CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Herziening zonneveldenbeleid Zonneveldenbeleid NO Twente 2023-2027.docx

Raadsvergadering 11 juli 2023, gemeente LosserBij agendapunt: Actualisatie zonneveldenbeleid "Ontwikkelingsmogelijkheden grootschalige zonnevelden in NO Twente"5.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Herziening 1.1

Zonneveldenbeleid in Noordoost-Twente 2023 tot en met 2027

Gemeente Losser Mei 2023 (Versie 1.0 april 2019)

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

Inhoud 1.

Inleiding..........................................................................................................................2 1.1

Opgave Klimaatakkoord, bijdrage NOT aan RES Twente .......................................................2

1.2

Warmte versus Elektriciteit.......................................................................................................4

1.3

Waar staan we nu met zon? ....................................................................................................5

1.4

Provinciale Handreiking zonnevelden ......................................................................................6

1.5

Kleinschalige veldopstellingen (zonnepanelen) .......................................................................6

1.6

Maximale realisatieruimte zonnevelden per gemeente............................................................6

1.7

Dynamisch kader .....................................................................................................................7

2.

Waar zijn zonnevelden mogelijk? ................................................................................8

3.

Hoe kunnen zonnevelden worden ingepast? ...........................................................10 3.1

4. 4.1

Lusten en Lasten lokaal .........................................................................................................12

4.2

Energie coöperatie van Noordoost Twente (EcNOT).............................................................13

4.3

Informatievoorziening/draagvlak omgeving............................................................................13

4.4

Kwaliteitsinvestering...............................................................................................................14

4.5

Maatschappelijke meerwaarde ..............................................................................................15

5.

6.

Maatvoering ...........................................................................................................................11

Lokaal eigendom .........................................................................................................12

Proces aanpak .............................................................................................................17 5.1

Netaansluiting ........................................................................................................................17

5.2

Plan van aanpak ....................................................................................................................17

5.3

Stappenplan ...........................................................................................................................18

5.4

Planologisch regelen van een zonneveld...............................................................................19

Legeskosten zonneparken .........................................................................................20

1

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

Mogelijkheden voor zonnevelden in Noordoost Twente 1.

Inleiding

Het besef groeit dat de manier waarop wij op dit moment voorzien in onze energiebehoefte risico’s met zich meebrengt voor onze toekomst. Hierbij denken we aan het veranderende klimaat, schaarste aan fossiele brandstoffen en afhankelijkheid van andere landen. Dit maakt dat ook de Noordoost Twentse (NOT) gemeenten willen en moeten bijdragen aan de energietransitie. De energietransitie houdt in dat we geen gebruik meer maken van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, kolen en benzine, maar energie willen halen uit hernieuwbare bronnen zoals de zon, wind, biomassa en uit de ondergrond. De energietransitie biedt kansen voor de lokale economie en de leefbaarheid van onze kernen door, met investeringen vanuit lokale energie-initiatieven, de verdiensten van energieprojecten zo lokaal mogelijk te laten landen. De Noordoost Twentse gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen werken samen aan de energietransitie. We hebben het doel om in 2030 225 GWh aan duurzame elektriciteit binnen Noordoost Twente op te wekken door middel van zonne-energie en windenergie. Hiervoor hebben de vier gemeenteraden in mei en juni 2021 de RES 1.0 vastgesteld, waarmee de bijdrage van de vier NOT gemeenten gezamenlijk is vastgesteld (hierover in 1.1 meer).

Evaluatie verwerkt in versie 1.1 De eerste versie van het zonneveldenbeleid is in het voorjaar van 2019 door de vier gemeenteraden vastgesteld, waarbij lokaal enkele afwijkende besluiten zijn genomen. De gemeenten Oldenzaal en Losser hebben het beleid conform vastgesteld. Gemeente Dinkelland heeft aangegeven te wachten met het toestaan van ontwikkelingen van zonnevelden op landbouwgronden in afwachting van de RES Twente 1.0. Gemeente Tubbergen heeft het beleid vastgesteld met uitzondering van het gebruik van landbouwgronden. Het bestaande beleid is in het najaar van 2022 op NOT-niveau geëvalueerd. De wijzigingen zijn verwerkt in het deze herziene versie 1.1. Deze herziening is geldig voor een periode van maximaal 5 jaar (2023 tot en met 2027) of eerder, wanneer er op basis van een evaluatie aanleiding toe is.

1.1 Opgave Klimaatakkoord, bijdrage NOT aan RES Twente De Nederlandse politiek heeft een doel vastgesteld: in 2030 stoten we in Nederland bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uit dan we in 1990 deden. Het Klimaatakkoord gaat over de maatregelen die we de komende jaren nemen om dit doel te halen. Het Klimaatakkoord is een belangrijk deel van de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. Daarin hebben 195 landen, inclusief Nederland, afgesproken om in 2050 de stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, en zo mogelijk 1,5 graden Celsius. De huidige toezeggingen van landen over beperking van hun uitstoot zijn onvoldoende om de temperatuurstijging onder de 1,5 graden te houden. Zonder aanscherping van de huidige plannen stevent de wereld volgens het IPCC af op circa 3,2 graden opwarming in 2100. Het huidige klimaatbeleid is nog volstrekt onvoldoende en levert in 2030 hooguit een stabilisatie van de uitstoot op.

2

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

Het is dus van groot belang om meer te doen, dan we nu doen. Zie de uitleg op de website Regionale Energiestrategie Twente | Kennissessie terugkijken: Wat…. In het landelijke coalitieakkoord 20212025 is opgenomen dat de 49% doelstelling wordt verhoogd naar 55% voor Nederland vanwege de toenemende klimaatextremen. Als lokale overheden kunnen wij bijdragen door duidelijke kaders te schetsen waarbinnen projecten kunnen worden uitgevoerd die bijdragen aan het behalen van deze doelstelling.

In onderstaande figuur staan de bijdragen van de Twentse gemeenten omschreven aan de energietransitie voor 2030 in het kader van het Klimaatakkoord. In Twente dragen de samenwerkende gemeenten, Waterschappen en Provincie Overijssel 1,5 TWh bij aan de landelijke opgave van 35 TWh in 2035. Hiervoor worden alleen bewezen technieken toegepast die in 2030 realiseerbaar zijn. Dit zijn vooralsnog grootschalig zon op dak (vanaf > 40 panelen), zonnevelden en windturbines. De vergunningen voor de grotere projecten dienen 1 januari 2025 verleend te zijn door de gemeenten. Landelijk wordt al uitgegaan van het benutten van de daken van de huizen voor het opwekken van zonne-energie door en voor huishoudens van 7TWh.

3

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

De bijdrage van de Noordoost Twentse gemeenten gezamenlijk van 225 GWh kan volgens bovenstaande mix worden gerealiseerd, maar is niet als zodanig vastgesteld. Voor een goed werkend energienetwerk, tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, streven de samenwerkende partners binnen de RES Twente naar een verdeling van 60% windenergie en 40% zonne-energie op Twentse schaal. In de voorgestelde (bovenstaande) bijdrage ligt deze verhouding andersom. Daardoor ontstaan op Twentse schaal 365 miljoen euro meerkosten voor extra benodigde verzwaringen van het netwerk. Het verkrijgen van voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de benodigde verzwaring van het netwerk is niet haalbaar in de huidige markt.

1.2 Warmte versus Elektriciteit Het energievraagstuk is naast het elektriciteitsvraagstuk ook een groot warmte vraagstuk. NOT is net zoals andere delen van Nederland, sterk afhankelijk van aardgas. Met aardgas verwarmen wij onze woningen en maken bedrijven warmte voor hun processen. Gas heeft een hoge energie-inhoud. De

4

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

energie-inhoud van een m3 gas is ongeveer 9 maal zo hoog als de energie-inhoud van een kWh elektriciteit. Er is enorm veel extra energie nodig om het aardgas gedeeltelijk te vervangen door elektrische vormen van opwekking door middel van (hybride) warmtepompen. Dit heeft grote gevolgen voor ons elektriciteitsnet, waarbij overbelasting en/of het niet meer kunnen aansluiten / terug leveren, steeds vaker voor gaan komen. Naast de oproep van de netbeheerders en provincie om te streven naar de mix van 60% windenergie en 40% zonne-energie, wordt ook gevraagd om het koppelen op locatie van opwek en verbruik en het gedeelde kabelgebruik door zonne- en windenergie. Hiernaast wordt er regionaal ingezet op de productie van biogas en groengas om in te voeren op het bestaande aardgasnetwerk.

1.3 Waar staan we nu met zon? Informatie beschikbaar via de monitor van de RES Twente (peildatum 1-06-2022) Regionale Energiestrategie Twente | Opwek elektriciteit. In de gemeente Losser is reeds 21 ha gerealiseerd aan zonneveld waarbij jaarlijks ca. 24 GWh hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd. Daarnaast is een zonneveld van 18 ha met vergelijkbare jaarlijkse productie in voorbereiding. Stand van zaken bijdrage Losser aan NOT-bod 225 GWh aan de RES Twente voor 2030 Duurzame opwek

Bod NOT

Gerealiseerd in Losser

Percentage tov doel NOT

Grootschalig zon op dak

55 GWh

5 GWh

9%

Zonnevelden

80 GWh

25 GWh

31 %

Ervan uitgaande dat elke NOT-gemeente een vierde deel van het gezamenlijke bod van 225 GWh voor haar rekening neemt, ziet de tabel er als volgt uit: Duurzame opwek

Aandeel Losser in NOT-bod 2030 volgens mix

Gerealiseerd in Losser

Percentage tov doel NOT 2030

Grootschalig zon op dak

14 GWh

5 GWh

36 %

Zonnevelden

22,5 GWh

25 GWh

111 %

Op basis van bovenstaande overzichten kan de indruk ontstaan dat met het huidige zonneveld de gemeente Losser reeds ruimschoots aan haar aandeel van het NOT-bod, heeft voldaan. In de wetenschap dat er nog een zonneveld met vergelijkbare capaciteit in voorbereiding is, kan de vraag gesteld worden of de bijdrage van Losser niet te groot is. Helemaal wanneer ook nog in ogenschouw wordt genomen dat er een windproject in de Lutte in voorbereiding is met een verwachte productie van 75 GWh. Wanneer deze drie projecten bij elkaar worden opgeteld leidt dit immers tot een gezamenlijke productie van 125 GWh. Echter, het huidige RES-bod gaat over de periode tot en met 2030 met als doel 50% van het elektriciteitsverbruik duurzaam op te wekken. De uiteindelijke doelstelling is om in 2050 naar 100% te gaan. Met de projecten die in de pijplijn zitten wordt hierop al voorgesorteerd. Dit temeer in de wetenschap dat ons elektriciteitsgebruik in de nabije toekomst alleen maar zal toenemen (verdere elektrificatie mobiliteit en verwarming.) De projecten in de pijplijn vragen bovendien nog de nodige tijd voordat ze daadwerkelijk in productie zijn.

1.4 Provinciale Handreiking zonnevelden Zonnevelden zijn nodig om ambities van provincie en gemeenten voor de opwekking van hernieuwbare energie te realiseren. In Regionale Energie Strategieën (RES) werken overheden de doelen van het Klimaatakkoord uit in concrete voorstellen. Daarin wordt op regionale schaal en lokale

5

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

schaal overwogen welke verhouding tussen zon-op daken, zonnevelden en windenergie verantwoord is. Daartoe wordt een integrale afweging gemaakt op basis van vier criteria: energieproductie, ruimtelijke kwaliteit, maatschappelijke acceptatie en maatschappelijke kostenefficiency. De Handreiking Zonnevelden van de provincie Overijssel (handreiking_zonnevelden_dt.pdf) gaat van de volgende vier principes uit: • Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik • Inpassen in of bijdragen aan het landschap • Beperken en compenseren van de effecten op landschap en ecologie • Evenwichtige verdeling van lusten en lasten door realisatie van maatschappelijke meerwaarde Met de zonneladder geeft de provincie haar voorkeursvolgorde voor locaties voor zonne-energie installaties. Alle typen locaties en opstellingen zijn nodig om de energieopgave te realiseren, waarbij zoveel mogelijk stedelijk gebied (waaronder daken), erven en stads- en dorpsranden worden benut om het beslag op agrarische grond zo beperkt mogelijk te houden. Zonnevelden in het landelijk gebied zijn bij voorkeur onderdeel van gebiedsontwikkelingen of krijgen een multifunctionele invulling met andere opgaven in de groene ruimte.

1.5 Kleinschalige veldopstellingen (zonnepanelen) Bij kleinschalige initiatieven, voor een veldopstelling, die alleen voorzien in de eigen energiebehoefte op één en hetzelfde perceel van de initiatiefnemer, kan het college van Burgemeester en Wethouders besluiten medewerking te verlenen, wanneer er geen mogelijkheden zijn om de aanwezige daken te beleggen met zonnevelden. Daarvoor zijn de richtlijnen die in deze notitie staan beschreven niet direct van toepassing. In dat geval is het reguliere gemeentelijke ruimtelijke toetsingskader van toepassing.

1.6

Maximale realisatieruimte zonnevelden per gemeente

De vier Noordoost Twentse gemeenten werken samen aan het realiseren van de RES doelstelling van 225 GWh aan duurzame opwek in 2030. Per gemeente worden de volgende plafonds rondom de ontwikkeling van zonnevelden de komende 5 jaar (tot en met 2027) gehanteerd als bijdrage aan de RES Twente. Deze plafonds zijn nodig om de streefverhouding tussen wind (60%) en zon (40%) te kunnen bereiken in Noordoost Twente in 2030. Tevens is rekening gehouden met het gerealiseerde zonneveld in de gemeente Losser en wat er reeds in de pijplijn zit. Wanneer de doelstellingen rondom windenergie niet behaald gaan worden, dan zal heroverweging van de onderstaande doelstellingen kunnen plaatsvinden. Gemeente Gemeente Oldenzaal

Gemeente Dinkelland Gemeente Tubbergen Gemeente Losser

Doelstelling 20 hectare aan zonnevelden te realiseren. Oldenzaal wil zich inspannen om een goede bijdrage te leveren aan het RES doel binnen de mogelijkheden.

Realisatie tot en met 2027 Max 20 ha

Reeds 21 hectare gerealiseerd en nog eens 20 ha in de pijplijn. Daarom wordt er daarnaast nog voor maximaal 10 ha ruimte geboden tot 2027, waarbij de uitsluitend met lokaal eigenaarschap wordt gewerkt. Belangrijke voorwaarde is dat overconcentratie in een bepaald gebied wordt voorkomen, bij de invulling van deze 10ha.

Max 10 ha

6

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

1.7

Dynamisch kader

Met deze aanpak grootschalige zonnevelden willen we zo veel mogelijk duidelijkheid geven aan lokale initiatieven, energie coöperaties, agrariërs en ontwikkelaars waar en hoe ontwikkelingen voor zonnevelden kunnen en mogen plaatsvinden in Noordoost Twente. We beschouwen deze notitie als een dynamisch kader waarbij aanvullingen of wijzigingen op basis van opgedane ervaringen kunnen worden aangebracht. In deze notitie vindt u antwoorden op de vragen waar zonnevelden mogelijk zijn, hoe en op welke wijze deze kunnen worden ingepast in het landschap en omgeving en welke stappen u dient te doorlopen om tot realisatie van een zonneveld over te kunnen gaan.

7

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

2.

Waar zijn zonnevelden mogelijk?

De Noordoost Twentse gemeenten onderschrijven de uitgangspunten van de Overijsselse Zonneladder. De Overijsselse zonneladder en aanpak kent drie treden. Een multifunctionele invulling van een zonneveld in de groene ruimte is uitgangspunt (trede 1 'Stimuleren' van het benutten van daken en 2 'Combineren'). Pas als gemeente en initiatiefnemer hebben verkend en gemotiveerd dat trede 1 en 2 niet mogelijk zijn, dan komen monofunctionele zonnevelden (trede 3) aan de orde. Goede landbouwgrond wordt daarbij ontzien. Duidelijk is dat alle drie de categorieën nodig zijn om de energieambities waar te maken, waarbij een goede ruimtelijke ordening essentieel is. De zonneladder geeft een voorkeursvolgorde aan en deze is niet volgtijdelijk. De intentie van de zonneladder is om zowel op daken als in het vrije veld zonnepanelen mogelijk te maken. Waarbij de voorkeur en stimulans ligt op het zoveel mogelijk benutten van daken, bouwvlakken, bedrijfsterreinen, infrastructurele voorzieningen, erven en lokale initiatieven met kleine velden in stads- en dorpsranden. Ook met een stevige inzet op deze locaties worden de klimaatdoelen niet gehaald en zijn velden in het agrarisch gebied onvermijdelijk. Bij deze velden in het agrarisch gebied gaat de voorkeur en inzet uit naar projecten met meerwaarde.

Meerwaarde die ontstaat door het gelijktijdig realiseren van andere opgaven: met functiecombinaties (lees: meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld waterberging onder zonnepanelen) en met gebiedsontwikkeling. In laatste instantie zijn monofunctionele velden op agrarische grond acceptabel, als sluitstuk voor het realiseren van de energiedoelen en goede landbouwgrond wordt daarbij ontzien. Trede 1. Stimuleren van: • Productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied: woningen, bedrijven, agrarische gebouwen, etc. • Gebruik van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte: ongebruikte gronden, bedrijventerreinen, boven parkeerterreinen en geluidswallen. • Kleine, goed ingepaste velden op agrarische erven (tot ca. 2 ha). • Kleine, goed ingepaste zonnevelden van lokale initiatieven in stads- en dorpsranden (tot ca. 2 ha). Trede 2. Combineren met: • Gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden en in de groene omgeving zoals klimaatmaatregelen (waterberging en tegengaan bodemdaling), extensivering van landbouw, herstel landschap en biodiversiteit, etc. Door verschillende opgaven onder, tussen en rond de panelen te realiseren wordt de ruimte multifunctioneel gebruikt. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water.

• Gebiedsontwikkeling in de groene omgeving, waarbij zonnevelden aansluiten op andere gebiedsontwikkelingen of een energielandschap vormen. Door opgaven met elkaar te verbinden wordt het mogelijk lokale maatschappelijke en sociale doelen te incorporeren in de gebiedsontwikkeling. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. Trede 3. Limiteren van: • Monofunctionele zonnevelden op agrarische grond of op water, primair gericht op produceren van duurzame energie. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. Omdat meervoudig ruimtegebruik ontbreekt, wordt dit gecompenseerd met investeringen in maatschappelijke opgaven buiten het project. Bij locatiekeuzes worden goede landbouwgronden ontzien. Limiteren van monofunctionele zonnevelden op agrarische grond, primair gericht op produceren van duurzame energie.Specifiek in Noordoost Twente.Ook gronden die deel uitmaken van Natuur Netwerk Nederland en een agrarische hoofdfunctie hebben komen in aanmerking voor ontwikkeling van zonnevelden met een multifunctionele invulling met andere opgaven in de groene ruimte. Dit moet blijken uit een zorgvuldig doorlopen gebiedsproces. Specifiek in Losser

8

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

Ongeschikte gebieden voor zonnevelden zijn: Zonnevelden worden niet toegestaan in bos- en natuurgebieden, conform de bestemming in de bestemmingsplannen (zie www.ruimtelijkeplannen.nl.) Ook op locaties in Natura2000 gebieden zonder agrarische hoofdfunctie, zijn zonnevelden niet toegestaan. Ongeschikte gebieden voor zonnevelden zijn daarnaast: - de essen; - in het stuwwalgebied; - historische landgoederen (tenzij goed inpasbaar en de ontwikkeling bijdraagt aan de instandhouding van het landgoed); Deze gebieden zijn inzichtelijk door gebruik te maken van de link http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/cwk_discipline/v1. Voor deze gebieden wordt het principe gehanteerd dat geen ontwikkeling aan zonnevelden wordt toegestaan. Langs doorgaande wegen vragen we extra aandacht voor de landschappelijke inpassing en de beleving vanaf de weg. Alleen tijdelijk Zonnevelden zijn alleen tijdelijk toegestaan, maximaal 25 jaar (in aansluiting op de provinciale regels). Opruim en herstelplicht Wanneer een zonneveld niet meer in gebruik is of na afloop van de vergunde termijn, dient het zonneveld inclusief alle ondergrondse voorzieningen te worden verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemers. De vrijgekomen gronden dienen weer geschikt te worden gemaakt voor oorspronkelijk gebruik.

De compenserende maatregelen (bijvoorbeeld nieuwe houtwallen, bosaanplant, groenvoorzieningen etc.) moeten gehandhaafd blijven. Om de opruimplicht te garanderen wordt er een bedrag ter hoogte van de geraamde opruimkosten als bankgarantie gevraagd bij de oprichting van het zonneveld. Zones met hoge archeologische waarden De gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarde zijn terug te vinden op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten. Voor deze gebieden geldt dat minimaal een archeologisch bureauonderzoek als onderdeel van het maatwerk dient te worden aangeleverd. Bomenkap De kwaliteit van het landschap ter plaatse van de beoogde ontwikkeling van het zonneveld is bepalend wat kan of niet kan op het gebied van bomenkap. Het rendement van het zonneveld is ondergeschikt aan de kwaliteit van het landschap en de daarbinnen aanwezige groenelementen. We staan geen kap toe van bomen omwille van schaduwwerking voor zonnepanelen of blad-, vruchten takval. De positieve effecten van de bomen, zoals de schaduwwerking tijdens hittestress, het opvangen van piekbuien en waterretentie, zijn daarvoor te zwaarwegend.

9

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

3.

Hoe kunnen zonnevelden worden ingepast?

De Noordoost Twentse gemeenten onderschrijven de uitgangspunten voor de ruimtelijke inpassing die staan beschreven in de “Handreiking kwaliteitsimpuls zonnevelden” vastgesteld door GS op 21 april 2020 van de provincie Overijssel. Ons buitengebied is mooi en dat willen we ook graag zo houden. Een goede ruimtelijke inpassing is noodzakelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de eigen identiteit en kenmerken van een gebied. Met name inzetten op het meekoppelen en meedoen zijn belangrijke uitgangspunten bij de inpassing van zonnevelden in Noordoost Twente. Zie onderstaande verbeelding van de mogelijkheden.

10

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

De Handreiking Kwaliteitsimpuls Zonnevelden is te vinden op de site van de provincie Overijssel, zie https://www.overijssel.nl/media/qp3ff5qw/handreiking_kwaliteitsimpuls_zonnevelden_vdt-1.pdf Naast de uitgangspunten uit de Handreiking Kwaliteitsimpuls Zonnevelden van de provincie Overijssel (zie H2) vinden we de volgende punten voor de ruimtelijke inpassing belangrijk in Noordoost Twente: 1. Vrije zone rondom woonbebouwing en andere verblijfsfuncties is maatwerk in overleg tussen de initiatiefnemer en de directe bewoners. 2. We beoordelen de plannen ook in relatie tot reeds gerealiseerde zonnevelden en in aanvraag zijnde plannen in de omgeving waar de aanvraag betrekking op heeft. De ontwikkeling dient aan te sluiten bij de maat en schaal van de nabijgelegen kern. 3. Clustering van meerdere zonnevelden in één geschikt gebied heeft de voorkeur ten opzichte van het verspreid aanleggen van meerdere zonnevelden rondom een dorpskern. 4. Overconcentratie rondom een dorp of kern moet worden voorkomen. 5. Waar mogelijk combineren van zonnevelden en windturbines. Hierbij gebruik maken van cable-pooling (zelfde kabel gebruiken voor het zonneveld en de windturbines voor de aansluiting op het elektriciteitsnet).

3.1

Maatvoering

Er gelden geen maximale oppervlaktematen voor zonneparken in Noordoost Twente. De beperking zit in het maximaal te realiseren hectares zonnevelden zoals opgenomen in 1.7 van dit beleidsstuk. Clustering en spreiding zijn en blijven mogelijk, mits in overeenstemming met de bovengenoemde Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden.

11

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

4.

Lokaal eigendom

In de Klimaatwet is Lokaal Eigendom specifiek benoemd als belangrijke randvoorwaarde voor het slagen van de energietransitie. In de RES Twente is dit onderwerp nader uitgewerkt. Verder hebben de vier gemeenten in Noordoost Twente (Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen) een “beleidsnotitie Lokaal Eigendom bij grootschalige hernieuwbare energieopwekking” opgesteld. Deze is in de gemeente Losser op 8 maart 2022 vastgesteld. Dit hoofdstuk is bedoeld om deze herziening van het zonneveldenbeleid af te stemmen op deze beleidsnotitie en beschrijft aspecten met betrekking tot lokaal eigendom die ondertussen uit de praktijk zijn geleerd en waarin de beleidsnotitie onvoldoende voorziet.

4.1

Lusten en Lasten lokaal

Balans tussen lokale lasten en lusten is een belangrijk uitgangspunt voor ontwikkeling van zonnevelden in Noordoost Twente. De gemeente Losser werkt het liefst mee aan initiatieven uit de lokale samenleving. 100% lokaal eigendom heeft de absolute voorkeur. Indien professionele ontwikkelaars of grondeigenaren de initiatiefnemer zijn, is de minimale eis 50% lokaal eigendom zoals omschreven in de beleidsnotitie. De gemeente Losser vindt lokaal eigendom belangrijk. Daarbij gelden de volgende kaders: •

•

• •

•

100% lokaal eigendom is daarbij de meest wenselijke situatie. Ontwikkeling, realisatie en exploitatie van zonneparken op initiatief van een lokaal gewortelde coöperatie heeft daarbij de voorkeur. Het minimale percentage lokaal eigendom is 50%. Lokaal eigendom gaat over zeggenschap en financiële participatie. Alle inwoners van de gemeente Losser moeten de gelegenheid krijgen om mee te in een zo vroeg mogelijk stadium mee te ontwikkelen, zodat maximale zeggenschap is gewaarborgd. Alle inwoners uit de gemeente Losser moeten voldoende de gelegenheid krijgen om financieel te participeren (individueel of in coöperatief verband). Omwonenden en grondeigenaren moeten tijdig en transparant betrokken worden bij de planvorming. Zij moeten voldoende de gelegenheid krijgen mee te denken bij de landschappelijke inpassing en het creëren van maatschappelijke meerwaarde. De grens van de gemeente of zoekgebied zijn daarbij niet leidend. Hiertoe dient een participatie-, en communicatieplan te worden opgesteld. De omwonden en grondeigenaren moeten voldoende gecompenseerd worden voor derving van inkomsten en woongenot. Diverse landelijke richtlijnen kunnen daarbij worden toegepast maar lokale afspraken zijn ook toegestaan. De grens van de gemeente of zoekgebied zijn daarbij niet leidend.

Wanneer een initiatief niet afkomstig is van een lokaal gewortelde coöperatie, maar van bijvoorbeeld een projectontwikkelaar of een grondeigenaar, dan moeten initiatiefnemers een samenwerking aan gaan met het lokale initiatief en de samenwerking vastleggen in een samenwerkingsovereenkomst. In deze samenwerkingsovereenkomst worden onder andere het percentage juridische eigendom vastgelegd. In de samenwerking komen ook onderwerpen aan bod ten aanzien van compensatie naar eigenaren en omwonenden en hoe inwoners kunnen meedoen via bijvoorbeeld aandelen. Deze samenwerkingsoverkomst dient onderdeel te zijn van het principeverzoek voor het project. Zonder deze samenwerking zal een princiepverzoek niet in behandeling worden genomen en zal de gemeente geen medewerking verlenen aan een vergunning traject. ( zie 5.3 stappenplan)

12

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

Indien een initiatiefnemer van mening is dat 100% lokaal eigendom niet mogelijk is, moet men dit aantonen door middel van bijvoorbeeld een marktconforme businesscase, offertes en gespreksverslagen. De gemeente kan in dat geval voorrang verlenen aan een project waar dit wel georganiseerd kan worden. De gemeente toetst tijdens het participatieproces en vergunningprocedure of voldaan wordt aan deze kaders.

4.2

Energie coöperatie van Noordoost Twente (EcNOT)

Het streven is dat elk dorp in de gemeente Losser een eigen duurzaam inwonercollectief heeft. Met Greuner is Beuningen het eerste dorp in de gemeente met een dergelijk collectief. In de NOT gemeente zijn er naast Greuner nog 5 lokale energie coöperaties. Zij werken samen onder de naam EcNOT. Dit coöperatieve bedrijf, waar de gemeenten Dinkelland, Losser en Tubbergen en de totaal zes lokale energie-initiatieven op gelijkwaardige basis aan deelnemen, moet de lokale productie van duurzame energie versnellen. Dat is belangrijk om de landelijk afgesproken doelen voor productie van duurzame energie te behalen en de opbrengsten in eigen regio te houden. Via een gezamenlijk energiebedrijf kunnen nieuwe energieprojecten met professioneel begeleiding worden ontwikkeld. Zij hebben kennis en ervaring om ook nieuwe projecten op te pakken en zijn bereid dit ook te doen. EcNOT wordt indien gewenst actief betrokken bij de uitwerkingen van de energieplannen in de Noordoost Twente. Het doel is om beginnende coöperaties een vliegende start te laten maken door de inbreng van kennis en financiële middelen.

4.3

Informatievoorziening/draagvlak omgeving

Een goede communicatie is essentieel voor de slagingskansen van een project. Een initiatiefnemer kan vooraf bij de gemeente informatie vragen over wat er speelt in een bepaalde kern, buurt of wijk. Actieve participatie van de omgeving, in een vroegtijdig stadium, draagt absoluut bij aan het draagvlak (zie paragraaf 4.3). De ontwikkelaar/initiatiefnemer van een zonneveld is verantwoordelijk voor het persoonlijk gesprek met de direct aanwonenden en het creëren van een zo optimaal mogelijke acceptatie. Voor de verdere omgeving wordt door de ontwikkelaar/initiatiefnemer een openbaar toegankelijke informatiebijeenkomst georganiseerd (in de Nederlandse taal) en er wordt optimaal gebruik gemaakt van de moderne mediakanalen. Ook de dorpsraden/wijkraden/energiecoöperatie worden geraadpleegd en waar mogelijk betrokken bij de ontwikkelingen. Een contactpersoon van de gemeente is bij bovenstaande contactmomenten aanwezig als onafhankelijk toehoorder. Over het proces en de uitkomsten daarvan wordt door de aanvrager een verslag bij de aanvraag ingediend. Afhankelijk van de evaluatie en de reacties op de eerste informatieavond volgen mogelijk meerdere informatieavonden. Hier kan bijvoorbeeld ingezoomd worden op één specifiek onderwerp van de projectontwikkeling waar veel informatiebehoefte is bij omwonenden.

Ten behoeve van de van de informatieavonden wordt een communicatie werkgroep ingericht waarin tenminste de initiatiefnemer, grondeigenaar, dorpsraad en de gemeente zitting nemen. Daarnaast wordt er een projectwebsite opgericht door de initiatiefnemer. De inhoud en het onderhoud van deze website vinden plaats in afstemming met de communicatiewerkgroep. Verder wordt er een participatieplan opgesteld, waarin uitgebreid wordt beschreven en vastgelegd hoe de omgeving betrokken wordt bij het project. Om draagvlak te creëren bij de omgeving wordt door initiatiefnemer afspraken gemaakt die bijdragen aan het woon- en leefklimaat van de omgeving. Deze investeringen worden bekostigd uit de financiële middelen vanuit paragraaf 4.4 Kwaliteitsinvestering.

13

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

4.4

Kwaliteitsinvestering

Binnen NOT vragen we voor zonnevelden met een omvang groter dan 1 ha van de initiatiefnemers jaarlijks een “kwaliteitsinvestering” in het kader van het ruimtelijke kwaliteitsverlies. Dit betreft jaarbedragen voor de termijn van de vrijstelling op het bestemmingsplan (25 jaar) en geldt voor zowel lokale initiatiefnemers als professionele ontwikkelaars. Deze bijdrage is als volgt gestaffeld: a. b. c.

€ 0,- voor zonnevelden < 1 ha € 400 per hectare / per jaar, voor zonnevelden vanaf 1 ha tot maximaal 3 ha. € 800 per hectare/per jaar voor zonnevelden vanaf 3 hectare omvang en meer.

Rekenvoorbeeld: Bij een initiatief voor een zonneveld met een omvang van 5 hectare wordt om een kwaliteitsbijdrage gevraagd van € 4000,- per jaar (5 ha x €800,-). Op dit bedrag mogen de uitgevoerde ruimtelijke compensatiemaatregelen buiten het plangebied in mindering worden gebracht (aan te tonen op basis van facturen). De landschappelijke inpassing van de randen van het zonnepark vallen hier niet onder. Deze financiële middelen worden besteed volgens de vastgestelde structuurvisie en/of toekomstige omgevingsvisie, waarin omschreven wordt aan welke fysiek/ruimtelijke of duurzame projecten de kwaliteitsinvestering in het gebied besteed kan worden. Het te kiezen projectdoel of doelen worden in overleg met de aanvrager en in samenspraak met gemeente en de omgeving van het zonneveld bepaald. Bij voorkeur wordt de organisatie van het uit te voeren projectdoel rechtstreeks door of namens de initiatiefnemer van het zonneveld verzorgd. Wanneer er een gebiedsfonds in de betreffende gemeente actief is, mogen de financiële middelen ook in één keer bij start van de uitvoering van de aanleg van het zonneveld worden gestort in het betreffende gebiedsfonds. Voor zover het gaat om een beperkte extra bijdrage wordt deze als onderdeel van de exploitatiebijdrage verhaald. Indexering bij jaarlijkse betaling in het gebiedsfonds: volgens de CBS Bouwkosten index.

14

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

4.5

Maatschappelijke meerwaarde

Een voorwaarde van de gemeente Losser is dat elke zonnepark een maatschappelijke meerwaarde heeft, zoals in de provinciale richtlijnen staat verwoord. Voorbeelden hiervan zijn: Aansluiten bij gebiedsopgaven Elk gebied heeft zijn eigen kenmerken maar ook eigen opgaven of wensen. De uitdaging is om met de ontwikkeling van grootschalige energie-opwek zoals zonneparken juist deze kenmerken te versterken, opgaven te realiseren en wensen mogelijk te maken. Hierdoor wordt meerwaarde gecreëerd en wordt de omgeving ‘gecompenseerd’ voor mogelijke ‘lasten’ die het zonnepark met zich meebrengt. Voorbeelden: • Verduurzaming agrarische bedrijfsvoering; • Herverkaveling/ruimte voor versterking landschap en agrarische bedrijfsvoering; • Wateropgaven, zoals waterberging, natuurvriendelijke oevers, vernatting, klimaatopgave; • Extra versterken landschappelijke en cultuurhistorische structuren in het gebied); • Ecologische kwaliteiten verbeteren (doelsoorten e.d.) en verbeteren biodiversiteit; • Versterken recreatieve routes: waar liggen kansen voor (recreatie)ondernemers, nieuwe verbindingen; • Natuurontwikkeling: verbindingszones, natuurontwikkeling, bijenbehoud (bijvoorbeeld bloemen stroken en bijenkasten van de lokale imkervereniging).

Extra inzet op duurzaamheidsdoelen Naast ruimtelijk relevante ideeën zijn ook andere vormen van meerwaarde denkbaar, zoals: • Inzet op ontwikkeling innovatieve technieken (bijvoorbeeld opslagmogelijkheden van energie); • Educatiemogelijkheden, samenwerking met kennisinstellingen/scholen; • Sloop en/of hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en/of erven; • Bijdragen aan zonnestroominstallaties voor daken in omgeving (particulieren en (agrarische) ondernemers en/of delen van aansluitkosten); • Aanbieden van zonne-energie installaties (met korting) aan particulieren/bedrijven in de gemeente; • Realiseren zonne-energie installaties op dak(en) maatschappelijk gebouw(en); • Creëren lokale werkgelegenheid (invulling geven Social Return On Investment); • Inzet op sociale opgaven (bereikbaarheid openbaar vervoer, langer zelfstandig wonen e.d.). • In algemene zin wordt belang gehecht aan het inzetten van mensen “met afstand tot de arbeidsmarkt” en het betrekken van lokale ondernemers bij de realisatie en het beheer van het zonneveld. Toetsing maatschappelijke meerwaarde Bij de toetsing of er voldoende sprake is van maatschappelijke meerwaarde wordt gekeken naar impact en schaal van de voorziening voor energie-opwek en of er sprake is van eigenbelang of maatschappelijk belang.

Dit bepaalt bij welke inspanning er sprake is van voldoende balans tussen de aanleg van de voorziening en de maatschappelijke meerwaarde. Er kan daarmee ook sprake zijn van een samenhang met het aandeel lokaal eigendom, de mate waarop de opbrengsten door de lokale eigenaren in het gebied worden besteed en de mate waarin bijvoorbeeld door meervoudig ruimte gebruik ook andere maatschappelijke gebiedsdoelen worden gerealiseerd. Bij de uiteindelijke vergunningaanvraag moet in ieder geval aangegeven worden: • Welke punten zijn onderzocht en besproken met de omgeving; • Waar bij het betreffende energieproject de maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd; • Waarom dit in balans is met impact en schaal van het energieproject.

15

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

16

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

5.

Proces aanpak

Nadat er ideeën zijn voor een concrete invulling op een bepaalde locatie neemt de initiatiefnemer contact op met de gemeente (afdeling Ruimtelijke Ordening) en maakt zijn voornemen kenbaar, met daarbij de locatieaanduiding en omvang van het beoogde zonnepark. Na het eerste contact vindt er op korte termijn een gesprek plaats met de gemeente over de planbeoordeling, de ruimtelijke inpassing, de netaansluiting en het concept participatieplan. Daarna kan het indienen van een principeverzoek worden opgestart, zie ook het stappenplan in paragraaf 5.3.

5.1

Netaansluiting

Initiatiefnemer neemt vooraf contact op met de lokale netbeheerder (Coteq of Enexis) om de aansluitmogelijkheden en kosten in beeld te brengen. Initiatiefnemer dient vooraf inzage te geven in de aansluitbaarheid en de transportcapaciteit van het netwerk. Dit onderdeel komt bij het eerste verkennende gesprek tussen initiatiefnemer en gemeente aan de orde. De kosten van de netaansluiting bepalen sterk de haalbaarheid en slagingskansen van een initiatief. De initiatiefnemer toont aan dat, er voldoende netcapaciteit beschikbaar en gereserveerd is voor het initiatief op de geplande ingebruiknamedatum, voorafgaand aan het indienen van een principeverzoek. Wanneer hier onvoldoende duidelijkheid over kan worden gegeven, zal een principeverzoek niet in behandeling worden genomen.

5.2

Plan van aanpak

Zowel een principeverzoek als een formele vergunningaanvraag gaan, naast de vereiste inrichtingstekeningen en eventueel (bij aanvraag) onderzoeksrapporten, vergezeld van de volgende documenten: - Landschappelijk inpassingsplan (indien mogelijk een 3D visualisatie vanaf maaiveld) - Verslagen van de inspanningen om draagvlak te creëren in de omgeving - Participatieplan uitgewerkt voor minimaal 50% lokaal eigendom en zeggenschap - De financiële bijdrage voor de kwaliteitsinvestering. Daarna zal de ruimtelijke procedure worden opgestart voor de vaststelling van een tijdelijke afwijking op het bestemmingsplan. B&W (vergunning) en gemeenteraad (bindend adviesrecht) zijn beide deelbevoegd tot het nemen van de noodzakelijke besluiten op het bestemmingsplan/Omgevingsplan (na inwerkingtreding Omgevingswet).

17

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

5.3

Stappenplan

1.Principeverzoek ontwikkeling zonneveld (inclusief 3D visualisatie, participatieplan, gedane aanpassingen in overleg met omgeving en verslagen van gevoerde overleggen met belanghebbenden, bedrag voor kwaliteitsinvestering), samenwerkingsoverkomst met cooperatie tbv ten minste 50% lokaal eigendom, verklaring van beschikbare netcapaciteit op moment van ingebruikname

2. Eerste toets haalbaarheid plan Kwaliteitsteam of Werkgroep principeverzoeken (afhankelijk in welke gemeente u de aanvraag indiend) bespreekt het voorstel en koppelt de haalbaarheid terug aan de initiatiefnemers Afstemmingsoverleg Provincie Overijssel in het kader van de Wet Natuur Bescherming

3. CONCEPT overeenkomst en inrichtingplan Indienen Concept inrichtingsplan en voorstel voor de kwaliteitsinvestering in de vorm van een anterieure overeenkomst.

4. Bindend advies van gemeenteraad (optioneel) Bindend advies van de gemeenteraad, Voor verkrijgen van een omgevingsvergunning strijdig gebruik, inclusief alle eerder genoemde bijlagen in te dienen.

5. Overeenstemming privaatrechtelijke overeenkomst Definitieve overeenstemming over privaatrechtelijke overeenkomst en inrichtingplan.

6. Aanvraag omgevingsvergunning, incl. bindend adviesrecht gemeentenraad.

College besluit tot verlenen vergunning Aanvraag omgevingsvergunning in het kader van de bouwactiviteiten.

18

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

5.4

Planologisch regelen van een zonneveld

Naar verwachting zijn veldopstellingen van zonnepanelen in de groene omgeving op lange termijn niet meer nodig, omdat innovatie en prijsdaling ertoe zullen leiden dat energie op een andere, voordeligere wijze kan worden opgewekt. Daarom moeten gronden onder de zonnevelden niet blijvend worden onttrokken aan de oorspronkelijke (vaak agrarische) bestemming. Zonnevelden in de groene omgeving worden alleen toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik. De maximale termijn is op 25 jaar gesteld (conform het Kwaliteitshandboek Zonnevelden van de Provincie Overijssel). De eis van tijdelijk medegebruik moet ervoor zorgen dat het zonneveld weer wordt opgeruimd wanneer er geen behoefte meer is of na afloop van de vergunde termijn. Dit wordt tevens als voorwaarde in de anterieure overeenkomst, die gesloten wordt met de ontwikkelende partij, geborgd. Zonnevelden worden mogelijk gemaakt met een (project-) omgevingsvergunning, waarmee voor een bepaalde termijn toestemming wordt gegeven voor zelfstandige veldopstellingen aan zonnepanelen, in afwijking van de geldende bestemming.

19

Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten

6.

Legeskosten zonneparken

Elke gemeente zal afzonderlijk via de eigen legesverordening de legeskosten voor een zonnepark hanteren.

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=bf91af66-acda-4046-9a9e-956cedeeb975