CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpverordening jeugdhulp 2022 met wijzigingen.pdf

Oordeelsvormende vergadering 20 september 2022, gemeente LosserBij agendapunt: Verordening jeugdhulp 202217.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mocht hierin een leemte bestaan, dan zal het college anderszins in de op haar rustende verplichting moeten voldoen. Lid 4 In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene voorzieningen als de individuele voorzieningen en wordt in overleg met de gemeente gedaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Dit wordt niet vastgelegd in een beschikking, mits er door de arts, jeugdhulpaanbieder, de jeugdige of zijn ouders naar gevraagd wordt.

Lid 5 Bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel gaat het om situaties waarbij gesloten jeugdhulp nodig is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. Volgens art. 6.1.8 van de Jeugdwet kan het college hiervoor bij de kinderrechter een verzoek indienen voor een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging. Naast de Jeugdwet is ook de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (Wet BOPZ) van kracht. Deze wordt toegepast in geval er sprake is van acute bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/of zijn omgeving. De rechter of burgemeester neemt hiertoe een besluit. Er is dan sprake van gedwongen opname. De gemeente is verplicht de jeugdhulp te leveren waartoe de rechter/burgemeester besluit. Ook bij toepassing van de Wet BOPZ wordt een tijdelijke voorziening getroffen. De Raad voor de Kinderbescherming is hier altijd bij betrokken. Dit wordt niet vastgelegd in een beschikking, tenzij er naar gevraagd wordt. Lid 6 Deze bepalingDit lid regelt dat van een jeugdige of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale sociaal netwerk, het pgb binnen 3 maanden gaan inzetten Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

20

voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoet de jeugdige of zijn ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken.

Artikel 37.4 Vooronderzoek Deze bepalingDit artikel is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en hun ouders goed worden geïnformeerd. Lid 1 Dit lid dient ter voorbereiding van het onderzoek waarbij de daarvoor relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht. zodat. Op deze manier wordt voorkomen dat jeugdigen of ouders niet belast worden met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. De regels met betrekking tot privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de wet en de Algemene verordening gegevensbescherming zijn hierop overeenkomstig van toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming. Het vooronderzoek kan, afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek. Lid 2 Bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het onderzoek kunnen al wat concrete vragen worden gesteld. Ook kan aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. Lid 3 Deze bepalingDit lid is opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie.

Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming dit dossier te gebruiken, kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig.

Artikel 38.5 Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige of zijn ouders daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige of zijn ouders speelt hierbij een belangrijke rol. De locatie van het gesprek en het aantal gesprekken is afhankelijk van de concrete situatie. Lid 1 De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige of zijn ouders al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige en/of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouders en hun situatie te krijgen.

Zoals ook in onderdeel c opgenomen, wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de Jeugdwet en uitgangspunt in deze verordening dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

21

Lid 2 De wet kent geen regels over een identificatieplicht. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de identiteit vast te stellen voor de genoemde inwoners. Lid 3 Uit het gesprek tussen de jeugdige, zijn ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan de consulent ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige of zijn ouders. Ook kan ervoor gekozen worden gezamenlijk het gesprek aan te gaan met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Wanneer dit de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. In artikel 8.1.2 lid 3 van de Jeugdwet is een medewerkingsplicht opgenomen. De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Jeugdwet. Lid 43, en 4,5 en 6 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt schriftelijk vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt.

De in lid 1 van dit artikel genoemde relevante en van toepassing zijnde onderzoeksvragen moeten terugkomen in het ondersteuningsplan. De weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de uitkomst is dat een individuele voorziening niet noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Als het voor de besluitvorming onoverkomelijk is om advies in te winnen bij een specifieke (jeugdhulp)deskundige, dient het college deze te raadplegen. De deskundigheid kan ook aanwezig zijn bij de jeugdhulpaanbieder waar eventueel consultatie en diagnostiek wordt gevraagd. Wanneer de noodzaak van een individuele voorziening is vastgesteld, wordt naar aanleiding van het gesprek (de gesprekken) altijd een ondersteuningsplan opgesteld, waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de jeugdige of zijn ouders dit plan ondertekenen. Indien een pgb-plan is overhandigd, kan dit als ondersteuningsplan worden aangemerkt als het overeenkomt met de uitkomsten van het onderzoek. Het pgb-plan heeft dan te gelden als een formele aanvraag voor een pgb. Lid 75 De jeugdige en/of zijn ouders ontvangen altijd binnen 10 werkdagen de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij dat niet wensen.

Hieraan kunnen door de jeugdige of zijn ouders nog opmerkingen of aanvullingen gedaan worden. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige en/of zijn ouders. Lid 86 Deze Dit lidbepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Lid 97 Wanneer er redenen zijn, bijvoorbeeld de jeugdige of zijn ouders zijn al genoegzaam bekend bij de gemeente, dan is het mogelijk om af te zien van het gesprek. Dit gaat altijd in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders. Artikel 39.6 Criteria individuele voorzieningen Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

22

In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige/ouder aanvullend verzekerd is, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Een algemene voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Het college hoeft evenmin een individuele voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggendealgemene) voorziening (onderdeel c).

Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo 2015, Participatiewet of Wet langdurige zorglz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet. Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een algemene voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepalingdit lid. Lid 2 Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende individuele voorziening te bieden. Individuele voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Zijn er meerdere individuele voorzieningen die als passend kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van 'passende hulp' (art. 2.5 van de wet). Het kan voor komen dat het college toch duurdere jeugdhulp moet toekennen omdat artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Op de overheid rust namelijk ook de plicht een ongestoord familie- en gezinsleven te bevorderen.

Denk bijvoorbeeld aan jeugdhulp in de gezinssituatie in plaats van (goedkopere) jeugdhulp in een instelling (TK 2012/13, 33684, nr. 3, p. 17). Lid 32 In deze bepalingdit lid zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige of zijn ouders reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld heeft en daarna pas een aanvraag indient bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp. Voorwaarde is dat de jeugdige of ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

23

jeugdige of ouder zelf omdat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 4 Deze bepalingDit lid geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. Artikel 310.7 Aanvullende criteria pgbpersoonsgebonden budget Lid 1 en 2 De aanspraak op een pgb is wettelijk bepaald voor de jeugdige en zijn ouders. Daarmee is niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een pgb. Het college beoordeelt of aan de criteria wordt voldaan. Een aantal criteria vloeien rechtstreeks voort uit de Jeugdwet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. De genoemde criteria dienen opgenomen te worden in het pgb-plan wat de jeugdige of zijn ouders moet opstellen om in aanmerking voor een pgb. Lid 3 Dit lid is een uitwerking van artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet dat de gemeenteraad de bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de pgb-budgethouder de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Hoewel de regering de inzet van het sociaal netwerk zeer waardevol vindt, acht zij het wenselijk dat beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot gelijk of beter resultaat leidt en wat aantoonbaar doelmatiger is.

De inzet van het sociaal netwerk met een pgb is in ieder geval aantoonbaar beter, indien één of meer van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: • de hulp is vooraf niet goed in te plannen; • de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; • de hulp moet op veel korte momenten per dag geleverd worden; • de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd; • de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn; • de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie de jeugdige vertrouwd is en een goed contact heeft. Lid 4 Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1,2 en 31 en 2 van deze verordening). it artikel en artikel 3.10 in deze verordening). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociaalle netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociaalle netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale sociaal netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.

Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van een vorm van behandeling of specialistische ondersteuning ggzbehandeling(ondersteuningsbehoefte 3 en 4 uit het Twents model) die wordt geboden door een persoon uit het sociaalle netwerk. GGZ-behandelingDeze behandeling of specialistische ondersteuning kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die noodzakelijk is voor dit type jeugdhulp.

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

24

Lid 54 Aan de wettelijke voorwaarden is toegevoegd dat een pgb geweigerd wordt wanneer de ondersteuner een tegengesteld belang heeft dan het belang van de jeugdige of zijn ouders. Hiervan is in ieder geval sprake wanneer de ondersteuner een commercieel belang heeft. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 8.4.1 eerste lid van de Jeugdwet bevoegd is het pgb te weigeren. Lid 5 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. De zorgaanbieder dient de gemaakte kosten te declareren bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Op het moment dat het pgb teruggevorderd dient te worden zal de gemeente overgaan tot incasso. Artikel 3.8 Verplichtingen persoonsgebonden budget Lid 16 In dit artikel zijn verplichtingen opgenomen die verbonden zijn aan het recht op een pgb. Lid 16 onderdeel a De jeugdige of ouder die een pgb wenst en daar naar oordeel van het college recht op heeft, is verplicht een door het college vastgesteld en aangereikt format pgb-plan op te stellen. Ten behoeve van de voortgang van het onderzoek wordt een termijn gesteld waarbinnen de jeugdige of ouder het vereiste pgb-plan moet indienen. De voorwaarden rondom de besteding staan opgenomen in artikel 3.10.

Lid 6 onderdeel b Een pgb mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de jeugdige of zijn ouders als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Lid 16 onderdeel bc De wetgever heeft met de invoering van het trekkingsrecht nadrukkelijk de bedoeling gehad om uitbetaling van pgb’s niet meer toe te staan aan bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangbehartigers. Lid 61 onderdeel cd In deze bepaling is aangegeven dat het pgb binnen drie maanden na toekenning moet zijn aangewend. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de bevoegdheid het toekenningsbesluit in te trekken. Lid 27 In dit lid artikel wordt aangegeven dat de jeugdige of zijn ouders met de aanbieder altijd een zorgovereenkomst naar het model van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)VB sluit, waarin onder andere de wijze van declareren is opgenomen. Pgb’s worden door de SVB in opdracht van het college uitbetaald aan derden. De bedoeling hiervan is tegengaan van misbruik van het pgb.

Lid 38 De maatwerkvoorziening mag geen gezondheidsrisico’s voor de jeugdige, zijn ouders of anderen met zich mee brengen. Daarom is in dit onderdeel geregeld dat ook de met een pgb bekostigde Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

25

voorziening veilig moet zijn. Dit is de verantwoordelijkheid van de jeugdige of zijn ouders. Om vast te stellen of een voorziening veilig is, voert het college controles uit. Lid 4 Dit lid bepaalt dat de kwaliteitseisen voor individuele voorzieningen ook gelden als aan de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb wordt toegekend, tenzij het pgb daardoor onbereikbaar wordt en de jeugdige en/of zijn ouders onverkort voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1. van de wet en bepalingen van de verordening (vergelijk TK 2013/14, 33 841, nr. 113). Niet alle kwaliteitseisen van de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders kunnen op hen van toepassing worden geacht. De opleidingseisen die gelden voor gecontracteerde aanbieders zijn niet van toepassing op personen uit het sociaal netwerk, maar wel de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), als bedoeld in artikel 4.16 van de wet (m.u.v. informele hulp door bloed- en aanverwanten in de 1e en 2e graad). In zijn algemeenheid geldt de eis dat onverkort wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden en overige bepalingen, zoals die zijn gesteld in de verordening. Lid 59 De jeugdige of zijn ouders is zelf verantwoordelijk voor de uren van de ondersteuner, wanneer het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is. Er mag niet meer dan veertig uur in één week aan werkzaamheden worden verricht. . Hierbij is het uitgangspunt de Arbeidstijdenwet.

Lid 610 Het college heeft ruimte om nog nadere regels te stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 311.9 Hoogte pgb Conform het bepaalde in artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet geeft de verordening aan op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld en uit welke kostencomponenten het tarief bestaat. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in dit artikel, zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. Desalniettemin moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet zal gelden (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele jeugdhulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Jeugdwet.

Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Het pgb moet toereikend zijn. In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Onderscheid wordt gemaakt in een tarief voor professionals en een tarief voor het informeel netwerk. Er is sprake van professionele ondersteuning als deze wordt geleverd door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige zonder personeel (zzp’er), mits zij staan ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJregistratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

26

dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgbtarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk. Lid 2 Het pgb voor professionals bedraagt maximaal 85% van de kostprijs van de in de situatie van de jeugdige/ouder goedkoopst compenserende voorziening in natura. Het budget moet voldoende toereikend zijn. Lid 3 Het pgb voor het informeel netwerk bedraagt maximaal €20,00 per uur. Bij het inzetten van een pgb binnen het informele netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief van maximaal €20,00 per uur passend. Lid 4 Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb. Lid 1 In dit artikel is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Onderscheid wordt gemaakt in een tarief voor formele hulp en een tarief voor het informele hulp.

Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Het tarief voor formele hulp, die voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet, wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Het pgb moet toereikend zijn. Voor informele hulp geldt een lager tarief gebaseerd op de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid, die voortvloeit uit artikel 8.1.1., derde lid, van de wet. Lid 2 Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder. Lid 3 Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.

In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaalle netwerk. Lid 4 Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

27

gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Bloedverwanten in de tweede graad zijn: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen. Lid 5 Om belangenverstrengeling te voorkomen mag de formele of informele hulpverlener niet tevens de rol van pgb-vertegenwoordiger vervullen of familie zijn van de pgb-vertegenwoordiger. Onder familie wordt verstaan bloed- en aanverwanten tot in de tweede graad (in het geval de jeugdige en/of zijn ouders een pgb-vertegenwoordiger heeft). Dit geldt ook voor iedere hiërarchisch meerdere van een formele hulpverlener in de organisatie van de zorgaanbieder. Hulp uit het sociaal netwerk is geen vorm van pgb-vertegenwoordiging. Een jeugdige of zijn ouders, die door iemand uit zijn sociaal netwerk wordt geholpen, moet dan wel zelf pgb-vaardig zijn. Bij bijzondere omstandigheden kan de gemeente op bovenstaande situaties een uitzondering toestaan. Lid 6 In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onder c, van de wet). De tarieven mogen worden afgeleid van de tarieven die het college verschuldigd is aan de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Ook het hanteren van de gedifferentieerde tarieven en/of bepalingen over bedragen moeten in de verordening geregeld worden (vergelijk CRVB:2017:1803).

Het pgb voor professionalsformele hulp bedraagt dan ook maximaal 85% van de kostprijs van de in de situatie van de jeugdige/ouder goedkoopst compenserende voorziening in natura. Het budget moet voldoende toereikend zijn. Voor het tarief van de module wonen en verblijf (formele hulp) geldt dat deze gelijk is aan het zorg in natura tarief, aangezien het pgb toereikend dient te zijn om de voorziening bij tenminste één aanbieder in te kunnen kopen. Lid 7 Voor een pgb voor informele individuele hulp geldt het bedrag per uur, zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg. Voor een pgb voor informele groepsgerichte hulp geldt het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg. De verordening bepaalt dat het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg alleen op 1 januari van elk kalenderjaar kan wijzigen. Dit geldt voor zowel de informele hulp in de vorm van individuele ondersteuning als voor informele hulp in de vorm van groepsgerichte ondersteuning. Het verstrekken van een pgb voor informele hulp voor de modules consultatie en diagnostiek, maatregelhulp en beschikbaarheidsvoorzieningen niet mogelijk. Ook diagnostiek en behandeling voor dyslexie, ambulante spoedhulp en mediatiecontrole worden niet vergoed middels een pgb.

Lid 8 In dit lid wordt aangegeven wat het pgb-tarief is voor vervoer van en naar de locatie waar groepsondersteuning wordt geboden. Bij een pgb voor formele hulp geldt 85% van het zorg in natura tarief. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor vervoer bij informele hulp is

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

28

gebaseerd op de autokosten volgens het Nibud (miniklasse), waarbij het uitgangspunt geldt dat 1500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Lid 9 De hoogte van de verschillende tarieven zijn vastgesteld in het financieel besluit Jeugdhulp. Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb. Artikel 3.10 Besteding pgb Lid 1 en 2 In lid 1 en 2 zijn regels neergelegd voor gevallen dat het pgb buiten de gemeente Losser of in het buitenland mag worden besteed. Daarbij blijven de verplichtingen die voortvloeien uit het pgb onverkort van kracht. De jeugdige en/of zijn ouder(s) mogen een pgb gedurende maximaal 13 weken buiten de gemeente Losser besteden. Deze periode is vanzelfsprekend niet begrensd indien het gesloten jeugdhulp betreft en woonplaats van de jeugdige niet wijzigt. De periode in het buitenland is ook begrensd. Verder is het college bevoegd de perioden op verzoek te verlengen. Lid 3 Dit lid zorgt ervoor dat wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan activiteiten die naar oordeel van het college onder de eigen mogelijkheden en het eigen oplossend vermogen vallen. Ook mag het pgb niet worden besteed aan de genoemde personen wanneer zij overbelast zijn of dreigen te geraken voor die activiteiten. De overbelasting wordt getoetst aan de Arbeidstijdenwet.

Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 40 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. Lid 4 In dit lid zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. De zorgaanbieder dient de gemaakte kosten te declareren bij de Sociale verzekeringsbank (SVB). Op het moment dat het pgb teruggevorderd dient te worden zal de gemeente overgaan tot incasso. Lid 5 In dit lid is opgenomen dat er geen mogelijkheid is tot het opnemen van een verantwoordingsvrij bedrag. Lid 6 In de zorgovereenkomsten hanteert de SVB het eindigen van een pgb door bijvoorbeeld overlijden van een jeugdige als ontbindende voorwaarde. Dit houdt in dat de overeenkomst direct eindigt in geval van overlijden. De SVB wijst jeugdigen en/of zijn ouders erop met de gemeente contact op te nemen om te overleggen of een eenmalige uitkering tot de mogelijkheden behoort. Het college hanteert in geval van overlijden van de jeugdige geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt (dit betreft alle zorgovereenkomsten dus die met een professionele organisatie, ZZP-er, iemand uit het sociale netwerk of een partner of familielid).

Lid 7 Het is niet toegestaan om automatisch een vast bedrag per periode uit te betalen zonder declaratie en factuur. Met het vaste bedrag per maand wordt niet bedoeld een maandloon op basis van een arbeidsovereenkomst. Dat is altijd mogelijk (verworven recht).

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

29

Hoofdstuk 4. Herziening, beëindiging, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 412.1 Herziening, beëindiging, intrekking en terugvordering zorg in natura en persoonsgebonden budget (pgb) Dit artikel is een uitwerking van de bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het gaat in dit artikel zowel om voorzieningen verstrekt via zorg in natura als in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Lid 1 Deze bepalingDit lid berust mede op artikel 8.1.2 eerste lid, van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen of zijn ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

Lid 2 Deze bepalingDit lid regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling.dit lid. Verder breidt de verordeningsbepaling de herzienings/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Lid 3 In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige of zijn ouders (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet).

Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. Wanneer het college tot invordering wil overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

30

Lid 4 Wanneer een pgb binnen zes maanden niet is besteed voor de bekostiging van de voorzieningen, kan de pgb worden ingetrokken. Een pgb moet besteed worden aan de doeleinden waarvoor het bestemd is binnen het genoemde termijn. Lid 5 Indien de situatie zoals beschreven in dit lid zich wijzigt, dient indien van toepassing de jeugdige, zijn ouders of eventuele nabestaande(n) een deel van het budget terug te betalen. Lid 65 Om de besteding van pgb’s aan kwalitatief goede zorg te monitoren, wordt de geleverde zorg (steekproefsgewijs) door het college onderzocht. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen wordt van belang geacht. Uit artikel 8.13 van de wet volgt dat het college bevoegd is om pgbbesluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig. Zo kan het college in een klacht of een signaal over de kwaliteit van de jeugdhulp aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Dat kan over administratieve zaken gaan, maar ook over de vraag of de (kwaliteit van de) geboden jeugdhulp voldoet aan de contractuele afspraken. Waar nodig vindt afstemming plaats met de Inspectie Veiligheid en Justitie. Het kan ook gaan om de vraag of de jeugdhulp, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid).

Maar ook of de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid). Zowel het college als de toezichthouder kunnen een dergelijk onderzoek uitvoeren. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen wordt van belang geacht. Lid 76 Op basis van dit artikel kan het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels opstellen. Artikel 413.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Lid 1 Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.

Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie hoofdstuk 9 van de wet). Zij Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

31

voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Lid 33 In deze bepalingdit lid is vastgelegd dat het college nadere regels vast kan stellenstelt over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie ook artikel 5:14 Awb). De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.

Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen Artikel 514.1 Afstemming met gezondheidszorg De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Langdurige (24-uurs) zorg valt vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap evenmin onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Gelet op deze afbakening, is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft onderdelen waarop afspraken nodig zijn.

Artikel 515.2 Afstemming met Veilig Thuis Twente, gecertificeerde instellingen en het justitiedomein Veilig Thuis Twente (het advies‐ en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eer gerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlating of huwelijksdwang. Veilig Thuis Twente kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo'n samenwerkingsprotocol ook verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet). In de strafrechtelijke beslissing – in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedendegedrag beïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp.

In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Wanneer het gaat om taakstraffen, dan is de RvdK verantwoordelijk. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

32

het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces‐verbalen van leerplicht. Artikel 516.3 Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Veel jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. De Jeugdwet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 Jeugdwet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij het gemeentelijke toegangsteam WIJZ, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten zal hierbij tevens de leerplichtambtenaar worden betrokken (lid 2). Uiteraard worden de jeugdige en/of zijn ouders betrokken bij dit overleg.

De gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige (lid 3). Artikel 517.4 Afstemming met Wmo‐voorzieningen en voorzieningen werk en inkomen Lid 1 en 2 Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. De zorgcontinuïteit moet geborgd blijven. Sommige ouders van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst. Lid 3 Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.

Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 618.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

33

(naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap Artikel 719.1 Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoering geregeld. De gemeente Losser heeft dit verder uitgewerkt in de Klachtenregeling gemeente Losser. In dit artikel is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet.

Artikel 720.2 Betrekken ingezetenen inwoners bij ontwikkelen beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe inwoners, worden betrokken bij de vormgeving van het beleid. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Lid 1 Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het beleid gericht op jeugd als op andere terreinen. Lid 2 Met deze bepaling wordt de betrokken adviesraad van het college, zijnde de Participatieraad Losser, in de gelegenheid gesteld om invulling te kunnen geven aan hun rol als adviesorgaan.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 821.1 Evaluatie Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal (rijks)niveau (zie artikel 12.2 van de Jeugdwet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten.

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

34

Artikel 822.2 Hardheidsclausule Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders. Hierdoor is de hardheidsclausule een instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden. Hierbij ligt de nadruk op bijzondere, onvoorziene gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college reeds maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 823.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

Tot slot is in het derde lid als hoofdregel vastgelegd dat aanvragen, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. In lid 4 is bepaald dat lopende bezwaarschriften volgens de oude verordening worden afgehandeld. Artikel 824.4 Inwerkingtreding en citeertitel De citeertitel geeft aan onder welke benaming deze verordening kan worden aangehaald. Het vermelde jaartal geeft het jaar van vaststelling aan, niet de geldingsduur. Deze verordening is in beginsel onbeperkt vanaf de datum van inwerkingtreding tot het moment van vaststelling van een nieuwe verordening die deze vervangt.

Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2022

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=3d4cc91c-ddd4-4f10-a1b1-66b338b9278d