Bestemmingsplan Losser Dorp partiële herziening Gronausestraat 199
Tekst van het document
Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
•
Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
•
Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
Watertoetsproces
21
AANMELDNOTITIE M.E.R. GRONAUSESTRAAT 199 LOSSER
Op 18 januari 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. Op grond van de watertoets volgt de normale procedure. Derhalve is waterschap Vechtstromen gevraagd om advies uit te brengen.
Op 17 juni 2022 heeft het waterschap een reactie gegeven op het plan. De reactie van het waterschap luidt als volgt: In dit geval gaat het om een herontwikkeling. De hoeveelheid verhard oppervlak lijkt af te nemen. In het algemeen hanteert het waterschap voor herontwikkelingen een bergingsopgave voor hemelwater van 20 mm voor het verhard oppervlak (voor nieuwe ontwikkeling bedraagt dat 55 mm). Dat kan via verschillende methoden, bijvoorbeeld: 1.
Berging op plat dak, eventueel gecombineerd met begroeiing (“groenblauw” dak);
2.
Infiltratie via groenvoorziening of via half-verharding;
3.
Aanleg infiltratiekratten onder de verharding.
Daarnaast dient het overtollige hemelwater gescheiden van het afvalwater aan de gemeente te worden aangeboden. Mogelijk dat de gemeente hier nog een gemengd stelsel heeft, maar in de toekomst zal dat gescheiden zijn en wordt hemelwater via een apart stelsel afgevoerd. Verder dient de begane grond vloer minimaal 30 cm boven het niveau van de openbare weg te liggen.
Als gevolg van het bouwplan neemt de bebouwde oppervlakte in het plangebied af. Het plangebied is in de huidige situatie nagenoeg volledig verhard. Als gevolg van het plan wordt er circa 330 m2 aan groen teruggebracht. Op het parkeerterrein wordt groen aangebracht en tevens dient de bestaande groengordel tussen de parkeerplaats en de woonhof aan de Kloppenstraat behouden te worden. Het hemelwater kan op de aangebrachte groenstroken infiltreren in de bodem.
Onder het parkeerterrein worden infiltratiekoffers geplaatst om het hemelwater op te vangen. Op dit moment is de definitieve bergingseis van het plan nog niet bepaald. Om te borgen dat er aan de verplichte waterberging wordt voldaan is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. In de algemene bouwregels regels is een voorwaardelijke verplichting voor de waterberging opgenomen. De voorwaardelijke verplichting luidt: een omgevingsvergunning voor het bouwen van het hoofdgebouw kan uitsluitend worden verleend indien voor de opvang en het bufferen van hemelwater bij nieuwbouw op het eigen terrein minimaal 20 mm van het totaal aanwezige afvoerend oppervlak (grondgebonden verharding en daken) aan bergingscapaciteit gerealiseerd wordt. Concreet betekent dit dat om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd moet worden.
Daarnaast zal de initiatiefnemer onder de parkeerplaats infiltratiekratten aanbrengen zodat het hemelwater kan infiltreren.
22
AANMELDNOTITIE M.E.R. GRONAUSESTRAAT 199 LOSSER
Ten aanzien van de afvoer van huishoudelijk afvalwater zal het appartementengebouw aansluiten op de bestaande gemengde riolering (GWA).
01.3.1.8
Conclusie
In deze aanmeldingsnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.- (beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest.
Hoogachtend,
Ad Fontem BV, T. Boswerger
23
AANMELDNOTITIE M.E.R. GRONAUSESTRAAT 199 LOSSER
Ad Fontem ruimtelijk advies
074 255 7020
Stationsstraat 337
info@ad-fontem.nl
247622 LW Borne
www.ad-fontem.nl
Bijlage 3
Verkennend (asbest)bodemonderzoek
bestemmingsplan Bestemmingsplan Losser dorp, partiële herziening Gronausestraat 199 NL.IMRO.0168.01BP001PH18-0401
82
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Gronausestraat 199 - Losser
Opdrachtgever Ad Fontem
Locatie: Gronausestraat 199 7581 CS Losser
November 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Gronausestraat 199 - Losser
Opdrachtgever Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne
Locatie: Gronausestraat 199 7581 CS Losser
Projectcode: 21051716
Rapportagedatum: 19 november 2021
Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses
9 9 9 12 13 13
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
14
6
Literatuur en bronvermelding
16
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, november 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terrein aan de Gronausestraat 199 te Losser door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van 11 appartementen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een vetvangput aanwezig is. Deze wordt als een verdachte deellocatie beschouwd. De bovengrond van de onderzoekslocatie wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie wordt beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in oktober en november 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever.
In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 1 van 16
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Gronausestraat 199, in het zuidelijke deel van de bebouwde kom van Losser. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RDcoördinaten x = 265.815 en y = 475.300. De locatie is kadastraal bekend als: gemeente Losser, sectie N, nummers 3724, 2168, 3612, 3613, 3615, 3650, 3721, 3725 en 3723. De Gronausestraat bevindt zich ten westen van de onderzoekslocatie en de Smalstraat ten zuiden. Bebouwing en verharding Op het terrein is een voormalig horecabedrijf aanwezig. De onderzoekslocatie is grotendeels bebouwd met een te slopen horecapand. Inpandig zijn betonvloeren aanwezig. Het onbebouwde terrein is verhard met klinkers en tegels en is in gebruik als parkeerplaats (circa 700 m2). Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning. De onderzoekslocatie is grotendeels bebouwd en verhard en omvat 1969 m². Op het noordwestelijke deel van de onderzoekslcoatie is een vetafscheider met een controleput aanwezig. Deze wordt als verdachte deellocatie beschouwd (deellocatie A). In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van november 2021 opgenomen.
Vooronderzoek In het vooronderzoek komt, naast informatie uit het huidige gebruik, het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de gemeente Losser. Daarbij is de volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (horeca) bestemming. Het te slopen pand dateert oorspronkelijk van 1905 (bron: BAG viewer); - in het verleden was partycentrum Schorfhaar gevestigd op de locatie. Het bedrijf is overgenomen door een chinees restaurant. De horecagelegenheid heeft sinds 1 augustus 2021 zijn deuren gesloten; - voor de horecagelegenheid (Restaurant Orchidee) is op 16 april 2012 een veranderingsmelding Activiteitenbesluit op grond van de Wet Milieubeheer gedaan; - voor zover bekend is er op de huidige onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. Op circa 25 meter ten noorden van de huidige onderzoekslocatie zijn aan de Gronausestraat 189 een ondergrondse HBO-tank en ondergrondse dieseltank aanwezig geweest. Deze tanks zijn gesaneerd.
Er is geen restverontreiniging achtergebleven; - de onderzoekslocatie is, met uitzondering van de vetafscheider, voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. Op circa 25 meter ten noordwesten van de huidige onderzoekslocatie, aan de Gronausestraat 189, zijn een autoreparatiebedrijf, laad-, los-, op- en overslagbedrijf (goederen) en een transportbedrijf aanwezig geweest. Een ernstige grond- en grondwaterverontreinigingen is gesaneerd in 2007/2008 (beschikking BUS-evaluatie 21 okt 2008 met kenmerk 2008/0148088). Er is geen restverontreiniging achtergebleven, er is geen zorgplicht en er hoeft geen monitoring plaats te vinden; Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 2 van 16
- voor zover bekend is het te onderzoeken terrein in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - er hebben niet eerder bodemonderzoeken op de huidige onderzoekslocatie plaatsgevonden. Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich circa 34 meter boven NAP. - De locatie bevindt zich enkele kilometers ten oosten van de stuwwal Oldenzaal. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de Formatie van Twente. Deze laag is ter plaatse bijna 5 meter dik. Het doorlatend vermogen ter plekke van de onderzoekslocatie wordt geschat op ongeveer 5 - 25 m²/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich circa 2.0 meter onder het maaiveld. Het grondwater stroomt in oostelijke richting met een verhang van 3 tot 4 m/km. - Het waterwingebied Enschede-Losser ligt op circa 800 meter ten noordwesten van het de onderzoekslocatie. - Op circa 530 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie stroomt de Dinkel.
- De invloed van het waterwingebied en de Dinkel op het freatische grondwater is bij ons bureau onbekend.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 3 van 16
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In de normen NEN5740 en NEN5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Nieuwbouwlocatie (1969 m2) De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), en asbestverdacht uit norm NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor de onderzoekslocatie gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Ter plekke van de betonverharding worden, in afwijking van de richtlijnen, betonboringen van 120 mm verricht.
Er wordt mogelijk een geringe negatieve invloed op de analyseresultaten verwacht als gevolg van deze afwijking op de richtlijnen. Tijdens het veldwerk kan de bodem onder het beton minder goed beoordeeld worden, waardoor de resultaten van het asbestonderzoek onder het beton als indicatief dienen te worden beschouwd. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Deellocatie A: Vetvangpunt/vetafscheiders (circa 10 m2) Het voormalig restaurant heeft een vetvangpunt/vetafscheider in de afvoerleiding van het afvalwater uit de keuken, omdat dat water niet zomaar op de riolering mag worden geloosd. Deze deellocatie wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van chemische componenten De onderzoeksstrategie op deze verdachte deellocatie is gebaseerd op de NEN5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 4 van 16
mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Nieuwbouwlocatie (1969 m2) Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 1969 m² worden in totaal 11 inspectiegaten verricht met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter (er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld). Ter plekke van het beton worden de gaten vervangen door boringen van 120 mm doorsnede. Het opgegraven en opgeboorde materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezig-heid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven.
De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Drie inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis (PB 1). Deellocatie A: Vetvangpunt/vetafscheiders (circa 10 m2) Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 10 m² worden in totaal 2 boringen verricht (gecodeerd als A1 en A2) tot 2.0 meter diepte. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis (PB A1). Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek.
Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 5 grondmengmonsters samengesteld (waarvan 2 mengmonsters van de fijne fractie) en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 5 van 16
Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket Nieuwbouwlocatie (1969 m2)
Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Bovengrond (2x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie A: Vetvangpunt/vetafscheiders
Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 6 van 16
Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 15 januari 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. Toetsing asbestanalyses De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS).
Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 7 van 16
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 8 van 16
4
Resultaten Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in oktober en november 2021 uitgevoerd door de heren R. Veltmaat en N. Pepping. Deze veldwerker is conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 29 oktober 2021, ten behoeve van het plaatsen van de peilbuizen, twee boringen verricht met behulp van een Edelmanboor. Er zijn geen grondmonsters genomen uit boring 1 en A1 in verband met de conserveringstermijn van enkele te onderzoeken parameters. Boring 1 en A1 zijn op een later tijdstip opnieuw geplaatst voor het nemen van grondmonsters (1A en A1A). Nieuwbouwlocatie (1969 m2) Op 5 november 2021 zijn in totaal 11 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop: inspectiegaten 2 tot en met 16). Boring 1A en de inspectiegaten 2 en 3 zijn met behulp van een Edelmanboor verdiept tot circa 2.0 m-mv of tot het grondwaterniveau. De boringen 2 tot en met 6 zijn inpandig in de betonvloer verricht (diameter 120 mm).
Onder de betonvloer is de bovenen ondergrond plaatselijk puin- en kolengruishoudend. Deellocatie A: Vetvangpunt/vetafscheiders Op 5 november 2021 zijn in totaal 2 boringen tot maximaal 2.0 m-mv gegraven. De boringen zijn gecodeerd als A1A en A2. Ter plekke is zintuiglijk geen verontreiniging aangetroffen (geen oliegeur, geen olie/water-reactie). Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van klinkers, tegels en beton, niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld waargenomen. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit matig fijn, zwak siltig tot zeer grof zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn weergegeven in tabel 2.
Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem aangetroffen.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 9 van 16
Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming Nieuwbouwlocatie (1969 m2)
1
0.15 - 0.35
Matig puinhoudend en sporen kolengruis
1A
0.15 - 0.35
Matig puinhoudend en sporen kolengruis
2
0.13 - 0.6
Sporen puin
3
0.14 - 0.3
Sporen puin
4
0.12 - 0.8
Zwak puinhoudend en sporen kolengruis
5
0.5 - 0.8
Sporen puin
6
0.13 - 0.7
Zwak puinhoudend en sporen kolengruis
7
0.3 - 0.5
Sporen puin
8
0.25 - 0.5
Sporen puin
9
0.3 - 1.0
Matig puinhoudend en sporen kolengruis
10
0.25 - 0.75 0.75 - 1.7
Zwak puinhoudend en sporen kolengruis Sporen puin
11
0.15 - 1.3
Sporen puin Deellocatie A: Vetvangpunt/vetafscheiders
A1
0.25 - 0.7
Sporen puin
A1A
0.25 - 0.7
Sporen puin
A2
0.3 - 0.9
Sporen baksteen en sporen kolengruis
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. In overleg met de opdrachtgever is één extra mengmonster van de fijne fractie samengesteld omdat sporen puinhoudende monsters niet gemengd mogen worden met matig puinhoudende monsters. En om inpandige boringen niet met uitpandige gaten te mengen. Tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Nieuwbouwlocatie (1969 m2) BG I (matig puin/ sporen kolengruis)
1A 4 6 9 10
0.15 - 0.35 0.12 - 0.6 0.13 - 0.65 0.3 - 0.8 0.25 - 0.75
NEN5740standaardpakket
BG II (sporen puin)
5 7 8 11
0.5 - 0.8 0.3 - 0.5 0.25 - 0.5 0.15 - 0.6
NEN5740standaardpakket
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 10 van 16
Vervolg tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
OG (visueel schoon)
1A 1A 2 2 3 3 3
0.8 - 1.3 1.3 - 1.6 0.6 - 1.1 1.6 - 2.0 0.8 - 1.1 1.1 - 1.6 1.8 - 2.2
NEN5740standaardpakket
MM FF - 01 (zwak/matig puin uitpandige gaten)
1A 9 10
0.15 - 0.35 0.3 - 0.6 0.25 - 0.75
Asbest
MM FF - 02 (sporen/zwak puin uitpandige gaten)
7 8 11
0.3 - 0.5 0.25 - 0.5 0.15 - 0.6
Asbest
MM FF - 03 (sporen puin inpandige boringen)
2 3 4 5 6
0.13 - 0.6 0.14 - 0.3 0.12 - 0.8 0.5 - 0.8 0.13 - 0.7
Asbest
Deellocatie A: Vetvangpunt/vetafscheiders A - OG
A1A A2
1.2 - 1.6 0.9 - 1.4
NEN5740standaardpakket
De boringen 1 en A1 zijn doorgezet tot 3.10 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om de PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van de filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom de filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemel-water in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 5 november 2021 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU)
PB 1
2.10 - 3.10
1.70
7.6
390
9.0
Goed
PB A1
2.10 - 3.10
1.85
8.0
570
5.0
Goed
De waarden voor de pH worden als licht verhoogd beschouwd. De waarden voor de EC en de troebelheid worden als normaal geacht. Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 11 van 16
Resultaten en toetsing van de chemische analyses In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG I en BG II) het grondwater (PB 1 en PB A1) zijn (zeer) lichte verontreiniging gemeten, deze zijn weergegeven in tabel 5. In de ondergrond (OG en A - OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
Nieuwbouwlocatie (1969 m2)
1
BG I
Kwik Lood Zink Minerale olie PAK
0.2 47 110 60 8.5
0.2819 * 72.24 * 246 * 272.7 * 8.475 *
0.15 50 140 190 1.5
36 530 720 5000 40
BG II
Koper Lood Zink PAK
21 67 100 2.2
40.65 * 101.7 * 215.4 * 2.214 *
40 50 140 1.5
190 530 720 40
PB 1
Barium
150
150 *
50
625
PB A1
Barium
79
79 *
50
625
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 12 van 16
Bespreking resultaten chemische analyses Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, is zijn er een lichte verontreiniging in het grondwater aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Bovengrond - BG I en BG II - Koper, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen en PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor de (zeer) licht verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin en kolengruis). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - PB 1 en PB A1 - Barium De (zeer) licht verhoogde bariumgehalten in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn roesten oerhoudende lagen aangetroffen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk. Resultaten asbestanalyses In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In de fijne fractie van mengmonster MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03 is geen asbest aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 21061716
Pagina 13 van 16