Bijlagen bij toelichting_Bijlage 5 Natuurwaardenonderzoek
Tekst van het document
In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen. De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt. Hij komt voor in overgangsvegetaties, lintvormige landschapselementen, opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes. En ook in aanliggende, braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties, zoals boomgaarden, kan de soort worden aangetroffen. In gebouwen komt hij zelden voor. Het is dan ook niet aannemelijk dat de veldspitsmuis aanwezig is op de planlocatie. Bij het raadplegen van NDFF en dergelijke databases kwamen geen waarnemingen op en nabij de planlocatie naar voren. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen.
Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
29
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Noord-Brabant. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Een nader onderzoek molmuis wordt niet noodzakelijk geacht. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. Het plangebied vertoont geen essentiële functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn er enkele verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen bomen betrokken. Het is uitgesloten dat de eekhoorn hinder zal ervaren van de voorgenomen ontwikkeling. Haasachtigen, egel en vos Sporen zijn van deze soorten zijn niet aangetroffen. In de diverse databases zijn er, m.u.v. de egel, geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Deze soorten zijn, m.u.v. de egel, door de provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de egel zich begeeft nabij de kapschuur, aangezien groenstructuren met onderbegroeiing ontbreken. Gezien de aard en geringe omvang van de ontwikkeling, is het uitgesloten dat geschikt leefgebied wordt aangetast. Er gaan immers geen groenstructuren verloren.
Nader onderzoek naar de egel wordt niet noodzakelijk geacht. Marterachtigen Op het perceel zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen in de vorm van prooiresten of verblijfplaatsen. Potentiële holen waar de kleine marters gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. Daarnaast kan gesteld worden dat ecologische verbindingszones voor marterachtigen op planlocatie niet aanwezig zijn. De drie V’s (verblijfplaats, veiligheid/dekking en voedsel) zijn niet allen aanwezig. Het is aannemelijk dat eventueel aanwezige soorten geen hinder zullen ondervinden van de ontwikkeling gezien de aard en omvang in relatie tot het huidige gebruik van de betreffende schuur en grasveld. De planlocatie blijft grotendeels onaangetast. Een nader onderzoek marterachtigen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Overige zoogdieren De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Noord-Brabantse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied mogelijk overige zoogdieren voorkomen. In de diverse databases zijn verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied: het ree (Capreolus capreolus).
Deze soort is door provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Advies / Conclusie Ten aanzien van zoogdieren worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht.
30
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
5.2.5 Overige soorten Amfibieën In Nederland komen een aantal algemeen voorkomende amfibieënsoorten voor. Dit zijn de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus). Deze eerdergenoemde soorten zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Naast deze algemene vrijgestelde soorten komen ook een aantal zeldzame beschermde amfibieënsoorten verspreid door Nederland voor, namelijk de poelkikker (Pelophylax lessonae), heikikker (Rana arvalis), boomkikker
(Hyla
arborea),
rugstreeppad
(Epidalea
calamita),
knoflookpad
(Pelobatus
fuscus),
vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), geelbuikvuurpad (Bombina variegata), kamsalamander (Triturus cristatus), alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris), vinpootsalamander (Lissotriton helveticus) en vuursalamander (Salamandra salamandra). In de nabije omgeving zijn meerdere soorten aangetroffen blijkt uit waarnemingen geregistreerd op NDFF. Echter, gezien de aard en de geringe omvang van de ontwikkeling in relatie tot het huidige gebruik de kapschuur en het grasveld, is het zeer onwaarschijnlijk dat dergelijke soorten hinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. Reptielen Van nature voorkomende reptielen in Nederland zijn de adder (Vipera berus), gladde slang (Coronella austriaca), ringslang (Natrix helvetica), hazelworm (Anguis fragilis), levendbarende hagedis (Zootoca vivpara), muurhagedis (Podarcis muralis) en zandhagedis (Lacerta agilis). Met name de adder en gladde slang komen enkel in (vochtige) heide, veen- en open bosgebieden binnen natuurgebieden voor. De zandhagedis is gebonden aan zandige, droge open terreinen in heiden en duinen. Het natuurlijk verspreidingsgebied van de muurhagedis beperkt zich enkel tot Maastricht. Het is dan ook uitgesloten dat deze soorten zich bevinden op de planlocatie. Met name de ringslang, levendbarende hagedis en hazelworm worden regelmatig aangetroffen buiten natuurgebieden.
De levendbarende hagedis komt voor in open bossen en ruige graslanden. Tevens wordt deze soorten aangetroffen in bermen en in een beperkt deel van de duinen. Het is een vochtminnende soort en zoekt in het terrein dan ook de vochtige gebieden op, bijvoorbeeld de oevers van plassen in vochtig heidegebied. De hazelworm leeft in enigszins vochtige bosachtige gebieden met een dichte vegetatie en rijke strooisel laag. Voorbeelden van geschikt habitat is open bos, bosranden, heide, ruderale terreinen en tuinen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Het is waarschijnlijk dat reptielen in de nabije omgeving van de planlocatie aanwezig zijn. Echter, gezien de aard en de geringe omvang van de ontwikkeling in relatie tot het huidige gebruik de kapschuur en het grasveld, is het zeer onwaarschijnlijk dat dergelijke soorten hinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. Vissen De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn
31
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
(grotendeels) beperkt tot de provincie Noord-Brabant. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. De grote modderkruiper is een soort van verlandende wateren en heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en rijke waterplantenvegetatie. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied niet voor. Vlinders en libellen Beschermde dag- en nachtvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeer specifieke habitats en/of zeldzame waardplanten die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Beschermde libellen en waterjuffers zijn gebonden aan zeer specifieke wateren waar de larven ontwikkelen tot imago. Deze wateren zijn bijvoorbeeld voedselarme vennen in heide of hoogveen. Doorgaans bevinden deze soorten zich in beschermde natuurgebieden. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van beschermde vlindersoorten of aanwijzingen dat deze waardplanten aanwezig zijn op de planlocatie aangetroffen.
Daarnaast zijn geen wateren aangetroffen die kunnen dienen als voortplantingswater voor beschermde libellen en waterjuffers. Het is daarom uitgesloten dat er binnen de planlocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlinder- of libellensoort.
Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Conclusie / Advies Ten aanzien van overige soorten worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht.
32
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
5.3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Overtreding op dit onderdeel Omgevingswet is niet aan de orde. De omgevingswet regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een
zelfstandige
eenheid
van
bomen,
boomvormers,
struiken,
hakhout
of
griend
buiten
de
bebouwingscontouren, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- en herplantplicht. Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens van de bebouwingscontouren in de Omgevingswet vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Deze regel geldt niet voor: 1.
Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwingscontouren;
2.
Houtopstanden op erven of in tuinen;
3.
Fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
4.
Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
5.
Kweekgoed;
6.
Uit populieren of wilgen bestaande: a.
Wegbeplantingen;
b.
Beplantingen langs waterwegen, en
c.
Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
7.
Het dunnen van een houtopstand;
8.
Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: a.
Ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
b.
Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.
33
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Verantwoording Literatuur / bronnen •
Omgevingswet
•
Omgevingsverordening
•
Fauna inventarisatie, Rik Schoon
•
150416_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf
Materiaal •
Camera
•
Zaklamp
•
Thermometer
•
Windmeter
•
Verrekijker
•
Endoscoop
•
Ladder (5 meter)
•
UV-lamp
Internet •
www.rvo.nl
•
www.bij12.nl
•
wwww.verspreidingsatlas.nl
•
www.zoogdiervereniging.nl
•
www.ndff.nl
•
www.synbiosys.alterra.nl/natura2000
•
https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten
•
www.natura2000.nl
•
www.planviewer.nl
34
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Verklarende woordenlijst Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door dieren die niet in winterslaap zijn, waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep vrouwelijke dieren (bijv. vleermuizen) met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere dieren in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij vleermuissoorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats.
Er
zijn
bij
soorten
als
gewone
dwergvleermuis
massawinterverblijfplaatsen
en
winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een dier of een groep dieren foerageert.
35
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Bijlagen
36
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
37
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
38
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
39
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
40
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Vrijgestelde soorten per provincie
41
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht schrijft voor dat bij flora- en fauna-activiteiten extra maatregelen dienen te worden genomen indien er aanwijzingen zijn voor het alle in het wild voorkomende flora en fauna. Dit geldt voor zowel beschermde soorten (vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten, nationaal beschermde soorten), maar ook voor trekvogelsoorten (art. 4.2 van de vogelrichtlijn) en Rode Lijst-soorten, ongeacht vrijstellingen, gedragscode of vergunning. De specifieke zorgplicht is ook van kracht voor de leefgebieden of natuurlijke habitats van bovengenoemde soorten. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (in deze volgorde). Als er door de flora- en fauna-activiteit nadelige gevolgen optreden voor deze soorten, dienen preventief passende maatregelen te worden getroffen. Als de activiteit al is aangevangen en er blijken onvoorziene nadelige gevolgen voor één of meerdere soorten, moet de activiteit gestaakt worden. Als stoppen niet mogelijk is, dienen herstelmaatregelen getroffen te worden.
Of de getroffen maatregelen ook het beoogde effect hebben, dient tijdens en na uitvoer van de activiteit te worden nagegaan. Juridisch kader stikstofdepositie Vooralsnog blijft de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden grotendeels hetzelfde als onder de Wnb. Onder de Ow wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering voortgezet. Ook de beleidsregels met betrekking tot intern en extern salderen blijft voorlopig onveranderd, al is er wel een internetconsultatie afgerond voor het vergunning plichtig stellen van intern salderen. In de Ow is de mogelijkheid opgenomen voor vergunningverlening voor Natura 2000activiteiten met een stikstofdepositie op basis van stikstofdepositieruimte volgens een register (huidig stikstofregistratiesysteem (SSRS)). Vanwege de noodzaak, zijn de regels voor het vrijgeven van stikstofdepositieruimte tijdelijk opgenomen in de Or in plaats van het Bkl totdat Bkl is gewijzigd. De beoordelingsregel voor Natura 2000-activiteiten met stikstofdepositie betreft vergunningverlening aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register (art. 17a.2 Or, tijdelijk i.p.v. art. 8.74e Bkl). AERIUS Register registreert per stikstofgevoelig N2000-gebied wat de stikstofreductie is door stikstofmaatregelen en aan het register zijn gekoppeld. Hierbij is te denken aan onder andere sluitingen varkenshouderijen (art.
17a.3, lid 1 Or). De stikstofdepositieruimte wordt alleen toebedeeld aan bouw van aardgasvrije woningen, bepaalde snelwegen of gemelde PAS-activiteiten (art. 17a.2, leden 4 en 5 Or). Let op! voor vergunningverlening moet er wel eerst stikstofdepositieruimte zijn! Voor de bouwsector is het van belang dat door inwerkingtreding van de Ow ook het tweede deel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het bijbehorende Besluit in werking treedt, dat onder meer toeziet op een emissiereductieplicht. Deze plicht is uitgewerkt in artikel 7.19a van het Bbl en houdt in dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden, adequate maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken. Volgens de toelichting van het hiervoor aangegeven besluit moeten initiatiefnemers informatie aanleveren over de maatregelen die bij een concreet project getroffen worden bij het indienen van een sloopmelding aan het bevoegd gezag. Indien er voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, moet deze informatie bij deze aanvraag gevoegd worden. Voor de invulling van de emissiereductieplicht en het treffen van adequate maatregelen is er een programma Schoon en Emissie loos Bouwen (SEB) opgesteld. Op de website www.opwegnaarseb.nl staat meer informatie.
42
NATUURWAARDENONDERZOEK 52515 – LOSSERSESTRAAT 71 DE LUTTE HARDERWIJK
Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2024 Ecofect B.V.; Nunspeet
43