Gewijzigde Gemeenschappelijke Regelingen ODT
Tekst van het document
Het dagelijks bestuur bepaalt, na overeenstemming met de ondernemingsraad en met inachtneming van de bepalingen uit de Wet op de ondernemingsraden, onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten worden aangegaan en welke CAO op het personeel in dienst van de Omgevingsdienst van toepassing is.
Dit artikel is komen te vervallen, omdat de bepalingen al uit de wet volgen (zie artikel 57 e.v. Wet gemeenschappelijke regelingen en art.10:3 lid 1 en art. 10:12 Awb én art. 3:61 BW).
Hoofdstuk 7: Begroting en jaarrekening Begroting en Bijdrageverordening
Hoofdstuk 7: Begroting en jaarrekening 28.
Garantiebepaling en 29. aangaan van geldleningen
Jaarrekening
De eerste zinsnede is komen te vervallen, omdat een dergelijke instructie op papier in de praktijk niet plaatsvindt. Het is daarnaast geen wettelijke verplichting.
30.
1.
Het algemeen bestuur stelt in de begroting voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft een raming vast voor de door elke deelnemer verschuldigde bijdrage voor de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde taken.
2. 3.
Begroting en Bijdrageverordening
25.
1.
Het algemeen bestuur stelt in de begroting voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft een raming vast van de door elke deelnemer verschuldigde bijdrage voor de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde taken.
De deelnemers nemen het door de Omgevingsdienst Twente geraamde bedrag op in hun begroting.
2.
De deelnemers nemen het door de Omgevingsdienst Twente geraamde bedrag op in hun begroting.
Het algemeen bestuur kan een bijdrageverordening vaststellen met daarin onder meer opgenomen:
3.
Het algemeen bestuur kan een bijdrageverordening vaststellen met daarin onder meer opgenomen:
a.
een systematiek voor de toerekening van kosten aan facultatieve taken zoals genoemd in de artikelen 5 en 6
a.
een systematiek voor de toerekening van kosten aan facultatieve taken zoals genoemd in de artikelen 5 en 6, en
b.
een regeling over de toerekening van het exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 30
b.
een regeling over de toerekening van het exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 30.
c.
een regeling over de toerekening van desintegratiekosten bij uittreding van deelnemers zoals bedoeld in artikel 34.
4.
Verrekening van het verschil tussen het geraamde bedrag als bedoeld in lid 1 met het werkelijk verschuldigde bedrag op basis van de vastgestelde Jaarrekening over hetzelfde jaar vindt plaats terstond na de vaststelling van de jaarrekening.
4.
Verrekening van het verschil tussen het geraamde bedrag als bedoeld in lid 1 met het werkelijk verschuldigde bedrag op basis van de vastgestelde Jaarrekening over hetzelfde jaar vindt plaats terstond na de vaststelling van de jaarrekening.
5.
De bepalingen van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de wet zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bijdragen aan de Omgevingsdienst Twente.
5.
De bepalingen van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de wet zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bijdragen aan de Omgevingsdienst Twente.
1.
De deelnemers dragen er steeds zorg voor en staan er garant voor dat de Omgevingsdienst Twente te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De deelnemers betalen de in artikel 28 lid 1 bedoelde bijdrage bij wijze van voorschot, zoals dat in de Bijdrageverordening is aangegeven.
1.
De deelnemers dragen er steeds zorg voor en staan er garant voor dat de Omgevingsdienst Twente te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De deelnemers betalen de in artikel 25 eerste lid bedoelde bijdrage bij wijze van voorschot, zoals dat in de Bijdrageverordening is aangegeven.
2.
De Omgevingsdienst Twente is, na instemming van het algemeen bestuur, bevoegd tot het aangaan van geldleningen en van rekening-courantovereenkomsten.
2.
Het dagelijks bestuur is, na instemming van het algemeen bestuur, bevoegd tot het aangaan van geldleningen en van rekening-courantovereenkomsten.
3.
De deelnemende gemeenten staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de op grond van het in het vorige lid bepaalde opgenomen gelden, zulks op basis van hun procentuele bijdrage in de begroting van het betreffende jaar.
3.
De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de op grond van het in het vorige lid bepaalde opgenomen gelden, zulks op basis van hun procentuele bijdrage in de begroting van het betreffende jaar.
1.
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele:
1.
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele:
Garantiebepaling en aangaan van geldleningen
Jaarrekening
26.
27.
Sub c is komen te vervallen, omdat de nieuwe wet gemeenschappelijke regelingen voorschrijft dat dit voortaan geregeld is in de regeling (zie art. 31 e.v.).
Alleen redactionele wijzigingen, geen inhoudelijke.
Geen wijzigingen.
a.
af te boeken van het weerstandsvermogen voor zover toereikend;
a.
af te boeken van het weerstandsvermogen voor zover toereikend;
b.
met in achtneming van de op grond van artikel 28 vastgestelde regeling ten laste te brengen van de deelnemers.
b.
met in achtneming van de op grond van artikel 25 vastgestelde regeling ten laste te brengen van de deelnemers.
2.
Exploitatiesaldo
Hoofdstuk 8: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Wijziging
Toetreding
Uittreding
31.
32.
33.
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele:
2.
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele:
a.
tot het vastgestelde maximum toe te voegen aan het weerstandsvermogen;
a.
tot het vastgestelde maximum toe te voegen aan het weerstandsvermogen;
b.
met in achtneming van de op grond van artikel 28 vastgestelde regeling uit te keren aan de deelnemers.
b.
met in achtneming van de op grond van artikel 25 vastgestelde regeling uit te keren aan de deelnemers.
1.
Indien enig jaar een batig saldo oplevert, kan dit saldo worden toegevoegd aan het weerstandsvermogen van de Omgevingsdienst Twente.
2.
Het weerstandsvermogen mag worden aangehouden tot een door het algemeen bestuur bepaald maximaal noodzakelijk niveau, passend bij het risicoprofiel van de Omgevingsdienst Twente. Het meerdere wordt terugbetaald aan de deelnemers op de wijze als geregeld in de Bijdrageverordening.
3.
Indien enig jaar een nadelig exploitatiesaldo oplevert, wordt het nadelig exploitatiesaldo door de deelnemers gedragen op de wijze als geregeld in de Bijdrageverordening.
1.
Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur of van een deelnemer worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle deelnemende colleges met toestemming van hun raden dan wel staten.
2.
Dit artikel is komen te vervallen, omdat het beschreven staat in de bijdrageverordening.
Hoofdstuk 8: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Wijziging
1.
Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur onderscheidenlijk op voorstel van een college worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle deelnemende colleges met toestemming van hun vertegenwoordigende organen.
Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges.
2.
Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges.
3.
De colleges hebben de gelegenheid binnen acht weken na dagtekening hun zienswijzen naar voren te brengen dan wel toestemming als bedoeld in artikel 51 van de wet te vragen aan hun gemeenteraden dan wel provinciale staten en een besluit te nemen.
3.
Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen Voormalig lid 3 is komen te vervallen, omdat deze termijn met de komst van de nieuwe wet bestuur blijkt dat alle colleges overeenkomstig artikel 51 van de wet tot de wijziging hebben gewijzigd is en de termijn ook wettelijk geregeld is. Gelet op de wens om bepalingen die besloten. wettelijk geregeld zijn, niet nogmaals in de regeling te herhalen, wordt niet de niewe termijn genoemd.
4.
Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op een wijziging van de regeling die uitsluitend betrekking heeft op aanpassingen aan veranderde wettelijke bepalingen. Tot dergelijke wijziging kan worden besloten door middel van een besluit van het algemeen bestuur met gewone meerderheid van stemmen.
1.
Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van gemeenten, provincies en dagelijkse besturen van waterschappen en andere openbare lichamen toetreden.
1.
Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders, colleges van gedeputeerde staten dagelijkse besturen van waterschappen toetreden.
2.
De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het bevoegde bestuursorgaan van de toetredende deelnemer.
2.
De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het bevoegde bestuursorgaan van de toetredende deelnemer.
3.
Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen en andere voorwaarden waaraan de nieuwe deelnemer moet voldoen.
3.
Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen en kan andere voorwaarden stellen waaraan de nieuwe deelnemer moet voldoen.
34 1.
Indien een deelnemer na verkregen toestemming van zijn raad en staten heeft besloten uit de regeling te treden, doet deze van het voornemen hiertoe mededeling aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het voorgenomen besluit onverwijld aan de andere deelnemers.
1.
Een college van burgemeester en wethouders van één van de deelnemende gemeenten of het college van gedeputeerde staten van een deelnemende provincie kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet.
2.
Indien een deelnemer wil uittreden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en/of zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de rechten en verplichtingen die de Omgevingsdienst Twente voor de uitvoering van taken voor deze deelnemer is aangegaan. De hoogte van de compensatie wordt nader bepaald door het algemeen bestuur op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en met inachtneming van de Bijdrageverordening.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 1 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
3.
Op basis van de vastgestelde compensatie neemt de betreffende deelnemer een definitief besluit over uittreding uit de regeling. Hij zendt het definitieve besluit aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het definitieve besluit van de deelnemer onverwijld aan de andere deelnemers.
3.
4.
De uittreding uit de regeling treedt in werking met inachtneming van een termijn van een jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het uittredingsbesluit, zoals bedoeld in het derde lid, is toegezonden.
4.
Toetreding
Uittreding
28.
29.
30.
Voortaan moet in elke gemeenschappelijke regeling uitdrukkelijk bepaald worden hoe de gevolgen van uittreding worden geregeld. Dit betekent dat in ieder geval de volgende onderwerpen geregeld moeten zijn: - Besluitvorming rondom wijziging, opheffing, toetreding en gevolgen van uittreding vindt plaats door deelnemende bestuursorganen. Het bestuur van de Omgevingsdienst heeft daarin formeel geen rol. - De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden. - De gevolgen voor het vermogen van de Omgevingsdienst door uittreding. - De gevolgen voor het vermogen van deelnemende gemeenten/provincie door uittreding. In de navolgende artikelen wordt hier gehoor aan gegeven.
Er van uitgaande dat de Omgevingswet op 1 januari of anders 1 juli 2024 in werking treedt. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze Anders moet de laatste zinsnede van lid 1 gewijzigd worden naar artikel 5.3 van de Wet gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien algemene bepalingen omgevingsrecht. worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. De Ook bij een omgevingsdienst is het mogelijk uit te treden, denk bijvoorbeeld aan een daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. herindeling. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de hem omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
5.
Na uittreding wordt de dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 8 lid 2 ontbonden, tenzij anders wordt overeengekomen.
Procedure en inhoud van het uittredingsplan
Beëindiging structurele facultatieve taken
Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst
Opheffing en liquidatie
Hoofdstuk 9: Overige bepalingen Archief en irichtingenbestand
Beëindiging structurele facultieve taken
31.
Het in artikel 30, derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele Zie eerdere toelichting. en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom, welke gebaseerd is op de uitkomsten van de hiervoor genoemde in beeld gebrachte consequentues, die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
2.
Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
3.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
4.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 30 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
5.
Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
1.
Een deelnemer kan het afnemen van facultatieve taken op basis van inbreng zoals genoemd in artikel 5 beëindigen.
2.
Op deze beëindiging zijn de bepalingen van artikel 30 tweede lid tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Een deelnemer of een derde kan het afnemen van facultatieve taken als genoemd in artikel 6 respectievelijk artikel 7 verminderen of beëindigen.
2.
Vermindering dan wel beëindiging van het afnemen van facultatieve taken als bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden met inachtneming van de opzegtermijn die bij overeenkomst is vastgelegd.
1.
De regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelneemrs minus één, De GR kan niet met één deelnemer bestaan, dus stel dat één deelnemer niet wil opheffen onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit dan wordt de GR alsnog opgeheven, want je kan niet alleen een GR hebben. Om die reden is tot opheffing wordt niet genomen dan nadat de vertegenwoordigende organen gedurende de zinsnede 'minus 1' toegevoegd en is het lid herschreven. twaalf werken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis van het college te brengen.
35 1.
Een deelnemer kan het afnemen van facultatieve taken op basis van inbreng zoals genoemd in artikel 5 beëindigen.
2.
Op deze beëindiging zijn de bepalingen van artikel 34 lid 2 tot en met 4 van overeenkomstige toepassing.
36 1.
Een deelnemer of een derde kan het afnemen van facultatieve taken als genoemd in artikel 6 respectievelijk artikel 7 verminderen of beëindigen.
2.
Vermindering dan wel beëindiging van het afnemen van facultatieve taken als bedoeld in lid 1 kan slechts plaatsvinden met inachtneming van de opzegtermijn die bij overeenkomst is vastgelegd.
37 1.
Indien de wet dit toelaat, kan deze gemeenschappelijke regeling op voorstel van het algemeen bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van de betrokken bestuursorganen van de deelnemers met toestemming van hun raad dan wel Provinciale Staten.
2.
Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan opgesteld na alle deelnemers te hebben geraadpleegd. In het liquidatieplan worden de financiële verplichtingen en de overige gevolgen van de opheffing geregeld.
2.
Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan vastgesteld na alle deelnemers te hebben geraadpleegd. In het liquidatieplan worden de financiële verplichtingen en de overige gevolgen van de opheffing geregeld.
3.
Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.
3.
Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.
4.
Het liquidatieplan omvat een sociaal plan en voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel dat in dienst is van de Omgevingsdienst Twente.
4.
Het liquidatieplan omvat een sociaal plan en voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel dat in dienst is van de Omgevingsdienst Twente.
5.
Bij de ontbinding van de Omgevingsdienst Twente in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de Omgevingsdienst Twente voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is.
5.
Bij de ontbinding van de Omgevingsdienst Twente in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de Omgevingsdienst Twente voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is.
38 1.
Het dagelijks bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden van de deelnemers in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Daartoe stelt het dagelijks bestuur een besluit archief- en informatiebeheer vast.
1.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Twente.
Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst
Opheffing en liquidatie
Hoofdstuk 9: Overige bepalingen Archief
32.
1.
33.
34.
35.
Gelet op de nieuwe Archiveringswet, is het gehele artikel herschreven op een zodanige wijze dat voldaan wordt aan de wettelijke verplichting en bij inwerkingtreding van de nieuwe Archiefwet, de regeling hoogstwaarschijnlijk niet opnieuw gewijzigd moet worden.
Geschillen
2.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de eigen organisatie. De hieraan verbonden kosten zijn onderdeel van en voor rekening van de Omgevingsdienst Twente.
2.
De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omgevingsdienst Twente, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3.
De deelnemers dragen het beheer van de archiefbescheiden, die zijn of worden gemaakt en ontvangen in het kader van de uitoefening van de taken genoemd in de artikelen 4 tot en met 7 op aan het dagelijks bestuur, onverminderd de verantwoordelijkheid van de deelnemers als zorgdrager op basis van de Archiefwet 1995
3.
Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Twente, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
4.
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, lid 1, en artikel 13, lid 1 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de deelnemers aan.
4.
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Twente wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van een van de deelnemers.
5.
Nadere afspraken over het archief- en informatiebeheer worden vastgelegd in de afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten met de deelnemers.
5.
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Twente, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris welke afkomstig is van één van de deelnemers, bedoeld in het vierde lid.
6.
De archivaris van de deelnemer, bedoeld in het vijfde lid, brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Twente, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
7.
Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Twente.
1.
Een eventueel geschil tussen een deelnemer en de Omgevingsdienst Twente wordt door de ene partij schriftelijk voorgelegd aan de andere partij met het doel om gezamenlijk tot overeenstemming te komen.
39 1.
Een eventueel geschil tussen een deelnemer en de Omgevingsdienst Twente wordt door de ene partij schriftelijk voorgelegd aan de andere partij met het doel om gezamenlijk tot overeenstemming te komen.
2.
Het algemeen bestuur kan ten behoeve van de beslechting van geschillen als bedoeld in het vorige lid een regeling vaststellen, onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet.
2.
Het algemeen bestuur kan ten behoeve van de beslechting van geschillen als bedoeld in het vorige lid een regeling vaststellen, onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet.
3.
Indien zich zaken voordoen waarin de gemeenschappelijke regeling of de reglementen van orde niet voorzien, treft het algemeen bestuur de nodige voorzieningen. Het algemeen bestuur doet van deze voorzieningen onverwijld mededeling aan de deelnemers.
3.
Indien zich zaken voordoen waarin de regeling niet voorziet, treft het algemeen bestuur de nodige voorzieningen. Het algemeen bestuur doet van deze voorzieningen onverwijld mededeling aan de deelnemers.
Hoofdstuk 10: Slotbepalingen Evaluatie
40
Het algemeen bestuur voert een evaluatie uit van het functioneren van de regeling uiterlijk drie jaren na inwerkingtreding.
Looptijd
41
Bekendmaking
42 1.
2.
Citeertitel
43
Geschillen
36.
Hoofdstuk 10: Slotbepalingen Evaluatie
37.
Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.
Looptijd
38.
Gedeputeerde Staten zijn belast met de tijdige bekendmaking overeenkomstig artikel 53, lid 2 van de wet.
Bekendmaking
39.
Deze regeling treedt in werking de dag volgend op de dag van bekendmaking.
Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente’.
Citeertitel
40.
1 De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe Er is ervoor gekozen om toch een termijn te koppelen aan het (laten) uitvoeren van een besluit, met een minimum van eens in de vijf jaar. evaluatie van de werking regeling. 2 De evaluatie geeft in ieder geval inzicht in de mate waarin de taken van de regeling rechtmatig, doelmatig en doeltreffend worden uitgevoerd. Het dagelijks bestuur legt hiertoe een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voor. 3 Het resultaat van de evaluatie wordt ter informatie aan de raden en staten gestuurd.
Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
1.
Gedeputeerde Staten zijn belast met de tijdige bekendmaking overeenkomstig artikel 52, eerste lid, aanhef en onder l, en artikel 26 van de wet.
2.
Deze regeling treedt in werking de dag volgend op de dag van bekendmaking.
Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente’.