Rapportage Aanvullend soortenonderzoek
Tekst van het document
Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Losser, steenfabriek BOEi Versie: 1.0 Projectcode: P04980 Versie:1.0
Colofon Titel
Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Smuddeweg te Losser
Projectcode Versie Datum
P04980 1.0 30-10-2023
Opdrachtgever
BOEi Onze Lieve Vrouw ter Eem Klooster Daam Fockemalaan 22 3818 KG Amersfoort
Uitvoerder
Email Website
GRAS Advies bv Bedrijvenpark Twente 412 7602 KM Almelo ecologie@grasadvies.nl https://grasadvies.nl/
Contactpersoon Telefoon Email
M.W.J. Witjes 074 2020258 michael.witjes@grasadvies.nl
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Huismanstraat 6 6851 GT Huissen
Inhoudsopgave 1
Samenvatting ..................................................................................................................................... 3
2
Inleiding.............................................................................................................................................. 4
2.1.1
Verspreidingsgegevens ..................................................................................................................... 4
2.1.2
Reikwijdte en beperkingen................................................................................................................. 5
3
Gebiedskenmerken en beoogde ontwikkeling ................................................................................... 6
3.1
Gebiedsbeschrijving .......................................................................................................................... 6
3.1.1
Gegevens........................................................................................................................................... 6
3.1.2
Locatie en omgeving .......................................................................................................................... 6
3.1.3
Terrein en kenmerken ........................................................................................................................ 6
4
Onderzoeksmethodiek ....................................................................................................................... 8
4.1.1
Bureauonderzoek .............................................................................................................................. 8
4.1.2
Veldonderzoek ................................................................................................................................... 8
4.1.3
Analyse .............................................................................................................................................. 9
5
Wettelijk kader ................................................................................................................................. 10
5.1.1
Beschermde soorten ........................................................................................................................ 10
5.1.2
Broedvogels ..................................................................................................................................... 10
6
Resultaten ........................................................................................................................................ 11
6.1
Steenmarter ..................................................................................................................................... 11
6.1.1
Verblijfplaatsen ................................................................................................................................ 11
6.1.2
Effectenbeoordeling ......................................................................................................................... 11
6.2
Vleermuizen ..................................................................................................................................... 11
6.2.1
Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes ............................................................................ 11
6.2.2
Effectenbeoordeling ......................................................................................................................... 11
6.3
Gierzwaluw ...................................................................................................................................... 11
6.3.1
Nest- en rustplaatsen ....................................................................................................................... 12
6.3.2
Effectenbeoordeling ......................................................................................................................... 12
6.4
Huismus ........................................................................................................................................... 12
6.4.1
Nestplaatsen en overige habitatfuncties .......................................................................................... 12
6.4.2
Effectenbeoordeling ......................................................................................................................... 12
6.5
Uilen ................................................................................................................................................. 12
6.5.1
Nest- en rustplaatsen en foerageergebied ...................................................................................... 12
6.5.2
Effectenbeoordeling ......................................................................................................................... 12
7
Conclusies ....................................................................................................................................... 13
7.1.1
Zorgplicht ......................................................................................................................................... 13
Bijlagen Bijlage 1: Soort specifieke onderzoeksmethoden Bijlage 2: Wet- en regelgeving Bijlage 3: Stappenplan ontheffingsplicht Projectcode: P04980 Versie:1.0
1 Samenvatting De initiatiefnemer is voornemens om in het projectgebied aan de Smuddeweg 3 te Losser, een proeflokaal en een brouwerij te gaan realiseren. Hiervoor wordt een deel van een van de gebouwen gesloopt. Om het projectgebied te controleren op eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit deze quickscan kwam het advies om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de volgende beschermde diersoorten om in kader van de ruimtelijke ontwikkeling te voldoen aan de Wet natuurbescherming: • Steenmarter • Vleermuizen • Gierzwaluw • Huismus • Steenuil • Kerkuil
De onderzoeken geven inzicht in de mogelijk effecten van de ontwikkeling op functies van beschermde diersoorten en of verbodsbepalingen mogelijk worden overtreden. Met deze kennis is onderbouwd of de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is of dat mogelijk een ontheffingsaanvraag of andere maatregelen en/of vervolgstappen noodzakelijk zijn. De belangrijkste conclusies zijn als volgt: 1
De aanwezigheid van de volgende beschermde soorten is aangetoond, waarvoor ontheffing moet worden verkregen om de ontwikkeling doorgang te kunnen geven: ●
2
3
Steenuil, vaste rust- verblijf en/ of nestplaats.
De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het: a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur (Wnb Artikel 1.11). Voor het zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis in het te behouden gebouw binnen het projectgebied moet extra alert te zijn zicht te houden aan de zorgplicht door verstoring zo veel als mogelijk te voorkomen.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
2 Inleiding In opdracht van ECOquickscan heeft GRAS Advies een aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Smuddeweg te Losser. BOEi is voornemens om hier een proeflokaal en een brouwerij te realiseren. Bij dergelijke ruimtelijke ingrepen verplicht de Wet natuurbescherming te toetsen of aanwezige beschermde plant- en diersoorten geen negatieve effecten ondervinden van de beoogde ontwikkeling. Eerder uitgevoerd verkennend onderzoek (quickscan) naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna op de bovengenoemde locatie (GRAS Advies, 2023), kon de aanwezigheid van de volgende soorten niet uitsluiten: • • • • • •
Steenmarter Vleermuizen Gierzwaluw Huismus Steenuil Kerkuil
Op basis hiervan is nader onderzoek naar deze soorten verricht. Dit aanvullende soortenonderzoek geeft uitsluitsel over de aanwezigheid of afwezigheid van bovengenoemde soorten en adviseert over de te nemen vervolgstappen. Het onderbouwt of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is of dat mogelijk verbodsbepalingen worden overtreden en een ontheffingsaanvraag en/of andere maatregelen noodzakelijk zijn. Aanvullend soortenonderzoek is een uitgebreid en afgestemd soortgericht onderzoek. Het bestaat uit een bureaustudie en meerdere veldinventarisaties waarbij onderzoeksmethoden en richtlijnen uit erkende en soort specifieke kennisdocumenten en/of soortprotocollen worden toegepast. Met inachtneming van wettelijke kaders, de kenmerken van de beoogde ontwikkeling en de gerelateerde werkzaamheden wordt beoordeeld of aanwezige soorten, hun functioneel leefgebied en essentiële habitatfuncties negatieve effecten ondervinden van de beoogde ingreep. Indien een ontheffingsaanvraag of andere ecologische maatregelen en/of vervolgstappen noodzakelijk worden geacht, kan GRAS Advies adviseren en begeleiding bieden in het vervolgtraject.
2.1.1
Verspreidingsgegevens
In dit rapport is informatie verwerkt afkomstig uit de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze informatie mag (zolang de datavoorziening niet open en toegankelijk is) zonder toestemming van BIJ12 niet worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar worden gemaakt. Indien relevant zal GRAS Advies verspreidingsgegevens die zijn verkregen door veldinventarisaties binnen en/of rondom het projectgebied na een periode van 2 jaar openbaar maken binnen de omgeving van de NDFF. Dit rapport presenteert de uitkomsten van het aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming en de eventuele noodzakelijke vervolgstappen. Het is onlosmakelijk verbonden aan het verkennend onderzoek (quickscan) Wet natuurbescherming Smuddeweg te Losser (GRAS Advies, 2023). GRAS Advies adviseert, indien van toepassing, uitkomsten als verplichting vast te leggen voor de uitvoerende partij. Gebiedskenmerken van het huidige projectgebied en een globale beschrijving van de beoogde ontwikkeling zijn opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 beschrijft de toegepaste onderzoeksmethodiek, gevolgd door een beknopte samenvatting van het relevante wettelijk kader in hoofdstuk 4. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
Hier worden alle relevante soorten beschreven die mogelijk voorkomen, inclusief het effect van de beoogde ontwikkeling op deze soorten en hun functionele leefgebied. De conclusies zijn opgenomen in hoofdstuk 6 waarin de belangrijkste resultaten, mogelijke maatregelen en vervolgstappen worden samengevat.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
2.1.2
Reikwijdte en beperkingen
Dit aanvullend soortenonderzoek richt zich tot Hoofdstuk 3 Artikel 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming. Informatie met betrekking tot gebiedsbescherming. Houtopstanden en stikstof vallen buiten de scope van dit onderzoek. De ecologen van GRAS Advies spannen zich maximaal in om onderzoek zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren. Desondanks zal nooit een volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. GRAS Advies kan daarom geen aansprakelijkheid aanvaarden voor kosten en vertraging die optreden als gevolg van het voorkomen van beschermde flora en/of fauna. Geldigheidsduur onderzoek: Momenteel bestaan er geen landelijke richtlijnen betreft de geldigheidsduur van aanvullende soortenonderzoeken. Desalniettemin kan bevoegd gezag hieraan een termijn koppelen en actuele gegevens vereisen. Doorgaans wordt een termijn van 3 jaar aanbevolen. GRAS Advies adviseert daarom de termijn van 3 jaar niet te overschrijden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en hun functioneel leefgebied leiden.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
3 Gebiedskenmerken en beoogde ontwikkeling 3.1
Gebiedsbeschrijving
3.1.1
Gegevens
Adres: Plaats: Gemeente: Provincie:
3.1.2
Smuddeweg 3 Losser Losser Overijssel
Locatie en omgeving
Het plangebied maakt ruimtelijk onderdeel uit van de buitenrand van Losser. Via de Smuddeweg is het bedrijventerrein met het stedelijke deel van Losser verbonden. Het terrein aan de noordzijde van deze weg is min of meer een weilandengebied. Aan de zuidzijde van deze weg bevinden zich gebouwen die richting het meer bewoonde deel van Losser gaan. Verder wordt het terrein omgeven door een klein bosrijk gebied aan de zuidwestzijde. Daarnaast is het stedelijke gebied van Losser aan de zuidoostzijde te vinden.
3.1.3
Terrein en kenmerken
Het is gelegen in het buitengebied en is omgeven door weilanden, akkers en gebouwen. In de huidige situatie is de voormalige steenfabriek vrijwel niet meer in gebruik (afbeelding 2.1). Wel zijn alle gebouwen nog aanwezig op het terrein (afbeelding 2.2). Direct rondom het projectgebied staan bomenrijen als kavelafscheidingen.
Afbeelding 2.1 Ligging van het projectgebied (rood kader).
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Afbeelding 2.2 Luchtfoto van het projectgebied (rood kader).
Beoogde ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens om een proeflokaal in een bestaand pand en nieuw gebouw als brouwerij te realiseren. Het betreft sloop plus nieuwbouw aan de huidige droogloods en van de vormloods. Het toekomstige proeflokaal wordt enkel van binnenuit verbouwd. De exacte planning van de werkzaamheden is nog niet bekend.
Afbeelding 2.3. beoogd resultaat.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
4 Onderzoeksmethodiek Het onderzoek wordt uitgevoerd om te beoordelen of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling een mogelijk significant negatief effect heeft op (wettelijk) beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is het noodzakelijk om aanwezige soorten vast te stellen en locaties van habitatfuncties te bepalen. De door GRAS Advies gehanteerde onderzoeksmethodiek is globaal onder te verdelen in 3 stappen.
4.1.1
Bureauonderzoek
Voor relevante datavisualisatie, projectinformatie en soorteninformatie is onder andere Rapportage Quickscan Wet natuurbescherming Smuddeweg te Losser, (GRAS Advies, 2023) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens overgenomen en aanvullende informatie verzameld over: ● ● ● ●
locaties van habitatfuncties van mogelijk aanwezige beschermde soorten; gebiedskenmerken en mogelijke huidige ruimtelijke en ecologische veranderingen; soortspecifieke verspreidingsgegevens (indien van toepassing) verspreidingsatlassen; geschikte onderzoeklocaties.
Mogelijke aanwezigheid van soorten, locaties van soortspecifieke/gebonden gebiedsfuncties en de locaties waar de trefkans van de te onderzoeken soorten het hoogst zijn, worden hiermee bepaald. Aan de hand van deze gegevens zijn soortspecifieke onderzoeksmethoden vastgesteld en veldonderzoeken gepland.
4.1.2
Veldonderzoek
Het soortgerichte onderzoek is in en rondom het projectgebied uitgevoerd. De door GRAS Advies gehanteerde veldonderzoeksmethodiek is (indien beschikbaar) conform aanbevolen methoden en richtlijnen, beschreven in erkende soortspecifieke kennisdocumenten en protocollen. Onderzoek vereist doorgaans meerdere veldbezoeken en onderzoeksperioden zijn veelal verbonden aan vaste perioden. GRAS Advies combineert waar mogelijk soortspecifiek onderzoek om zodoende veldbezoeken te beperken. In Bijlage 1 worden de soort specifieke onderzoeksmethoden beschreven. Tabel 6.1 in hoofdstuk 6 toont de data en specificaties van de veldbezoeken. Tabel 4.1 toont alle data en specificaties van veldbezoeken. Tabel 4.1 Data en specificaties veldbezoeken. Datum Tijdstip Zonsopkomst of ondergang 05-01-2023 10:00-12:00 n.v.t. 15-03-2023 18:00-00:00 18:44 03-04-2023 10:00-11:30 06:38 04-04-2023 19:30 00:00 20:18 20-04-2023 20:00-00:00 20:46 03-05-2023 09:00-10:30 06:07 08-06-2023 19:55-00:10 21:57
Aantal onderzoekers 1 1 1 1 1 1 2
Weersomstandigheden
09-06-2023
02:55-05:25
05:21
2
12⁰C, 2 bft, onbewolkt, droog
19-06-2023 04-07-2023
20:00-22:30 20:00-00:15
22:03 22:02
1 2
22⁰C, 1 bft, licht bewolkt, droog 16⁰C, 1 bft, bewolkt, droog
07-09-2023
20:15-00:15
20:14
1
22⁰C, 2 bft, onbewolkt, droog
29-9-2023
04:30-06:40
07:37
1
14⁰C, 3 bft, licht bewolkt, droog
Projectcode: P04980 Versie:1.0
10⁰C, 3 bft, onbewolkt, droog 7⁰C, 2 btf, bewolkt, droog 7⁰C, 3 bft, onbewolkt, droog 9⁰C, 2 bft, licht bewolkt, droog 10⁰C, 3 bft, bewolkt, droog 16⁰C, 2 bft, licht bewolkt, droog 19⁰C, 3 bft, onbewolkt, droog
Reden veldbezoek/ onderzoek Quickscan Uilen 3x Huismussen Uilen Uilen Huismussen Vleermuisverblijven zomer- en kraam, Gierzwaluwen Vleermuisverblijven zomer- en kraam Gierzwaluwen Vleermuisverblijven zomer- en kraam, Gierzwaluwen Vleermuisverblijven paar Vleermuisverblijven paar
4.1.3
Analyse
Na afronding van veldonderzoeken worden gegevens zoals velddata, waarnemingen en bevindingen verzameld. De analyse van deze gegevens bestaat uit: ● ● ● ● ●
bepalen soort en aanwezigheid; bepalen locaties (essentiële) habitatfuncties; beoordelen kenmerken van beoogde ontwikkeling (zoals duur, periode, invloedsfeer); beoordelen effecten beoogde ontwikkeling op aanwezige soorten en habitatfuncties; bepalen mogelijke gevolgen, maatregelen en (wettelijke) vervolgstappen.
GRAS Advies is een ecologisch adviesbureau en voert verkennend veldonderzoek uit volgens geldende soortprotocollen. De deskundige ecologen van GRAS Advies zijn middels opleiding en ervaring bevoegd voor de verrichte werkzaamheden. Daarnaast is het project uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van GRAS Advies. Het kwaliteit managementsysteem van GRAS Advies is ISO NEN-EN-ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
5 Wettelijk kader Wet- en regelgeving omtrent natuurbeleid is voornamelijk geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Binnen deze kaderwet is Internationale en Europese wet- en regelgeving opgenomen en het biedt provincies de mogelijkheid op provinciaal niveau natuurbeleid toe te passen. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en soortgelijke activiteiten dient deze wet in acht te worden genomen. De wet is gericht op het beschermen van gebieden, houtopstanden en soorten. Bijlage 3 bevat een uitgebreid overzicht betreft Wet- en regelgeving omtrent soorten.
5.1.1
Beschermde soorten
Alle in het wild levende plant- en diersoorten zijn tot op zekere hoogte beschermd. Hiervoor geldt de zorgplicht. De Wet natuurbescherming heeft de bescherming van soorten onderverdeeld in drie beschermingsregimes, namelijk 1. soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, 2. soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn (beide Internationaal beschermd) en 3. soorten die vallen onder Andere soorten (Nationaal beschermd). Deze verschillende beschermingsregimes hebben ieder specifieke verbodsbepalingen. Uitzonderingen op de verbodsbepalingen binnen de Wnb zoals beschreven onder Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten kunnen gelden indien: ● ● ●
5.1.2
een vrijstelling voor de specifieke soort geldt (nationaal beschermde soorten); gewerkt wordt met een Gedragscode (nationaal en internationaal beschermde soorten); een ontheffing is verkregen (nationaal en internationaal beschermde soorten).
Broedvogels
Bij ruimtelijke ingrepen of activiteiten van soortgelijke aard, dient er zorg gedragen te worden voor broedvogels die effecten ondervinden van de geplande werkzaamheden. Nesten mogen niet worden beschadigd of vernield. Voor vogelsoorten die ieder jaar een nieuw nest bouwen geldt dat nesten beschermd zijn zolang de broedperiode van de soort duurt. Indien er soorten aanwezige zijn die vallen onder soorten met jaarrond beschermde nesten, is, indien deze groep effecten ondervindt van de werkzaamheden, te allen tijde een ontheffing nodig.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
6 Resultaten 6.1
Steenmarter
Er zijn in het te slopen gebouw uitwerpselen gevonden van het te slopen gebouw. Om het mogelijke gebruik van de plek door steenmarters te onderzoeken, is er een wildcamera geplaatst van 13 juli tot 5 september.
6.1.1
Verblijfplaatsen
Er zijn geen waarnemingen van steenmarters, of andere marterachtigen gedaan met de wildcamera. Het is redelijkerwijs uitgesloten dat de dieren nog gebruik maken van het gebouw.
6.1.2
Effectenbeoordeling
Gezien de afwezigheid van (steen)marters, is een effect van de ontwikkeling op de soorten uit te sluiten. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor (steen)marters is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet nodig.
6.2
Vleermuizen
Tijdens de quickscan zijn er meerdere uitwerpselen van vleermuizen gevonden in het te slopen gebouw. Ook het andere gebouw bevat mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor vleermuizen. Voor de locatiebezoeken, zie tabel 4.1.
6.2.1
Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes
Tijdens het vleermuisonderzoek naar verblijven van vleermuizen zijn in het te slopen gebouw geen verblijfplaatsen waargenomen. Een zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis is wel in het tegenoverliggende gebouw waargenomen. Omdat dit gebouw inpandig omgevormd wordt tot proeflokaal, heeft de ontwikkeling heeft geen effect op de functionaliteit van het verblijf, mits er aan de zorgplicht wordt voldaan. De groenstructuren achter (ten noorden van) het gebouw worden gebruikt als foerageerplaats door enkele (13) gewone dwergvleermuizen. Deze is niet essentieel en loopt tot ver voorbij het te slopen pand door. Ook op deze functie heeft de ontwikkeling geen negatief effect. Er zijn enkele overvliegende laatvliegers, rosse vleermuizen en ruige dwergvleermuizen waargenomen. Voor deze dieren zijn geen functies waargenomen binnen het projectgebied of de directe omgeving (terrein van de steenfabriek).
6.2.2
Effectenbeoordeling
Het projectgebied is een onderdeel van het leefgebied van gewone dwergvleermuizen. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op essentiële habitatfuncties deze soort, mits voldaan wordt aan de zorgplicht. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor vleermuizen is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet nodig.
6.3
Gierzwaluw
De gebouwen bevatten openingen die gierzwaluwen toegang kunnen geven tot geschikte nestgelegenheden. Aanvullend onderzoek heeft 3 maal plaatsgevonden waarbij het kennisdocument gierzwaluw is gevolgd. Voor de locatiebezoeken, zie tabel 4.1.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
6.3.1
Nest- en rustplaatsen
Tijdens veldbezoeken zijn hoogvliegende gierzwaluwen waargenomen. Er zijn geen nesten of in-/ uitvliegende vogels waargenomen. Hiermee is aangetoond dat het projectgebied niet voorziet in nestplaatsen gierzwaluwen.
6.3.2
Effectenbeoordeling
Het projectgebied is geen onderdeel van het leefgebied van gierzwaluwen. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op essentiële habitatfuncties van gierzwaluwen. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor gierzwaluwen is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet nodig.
6.4
Huismus
De gebouwen bevatten openingen die huismussen toegang kunnen geven tot geschikte nestgelegenheden. Aanvullend onderzoek heeft 2 maal plaatsgevonden waarbij het kennisdocument huismus is gevolgd. Voor de locatiebezoeken, zie tabel 4.1.
6.4.1
Nestplaatsen en overige habitatfuncties
Tijdens veldbezoeken zijn verblijfplaatsen van huismussen net buiten het projectgebied waargenomen. De dieren zijn echter tijdens geen van de onderzoeken binnen het projectgebied waargenomen. Hiermee is aangetoond dat het projectgebied niet voorziet in functies voor huismussen.
6.4.2
Effectenbeoordeling
Het projectgebied is geen onderdeel van het leefgebied van huismussen. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op essentiële habitatfuncties van huismussen. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor huismussen is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet nodig.
6.5
Uilen
In het projectgebied hangt een kerkuilenkast. Hierin zijn geen sporen van de dieren waargenomen. Er zijn openingen in het te slopen gebouw aanwezig waar de veel kleinere steenuil zich kan vestigen. Voor de locatiebezoeken, zie tabel 4.1.
6.5.1
Nest- en rustplaatsen en foerageergebied
Tijdens veldbezoeken zijn 2 steenuilen in een verblijfplaats met nestmateriaal waargenomen. Daarnaast zijn er rondvliegende steenuilen waargenomen. Hiermee is aangetoond dat het projectgebied voorziet in nesten/of rustplaatsen en foerageergebied van steenuilen. Er zijn geen andere uilensoorten waargenomen.
6.5.2
Effectenbeoordeling
Het projectgebied is onderdeel van het leefgebied van steenuilen. Andere uilensoorten zijn niet waargenomen. De beoogde ontwikkeling heeft een negatief effect op het verblijf van de steenuilen. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor een nest en/ of verblijfplaats van steenuilen is voor de uitvoering van de werkzaamheden nodig.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
7 Conclusies Op basis van de resultaten van dit aanvullend soortenonderzoek kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat enkel de nest/ rustplaats van de steenuil een negatief effect kan ondervinden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor deze soort dan ook nodig om de ontwikkeling te mogen uitvoeren. GRAS Advies adviseert de resultaten en conclusies voor te leggen aan het bevoegd gezag, de provincie Overijssel. Daarnaast maakt het projectgebied mogelijk deel uit van het leefgebied voor diverse broed- en weidevogels. Nesten van broedende vogels en hun omgeving zijn wettelijk beschermd en mogen niet worden verstoord. Verstoring wordt voorkomen door: ● ● ●
7.1.1
verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, of; maatregelen te nemen zodat nesten geen hinder ondervinden, of een broedvogelinspectie en vrijgave te laten plaatsvinden vóór aanvang van desbetreffende werkzaamheden.
Zorgplicht
De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het: a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur (Wnb Artikel 1.11). Bij twijfel, of wanneer er tijdens werkzaamheden beschermde diersoorten worden aangetroffen, dient er direct contact opgenomen te worden met een ecoloog die kan bepalen of en op welke wijze de werkzaamheden binnen de Wet natuurbescherming plaats mogen vinden
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Bronnen Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, 13 oktober 2017. Veldman, J. & Troost, C., 2019. Brochure Soortenbescherming in Overijssel. ECOquickscan, 2019. Actualisatie ecologisch werkprotocol Ontwikkeling bedrijventerrein Kerkewaard te Haaften. Hunink, S. (2022). Lijst beschermde soorten Wet natuurbescherming. Natuurinclusief, Borculo. 13 p. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. December 2016. Versie 1.3, 5p. Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Juli 2017. Versie juli 2017. Overheid.nl (2021). Wet natuurbescherming. https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01 Raad van State (2021). Uitspraak 201903159/1/R2. https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@125948/ 201903159-1-r2/ Verspreidingsatlas.nl (2023). NDFF Verspreidingsatlas. Zoogdiervereniging (2021). Wet natuurbescherming. https://www.zoogdiervereniging.nl/wnb
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Bijlage 1: Soort specifieke onderzoeksmethoden Steenmarter Onderzoek naar marterachtigen is maatwerk en wordt doorgaans gedaan om de soort (steenmarter of boommarter) te bepalen, de aanwezigheid van vaste en essentiële rust- of voortplantingsplaatsen, migratieroutes en foerageergebied vast te stellen of bestaat uit een habitatsgeschiktheidsbeoordeling. Voor deze soorten bestaan geen landelijk gestandaardiseerde onderzoeksprotocollen. GRAS Advies hanteert binnen dit onderzoek voornamelijk de onderzoeksmethoden beschreven in Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, 2017) en Brochure Soortenbescherming in Overijssel (Veldman & Troost, 2019). Dit houdt globaal het volgende in: •
Er zijn verschillende methoden beschikbaar om de soort en aanwezigheid vast te stellen. GRAS Advies gebruikt wildcamera’s met lokstof om beeldmateriaal te vervaardigen van passerende dieren. Als lokstof en tevens afdrukmedium voor sporenbuizen gebruikt GRAS Advies een mengsel van paraffineolie, koolstof en visolie. Lokstof bij wildcamera-gebruik is pindakaas. Hierbij wordt dit voor de camera op/aan een verhoging geplaatst om determinatie van soorten te vergemakkelijken. Onderzoek is niet gebonden aan vaste perioden. Desondanks hanteert GRAS Advies de periode van maart tot en met augustus (Bouwens, 2017). In deze periode worden inventarisatiematerialen minimaal 6 weken in het projectgebied geplaatst. Buiten deze periode wordt 12 weken gehanteerd. Inventarisatiematerialen worden geplaatst op plekken waar de trefkans het hoogst is. Dit wordt bepaald aan de hand van eerder uitgevoerd verkennend onderzoek, de huidige ruimtelijke en ecologische situatie en kenmerken van de beoogde ontwikkeling. Het aantal in te zetten inventarisatiematerialen wordt bepaal door de deskundige ecoloog. Dit is afhankelijk van de grootte en toegankelijkheid van het projectgebied en de geschiktheid van het gebied voor de desbetreffende soort.
Om de werking van inventarisatiematerialen te waarborgen kiest GRAS Advies er in de meeste situaties voor binnen deze periode minimaal eenmaal batterijen en opslagmiddelen van opname apparatuur te vervangen.
• • • • •
Vleermuizen Onderzoek wordt uitgevoerd om het aantal en de soort vast te stellen en om gebiedsfuncties (foerageergebied, vliegroute en verblijfplaats) te bepalen. Van een eventuele verblijfplaats kan worden vastgesteld of het een zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijf betreft. Hoofdstuk 5, tabel 5.2 toont de veldbezoekspecificaties. De methodiek gehanteerd door GRAS Advies is conform het protocol voor vleermuisinventarisaties Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging (2021) en de soortspecifieke kennisdocumenten van BIJ12. Het vleermuisprotocol hanteert de volgende richtlijnen: ● ● ● ● ●
● ●
Een voorjaarsonderzoek om een mogelijke functie als zomer- en/of kraamverblijf te onderzoeken. Dit onderzoek bestaat uit 3 bezoeken tussen 15 mei en 15 juli, waarvan minimaal één ’s ochtends en één in juni. Mogelijke vliegroutes en foerageergebied wordt ook tijdens deze periode vastgesteld. Een najaarsonderzoek om een mogelijke functie als paar- en/of winterverblijf te onderzoeken. Dit onderzoek bestaat uit 2 bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober. Een onderzoek naar de aanwezigheid van (massa)winterverblijfplaatsen. Dit onderzoek bestaat uit 2 bezoeken tussen 1 augustus en 10 september met tenminste 10 dagen tussen beide locatiebezoeken. Minimaal een periode van 20 dagen tussen veldonderzoeken in het voor- en najaar m.u.v. (massa)winterverblijfplaatsen. De begin- en eindtijd is in de regel tot 2 uur na zonsondergang en vanaf 2 uur voor zonsopkomst. Bij paarverblijfplaatsen is dit doorgaans vanaf 1 uur na zonsondergang of tot zonsopkomst met minimaal één bezoek rond middernacht. Exacte planning omtrent vleermuisonderzoek is soortspecifiek en is afgestemd op de te verwachte soorten. Indien bijzondere soorten aanwezig zijn, kan eerdergenoemde onderzoekstijd worden verlengd door eerder te starten of later te eindigen. Tenminste 75% van het te observeren object moet worden overzien tijdens onderzoeken die gericht zijn op habitatfuncties.
Bepalen habitatfuncties en type verblijfplaats
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Tijdens het observeren van vleermuizen bepaalt het gedrag en aantallen welke habitatfuncties en typen verblijfplaatsen worden toegekend. GRAS Advies hanteert de volgende kenmerken: ● ● ● ● ● ● ●
Kraamverblijfplaats: uitvliegers zijn terugkerend en het betreft meer dan 10 exemplaren*. Zomerverblijfplaats: uitvliegers zijn terugkerend en het betreft minder dan 10 exemplaren* of individuen vliegen uit en keren niet terug. Wanneer de toegang wordt ‘aangetikt’ betreft het mogelijk een zomerverblijfplaats. Paarverblijfplaats: het betreft zwermgedrag en baltsroepen. (Soortspecifiek en zwermgedrag komt bij meer verblijfsfuncties voor). Massa winterverblijfplaats: het betreft zwermactiviteit van meer dan 10 exemplaren*. Winterverblijfplaats: het betreft zwermactiviteit van 5-10 exemplaren* of minder dan 5 exemplaren waarbij sociaal geluid detecteerbaar is. Vliegroute: frequent gebruik van lijnvormige structuren door meerdere exemplaren. Foerageergebied: frequent gebruik van een gebied en/of lijnvormige structuren zoals bomenrijen en water door meerdere exemplaren.
* Toegekende functies a.d.h.v. aantallen kunnen afwijken en zijn afhankelijk van lokale omstandigheden en intern deskundig oordeel. Tijdens veldbezoeken wordt geïnventariseerd op geluid en zichtwaarnemingen en is gebruik gemaakt van Ultrasone microfoons (Echo Meter Touch), en een Pettersson D240x batdetector, of een Anabat Scout batdetector. Ultrasone geluiden zijn hiermee hoorbaar, opneembaar en analyseerbaar. Ook wordt er gebruik gemaakt van een verrekijker en felle zaklamp.
Gierzwaluw Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, aantal, nestlocaties en rustplaatsen vast te stellen. Hoofdstuk 5, tabel 5.2 toont de veldbezoek specificaties. De methodiek is conform Het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017) en Netwerk Groene Bureaus (2017) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● ● ● ● ● ●
De afwezigheid van een nest of rustplaats wordt aangetoond door minimaal 3 veldbezoeken met een interval van tenminste 10 dagen in de periode van 15 mei tot en met 15 juli. Hierbij wordt minimaal 1 veldbezoek uitgevoerd tussen 20 juni en 7 juli (NGB, 2017; BIJ12, 2017). De grens van de onderzoeksperiode is 15 mei tot en met half juli (BIJ12, 2017). De inventarisaties vinden bij voorkeur ’s avonds plaats 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang (NGB, 2017; BIJ12) tijdens goede weersomstandigheden (droog en weinig wind) (Bij12, 2017). Voor (broedende soorten) wordt gelet op (gierende) dieren en in- en uitvliegende dieren (NGB, 2017). Aan de hand van typen (zicht)waarnemingen, worden het aantal individuen en/of nest- en/of verblijfplaatsen bepaald waarbij het waargenomen aantal vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte wordt gedeeld door 1.5 (BIJ12, 2017). De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is aannemelijk wanneer er minimaal 3 inventarisatiemomenten hebben plaatsgevonden met een interval van minimaal 10 dagen, waarvan 1 heeft plaatsgevonden tussen 20 juni en 7 juli en waarbij er tijdens goede weersomstandigheden 2 uur voor zonsondergang tot aan zonsondergang is geïnventariseerd (BIJ12, 2017).
Voor het onderzoek naar gierzwaluwen aan de (locatie) zijn drie veldbezoeken afgelegd. Deze zijn waar mogelijk gecombineerd met vleermuisonderzoek. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke nestlocaties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Huismus Onderzoek wordt uitgevoerd om de aanwezigheid van exemplaren, aantal, nestlocaties, rustplaatsen en locaties van (essentieel) functioneel leefgebied vast te stellen. Hoofdstuk 5, tabel 5.2 toont de veldbezoekspecificaties. De methodiek is conform Het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023) en Netwerk Groene Bureaus (2017) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● ● ● ●
● ●
De afwezigheid van nesten wordt aangetoond door minimaal 2 veldbezoeken in de optimale periode van 1 april tot en met 15 mei met een interval van minimaal 10 dagen. Inventarisatie vindt bij voorkeur plaats tussen enkele uren na zonsopkomst en enkele uren voor zonsondergang bij gunstige weersomstandigheden (geen regen, kou en harde wind) (BIJ12, 2023). Het is mogelijk eenmalig pannen te lichten in de periode van 15 september tot 1 maart. Dit kan niet gedurende periodes met vorst (BIJ12, 2023). Deze methode wordt door GRAS Advies niet standaard uitgevoerd. De aanwezigheid van een nest kan worden aangetoond door zichtwaarnemingen van nesten (inclusief uitstekende takjes en veertjes), nestbouw, bezoek aan een nestplaats, transport van voedsel of ontlastingspakketjes, bedelende jongen, zingende mannetjes in broedbiotoop, paartjes bij een potentiële nestplaats, baltsgedrag, paring e.d. (BIJ12, 2023). Aan de hand van waarnemingen worden indien relevant en mogelijk, het aantal individuen en nest- en/of verblijfplaatsen geschat. De afwezigheid van broedende huismussen is aannemelijk wanneer er minimaal 1 uur geen nest- of rustplaats gerelateerde waarnemingen zijn gedaan, gedurende 2 veldbezoeken in de optimale periode en onder bovengenoemde omstandigheden (BIJ12, 2023).
Uilen Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, nestlocaties, rustplaatsen en locaties van (essentieel) functioneel leefgebied zoals foerageergebied vast te stellen. Hoofdstuk 5, tabel 5.2 toont de veldbezoekspecificaties. Omdat er mogelijk meerdere soorten uilen binnen en/of rondom het projectgebied aanwezig kunnen zijn, zijn verschillende methoden uit verschillende kennisdocumenten en overige bronnen betreft uilenonderzoek geraadpleegd. Dit betreft Het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017), Het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017) en informatie over de bosuil op de website van Sovon. Deze gecombineerde en overlappende onderzoeksmethoden houden het volgende in:
•
• • • •
De afwezigheid van een broedende uilen is aannemelijk door 3 gerichte veldbezoeken in de periode begin februari tot en met 30 april waarbij tussen het eerste en laatste veldbezoek minimaal 1 maand interval zit (steenuil) en in de periode begin februari tot en met half oktober (kerkuil). GRAS Advies kiest de overlappende periode van begin februari tot en met 30 april om onderzoek in de geschikte periode van beide soorten te garanderen. Inventarisaties vinden plaats in de avondschermer tot middernacht. Tijdens inventarisaties wordt het afspelen van een baltsroep van de steenuil geadviseerd. Er vindt bij voorkeur overdag onderzoek plaats naar sporen die de aanwezigheid van een nest aannemelijk maken zoals braakballen, ruiveren en krijtstrepen. Naast veldonderzoeken wordt er navraag gedaan bij Stichting Kerkuil werkgroep Nederland, STONE, bij lokale vogelwerkgroepen, omwonenden, eigenaren en beheerders.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Bijlage 2: Wet- en regelgeving Wet- en regelgeving omtrent natuurbeleid is voornamelijk geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast is beleid geregeld in provinciale verordeningen en binnen het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Wet- en regelgeving is gericht op de bescherming van: ● ● ●
gebieden houtopstanden soorten
Gebiedsbeschermingsregimes zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming hoofdstuk 2 en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening hoofdstuk 2 (Natuurnetwerk Nederland). Beschermingsregimes van houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Onderstaande informatie omvat enkel soortenbeschermingsregimes die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) is een kaderwet die sinds 2017 van kracht is. Deze wet is naast het beschermen van natuurgebieden en houtopstanden, gericht op het beschermen van inheemse en in het wild levende plant- en diersoorten. Verplichtingen vanuit Internationale en Europese wet- en regelgeving zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn hierin opgenomen. Gelijktijdig heeft er decentralisatie van bevoegd gezag plaatsgevonden waardoor provincies verantwoordelijk zijn voor natuurbeleid- en bescherming binnen de wettelijke kaders van de Wnb en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het biedt provincies de mogelijkheid om op regionaal niveau natuurbeleid toe te passen en in bepaalde gevallen soorten vrij te stellen van hun beschermde status. Onder de Wnb worden alle in het wild levende plant- en diersoorten en natuurgebieden tot op zekere hoogte beschermd, ongeacht of een soort of het gebied wettelijk beschermd is of niet.
Ze vallen onder de zorgplicht (Artikel 1.11 Wnb), (zie Kader - Zorgplicht). Soortenbescherming is opgenomen in de Wnb onder hoofdstuk 3. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal- en nationaal beschermde soorten verdeeld over 3 verschillende beschermingsregimes, ieder met specifieke verbodsbepalingen (Artikel 3.5 t/m 3.10). Internationaal beschermde soorten zijn soorten die vallen onder de categorie Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn (inclusief de verdragen van Bern en Bonn). Nationaal beschermde soorten vallen onder de categorie Andere soorten. De bijlage behorend bij hoofdstuk 3, Artikel 3.10 Wnb geeft een overzicht van nationaal beschermde diersoorten (Onderdeel A) en plantensoorten (Onderdeel B). Figuur 1 toont verbodsbepaling per beschermingsregime. Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern (wilde dieren en planten inclusief hun natuurlijke leefmilieus) en Bijlage I van het Verdrag van Bonn (trekkende wilde diersoorten). Deze richtlijnen zijn opgesteld om de biodiversiteit in Europa in stand te houden en bevatten meerdere bijlagen waarin lijsten met soorten zijn opgenomen.
Onder Andere soorten vallen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage Wnb, onderdeel A, inclusief vaatplanten genoemd in de bijlage Wnb, onderdeel B. De verboden benoemd in Artikel 3.10 lid a en b zijn niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze soorten zich in gebouwen of op erven bevinden. Anders dan internationaal beschermde soorten is het beschermingsregime omtrent Andere soorten milder. Zo is het niet verboden eieren te rapen of dieren opzettelijk te verstoren. Deze uitzonderingen zijn gebaseerd op de belangen beschreven onder Artikel 3.10 lid 2a t/m 2i waaronder bijvoorbeeld ruimtelijke inrichting, kleinschalige bouwactiviteiten of bestendig beheer en ter voorkoming van schade of overlast (Overheid.nl, 2021).
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Zorgplicht De Wet natuurbescherming gebiedt onder Artikel 1.11: 1. Een iedere neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (Overheid.nl, 2021).
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 lid 1 Het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Artikel 3.1 lid 3 Het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Artikel 3.1 lid 4 en 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. N.v.t.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Artikel 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Artikel 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Beschermingsregime Andere soorten Artikel 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. N.v.t.
N.v.t.
Artikel 3.5 lid 5 Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.10 lid 1c Het is verboden vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Figuur 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming per beschermingsregime. Bron: Overheid.nl (2021); Zoogdiervereniging (2021).
Essentieel leefgebied Nest-, rust- en voortplantingsplaatsen worden in de Wnb nadrukkelijk beschermd (Figuur 1). Deze bescherming geldt niet voor bijvoorbeeld vliegroutes, migratieroutes en foerageergebieden. Echter, onder deze beschermde plaatsen worden ook alle essentiële onderdelen verstaan die het nest of de rust- of verblijfplaats als zodoende laten functioneren, ook wanneer deze gebieden niet samenvallen. Essentiele leefgebieden zijn daarom gebieden van wezenlijk belang voor het functioneren van de nest- rust- of voortplantingsplaats, wanneer er geen alternatieven zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen (Raad van State, 2021).
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Vogels met jaarrond beschermde nesten Het verbod op beschadiging en vernieling van nesten houdt in dat er bij ruimtelijke ingrepen rekening dient te worden gehouden met broedende vogels en vogels die hun nest jaarrond als verblijfplaats gebruiken. De broedperiode is soortspecifiek. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest, of zijn hiertoe in staat. Voor deze vogelnesten geldt dat ze enkel in het broedseizoen als broedgeval onder de bescherming van Artikel 3.1 van de Wnb staan. Voor werkzaamheden buiten het broedseizoen is voor deze soorten (op enkele uitzonderingen na) geen ontheffing nodig. Van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bestaat een dynamische lijst die als beleidsdocument onderdeel is van de Wnb. Hierin zijn vogels op basis van nestgebruik ingedeeld in 5 categorieën die hieronder worden weergegeven. Soorten en categorieën kunnen per provincie verschillen. In Lijst met beschermde soorten Wet natuurbescherming (Hunink, 2022) staat een overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten per provincie. 1 2 3 4 5
jaarrond gebruikte nesten (buiten het broedseizoen ook vaste rust- of verblijfplaats) * zeer honkvaste (koloniebroeders) of afhankelijk van bebouwing* zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen koloniebroeders) * vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest* definitie van 5, 5a en 5b verschilt per provincie, en varieert van honkvast en voldoende flexibel tot kwetsbaar en afhankelijk van de lokale Staat van instandhouding (zie Kader - Gunstige staat van instandhouding van een soort).
* Exacte definitie kan afwijken.
Uitzonderingen op verbodsbepalingen Uitzonderingen op de verbodsbepalingen binnen de Wnb zoals beschreven onder Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten kunnen gelden indien: ● ● ●
een vrijstelling voor de specifieke soort geldt (nationaal beschermde soorten); gewerkt wordt met een Gedragscode (nationaal en internationaal beschermde soorten); een ontheffing is verkregen (nationaal en internationaal beschermde soorten).
Om te bepalen of een ontheffing nodig is of dat er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstelling, is er een stappenplan opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken. Deze is toegevoegd in de volgende Bijlage. Vrijstelling: Binnen de groep Andere soorten (nationaal beschermd), kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan de ontheffingsplicht voor (doorgaans algemeen voorkomende) soorten en soorten dus vrij te stellen van hun beschermde status. Hunink (2022) toont een overzicht van deze soorten in Lijst beschermde soorten Wet natuurbescherming, onderverdeeld in beschermingsstatus en provincie. Een vrijstelling is een uitzondering op een verbod en geldt voor iedereen die aan de voorwaarden van die vrijstelling voldoet, zoals een gedragscode (RVO, 2013). Gedragscode: Indien er bij ruimtelijke ingrepen een verbodsbepaling overtreden wordt, kan in sommige gevallen een vrijstelling van de ontheffingsplicht gelden wanneer er gebruik wordt gemaakt van specifieke richtlijnen in een door de minister goedgekeurde gedragscode (Artikel 3.31 Wnb). Door het volgen van deze gedragslijnen kan schade zoveel mogelijk worden voorkomen.
Reeds goedgekeurde Gedragscodes zijn enkel bruikbaar bij ruimtelijke ingrepen binnen gebieden in eigendom van gemeenten en terreinen in beheer, onderhoud en/of eigendom van de provincie. Hierop betrekking hebbende relevante gedragscodes zijn te vinden op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Hoewel de mogelijkheid wel wordt geboden, zijn er bij het opstellen van het stappenplan nog geen gedragscodes goedgekeurd voor Europees beschermde soorten. Ontheffing: In alle andere gevallen zijn in het kader van ruimtelijke ontwikkeling uitzonderingen op verbodsbepalingen enkel mogelijk wanneer een ontheffing is verkregen. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen ligt bij de provincie. Voor een ontheffingsverlening moet het belang van het overtreden van de verbodsbepaling
Projectcode: P04980 Versie:1.0
worden aangetoond. Deze zijn afhankelijk van het beschermingsregime. Een ontheffing of vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien: ● ● ●
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (Artikel 3.8 lid 5a Wnb); zij het belang dient zoals benoemd in Artikel 3.3 lid 4, 3.8 lid 5 en 3.10 lid 2 Wnb, waaronder volksgezondheid en openbare veiligheid; de ontwikkeling niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (Artikel 3.8 lid 5c Wnb).
Indien binnen een gemeente op gebiedsniveau wordt gewerkt en een gebiedsontheffing wordt aangevraagd, kunnen maatregelen in een Soortenmanagementplan (SMP) worden opgenomen. Ontheffingsplicht Indien er door beoogde ontwikkelingen verbodsbepalingen worden overtreden waarbij vrijstellingen en/of een gedragscode niet van toepassing zijn, geldt de ontheffingsplicht. Bij de ontheffingsaanvraag moet worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die desbetreffende verbodsbepaling kan voorkomen. Daarnaast moet het een noodzakelijk wettelijk belang dienen aansluitend op het beschermingsregime van de desbetreffende soort waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd (Artikel 3.3 lid 4b, 3.8 lid 5b en 3.10 lid 2a Wnb) (zie Kader - Wettelijk belang per beschermingsregime) en moet worden aangetoond dat de staat van instandhouding van de desbetreffende soort door beoogde ontwikkelingen niet verslechtert (zie Kader Gunstige staat van instandhouding van een soort). Het verspreidingsgebied van de soort, aantallen, trends, het effect van de beoogde ontwikkeling op de soort en de te nemen mitigerende of compenserende maatregelen ten gunste van de soort zal in de beoordeling worden overwogen (Ministerie van Economische Zaken, 2016).
Wettelijk belang per beschermingsregime ● Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten: In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of ter bescherming van flora of fauna. ● Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn: In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom of in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats. ● Beschermingsregime Andere soorten: In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daaropvolgende gebruik van het gebied of het gebouwde. Gunstige staat van instandhouding van een soort In principe wordt hiermee bedoeld dat de populatie levensvatbaar is en dat ook op lange termijn zal blijven binnen het natuurlijke habitat waar hij voorkomt en dat het natuurlijke verspreidingsgebied niet kleiner wordt en de habitat van de soort groot genoeg is om de populatie van die soort ook op langere termijn in stand te houden.
De soort mag geen effecten ondervinden die een zodanige invloed hebben dat er op langere termijn een negatieve verandering zou kunnen plaatsvinden van de verspreiding van de soort en de grootte van de populatie waardoor het voortbestaan van de soort in gevaar komt (Overheid.nl, 2021). Onder de internationale beschermingsregimes wordt het omschreven als: ● ●
Vogelrichtlijnsoorten: De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding (SvI) van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoorten: Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige SvI te laten voortbestaan
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Instandhoudingsdoelstellingen Deze doelstellingen zijn geformuleerd voor alle voorkomende soorten en habitats binnen Natura 2000-gebieden met als doel het bereiken van een landelijke gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats (zie Kader - Gunstige staat van instandhouding van een soort). Natura 2000-gebieden worden geselecteerd op grond van het voorkomen van habitattypen en soorten die vanuit Europees perspectief bescherming behoeven (Natura2000, z.d.). Natura 2000-gebieden kennen een strikt beschermingsregime. Indien ontwikkelingen in of nabij een gebied plaatsvinden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen mogelijk de kwaliteit van aangewezen habitats of de habitats van aangewezen soorten verstoren of verslechteren, moet hiervoor een vergunning worden aangevraagd bij de provincie (Zoogdiervereniging, 2021; Overheid.nl, 2021). Invasieve exoten Invasieve exoten zijn soorten die schade kunnen toebrengen aan bijvoorbeeld biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ze kunnen inheemse soorten verdringen of zelfs doen uitsterven. Ook kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid van mensen en economische schade toebrengen. In de Europese Unie is een verordening van kracht (nr. 1143/2014) ter preventie en beheersing van invasieve uitheemse exoten (NVWA, z.d.).
Deze soorten zijn terug te vinden op Unilijst Invasieve soorten op de website van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA, 2022). Deze verordening is opgenomen in de Wet natuurbescherming en gedeputeerde staten zijn (op enkele uitzonderingen na) verantwoordelijk dat in de provincie deze soorten zoveel mogelijk worden teruggebracht (Artikel 3.19 Wnb). Het is verboden exoten vallend onder deze aangewezen groep te zaaien, planten, kweken, telen, te laten voortplanten, te verhandelen, in bezit te hebben of vrij te laten (Artikel 3.34 en 3.39 Wnb) (RVO, 2022). Er zijn provincies die de bestrijding van soorten in hun beleid hebben opgenomen die niet op deze lijst vermeld staan. Het gaat hierbij vaak om soorten uit de duizendknoop familie. Sinds 1 januari 2022 geldt wel het verbod op handel in Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021). Regelingen omtrent bestrijding van deze soortengroep en andere soorten zijn doorgaans te vinden op websites van desbetreffende gemeenten.
Projectcode: P04980 Versie:1.0
Bijlage 3: Stappenplan ontheffingsplicht
Bron: Ministerie van Economische Zaken (2016). Projectcode: P04980 Versie:1.0