Motivering Belvedereweg 2, De Lutte vastgesteld
Tekst van het document
Ruimtelijke motivering Belvedereweg 2, De Lutte
Status: Vastgesteld
Juni 2026
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte
Plannaam: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Plantype: Ruimtelijke motivering ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan IMRO-nummer: NL.IMRO.0168.TAM22L-0401
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING.............................................................3
AANLEIDING .............................................................................................................. 3 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 3 PLANOLOGISCH REGIME ................................................................................................. 4 LEESWIJZER .............................................................................................................. 5
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ...............................6
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING .................................................7
3.1 3.2 3.3
HET VOORNEMEN ........................................................................................................ 7 ERFINRICHTING .......................................................................................................... 7 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE .............................................................................. 8
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 10 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 10 LANDSCHAPPELIJKE WAARDEN ........................................................................................ 11
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 10
BELEIDSKADERS.................................................... 12
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 14 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 20
HOOFDSTUK 6
LEEFOMGEVINGSASPECTEN .......................................23
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN ....................... 25
7.1 7.2 7.3 7.4
VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 25 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 26 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ...................................................... 26 CONCLUSIE ............................................................................................................. 26
HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 27 SITUATIE PLANGEBIED ................................................................................................ 27 CONCLUSIE ............................................................................................................. 27
HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3
M.E.R.- BEOORDELING ............................................ 27
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................. 28
ALGEMEEN .............................................................................................................. 28 KOSTENVERHAAL ...................................................................................................... 28 SITUATIE PLANGEBIED ................................................................................................ 28
HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3
PARTICIPATIE ....................................................................................................... 29 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS ................................................................................. 29 ZIENSWIJZEN ....................................................................................................... 29
HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................... 29
JURIDISCHE VERANTWOORDING ................................ 30
INLEIDING ........................................................................................................... 30 OPZET VAN DE REGELS ............................................................................................. 30 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .............................................................................. 31
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING ........................................... 33 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2
ERFINRICHTINGSPLAN........................................................................................ 33 WATERTOETS ................................................................................................. 34
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding
Dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het woonerf aan de Belvedereweg 2 in De Lutte. Dit woonperceel is in het verleden mogelijk gemaakt op basis van de Rood voor Rood regeling. De bewoners (hierna: initiatiefnemer) bezitten bijna 5.000 m² grond rondom hun woning. De initiatiefnemer van dit plan wil een nieuw bijgebouw van circa 60 m² realiseren om materieel te kunnen opslaan dat gebruikt wordt voor het onderhoud van de eigen gronden. De oppervlakte aan bijgebouwen dat nu is toegestaan volgens het omgevingsplan bedraagt maximaal 100 m². Inclusief vergunningsvrije bouwwerken is in de huidige situatie sprake van circa 140 m² aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. De beoogde nieuwbouw past daarmee niet binnen de bestaande bouwmogelijkheden en is dan ook in strijd met het geldende omgevingsplan. Deze ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt op basis van een afwijkingsbevoegdheid uit het omgevingsplan. Op basis van die bevoegdheid kan het maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden vergroot tot ten hoogste 250 m² wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Een van deze voorwaarden is dat er sprake moet zijn van eigendom van gronden ter grootte van minimaal 5.000 m², direct aansluitend aan het bouwperceel. De initiatiefnemer bezit direct aansluitend aan het bouwperceel 4.803 m² aan grond.
Hiermee is sprake van een tekort van 197 m² aan grond om gebruik te kunnen maken van de bedoelde afwijkingsbevoegdheid. Dit verschil kan worden gecompenseerd door het bouwperceel evenredig te verkleinen zodat er sprake is van 5.000 m² aan gronden aansluitend aan het bouwperceel. De gronden met een woonfunctie die hiervoor worden ingezet krijgen dan weer een agrarische functie. Om dit mogelijk te kunnen maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Dit TAMomgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het plan in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
1.2
Ligging van het plangebied
De locatie ligt aan de Belvedereweg 2 in De Lutte. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Losser, sectie D, perceelnummer 5272 (deels). In afbeelding 1.1 is de ligging van de locatie ten opzichte van De Lutte en de directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1
Situering plangebied (Bron: plattekaart.nl, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
1.3
Planologisch regime
1.3.1
Het omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Losser. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 19 juni 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat ter plaatse van het plangebied uit de volgende documenten: • •
‘Bestemmingsplan Buitengebied wijzigingsplan Belvedereweg 3’ (vastgesteld op 1 maart 2016); ‘Partiële herziening Buitengebied, verzamelplan 2022’ (vastgesteld 24 november 2022).
Het omgevingsplan bevat in de geldende situatie uitsluitend de regels van de bruidsschat. Voor de duiding van het planologisch regime is met name bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied wijzigingsplan Belvedereweg 3’ van toepassing. Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het omgevingsplan, waarbij het plangebied rood omlijnd is.
Afbeelding 1.2 Uitsnede van de verbeelding van bestemmingsplan wijzigingsplan Belvedereweg 3’ (Bron: omgevingswet.overheid.nl)
‘Bestemmingsplan
Buitengebied
Op basis van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied wijzigingsplan Belvedereweg 3’ zijn de gronden bestemd als ‘Wonen’ en ‘Agrarisch - 1’, met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Tevens zijn de gronden gedeeltelijk voorzien van de functieaanduiding ‘overige zone – essen’. Ten slotte ligt over het plangebied de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Hierna is een beschrijving opgenomen van de geldende bestemmingen en aanduidingen. ‘Wonen’ De voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit. Met de daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken, tuinen en erven, nutsvoorzieningen, en wegen, paden en parkeervoorzieningen. Ten aanzien van het maximale oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is een aanduiding ‘maximum oppervlakte : 100 m²’ opgenomen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld Daarnaast is een aanduiding opgenomen ten aanzien van het maximaal volume van de woning: ‘maximum volume 750 m³’.
‘Agrarisch – 1’ De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische cultuurgrond. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, tot een maximale oppervlakte van 50 m² per gebouw. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3,5 m;
‘Waarde – Archeologie 2’ De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve de daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.000 m2 en dieper dan 0,3 meter.
‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied’ Ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ geldt dat verschuiving, dan wel uitbreiding van de intensieve veehouderij voor bestaande bedrijven mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.
1.3.2
Opheffen strijdigheid
Voorliggend plan gaat uit van het bouwen van een nieuw bijgebouw van circa 60 m² door via een maatwerkregeling gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.3, lid d van het geldende bestemmingsplan. Verderop in deze ruimtelijke motovering wordt toegelicht hoe aan de bij deze afwijkingsbevoegdheid behorende voorwaarden wordt voldaan. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied en de bescherming van de landschappelijke waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 wordt in beknopte manier ingegaan op de relevante leefomgevingsaspecten. In hoofdstuk 8 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 9 en 10 behandelen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 11 ingegaan op de juridische planverantwoording.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied ligt in het buitengebied van de kern De Lutte binnen de gemeente Losser. De omgeving van het plangebied bestaat vooral uit agrarische gronden, natuur en woonpercelen. De locatie grenst aan het woonperceel van Belvedereweg 3. Het plangebied zelf bestaat uit een woonhuis met bijbehorende bouwwerken. Het woonerf (bouwperceel) heeft in de huidige situatie een oppervlakte van circa 1.095 m². In de huidige situatie is er een oppervlakte van circa 140 m² aan bijbehorende bouwwerken aanwezig. Afbeelding 2.1 toont een luchtfoto van de huidige situatie, het plangebied is hierin rood omlijnd.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto plangebied huidige situatie (Bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
3.1
PLANBESCHRIJVING
Het voornemen
De beoogde ontwikkeling ziet op het realiseren van een nieuw bijgebouw op het bestaande woonperceel. Het beoogde bijgebouw heeft een oppervlakte van circa 60 m². Hierin zal materieel worden opgeslagen ten behoeve van onderhoud van de aangrenzende gronden. De volgende afbeelding geeft de beoogde locatie van het bijgebouw op het woonerf weer.
Afbeelding 3.1
3.2
Positie van het nieuwe bijgebouw op het erf (Bron: Initiatiefnemer)
Erfinrichting
Het erf ligt aan de rand van het oorspronkelijke kampenlandschap. Ten noorden van het plangebied strekte zich vroeger het heidegebied ‘Lutter Veld’ uit. Oorspronkelijk had het erf en zijn bijhorende bouwgronden of te wel kamp (van oudsher ten zuidwesten gelegen), een duidelijke relatie met elkaar. In de huidige situatie is het herkenbare kamp verloren gegaan en heeft het plangebied meer het karakter van de open weilanden van het ten noorden gelegen heideontginningsgebied. Ten tijde van het planologisch mogelijk maken van deze Rood voor Rood kavel is er voor zowel de locatie Belvedereweg 3 als Belvedereweg 2 een erfinrichtingsplan opgesteld ten behoeve de landschappelijke inpassing van het geheel in de omgeving. De initiatiefnemer van dit plan was op dat moment nog geen eigenaar van het plangebied. Dit erfinrichtingsplan is voor het plangebied om verschillende redenen niet volledig uitgevoerd. Een gedeelte van het plan is wel uitgevoerd met uitzondering van een aantal bomen dat geplant zou moeten worden. De weg is aangelegd, deze is aan beide zijden voorzien van rododendrons. De vijver is aangepast. Het bosplantsoen is aangebracht. Er is een wadi gemaakt met een aantal borders met wildbloemen. Tevens is er een strook met struweel aangelegd. Hierin zijn 225 struiken geplant.
In 2020 heeft de initiatiefnemer van dit plan een nieuw erfinrichtingsplan inclusief bijbehorend beplantingsplan laten maken. Deze is opgenomen in de afbeelding hierna en in bijlage 1. Dit nieuwe erfinrichtingsplan maakt onderdeel uit van dit TAM-IMRO plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 3.2
Nieuw erfinrichtingsplan Belvedereweg 2 (Bron: Bijkerk C.S. Tuin en landschapsarchitecten)
Voor het beoogde nieuwe bijgebouw heeft de initiatiefnemer van het plan een eindbeeld voor ogen zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 3.3
Impressie beoogd eindbeeld nieuw bijgebouw (Bron: initiatiefnemer)
3.3
Infrastructuur en openbare ruimte
3.3.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 3.3.2
Verkeer en parkeren
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten van de ontwikkeling op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie/situatie. In dit geval wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd bij een bestaande woning. Dit bijgebouw wordt gebruikt voor de opslag van materieel voor onderhoud van de eigen gronden. Deze ontwikkeling heeft geen wijzigingen in de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie/situatie tot gevolg. Een nadere onderbouwing is niet nodig. 3.3.3
Conclusie
Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
4.1
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN
Algemeen
In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 6 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke kwaliteiten. De overige van bovenstaande thema’s zijn niet van toepassing op het plangebied.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld 4.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Bij ontwikkelingen waar geen sprake is van woningbouw wordt uitgegaan van een nieuw ruimtebeslag met een ondergrens van 500 m2. Bij ontwikkelingen onder deze grens is er in beginsel geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, in de zin van de Ladder duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat met het toelaten van maximaal circa 110 m2 aan nieuwe bijbehorende gebouwen op het erf geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder duurzame verstedelijking is niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3
Conclusie ladder van duurzame verstedelijking
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de ladder van duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
4.3
Landschappelijke waarden
Zoals reeds in paragraaf 3.1 beschreven, dient de ontwikkeling landschappelijk te worden ingepast. Voor de landschappelijke inpassing is aansluiting gezocht bij de bestaande gebiedskenmerken van het kampenlandschap en het lager gelegen voormalige heidegebied. Omdat veel van de kenmerken van het oorspronkelijke landschap verloren zijn gegaan (met name het kampenlandschap) worden deze kenmerken hersteld door middel van het voorwaardelijk verplicht stellen van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het erfinrichtingsplan en bijbehorende beplantingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
BELEIDSKADERS
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
5.1
Rijksbeleid
5.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld 5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 5.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de motivering moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
5.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 5.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. 5.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 5.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. Of - generieke beleidskeuzes; 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven; 3. Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 5.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld 5.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 5.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 5.1 geeft dit schematisch weer.
Afbeelding 5.1
5.2.4
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 5.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.7, 4.8 en 4.9 (ruimtelijke kwaliteit) en artikel 4.55 (Nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost - Twente) relevant. Hierna wordt op deze artikelen ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) lid 1: Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a) er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b) de ruimte binnen het bestaand bebouwde gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c) mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Lid 2: Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a. b.
(her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied, op een bestaand erf. Voorliggend initiatief wordt mede mogelijk gemaakt door een bestaande afwijkingsbevoegdheid in combinatie met maatwerk. Het nieuw bijgebouw wordt gerealiseerd op het bestaande woonerf. Er is geen sprake van extra ruimtebeslag op de groene omgeving. De locatie wordt landschappelijk ingepast. Geconcludeerd wordt dat sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 4.7 (oogmerk ruimtelijke kwaliteit) Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de of, waar- en hoe-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit, lid 1) Lid 1: Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a) het uitvoeringsmodel (of-, waar- en hoe-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b) wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c) inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 4.7, 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel In de volgende subparagrafen wordt ingegaan op de waar- en hoe-benadering. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen het provinciale uitvoeringsmodel. Ook zal uit de volgende paragrafen blijken dat de ontwikkeling past in het ontwikkelingsperspectief en hoe uitvoering is gegeven aan de vier-lagenbenadering. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt dat er een bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, de maatregelen worden verder omschreven in paragraaf 3.1 en 3.2.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld Artikel 4.55 (Nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost - Twente) Lid 1: Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. Lid 2: De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: a) het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; b) de grote mate van kleinschaligheid; c) het groene karakter. Lid 3: Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief nationaal Landschap Noordoost-Twente waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Toetsing van de ontwikkeling aan het artikel 4.55 van de Omgevingsverordening Overijssel Bij dit plan wordt voorzien in een landschappelijke inpassing, middels een erfinrichtingsplan en bijbehorend beplantingsplan. Hierbij is aansluiting gezocht bij de bestaande gebiedskenmerken, waaronder de kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat het plan geen afbreuk doet aan het nationale landschap NoordoostTwente.
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.55 van de Omgevingsverordening Overijssel. 5.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ Het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief” Het ontwikkelingsperspectief biedt ruimte voor een mix van functies, waaronder wonen, recreatie, natuur en agrarisch gebruik. Het voornemen is qua aard en omvang passend en versterkt het mixlandschap, omdat de landschappelijke waarden ter plaatse van het plangebied worden hersteld/versterkt. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief.
5.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ‘Stedelijke laag’ en ‘Laag van beleving’ zijn buiten beschouwing gelaten, aangezien het plangebied ten aanzien van deze lagen geen bijzondere kenmerken heeft. De ‘Natuurlijke laag’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Stuwwallen’. Afbeelding 5.2 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Natuurlijke laag’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
Afbeelding 5.2
Uitsnede ‘Natuurlijke laag’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Stuwwallen’ De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Ook dienen ontwikkelingen bij te dragen aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone, brongebied) en deze beter zichtbaar maken. Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ In het beplantingsplan is rekening gehouden met het hoger gelegen landschap ten zuiden van het plangebied en de laagtes ten noorden van het plangebied.
In het beplantingsplan wordt gestreefd naar het terugbrengen van de onderbrekingen in het zichtveld, zoals passend binnen het overgangsgebied tussen de stuwwallen en de lager gelegen gebieden. Gezien de uitgebreide inspanningen in het beplantingsplan wordt gesteld dat het voornemen in overeenstemming is met de natuurlijke laag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstypes ‘Oude hoevelandschap’. Afbeeldingen 5.3 betreft een uitsneden van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’.
Afbeelding 5.3
Uitsnede ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Oude hoevenlandschap’ Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Bij het inpassen van het nieuwe bijgebouw en het samenstellen van het beplantingsplan is gebruik gemaakt van de kenmerken van het oude hoevenlandschap. Zo is/wordt het bestaande erf omzoomd door (nieuwe) bomenrijen en struwelen. Met de maatregelen uit het beplantingsplan wordt bijgedragen aan het versterken van de kwaliteiten van de laag van het agrarische cultuurlandschap.
De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de laag van het agrarische cultuurlandschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld 5.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
5.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.3.1
Omgevingsvisie gemeente Losser 2040
5.3.1.1 Algemeen In maart 2023 heeft de gemeente haar Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie schetst de gemeente Losser een toekomstbeeld. Wat zijn de ambities? Hoe zien ze de leefomgeving in de gemeente in 2040 voor zich? Welke kansen zien ze voor de gemeente Losser? Dit gaat over de lange termijn, en daarom soms in abstracte termen. De gemeente heeft in haar visie 4 ambities geformuleerd: 1. 2. 3. 4.
Een herkenbaar en gastvrij Losser; Een leefbaar en gezond Losser; Een toekomstgericht Losser; Een innovatief en ondernemend Losser.
Hiervan is de ambitie ‘Een innovatief en ondernemend Losser’ en het gebiedskompas ‘Aan de flank van de stuwwal’ het meest relevant. 5.3.1.2 Een innovatief en ondernemend losser, het landelijk gebied vitaal houden De gemeente wenst het landelijk gebied vitaal te houden. Het is een grote uitdaging om verpaupering te voorkomen en bestaande bebouwing overeind te houden. De gemeente biedt daarom meer ruimte voor (economische) activiteiten op voormalige bedrijfslocaties. Hoewel de gemeente de focus legt op bestaande bebouwing, sluit de gemeente het oprichten van nieuwe bebouwing niet volledig uit. Ook op dit vlak wil de gemeente maatwerk bieden. Wel vindt de gemeente de aspecten zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit erg belangrijk. Inmiddels is de beleidsnota ‘Het buitengebied met ruimtelijke kwaliteit’ vastgesteld. Dat document is een voorbeeld hoe de gemeente dit stimuleringsbeleid vormgeeft. Steeds weegt de gemeente af dat bij ontwikkelingsruimte milieu-, natuur- en duurzaamheidsdoelstellingen niet worden aangetast. De gemeente zet er op in om bij nieuwe ontwikkelingen combinaties te maken met de realisatie van andere opgaven als klimaatadaptatie, groenversterking, de wateropgave etc. in het kader van de kwaliteitsimpuls groene omgeving.
Dat doet de gemeente door in de initiatieffase van een plan met aanvragers in gesprek te gaan, kansen te verkennen en afspraken te maken. 5.3.1.3 Gebiedskompas: Aan de flank van de stuwwal Op de flank van de stuwwal vormen de bosgebieden op de glooiingen van de stuwwal samen met de essen en kampen en de landgoederen een afwisselend, parkachtig landschap. De hoogteverschillen zijn spectaculair en zorgen voor prachtige uitzichten. Dit maakt het landschap waardevol en aantrekkelijk. Eind 19e eeuw werden deze kwaliteiten al herkend door grootindustriëlen uit de textiel en metaal. Zij richtten er landgoederen in Engelse landschapsstijl in. De stuwwal is bijzonder vanwege haar geologische, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Een deel van het stuwwalcomplex maakt onderdeel uit van Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal. De waarden die voor dit deel van de gemeente wordt benoemd zijn:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld -
Karakteristieke hoogteverschillen, reliëf uniek voor Nederland; Aaneengesloten bosgebieden; Open weidegebieden; 19e eeuwse landgoederen met cultuurhistorische en natuurwaarden; Kleinschalig kampenlandschap met coulissen. Door houtwallen, zandwegen, solitaire boerderijen (grondgebonden landbouw) en de organische vormen van het verkavelingspatroon ontstaat een authentieke sfeer; Watersysteem van bronnen en beken met unieke ecologische waarden en hydrologische kenmerken (NNN); Landkruizen en Mariakapellen als kleine landmarks (post-WO II); Diverse natuurgebieden, waaronder Arboretum Poort Bulten; Stelsel van onverharde wegen.
5.3.1.4 Toetsing aan Omgevingsvisie De omgevingsvisie beschrijft binnen het deelgebied een parkachtig landschap betreft. De omgeving van het plangebied is een erg open en uitgestrekt landschap voor de omgeving waarin het zich bevindt. Het beplantingsplan voorziet daarom in het terugbrengen van het kampenlandschap met coulissen. Gezien het voorziene gebruik van het bijgebouw en de kwalitatieve bijdrage aan het landschap wordt gesteld dat de ontwikkeling aard en omvang past bij het buitengebied van de gemeente Losser. Geconcludeerd wordt dat de voorgestelde ontwikkeling aansluit bij de karakteristieken en schaal van het landschap ter plaatse. 5.3.3
‘Bestemmingsplan Buitengebied wijzigingsplan Belvedereweg 3’
5.3.3.1 Artikel 4.3, lid 4
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: lid 4.2.2, sub a en worden toegestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot een oppervlakte van ten hoogste 250 m², met dien verstande dat: 1. er sprake is van eigendom van gronden ter grootte van minimaal 5.000 m² grond, direct aansluitend aan het bouwperceel; 2. deze afwijkingsmogelijkheid uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van stalruimte voor dieren en/of de opslag van materieel dat gebruikt wordt voor het onderhoud van de eigen gronden; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 5.3.3.2 Toetsing van het infinitief aan Artikel 4.3, lid d Als volgt wordt ingegaan op de drie toetsingspunten: 1) De Initiatiefnemer is eigenaar van de gronden die kadastraal bekend staan als Losser, sectie D nummers 5270, 5272 (plangebied) en 5275. Deze gronden hebben gezamenlijk een oppervlakte van 5.898 m². Het bouwperceel zelf heeft een oppervlakte van circa 1.095 m². Hiermee is sprake van (5.898 – 1.095) circa 4.803 m² aansluitende gronden in eigendom bij de initiatiefnemer, en daarmee een tekort van 197 m² om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen.
Dit tekort wordt met dit plan gecompenseerd door 197 m² van het huidige bouwperceel op te geven. De functie van deze gronden zijn in dit plan gewijzigd van ‘wonen’ naar ‘agrarisch’. 2) De afwijkingsbevoegdheid wordt toegepast ten behoeve van opslag van materieel voor het onderhoud van de gronden. 3) Onderdeel van het plan is een erfinrichtingsplan met bijbehorend beplantingsplan, waarmee wordt voorzien in een gedegen inpassing van de nieuwe bebouwing op het perceel, en in een versterking van de plaatselijke landschappelijke waarden van het kampenlandschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld 5.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
LEEFOMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op- en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. Omdat voorliggend initiatief weinig effect heeft op het huidige gebruik van de gronden en de benodigde functieregels reeds aanwezig zijn, is gekozen voor een beknopte beschrijving van het voornemen en het effect op de omgeving.
Leefomgevingsaspect
Motivering en consequentie
Wegverkeerslawaai
Met voorliggende ontwikkeling is reeds sprake van een woonfunctie met een woning. Het voornemen voorziet niet in het toevoegen van een geluidsgevoelige functie. Het nieuwe bijgebouw betreft geen verblijfsobject. Er mag van uitgegaan worden dat ter plaatse van de woonfunctie reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, inzake het leefomgevingsaspect ‘wegverkeerslawaai’. Een akoestisch onderzoek naar het geluid van omliggende wegen is niet noodzakelijk.
Railverkeerlawaai
Akoestisch onderzoek railverkeerlawaai is niet noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen een geluidaandachtsgebied van een spoorweg en de ontwikkeling maakt geen nieuw geluidsgevoelig gebouw mogelijk.
Industrielawaai
Akoestisch onderzoek industrielawaai is niet noodzakelijk. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een gezoneerd industrieterrein en de ontwikkeling maakt geen nieuw geluidsgevoelig gebouw mogelijk.
Individuele bedrijven (geluid)
Aangezien geen nieuw verblijfsobject mogelijk wordt gemaakt wordt gesteld dat toetsing aan hindercontouren afkomstig van functies in de omgeving niet nodig is. De voorziene ontwikkeling betreft geen verandering in reeds bestaande gebruiksmogelijkheden en toegestane functies en activiteiten en heeft dan ook geen hindereffecten op de omgeving en nabij gelegen woonpercelen.
Bodem
Voorliggend initiatief voorziet niet in nieuwe gebruiksmogelijkheden dan reeds verankerd zijn in de woonfunctie uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Gezien het plangebied reeds de benodigde bodemkwaliteit heeft, en enkel het toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt uitgebreid, hoeft op dit onderdeel geen nieuwe afstemming plaats te vinden.
Luchtkwaliteit
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Volgens het Bkl dragen onder anderen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: minder dan 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg en een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Vergeleken met bovenstaande projecten wordt gesteld dat voorliggend initiatief in niet betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Omgevingsveiligheid
Met het voornemen wordt geen nieuw verblijfsobject mogelijk gemaakt. Daarnaast blijkt uit een inventarisatie van de risicokaart uit de Atlas Leefomgeving dat in de wijde omgeving van het plangebied geen risicovolle functies aanwezig zijn. Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geur
De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van ruim 250 m van het plangebied. Doordat met de ontwikkeling geen nieuw geurgevoelig object mogelijk wordt gemaakt en ter plaatse reeds moet worden voldaan aan de maximale geurwaarde bij woningen mag worden aangenomen dat binnen het plangebied geen sprake is van geuroverlast als gevolg van omliggende veehouderijen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Buitengebied, Belvedereweg 2 te De Lutte Vastgesteld
Soortenbescherming
Voorliggend initiatief voorziet niet in een verandering of aanpassing van de bestaande bebouwing. De gronden waar het nieuwe bijgebouw zijn beoogd behoren tot de huidige tuin van de initiatiefnemer en bestaan uit gras. Deze gronden worden intensief onderhouden (maaien) en zijn daarmee ongeschikt voor beschermde flora en fauna. Een ecologische quickscan is daarmee niet nodig.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt buiten het Nederlands Natuurnetwerk en buiten Natura 2000 gebieden. Het plangebied bevindt zich op circa 35 meter afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Landgoederen Oldenzaal’. In dit geval is er geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling. Daarnaast is ook geen sprake van reguliere bouwwerkzaamheden die de uitvoering van een stikstofonderzoek nodig maken. Het beoogde bijgebouw betreft een ‘bouwpakket’ dat op locatie wordt geleverd en door de initiatiefnemer zelf in elkaar zal en kan worden gezet zonder de inzet van zwaar materieel. Er is geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig.
Archeologie
Voorliggend initiatief vindt plaats binnen een gebied dat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt aangeduid met de gebiedsaanduiding ‘Waarde archeologie – 2’. Hier is een onderzoek naar de plaatselijke archeologische waarden nodig bij nieuwe ontwikkelingen op een oppervlakte groter dan 2.000 m2 en die dieper reiken dan 0,3 cm. De ontwikkeling is vele malen kleiner dan deze grens. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Cultuurhistorie
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Verkeer en parkeren
Zie paragraaf 3.2.2.
Trillinghinder
In de nabije omgeving (250 m) is geen spoorweg aanwezig. Trillinghinder is niet aan de orde.
Gezondheid
Voorliggende planologische wijzigingen betreft geen wijziging in het feitelijke gebruik van de woning of het plangebied. In bovenstaande afweging is aangetoond dat bij alle relevante leefomgevingsaspecten wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat geen gezondheidsrisico’s ontstaan voor het toevoegen van een nieuw bijgebouw van circa 60 m² binnen de woonfunctie.