Concept-raadsbesluit Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022
Tekst van het document
Een van de kwaliteitsaspecten van de wet is dat een maatwerkvoorziening veilig moet zijn (zie artikel 3.1, tweede lid van de wet). De maatwerkvoorziening mag dan ook geen gezondheidsrisico’s voor de cliënt of anderen met zich mee brengen. Daarom is in dit onderdeel geregeld dat ook de met een pgb bekostigde voorziening veilig moet zijn. Dit is de verantwoordelijkheid van de cliënt. Om vast te stellen of een voorziening veilig is, voert het college controles uit. Artikel 9.3 Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp.
Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. Lid 4 De gemeente onderzoekt per situatie of een nauwe relatie tussen de pgbvertegenwoordiger en (in) formele hulpverlener of zorgaanbieder toelaatbaar is. Artikel 9.4 Hoogte persoonsgebonden budget niet zijnde beschermd wonen en opvang Lid 1 t/m 4 In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). De tarieven mogen worden afgeleid van de tarieven die het college verschuldigd is aan de gecontracteerde aanbieders. Naast een afgeleide van de tarieven wordt gebruik gemaakt van de bedragen in de Regeling langdurige zorg. Ook het hanteren van de gedifferentieerde tarieven moet in de verordening geregeld worden (CRVB:2017:1803).
Er wordt verder gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de hoogte van het pgb, dat bijvoorbeeld wordt besteed aan personen uit het sociaal netwerk van de cliënt, lager vast te stellen. Die bevoegdheid is neergelegd in artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet. Lid 5 De verordening bepaalt dat het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Rlz alleen op 1 januari van elk kalenderjaar kan wijzigen.
Lid 6 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 9.5 Hoogte persoonsgebonden budget overig Lid 1 en 2 In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). Voor hulpmiddelen is bepaald dat het pgb niet meer bedraagt dan het college verschuldigd is aan de aanbieder (kostprijs). Ingeval het college een maandelijks tarief is verschuldigd, kan het college de hoogte van het pgb afwijkend vaststellen. Dat wil zeggen één bedrag gebaseerd op de economische levensduur (afschrijvingstermijn) van de geïndiceerde maatwerkvoorziening. Lid 3 Het kan voorkomen dat de aangewezen maatwerkvoorziening niet door het college is ingekocht. In die gevallen wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt of een offerte die door de cliënt aan het college wordt verstrekt. Lid 4 Het realiseren van een woningaanpassing kan door het college niet standaard worden ingekocht. Daarom wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een programma van eisen, richtprijzen voor woningaanpassingen en/of een of meerdere offertes en eventuele bijkomende noodzakelijke kosten. Het programma van eisen wordt opgesteld door het college, met als vertrekpunt de goedkoopst adequate bouwkundige of woontechnische woonvoorziening.
Op basis van dat programma van eisen worden door de gemeente of de cliënt bij verschillende aannemers één of meerdere offertes opgevraagd. Daarnaast kan door het college gebruik worden gemaakt van een programma voor de berekening van de kosten van de woningaanpassing (momenteel wordt gebruik gemaakt van het programma Casadata). Dit programma biedt ook de mogelijkheid om de offertes van de aannemers te toetsen. Omdat het niet is uitgesloten dat er meerkosten verbonden kunnen zijn aan het realiseren van een woningaanpassing, kan het college daar Nadere regels over stellen. Lid 5 In het besluit stelt het college de budgetperiode vast. Binnen de budgetperiode wordt een nieuwe aanvraag (bij ongewijzigde omstandigheden) in principe afgewezen. Het spreekt voor zich dat de budgetperiode kan verschillen, afhankelijk van het hulpmiddel. Daarover stelt het college Nadere regels. Lid 6 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 9.6 Hoogte persoonsgebonden budget opvang en beschermd wonen Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 9.7 Besteding persoonsgebonden budget
Lid 1 Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en het bepaalde in deze verordening. In dit lid staan de uitgaven die budgethouders mogen doen opgesomd. Lid 2 en 3 In lid 2 en 3 zijn regels neergelegd voor gevallen dat het PGB buiten de gemeente Losser of in het buitenland mag worden besteed. Daarbij blijven de verplichtingen die voortvloeien uit het Pgb onverkort van kracht. De cliënt mag een PGB gedurende maximaal 13 weken buiten de gemeente Losser besteden. Lid 4 Dit lid zorgt ervoor dat wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan activiteiten die naar oordeel van het college onder de eigen mogelijkheden en het eigen oplossend vermogen vallen. Ook mag het pgb niet worden besteed aan de genoemde personen wanneer zij overbelast zijn of dreigen te geraken voor die activiteiten. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 40 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. Lid 5 In dit lid zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. De zorgaanbieder dient de gemaakte kosten te declareren bij de Sociale verzekeringsbank (SVB).
Op het moment dat het pgb teruggevorderd dient te worden zal de gemeente overgaan tot incasso. Lid 6 In dit lid is opgenomen dat er geen mogelijkheid is tot het opnemen van een verantwoordingsvrij bedrag. Lid 7 In de zorgovereenkomsten hanteert de SVB het overlijden van een cliënt als ontbindende voorwaarde. Dit houdt in dat de overeenkomst direct eindigt in geval van overlijden. De SVB wijst de cliënt erop met de gemeente contact op te nemen om te overleggen of een eenmalige uitkering tot de mogelijkheden behoort. Het college hanteert in geval van overlijden van de cliënt geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt (dit betreft alle zorgovereenkomsten dus die met een professionele organisatie, ZZP-er, iemand uit het sociale netwerk of een partner of familielid). Lid 8 Het is niet toegestaan om automatisch een vast bedrag per periode uit te betalen zonder declaratie en factuur. Met het vaste bedrag per maand wordt niet bedoeld een maandloon op basis van een arbeidsovereenkomst. Dat is altijd mogelijk (verworven recht).
Hoofdstuk 10 Bijdrage in de kosten, kostprijs, ritbijdrage en reserveringstoeslag Artikel 10.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budget Lid 1 Dit lid bepaalt dat de cliënt voor maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s een bijdrage in de kosten verschuldigd. Er wordt in de verordening geen uitzondering (meer) gemaakt op basis van de hoogte van het inkomen van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot (minimabeleid). De wet bepaalt echter wel dat de bijdrage in de kosten is gemaximeerd (het abonnementstarief). Ook kan de bijdrage voor hulpmiddelen en woningaanpassingen niet meer zijn dan de kostprijs (zie art. 10.3 van de verordening). Verder regelt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AMvB) dat de bijdrage in de kosten per 1 januari 2020 niet meer afhankelijk wordt gesteld van het inkomen en/of vermogen van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot. Lid 2 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 3, 4 en 5 Spreken voor zich, behoeven geen nadere toelichting. Het is aan het college om te bepalen wat onder tijdelijk als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan. In artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is het maximale bedrag (abonnementstarief) vastgelegd. De cliënt betaalt dus nooit meer dat dit bedrag. Lid 6 In dit lid is bepaald voor welke maatwerkvoorzieningen geen bijdrage in de kosten geldt.
Lid 7 De wet schrijft voor dat de verordening moet bepalen wie deze bijdrage vaststelt en int (artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet). Artikel 10.3 Ritbijdrage en reserveringstoeslag Dit artikel bepaalt dat de cliënt een ritbijdrage en eventueel een reserveringstoeslag verschuldigd is. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op reguliere OV-tarief die een ieder verschuldigd is ongeacht het hebben van beperkingen. De bedragen liggen vast in het Financieel besluit. Artikel 10.4 Kostprijs berekening voor bijdrage in de kosten Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt moet betalen. De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet hoger zijn dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente zélf verschuldigd is voor de maatwerkvoorziening. Indien aan een cliënt een persoonsgebonden budget is verstrekt, is de kostprijs gelijk aan de hoogte van dat budget. De bijdrage in de kosten -bij gebruik van een algemene voorziening- is nooit meer dan een kostendekkende bijdrage.
Hoofdstuk 11 Toezicht en handhaving Artikel 11.1. Toezicht en handhaving Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 Wmo 2015 moeten in de verordening regels gesteld worden voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 11.2 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Lid 1, 2 en 4 Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opnamen van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Hoofdstuk 12 Kwaliteit en klachten Artikel 12.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c , van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid van de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (kamerstukken II 2013/14 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Lid 1 Onder dit lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Lid 2
Op grond van dit lid kan het college dit uitwerken door nadere regels te stellen. Lid 3 Het in dit lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Artikel 12.2 Kwaliteitseisen derde aan wie het pgb wordt besteed Dit artikel regelt dat de kwaliteitseisen voor maatwerkvoorzieningen in natura ook gelden als aan de cliënt een pgb wordt toegekend. Dat is alleen anders als een pgb op grond van die eisen onbereikbaar wordt (TK 2013/14, 33 841, nr. 113). Denk aan rapportageverplichtingen die alleen voor gecontracteerde partijen gelden. Er geldt wel de eis dat onverkort wordt voldaan aan wettelijke voorwaarden en bepalingen zoals die zijn gesteld in de verordening voor pgb’s. De opleidingseisen die gelden voor gecontracteerde aanbieders zijn niet van toepassing op personen uit het sociaal netwerk van de cliënt. Lid 2 De ondersteuner dient te beschikken over een geldige VOG. Artikel 12.3 Verhouding prijs en kwaliteit van voorziening geleverd door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet).
Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel in een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitganspunt is dat een aanbieder kundig personele inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
Artikel 12.4 Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Lid 1 In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in het belang om
in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan. De reguliere klachtenregeling van de gemeente losser is hierop van toepassing. Lid 2 In het tweede lid van artikel 6.6 is een bepaling over klachten ten aanzien van bepaalde aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen en diensten regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. Desbetreffende aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen en diensten verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr3, blz 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen.
De cliënt kan ontevreden zin over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het derde lid van art 12.3 zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot klachtregeling door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 12.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door het bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Alle aanbieders van maatwerkvoorzieningen zijn verplicht een medezeggenschap op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In de tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 12.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4 eerste lid van de wet is bepaald dat de aanbieder bij toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 13 Mantelzorgerwaardering en inspraak Artikel 13.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De gemeente Losser doet dit door activiteiten te organiseren op de dag van de mantelzorg. Artikel 13.2 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de gemeentewet vastgestelde inspraakverordening en de inspraakverordening van de gemeente Losser. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er voor het Wmo- beleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als op andere terreinen. Regeling van inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.1.3 , derde lid van de wet. Hoofdstuk 14 Beëindiging, Herziening, intrekking en terugvordering Artikel 14.1 Beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In dit artikel is bepaald wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb.
Artikel 14.2 Herzien of intrekken van besluiten Lid 1 en 2 Voor de cliënt geldt op grond van artikel 2.3.8 van de wet de plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel een pgb. Deze verplichting geldt (in geval van een pgb) ook jegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Het college kan een besluit herzien of intrekken als onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste inlichtingen tot een ander besluit zou hebben geleid of bij het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet. Ook kan het voorkomen dat de cliënt de verplichtingen uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de aanbieder, niet of onvoldoende nakomt. Denk bijvoorbeeld aan het onzorgvuldig gebruik van een scootmobiel. De verordening biedt daarom een publiekrechtelijke grondslag om het betreffende toekenningsbesluit in te trekken.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat op het college in zo’n geval geen ondersteuningsplicht meer rust, maar dat mogelijk - de feiten en omstandigheden in aanmerking genomen - kan worden volstaan met het verstrekken van een gebruikerspas voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Artikel 14.3 Terugvordering geldswaarde Lid 1 In dit lid is de wettelijke bevoegdheid van het college uitgewerkt tot het terugvorderen van ten onrechte genoten maatwerkvoorzieningen, financiële tegemoetkomingen dan wel pgb’s in geval de inlichtingenplicht door de cliënt opzettelijk is geschonden en/of de derde daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend (RBOVE:2018:2310 en 2309). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering ligt het op de weg van het college de opzet aannemelijk te maken. Lid 2 Dit lid regelt de bevoegdheid van het college om te verrekenen. Lid 3 De wet bepaalt dat het college tot invordering over kan gaan middels een dwangbevel (art. 2.4.2, tweede lid, van de wet). Hoofdstuk 15 Slotbepalingen Artikel 15.1 Hardheidsclausule Een beschikking dient in het individuele geval maatwerk te zijn. Onder omstandigheden kan dit er toe leiden dat moet worden afgeweken van een bepaling in de verordening met een rechtstreekse verwijzing naar artikel 2.3.5 van de wet. Te verwachten is dat een beroep op de hardheidsclausule minder vaak zal voorkomen.
Er vindt immers op basis van artikel 2.3.2 van de wet standaard al een zorgvuldige beoordeling plaats waarbij met alle persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden. De hardheidsclausule wordt
in deze verordening niettemin gehandhaafd als vangnet voor al die situaties waarbij toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke situatie. Het afwijken van de verordening kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. In het algemeen geldt dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is. Hij zal dat ook nader moeten onderbouwen. Artikel 15.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid van artikel 14.3 is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. In lid 4 is bepaald dat lopende bezwaarschriften volgens de oude verordening worden afgehandeld. Artikel 15.3 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.