Ontwerp verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 versie def met wijzigingen.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 13 Mantelzorgwaardering, inspraak en medezeggenschap Artikel 13.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college geeft de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten vorm in overleg met Stichting Fundament. Artikel 13.2 Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de Inspraakverordening Losser. 2. Het college stelt de betrokken adviesraad van het college, zijnde de Participatieraad Losser, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over de verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning. Het college voorziet hierbij de participatieraad van ondersteuning om zijn rol effectief te kunnen vervullen.
Hoofdstuk 14 Beëindiging herziening en intrekking Artikel 14.1 Beëindiging Behoudens artikel 2.3.10van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel pgb in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen als: a. Niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van of krachtens verordening: b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dit gebeurt in het kader van de te bieden maatschappelijke ondersteuning: c. de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer heeft in de gemeente Losser: d. de cliënt is overleden. Artikel 14.2 Herzien of intrekken van besluiten 1. Behoudens artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een herziening of intrekking van de beslissing als bedoeld in de artikelen 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de cliënt niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen
van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het pgb, de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst. Artikel 14.3 Terugvordering geldswaarde 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming dan wel pgb is herzien of ingetrokken, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde: a. Van een maatwerkvoorziening of een financiële tegemoetkoming; en/of b. Van het ten onrechte genoten pgb, terugvorderen van de cliënt als de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden en van de derde als degene daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. 2. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandige. 3. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid van de wet.
Hoofdstuk 15 Slotbepalingen Artikel 14.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening en het Besluit, indien toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 14.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 20210 (vastgesteld op 10 december 2019 ) wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. in het eerste lid genoemde verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 in het eerste lid genoemde Verordening en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze vVerordening maatschappelijke ondersteuning 2022. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in het eerste lid genoemde verordening wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 14.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking1 januari 2021. 2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning 20221.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 juli 202215 december 2020,
De voorzitter,……
De griffier,……
Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2021 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Waar nodig zal de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening. Daarmee een bijdrage leverend aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Om zodoende te achterhalen wat
de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren. Om uiteindelijk te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar.
De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel nietondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: • op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; • op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; • ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; • ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; • op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van
ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;
• •
op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: • bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; • de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; • bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent; • bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Twents model voor inkoop van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vanaf 1 januari 2019 hanteren de veertien Twentse gemeenten het Twents model voor de inkoop van maatschappelijk ondersteuning en jeugdhulp op basis van de Jeugdwet en de Wmo, 2015. Het Twents model sluit aan bij de transformatie van het sociaal domein. Om de inwoner passende ondersteuning op maat te geven moeten individueel geïndiceerde oplossingen aansluiten bij de inwoner of het gezin en op de voorliggende en lokaal georganiseerde voorzieningen. Het Twents model is zo ontworpen dat het aansluit op lokale verschillen en mee kan bewegen met lokale, regionale en landelijke ontwikkelingen. In het Twents model is het niet de gemeente of de verwijzer die bepaalt hoe er aan een oplossing moet worden gewerkt, maar de aanbieder in dialoog met de inwoner. De gemeente of verwijzer bepaalt in gesprek met de inwoner wat (welk resultaat) er behaald moet worden. De aanbieder krijgt een budget om de inwoner zodanig te ondersteunen dat dit resultaat daadwerkelijk kan worden behaald. De keuzevrijheid voor inwoner en daarmee ook diversiteit van aanbieders is gegarandeerd.
In het Twents model zijn vier ondersteuningsbehoeften gedefinieerd: • Ondersteuningsbehoefte 1: de inwoner heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden (Jeugdwet en Wmo, 2015) • Ondersteuningsbehoefte 2: de inwoner heeft ondersteuning nodig bij het voeren van regie over en uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden (Jeugdwet en Wmo, 2015)
Per ondersteuningsbehoefte worden verschillende niveaus onderscheiden op basis van kenmerken van de inwoner of het gezinssysteem. Het toegangsteam bepaalt welke ondersteuningsbehoefte (of combinatie van meerdere ondersteuningsbehoeften) bij het te bereiken resultaat past en bepaalt het niveau. Vervolgens wordt door het toegangsteam een inschatting gemaakt van de omvang en de duur van de ondersteuning. Het toegangsteam kan hiervoor afstemming zoeken met een aanbieder. De omvang van de ondersteuning vermenigvuldigd met de prijs bepaalt het budget dat de aanbieder maximaal krijgt voor het bereiken van het resultaat. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het toegangsteam er voor kiezen om één of meerdere modules in te zetten. Het model bevat drie modules: • Module consultatie en diagnostiek: bij de consultatie wordt de aanbieder geconsulteerd met vragen die het toegangsteam heeft over de te behalen resultaten en de in te zetten ondersteuning. Diagnostiek betreft het onafhankelijk in kaart brengen van de problematiek van de inwoner en draagt bij aan de vraagverheldering van het toegangsteam. • Module wonen en verblijf: in het Twents model wordt een onderscheid gemaakt tussen de ondersteuning en het verblijf waarbij het verblijf aanvullend kan worden in gezet op de ondersteuning. Onder deze module vallen ook de pleegzorg en gezinshuizen.
• Module Maatregelhulp: dit betreft de verplichte ingezette ondersteuning vanuit een maatregel, zoals Jeugdbescherming, Jeugdreclassering en Jeugdzorgplus. In het Twents model is er ook sprake van beschikbaarheidsvoorzieningen. Het betreft voorzieningen die gemeenten beschikbaar willen hebben in de regio (weinig voorkomende, hoog specialistische 24uurs zorg, crisisbedden, crisiszorg en het coördinatiepunt spoedhulp). Bij noodzakelijke inzet van een individuele voorziening wordt op basis van de resultaten tot een combinatie van ondersteuningsbehoefte(n), niveaus en modules gekomen. Het is mogelijk meerdere resultaten met de inzet van één ondersteuningsbehoefte of module te realiseren. Het is ook mogelijk dat meerdere ondersteuningsbehoeften of modules bijdragen aan één resultaat. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens heeft vastgesteld. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo en het daarop gebaseerde besluit is een groot aantal definities opgenomen, dit is de reden waarom het aantal begripsbepalingen in deze verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Onder a: abonnementstarief Vanaf 1 januari 2020 is het abonnementstarief voor eigen bijdragen in de Wmo 2015 van kracht. Onder b: algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de CRvB. Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een ‘inkomen
op minimumniveau’. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau. Het is hierbij niet van belang om of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Algemeen gebruikelijke voorziening: Een voorziening is nooit in zijn algemeenheid algemeen gebruikelijk (CRvB 24-02-2016, nr. 13/2603 WMO-T). Een fiets met trapondersteuning is bijvoorbeeld voor cliënten algemeen gebruikelijk maar niet voor iedereen. Denk bijvoorbeeld aan personen jonger dan 16 jaar. Onder c Bijdrage: voorheen werd dit een eigen bijdrage genoemd; de Wmo 2015 noemt het de bijdrage in de kosten. De kosten worden nader uitgewerkt in hoofdstuk 10 van deze verordening. Onder c: andere voorziening Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder d: beschermd wonen Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder e: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de cliënt: de budgethouder. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden).
Onder f: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde maatwerkvoorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag. Onder g: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder h: financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). De definitie van maatwerkvoorziening in de wet (art. 1.1.1 Wmo) is naar het oordeel van de CRvB zo ruim dat hieronder ook een financiële tegemoetkoming kan vallen. Het gaat in de praktijk vaak om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college niet in alle gevallen een oordeel te geven over de kwaliteit. Er geldt in ieder geval geen trekkingsrecht zoals bij pgb’s. Onder i: gesprek HGesprek: het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert.
Dit ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht , met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. Onder j: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt feitelijk de melding als bedoeld in de wet verstaan. Na de melding van de hulpvraag voert het college een onderzoek uit. Onder k: hoofdverblijf
Het gaat om de woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Losser te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 4.7, eerste lid, van de verordening. Onder l: huisgenooth Huisgenoot: Eeen huurder of kostganger wordt niet aangemerkt als huisgenoot. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit huur- of kostgangersovereenkomst. Als mensen omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen, dan worden zij ook aangemerkt als huisgenoot. Te denken valt hierbij aan woongemeenschappen van kloosterlingen ouderen of gehandicapten. Onder m: instandhoudingskosten Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder n: leefeenheid De begripsbepaling vloeit rechtstreeks voort uit de wettelijke bepaling over gebruikelijke hulp. Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en met elkaar een huishouden voeren. Het college kan na het onderzoek tot het oordeel komen dat van hen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Onder n: meldingj Melding: De behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens de cliënt kenbaar worden gemaakt.
Een verzoek om informatie en/of advies wordt niet als melding aangemerkt. Zo kan het college iemand verwijzen naar algemene voorzieningen of op een andere manier informatie verstrekken. Na de melding is het college verplicht een onderzoek in te stellen. Onder o: melding Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Onder p: normaal gebruik van de woning De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of huishoudelijke ondersteuning. Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Onder q: ondersteuningsplank Ondersteuningsplan: Nadat het gesprek heeft plaatsgevonden en het onderzoek is afgerond maakt het college een verslag waarin de uitkomsten van het onderzoek staan. Dit verslag wordt aangemerkt als ondersteuningsplan.
Dat wat in samenspraak met de cliënt is besproken wordt opgenomen in het plan, waaronder de afspraken die gericht zijn op de ondersteuning. Hierin wordt in ieder geval ingegaan op de wettelijke voorgeschreven onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Afhankelijk van het individuele geval kunnen ook andere onderwerpen worden beschreven. Indien aanwezig betrekt het college ook het persoonlijk plan bij het ondersteuningsplan. Onder r: persoonlijk planl
Persoonlijk plan: In een persoonlijk plan geeft de cliënt aan welke ondersteuning hij denkt nodig te hebben. Ook beschrijft hij in het plan zijn omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Onder s: pgbp Het Pgb: persoonsgebonden budget is het : bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken. Onder t: pgb-plano Aan het recht op een persoonsgebonden budget is voor de cliënt de plicht verbonden een pgb-plan, volgens het door de gemeente aangereikte format, op te stellen. Het college beoordeelt aan de hand van het door de cliënt overlegde pgb-plan of de ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Onder u: pgb vertegenwoordiger Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder v: sociaal netwerk Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting Onder w: uitvoeringsbesluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Onder x: voorliggende voorziening Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die een melding doet of een aanvraag indient een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat, die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie en dit redelijkerwijs kan worden gevergd. Onder y: opvang Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder z: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder aa: WML Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder bb: woonvoorziening De wet kent geen definitie van een woonvoorziening. Voor de leesbaarheid wordt dit begrip in de verordening gebruikt. In deze verordening kan het een woningaanpassing of hulpmiddel zijn voor de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld. Onder cc: zelfstandige woning Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 2 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening
Lid 1 en 2 Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Losser. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetenen worden aangemerkt. Lid 3 Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang. Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo (oud), geen centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij vooralsnog ook de middelen van het Rijk. Voor de gemeente Losser treedt de gemeente Enschede op als ‘centrumgemeente’ voor beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Enschede de bevoegdheid om de meldingen en bijbehorende aanvragen om beschermd wonen en opvang namens de gemeente Losser af te handelen. Het college zorgt voor een zorgvuldige overdracht in het geval een cliënt zich meldt bij de gemeente Losser.
Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding hulpvraag Het eerste contact van de inwoner met de gemeente verloopt via WIJZ en kan op verschillende manieren plaatsvinden: schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal. Naar aanleiding van dit eerste contact wordt beoordeeld of kan worden volstaan met informatie en advies of dat een onderzoek nodig is. Pas als dit laatste het geval is, komt het begrip “melding” in beeld. Is er naar het oordeel van het college sprake van een melding, dan wordt deze geregistreerd. Het college bevestigt de ontvangst van de melding aan de inwoner. Dat doet het college schriftelijk, digitaal en mondeling of telefonisch. De melding kan niet alleen door de inwoner zelf worden gedaan, maar door eenieder die betrokken is bij de inwoner zoals een familielid of vriend, ouders of een professionele hulpverlener. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Lid1 Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat.
Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Lid 32 In het twederde lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Lid 53 In het vijfde derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.
Artikel 2.2 Onafhankelijke Cliëntondersteuning Lid 1 Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de onafhankelijke cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Lid 2 In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 2.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Lid 1 Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. Lid 2 De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven.
Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Lid 3 Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. Lid 4 In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen.
Artikel 2.4 Gesprek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Hierin is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Lid 1 De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.
In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt indien mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b van het eerste lid van het ondersteuningsplan is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. In het eerste lid onder g is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid.
Lid 2 In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 2.5 Ondersteuningsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede
weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen ondersteuningsplan voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 2.6 Onderzoekstermijn en verlenging In dit artikel staat dat verlenging van de wettelijke onderzoekstermijn mogelijk is als cliënt hiermee instemt. Een dergelijke verlenging kan immers ten goede komen aan een zorgvuldig onderzoek.
Artikel 2.7 Aanvraag Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Om onnodige barrières te voorkomen en inwoners en de gemeente met zo min mogelijk met administratieve druk te belasten kan de aanvraag voor een maatwerkvoorziening vormvrij worden ingediend. De aanvraag en de aanvraagdatum worden zorgvuldig geregistreerd. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2.1 en de toelichting daarbij.
Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of het ondertekende ondersteuningsplan hoeft niet in behandeling genomen te worden. Artikel 2.8 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Zie tweede lid.
Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 3.1. AlgemeenCriteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden versterkt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het derde lid, sub c, geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.
Lid 4 Dit lid kan worden gebruikt in de situatie waarin er bijvoorbeeld sprake is van alcoholmisbruik of er een andere reden is waardoor een bepaalde voorziening wel de beperkingen zou oplossen maar toch niet veilig is voor cliënt of voor anderen in zijn omgeving. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Lid 1 Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit lid regelt dat het college zo een verzoek weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. Verder wordt opgemaakt dat het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening, dan wel pgb te verstrekken in het geval de maatwerkvoorziening is gerealiseerd. Lid 2 Het tweede lid is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2018:818, CRVB:2016:2052, CRVB:2015:4918).
De strekking hiervan is dat het college (bij ongewijzigde omstandigheden) niet verplicht is om binnen de budgetperiode (looptijd) opnieuw een pgb te verstrekken als het pgb volledig door de cliënt is besteed. De cliënt maakt de keuze voor een pgb en aanvaardt tevens de daaraan verbonden risico’s en kosten. Daaronder valt bijvoorbeeld het verloren gaan van het vervoermiddel. Lid 3 Het kan voorkomen dat de cliënt ná het verstrijken van de budgetperiode opnieuw bij het college een melding dat van een hulpvraag. Tijdens het onderzoek kan blijken dat de beschikbare maatwerkvoorziening die de cliënt al dan niet met pgb, heeft aangeschaft nog voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Is dat het geval, dan kan het college besluiten om instandhoudingskosten toe te kennen in plaats van een nieuwe maatwerkvoorziening. Lid 4 Dit lid verplicht de cliënt een opstalverzekering af te sluiten zodat de mogelijke schade middels deze verklaring is gedekt. Deze verplichting geldt ook als aan de cliënt een pgb wordt verstrekt voor de realisatie van een woningaanpassing.
Lid 5 Van de cliënt die een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, meeneemt op vakantie naar het buitenland, wordt verwacht dat hij een adequate verzekering afsluit tegen verlies, diefstal of schade. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Cliënten die gebruik maken van hulpmiddelen die in natura zijn verstrekt, kunnen op verzoek bij de leverancier een groene kaart opvragen waarmee ze WA- verzekerd zijn. Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen Lid 1 aanhef en onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in aanvaardbare mate in staat moet stellen tot zelfredzaamheid of participatie. In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn of moet kunnen participeren, is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt. Het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Dat geeft ruimte voor professioneel handelen.
De verplichting om een maatwerk voorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149) In het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan. Lid 1 aanhef onder b Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te beiden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopste compenserende voorziening’ zoals in de Wmo (oud) werd gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden gemaakt, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen die als passende bijdrage kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt.
Lid 1 aanhef onder c Een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag individueel verstrekt, het is een índividuele voorziening’. Het spreekt daarom voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits ondersteuning in overwegende mate op de cliënt is gericht. Denk bijvoorbeeld aan het aanleren van het uitvoeren van huishoudelijke taken door de huisgenoot. Lid 2 aanhef en onder a Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte maatwerkvoorziening op grond van deze of hieraan voorafgaande verordeningen en de normale economische afschrijvingstermijn daarvan is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. In deze gevallen kan een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming on de veroorzaakte kosten plaatsvinden.
Lid 2 aanhef en onder b Met het oog op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van andere uit diens sociale netwerk. Dit met het oog op een passende oplossing voor de beperking in zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het anders organiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verstrekt (vergelijk CRVB:2016:429, CRVB:2013:CA0183). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 2 aanhef en onder c De cliënt kan mogelijk aanspraak maken op een ‘voorziening’ op grond van een andere wet. In dat geval kan het college de cliënt verwijzen naar de ‘andere’ wet(TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 150). Niet valt in te zien waarom het college gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol.
Denk aan gebruikmaking van fysiotherapie, ergotherapie of een gehoorapparaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming (CRVB:2012:BV9433). Ook kan een privaatrechtelijke regeling hieronder vallen, zoals een contractuele overeenkomst met eisen waaraan de woning moet voldoen. Op grond daarvan moet de cliënt de verantwoordelijke daarop aanspreken (CRVB:2011:BQ4115). Lid 2 aanhef en onder d Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan.
Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.
artikel 3.4 Beginsel van primaat Lid 1 De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer of groepsondersteuning. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel ‘goedkoopst passende bijdrage’. Bij de beoordeling
of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van een collectief vervoerssysteem was al bekend (en geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo (oud) en kan onder de Wmo 2015 worden voortgezet (CRVB:2018:1487). Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Lid 2 De hoofdregel volgens de verordening is dat het zogeheten primaat van verhuizen geldt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149 en zie CRVB:2018:702, CRVB:2018:2602). Daarbij kan het voorkomen dat de cliënt is aangewezen op een woonaanpassing en traplift, wat hogere kosten voor het college zal meebrengen. Het college zal bij de toepassing van het primaat de belangen van de cliënt zorgvuldig moeten afwegen. Daarnaast zal er binnen een voor de cliënt medisch aanvaardbare termijn een passende of goedkoper aanpasbare woning beschikbaar moeten zijn. Kan het college het primaat toepassen, dan kan er mogelijk aanspraak bestaan op een financiële tegemoetkoming voor verhuisen inrichtingskosten (o.a.
CRVB:2018:2602 en zie art. 4.1, eerste lid onder j, van de verordening). Het primaat van verhuizen en de tegemoetkoming voor eventuele verhuis- en inrichtingskosten zijn niet bedoeld voor personen die inwonend zijn bij de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die op zichzelf gaan wonen. Voor hen geldt dat de verhuizing naar een geschikte woning geen kosten met zich meebrengt die in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) vergoeding. Het gaat dan om een algemeen gebruikelijke verhuizing. Artikel 3.2 Voorwaarden en weigeringsgronden In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met artikel invulling gegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Lid 1 onder a De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten.
Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 0911-2011, nr. 11/3583 Wmo en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 Wmo). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 Wmo) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 Wmo). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-052013, nr. 10/6782 Wmo). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.
Lid 1 onder b Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Lid 1 onder c Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijk voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad.
Bij de beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: - is de voorziening in de normale handel te koop? - Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? - Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Lid 1 onder d Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een melding heeft gedaan en, nog voordat een besluit is genomen, de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, waar vroegtijdig mee is begonnen, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Hier valt niet onder de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan. In dat geval is immers ten tijde van de melding geen te compenseren situatie aanwezig.
Lid 1 onder e In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient- in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat die woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Artikel 3.5 Financiële tegemoetkoming Lid 1 De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat onder een maatwerkvoorziening ook een financiële tegemoetkoming kan worden verstaan (o.a. CRVB:2018:396). Eerste lid aanhef en onder a, b, c, d en e Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van een eigen auto, verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg zijn van de toepassing van het primaat van verhuizen. Bij het gebruik van een eigen auto houdt het college rekening met de
volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn eventuele partner. Ook kan de cliënt afhankelijk zijn van een derde die hem met een auto vervoert.
Hoofdstuk 4 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijke van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Artikel 4.2 Criteria bij de huishoudelijke ondersteuning Lid 1 Dit lid bepaalt dat voor het schoonhouden van de woning het uitgangspunt geldt dat de taken alleen betrekking hebben op de ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn vallen hier dus buiten. Lid 2 en 3 Net als onder de Wmo 2007 het geval is wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verleend als sprake is van gebruikelijke hulp. Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals genoemd in lid 3.
Hoofdstuk 5 Ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie Artikel 5.1 lid 1 Als onderdeel van het onderzoek naar de hulpvraag van de inwoner komt het door de inwoner gewenste eindresultaat ter sprake. Dit eindresultaat in combinatie met de geconstateerde beperking, leidt tot een in categorieën in te delen ondersteuningsbehoefte. Op basis van de toegekende ondersteuningsbehoefte, de intensiteit en de duur, krijgen inwoners, al dan niet in pgb-vorm, passende ondersteuning. Lid3 en 4 Het college kan indien nodig zorgen voor een vervanging van de thuissituatie. Artikel 5.3 Criteria ondersteuning bij het participeren Dit artikel bepaalt dat geen ondersteuning wordt toegekend indien sprake is van gebruikelijke hulp. Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals genoemd in het tweede lid.
Hoofdstuk 6 Ondersteuning gericht op het wonen Artikel 6.1 Resultaat woonvoorziening Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om de ruimtes te kunnen gebruiken en/of bereiken waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de