven. Bij de bouw van de groepsaccommodaties wordt de te verstoren oppervlakte van 2.000 m2 niet overschreden. Daarom is in dit geval geen archeologisch onderzoek nodig. De archeologische dubbelbestemmingen zijn, conform het nu geldende plan, overgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied In het plangebied staat een karakteristieke boerderij. Dit betreft de woonboerderij binnen de agrarische bestemming, die wordt omgezet naar een bedrijfswoning binnen de recreatieve bestemming. Er is geen sprake van een aantasting van de waarden van deze boerderij. Voor het overige bevinden zich er plaatse van het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt er geen archeologisch onderzoek nodig is. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit Milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een wijzigingsplan of bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 700 meter afstand van het plangebied. In dit geval is uit de stikstofberekening gebleken dat er geen sprake is van significant negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000. Een passende beoordeling is daarom niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Het plan betreft de vergroting van een recreatieve bestemming en het omzetten van een agrarisch erf naar een recreatief erf. De ontwikkeling is concreet beschreven in paragraaf 3.1. In onderdeel D 11.2 wordt onder een stedelijke ontwikkeling het volgende verstaan: 'de aanleg wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

250.000 bezoekers of meer per jaar; Een oppervlakte van 25 hectare of meer, of Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied

In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Daarnaast is in een uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geoordeeld dat een project die voorzag in een gedeeltelijke functiewijziging, waarbij de bebouwde oppervlakte gelijk bleef, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit voorgaande volgt dat onderhavige ontwikkeling in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.

Er is namelijk geen sprake van aanzienlijke gevolgen voor het milieu (zie ook Hoofdstuk 5) en er is planologisch geen sprake van een toename aan bebouwd oppervlakte. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. 5.9.2.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERPARAGRAAF

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.2

Beleid waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • • 6.1.3

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2013-2016

Gemeenten zijn wettelijk verplicht een gemeentelijk rioleringsplan vast te stellen, vaak afgekort als GRP. Sinds kort moet dit plan niet alleen over de riolering gaan, maar ook over hemelwater en grondwater. Daarom wordt gesproken van een verbreed gemeentelijk rioleringsplan, ofwel vGRP. Het voorgaande GRP is vastgesteld voor de periode 2007 tot en met 2010 en vervolgens verlengd tot en met 2012. Om te blijven voldoen aan de planverplichting uit de Wet milieubeheer is het nieuwe vGRP opgesteld voor de periode 2013 tot en met 2016. Maar de wettelijke plicht is niet de enige aanleiding. De gemeente wil haar taken voor afvalwater, hemelwater en grondwater goed en efficiënt uitvoeren. Een goed plan is daarvoor essentieel.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van toepassing is. In dit geval is er met het plan sprake van een positieve invloed op de waterhuishouding. Ten eerste wordt voldaan aan het stand-still principe (zie ook de toetsing aan de generieke beleidskeuzes in hoofdstuk 4). Ten aanzien van de aanleg van het oppervlaktewater is er sprake van het herstel van een beek, als onderdeel van het herstel van een watersysteem. Het waterschap heeft middels een mail (d.d. 23 juni) een reactie op het plan gegeven. Hierna wordt de reactie weergegeven: Het verhard oppervlak neemt toe met ongeveer 1.400 m2. Dit valt onder de kritische grens van 1500 m2. Vanaf 1500m2 dienen compenserende maatregelen genomen te worden. Compenserende maatregelen zijn bijvoorbeeld de aanleg van een zaksloot, vijver, wadi’s, bodempassage etc. . Hiervoor zijn compenserende maatregelen nodig. Het waterschap hanteert hierbij de 55 mm vuistregel. Concreet betekent dit dat 55mm keer de toename verhard oppervlak, dit uitgedrukt in kubieke meters, ingericht dient te worden voor waterberging. Dit water kan worden geborgen in bijvoorbeeld een zaksloot, wadi’s, bodempassage, (vis)vijver, infiltratiekratten etc.

Om wateroverlast in gebouwen te voorkomen adviseert het waterschap om de bovenzijde begane-grondvloer tenminste 30 centimeter boven de weg aan te leggen. Bij het realiseren van bebouwing en het aanleggen van de verharding moet rekening worden gehouden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding en schimmelvorming in kruipruimten te voorkomen. We adviseren voor bebouwing met kruipruimten een drooglegging van 1,00 meter en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 meter. Met de uitgangspunten van het waterschap wordt rekening gehouden. Extra compenserende maatregelen zijn niet nodig. In dit geval wordt er echter met de natuurontwikkeling voorzien in voldoende waterberging. Tevens wordt er een beek hersteld, wat een positief effect heeft op de waterhuishouding. Het waterschap heeft per mail (d.d. 12 oktober 2020) een akkoord gegeven. 6.2.3

Grondwaterbeschermingsgebied

Algemeen Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied en een intrekgebied. Harmoniërende functies gaan goed samen met drinkwaterwinning en grondwaterbescherming. Deze worden aangeduid als toelaatbaar. Onder harmoniërende functies worden onder andere verstaan: extensieve landbouw, extensieve recreatie, kleinschalige verblijfsrecreatie, natuur, bosbouw (nieuwe) landgoederen en buitenplaatsen. De voorgenomen functies betreffen gezien vorenstaande omschrijving, harmoniërende functies voor de drinkwatervoorziening. Nieuwe niet-risicovolle functies en harmoniërende functies zijn toegestaan, mits wordt voldaan het stand-stillprincipe (beginsel dat gericht is om verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging te voorkomen). Nadere uitwerking In dit geval dient dus aangetoond te worden dat voldaan wordt aan het stand-still principe. Om dit in beeld te brengen, moeten de huidige risicovolle activiteiten worden afgezet tegen de toekomstige risicovolle activiteiten. Ook moeten de bodembeschermende maatregelen zo concreet mogelijk worden beschreven. Hierna wordt nader ingegaan op de bestaande situatie en de nieuwe situatie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld • Bestaand Momenteel is de grond in het plangebied ter plaatse van de uitbreiding grotendeels agrarische bestemd. Dit kan risico’s met zich meebrengen ten aanzien van grondwaterbescherming. In de volgende tabel zijn de landgebruikrisico’s van de verschillende functies weergegeven.

Tabel 6.1: Landgebruikrisico’s (Bron: Tauw, aan de slag met gebiedsgerichte grondwaterbescherming)

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het agrarische gebruik een risicoscore van gemiddeld 5,3 heeft. Huidige risicovolle activiteiten vormen met name het agrarisch gebruik, waarbij er sprake kan zijn van bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Door bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen vervuilende stoffen in het grondwater komen. • Toekomstig gebruik In de toekomst wordt het perceel gebruikt voor recreatie en natuur. Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, geldt voor deze twee functies een risicoscore van respectievelijk 3,0 (recreatie) en 2,1 (voor zowel droge als natte natuur). Hiermee is sprake van een stap vooruit. Echter dient nader uitgewerkt te worden in welke mate deze stap vooruit vormgegeven wordt. Om daadwerkelijk deze stap vooruit te realiseren wordt geadviseerd om bij het bouwen van de accommodaties geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. Door het toepassen van niet-uitlogende bouwmaterialen kunnen daken worden afgekoppeld van riolering en kan hemelwater dat geen risico vormt voor de grondwaterkwaliteit infiltreren. Hier zal aan voldaan worden. Daarnaast wordt er in de toekomst bij het beheer van de natuur minimaal gebruik gemaakt van bestrijdingsmiddelen. Van een verontreinigd hemelwater zal nauwelijks sprake zijn.

Uit het beheerplan (onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsplan) blijkt dat het beheer bestaat uit het grazen van schapen en indien nodig worden delen van het gras éénmaal per jaar gemaaid en afgevoerd. Van intensief agrarisch gebruik is in zijn geheel geen sprake. Bij de herinrichting van het land naar natuur zal grond op de locatie worden hergebruikt, zodat er geen sprake is van aanvoer van grond elders. Het gaat om schone grond die voldoet aan de kwaliteitseisen. Redelijkerwijs kan niet verwacht worden dat de grond vervuild is, aangezien de gronden jarenlang in agrarisch gebruik zijn geweest waarbij geen sprake is geweest van verontreinigende activiteiten. Tevens blijkt uit de bodemonderzoeken die ter plaatse van de beoogde bebouwing uitgevoerd zijn, dat er geen sprake is van vervuilingen. Het hergebruik op locatie zorgt dan ook niet voor aantasting van het grondwater. Samenvattend wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van het grondwaterbeschermingsgebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld Wegen en parkeerplaatsen Ten aanzien van grondwaterbescherming zijn de bepalingen in artikel 3.1 en 3.2 van de Omgevingsverordening rechtstreeks van toepassing. Er moet worden voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 bij deze verordening. Het gaat hierbij onder meer om de voorschriften onder 1 (zorgplicht), 15 (aanleg parkeerplaatsen), 16 (verbod lozing afvalwater), 17 (toepassing grond), 18 (boringen en ontgravingen), 19 (verbod bodemenergiesystemen). De voorkeur gaat uit naar één of twee centrale parkeerplaatsen met de juiste voorzieningen en verder alleen kortdurend parkeren (in- en uitpakken/ halen en brengen) toestaan. In dit geval is er één bestaande centrale parkeerplaats aanwezig. Er is met het plan geen sprake van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zullen uitsluitend worden gebruikt door gasten van het recreatieterrein. Hierbij is geen sprake van transportmaterieel waar handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen. De afwatering van de parkeerplaatsen is naar een rioolput die uitmondt op de riolering. De kwaliteit van het te lozen hemelwater zal voldoen aan de streefwaarden voor ondiep water zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

Ook zal er regelmatig controle worden uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van de voorzieningen en maatregelen. In de regels van het bestemmingsplan is ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater binnen het intrekgebied de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - intrekgebied’ en ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’, conform geldend bestemmingsplan, opgenomen. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met artikel 2.13.3 en 2.13.4 uit de Omgevingsverordening.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. algemene afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld • • •

•

Specifieke gebruiksregels: hierin zijn vormen van strijdig gebruik en een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van landschappelijke inpassing opgenomen. Afwijken van de bouwregels/ gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouw- en/of gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: in de recreatieve bestemming is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen ter bescherming van bestaande groensingels. In de archeologische dubbelbestemming is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. Wijzigingsbevoegdheid: regels die het mogelijk maken om het plan onder voorwaarden te wijzigen.

In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 10) In dit artikel zijn algemene bouwregels ten aanzien van bestaande maatvoeringen en afstanden opgenomen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel11) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regel bevatten bepalingen omtrent functies die in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan.

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 12) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de in dit gebied voorkomende aanduidingen opgenomen, te weten het essenlandschap, grondwaterbeschermingsgebied en het intrekgebied. Een omgevingsvergunningenstelsel beschermt de waarden van deze aanduidingen. In deze regels is een specifieke maatwerkbepalingen opgenomen die regelt dat voor werken en werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijk kwaliteitsplan, geen omgevingsvergunning nodig is.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 13) In dit artikel zijn regels opgenomen die het mogelijk maken om op ondergeschikte punten van het plan af te wijken.

•

Overige regels (Artikel 14) In deze bepaling zijn regels ten aanzien van de aanvullende werking welstandscriteria en een natuurtoets bij binnenplanse afwijkingen en wijzigingen opgenomen. Tevens is in dit artikel een parkeerregeling opgenomen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

63

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Agrarisch – 2 (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande agrarische gronden, waar voor een groot deel natuur aangelegd zal worden. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor agrarische cultuurgrond, met daaraan ondergeschikt het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden, doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer, extensieve dagrecreatie, extensief recreatief medegebruik en een schaapskooi ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding.

In de bouwregels is bepaald dat uitsluitend een schaapskooi (ter plaatse van de aanduiding) en gebouwen voor nutsvoorzieningen en waterhuishouding zijn toegestaan, met inachtneming van de daarvoor opgenomen maatvoeringeisen. Voor het overige zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijne, toegestaan. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Met een omgevingsvergunning kan hier van afgeweken worden. Tevens zijn verbodsbepalingen opgenomen voor werken die uitsluitend met een omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden. Hierop is een uitzonderingsregel opgenomen, om zo het gewenste plan (uitvoering ruimtelijk kwaliteitsplan) mogelijk te maken. Tot slot is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te kunnen wijzigen naar ‘Natuur – Natuur en bos’. Natuur – Natuur en bos (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande natuur. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor natuur, bestaande bossen/bosbouw, boom- en sierteelt, het behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden en cultuurgrond. In de bouwregels is bepaald dat er uitsluitend overige bouwwerken, geen gebouwen zijne, toegestaan zijn. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen.

Hierop is een uitzonderingsregel opgenomen, om zo het gewenste plan (uitvoering ruimtelijk kwaliteitsplan) mogelijk te maken. Tot slot is er een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen om de natuurlijke waarden te beschermen. Recreatie – Verblijfsrecreatie (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het bestaande recreatieterrein, het voormalige agrarische bedrijf en ter plaatse van de beoogde groepsaccommodaties en het overig recreatieterrein. Ter plaatse van de beoogde en bestaande gebouwen zijn bouwvlakken opgenomen. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor de bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie in de vorm van groepsaccommodaties, vakantieappartementen, kampeerboerderijen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen. Ook is wonen in bedrijfswoningen toegestaan. Tevens is ondergeschikte detailhandel, ondergeschikte zorgfuncties en horeca en dienstverlening toegestaan. Tot slot zijn centrale voorzieningen ten behoeve van de recreatieve bestemming toegestaan. Hiermee wordt verstaan: Voorzieningen behorende bij het recreatiebedrijf, waarbij deze voorzieningen dienen ter ondersteuning en versterking van de recreatieve hoofdfunctie, zoals sport- en speelvoorzieningen, receptie, opslag en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

64

“Buitengebied, partiele herziening Oldenzaalsestraat 135 Losser” Vastgesteld horecaruimte. Onder centrale voorzieningen worden tevens aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij recreatieve verblijven verstaan. De groepsaccommodaties zijn middels een aanduiding vastgelegd, om zo het gewenste plan juridisch te borgen. Voor de bestaande groepsaccommodaties is vastgelegd dat er één groepsaccommodatie per aanduiding mag worden gerealiseerd. Wel is het mogelijk om bij recht meerdere groepsaccommodaties binnen hetzelfde volume te realiseren. Ook is ter plaatse van één van de bestaande bedrijfswoningen (binnen de recreatiebestemming) en de herbouwde schuur een aanduiding opgenomen om een groepsaccommodatie mogelijk te maken. Voor wat betreft de schuur wordt maximaal 550 m2 van de oppervlakte aangewend voor verblijfsrecreatie. In de regels is dit specifiek geborgd. Voor de centrale voorzieningen en vakantiewoningen is ook een aanduiding opgenomen. Deze functies zijn toegestaan op het bestaande recreatieperceel. Het is immers niet wenselijk om deze functies mogelijk te maken op de gronden die bij het recreatieperceel worden aangetrokken. In totaal zijn drie bedrijfswoningen toegestaan. Door de vergroting van de recreatieve mogelijkheden is het noodzakelijk om drie bedrijfswoningen op het erf toe te staan.

Door de uitbreiding van de recreatieve bestemming is continue toezicht blijvend noodzakelijk. Daarnaast is het voor de zorgfunctie van groot belang om over voldoende bedrijfswoningen te beschikken, zodat er passende zorg kan worden verleend. Specifiek is geregeld dat deze ondergeschikte zorg- en horecafuncties mogelijk zijn. In de bouwregels is bepaald gebouwen en overkappingen in het bouwvlak dienen te worden gebouwd. De oppervlakte aan bebouwing bedraagt maximaal de bestaande en vergunde oppervlakte. Hieronder vallen ook de nog te realiseren groepsaccommodaties en de herbouwde schuur. Omdat de groepsaccommodaties worden verplaatst is voor de te verplaatsen groepsaccommodaties de maatvoering ter plaatse met een aanduiding aangegeven. Voor de gebouwen zijn maatvoeringseisen opgenomen. In het geval de bestaande maatvoeringen afwijken, gelden deze als maximaal toegestaan. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten afgeweken worden. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Tevens is hier een voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing opgenomen. Tot slot kan op ondergeschikte punten van de gebruiksregels afgeweken worden.

Er is specifiek een afwijking opgenomen die het planologisch mogelijk maakt dat een groepsaccommodatie wordt gesplitst in twee of meerdere vakantiewoningen en dat groepsaccommodatie buiten de daarvoor bestemde aanduiding worden gebouwd. ‘Waarde – Archeologie 2 ’ (Artikel 6) In dit geval is de geldende dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ conform het geldende bestemmingsplan overgenomen. Deze gronden met deze dubbelbestemmingen zijn uitsluitend bedoeld voor het behoud en bescherming van gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden beschermt de archeologische waarde van de gronden. ‘Waarde – Landgoed’ (Artikel 7) De dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. De gronden ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische en andere waarden en elementen, die tezamen de ruimtelijke beheerseenheid van een landgoed vormen. ‘Waarde – Natuur en landschap’ (Artikel 8) De dubbelbestemming 'Waarde – Natuur en landschap' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan ter plaatse van de agrarische bestemming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=2a539140-2c0a-447f-b11b-de1783c25285