2023-83 Raadsinfo Inkomenseffect Rapportage 2023
Tekst van het document
INKOMENSEFFECT RAPPORTAGE MET SCENARIO’S GEMEENTE LOSSER 2023
Gemeente Losser
Versie 0.2
Inkomenseffect Rapportage met scenario’s Gemeente Losser 2023 Een onderzoek naar de effecten van het armoedebeleid op de inkomenspositie van minimahuishoudens in de gemeente Losser. Inclusief 4 mogelijke beleidsscenario’s doorgerekend.
Colofon Opdrachtgever Gemee nte Losser Datum Augustus 2023 Auteurs Tessa Schoot Uiterkamp Jitske Koo istra - van der Wijk Aniete Boer KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is eee uitgave van KWIZ B.V.. H et ovememen van cijfers en I o f teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en I of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ B.V.. 1
Gemeente Losser
Versie 0.2
Inhoudsopgave Inleiding................................................................................................................................................. 2 1. Onderzoeksmethodiek.....................................................................................................................3 1.1. Huishoudens en inkomensgrenzen......................................................................................... 3 1.2. Inkomensbronnen......................................................................................................................3 1.3. Gemeentelijke minimaregelingen............................................................................................ 3 1.4. Uitgaven......................................................................................................................................4 1.5. Vrije bestedingen.......................................................................................................................4 1.6. Aannames...................................................................................................................................5 1.7. Tegemoetkoming in de energiekosten....................................................................................5 2.
De inkomenseffecten........................................................................................................................ 6 2.1. Effect van het landelijk beleid groter dan van gemeentelijk beleid...................................... 6 2.2. Opbouw maandelijkse gemeentelijke bijdragen op 1000Zo Wsm.......................................... 7 2.3. De gemeentelijke bijdragen zorgen voor (meer) vrij besteedbaar budget...........................8 2.4. Werken vanuit de bijstand loont..............................................................................................12 3. Bevindingen inkomenseffecten..................................................................................................... 15 4. Scenarioanalyse............................................................................................................................. 17 4.1. Scenario 1: maandbegroting zonder de energietoeslag...................................................... 17 4.2. Scenario 2: verruimen inkomensgrens voor de Meedoenregeling..................................... 19 4.3. Scenario 3: verruimen inkomensgrens en verhogen budget Meedoenregeling................22 4.4. Scenario 4: verruiming inkomensgrens bijzondere bijstand................................................25 4.5.
Kanttekeningen........................................................................................................................27 Bijlage 1. Overzicht minimaregelingen............................................................................................. 28 Bijlage 2. Opbouw totaal inkomen 100 tot 130o7o Wsm..................................................................30 Bijlage 3. Financieel maandoverzicht................................................................................................32
1
Gemeente Losser
Versie 0.2
Inleiding De gemeente Losser heeft een breed pakket aan gemeentelijke minimaregelingen en is benieuwd naar het effect van deze regelingen op de inkomens van minimahuishoudens. Tevens is de gemeente geïnteresseerd in de effecten van de landelijke toeslagen en hoe dit gezamenlijk met de lokale regelingen doorwerkt op de inkomens van minima, vanuit de visie dat iedereen voldoende budget moet hebben om rond te komen. De centrale onderzoeksvraag luidt: wat zijn de effecten van het landelijke en lokale beleid op de inkomens van de minima en in welke situatie(s) treedt er een armoedeval op? De Inkomenseffect Rapportage biedt inzicht in de actuele financiële positie van minimahuishoudens en in de mate waarin het huidige (lokale) beleid een bijdrage daaraan levert. De centrale onderzoeksvraag valt uiteen in de volgende deelvragen: ^ Hoe hoog is de maximale bijdrage van de gemeente en van het Rijk voor minimahuishoudens? • Hoeveel geld houden minimahuishoudens per maand over (of komen zij tekort) voor het doen van vrije bestedingen? ^ Wat is het financiële effect van inkomensverhoging door vanuit de bijstand aan het werk te gaan: is er sprake van een armoedeval? Scenario’s In deze rapportage is ook een viertal mogelijke beleidsscenario’s doorgerekend. Deze scenario’s zijn in overleg met de gemeente opgesteld en betreffen mogelijke beleidswijzigingen die kunnen worden doorgevoerd.
Per scenario kijken we wat de effecten zijn op de inkomens van minimahuishoudens en/of geven we een inschatting van de kosten voor de gemeente. De achterliggende berekeningen voor de scenario’s zijn gebaseerd op de begrotingen zoals opgesteld voor de Inkomenseffect Rapportage. Daarnaast is voor sommige scenario’s informatie over het gebruik van de regelingen uit de Armoedemonitor 2022 gehaald, die KWIZ voor de gemeente heeft opgesteld. Opzet van het onderzoek We berekenen voor zes verschillende huishoudtypen met vijf verschillende inkomensniveaus (van 100 tot 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum, en voor langdurige minimahuishoudens) hoeveel zij maandelijks aan gemeentelijke regelingen en landelijke toeslagen kunnen ontvangen en geven inzicht in de effect van inkomensstijging. Daarvoor is per huishoudtype een overzicht van de inkomsten en uitgaven per maand gemaakt. Met behulp van landelijke inkomensnormen, landelijke toeslagen en informatie over gemeentelijke regelingen is per huishoudtype het inkomen bepaald. Voor de vaste uitgaven is uitgegaan van cijfers en normen van het Nibud1. Voor de andere uitgaven is waar mogelijk gebruikgemaakt van lokale tarieven (zoals huur en waterschapsbelasting). Tenslotte worden de gemeentelijke regelingen omgezet in een maandbedrag. Op die manier ontstaat per huishoudtype een overzicht van de inkomsten en uitgaven per maand.
Leeswijzer In hoofdstuk 1 wordt de onderzoeksmethodiek nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 2 de inkomenseffecten van zowel de landelijke als de lokale inkomensondersteunende regelingen beschreven. In hoofdstuk 3 benoemen we de belangrijkste inkomenseffecten. In hoofdstuk 4 komen de scenario’s aan bod. In bijlage 1 staat een overzicht met de minimaregelingen in de gemeente Losser en de daar bijbehorende voorwaarden en bedragen. In bijlage 2 staat per huishoudtype de opbouw van het totale inkomen bij een inkomensniveau tussen de 100 en 130 procent Wsm. In de laatste bijlage, bijlage 3, staat het financieel maandoverzicht per huishoudtype weergegeven.
1 Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting die informeert en adviseert over financiën van huishoudens.
2
Gemeente Losser
Versie 0.2
1. Onderzoeksmethodiek In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de verschillende inkomsten en uitgaven die worden onderscheiden voor de Inkomenseffect rapportage.
1.1. Huishoudens en inkomensgrenzen We berekenen de inkomenseffecten van het lokale en landelijke beleid in 2023 voor de volgende 6 huishoudtypen: Niet AOW-gerechtigden: ^ alleenstaande; • paar zonder kinderen; ^ alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar) ^ paar (twee volwassenen) met twee kinderen (8 en 13 jaar). AOW-gerechtigden: ^ alleenstaande; • paar (twee volwassenen). We brengen de inkomenseffecten in beeld voor huishoudens met inkomens van 100, 110, 120 en 130 procent Wsm. Daarnaast berekenen we de inkomenseffecten voor huishoudens die al langer dan drie jaar een inkomen van 100 procent Wsm hebben (langdurige minima).
1.2. Inkomensbronnen Het totaal inkomen van de minimahuishoudens is opgebouwd uit het netto-inkomen, de gemeentelijke regelingen en diverse toeslagen van het Rijk. Specifiek gaat het om de volgende categorieën: ^ •
•
netto-inkomen inclusief vakantietoeslag2; bijdrage Rijk: o huurtoeslag; o zorgtoeslag o kinderbijslag; o kindgebonden budget; o combinatiekorting. gemeentelijke minimaregelingen.
1.3. Gemeentelijke minimaregelingen In de onderstaande tabel volgt een overzicht van de gemeentelijke minimaregelingen in 2023. In bijlage 1 worden deze regelingen nader gespecificeerd. Tabel 1.3.1 Gemeentelijke minimaregelingen in Losser Regelingen Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Collectieve zorgverzekering Individuele inkomenstoeslag Meedoenregeling Stichting Leergeld Losser Energietoeslag 2023
Inkomensgrens 100/ Wsm 130/ Wsm Drie jaar of langer 101 /o Wsm 110/ Wsm 140/ Wsm3 120/ Wsm4
2 Het betreft de uitkeringsbedragen per 01-01-2023. 3 Ten tijde van het onderzoek was de inkomensgrens voor Stichting Leergeld tijdelijk verhoogd naar 140 procent Wsm. Kort na oplevering van deze rapportage is de inkomensgrens vastgesteld op 130 procent Wsm. Doordat in de huidige rapportage geen voorbeeldhuishoudens tot 140 procent Wsm zijn opgenomen, heeft deze wijziging geen invloed op de inkomenseffecten zoals die zijn beschreven. 4 Onder voorbehoud van beleidswijzigingen.
3
Gemeente Losser
Versie 0.2
Niet meegenomen in berekeningen: Bijzondere bijstand Individuele Studietoeslag Verjaardagsbox Losser
1100Zo Wsm Afhankelijk van de situatie 14007o Wsm
Niet meegenomen regelingen Een aantal regelingen wordt niet meegenomen in de berekeningen en begrotingen. In de meeste gevallen gaat het om een regeling die incidenteel wordt verstrekt of een beperkte doelgroep heeft. Hieronder staat beschreven wat de precieze reden is dat de regeling niet is meegenomen. ^ De bijzondere bijstand is niet meegenomen in de berekeningen omdat deze vorm van bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke onvermijdbare individuele uitgaven en dit niet maandelijks bij iedereen voorkomt. ^ De individuele studietoeslag is eveneens niet doorgerekend in de financiële overzichten. Deze regeling kent een specifieke doelgroep; studenten met een lichamelijke of psychische beperking, die niet in staat zijn naast hun te studie werken. In deze Inkomenseffect rapportage is geen huishouden opgenomen waarbij deze regeling van toepassing is. ^ De Verjaardagsbox Losser is niet meegenomen in de rapportage. Vanuit De Verjaardagsbox Losser krijgen jarige kinderen een verjaardagsbox met versiering, traktaties voor school en thuis en een cadeau. Bij deze regeling wordt er geen geldelijke vergoeding uitgekeerd aan de doelgroep.
1.4. Uitgaven De uitgaven zijn gecategoriseerd naar: ^ vaste lasten. Dit zijn uitgaven die regelmatig terugkomen. Voorbeelden zijn huur, energiekosten5 (zie ook paragraaf 1.7) en verzekeringen; ^ reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet regelmatig voorkomen en waarvan de hoogte vooraf niet bekend is. Er moet in principe een bedrag voor gereserveerd worden. Voorbeelden zijn kosten voor inventaris, kleding en het eigen risico voor de zorgverzekering; ^ huishoudelijke uitgaven. Dit zijn terugkerende uitgaven aan voeding, persoonlijke verzorging en dergelijke; ^ werkgelerateerde uitgaven. Dit zijn uitgaven die gemaakt worden als een persoon werkt. Voorbeelden zijn de kosten van woon-werkverkeer en werkkleding. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de huur en lokale heffingen. De andere bedragen zijn gebaseerd op landelijke berekeningen van het Nibud. De normbedragen staan per huishoudtype in het financieel maandoverzicht in de bijlage. We benadrukken dat het bij alle posten gaat om de basale uitgaven en dat de normbedragen gemiddelden betreffen. Het is mogelijk dat een huishouden maandelijks meer of minder uitgeeft dan de normbedragen waarmee in deze rapportage wordt gerekend, bijvoorbeeld omdat het huishouden een ander bedrag per maand reserveert voor onregelmatige uitgaven.
1.5. Vrije bestedingen Het budget dat overblijft is vrij besteedbaar en kan worden uitgegeven aan sociale en recreatieve activiteiten. Voor deze vrije bestedingen hanteert het Nibud per huishoudtype eveneens een normbedrag, dat is terug te vinden in de begrotingen in bijlage 3.
5 Kosten gas en elektriciteit zijn gebaseerd op tarieven van Mega (EU groene stroom en aardgas, 1 jaar vast), De kosten voor water zijn gebaseerd op de tarieven van Oasen. Gegevens over het gemiddelde gebruik per huishoudtype zijn afkomstig van het Nibud (water).
4
Gemeente Losser
Versie 0.2
1.6. Aannames Voor de inkomsten en uitgaven doen we de volgende aannames: ^ De huishoudens maken van alle beschikbare regelingen gebruik en ontvangen daarvoor het maximale bedrag. De ervaring uit de praktijk is echter vaak dat huishoudens van een (uiteenlopend) aantal regelingen, en niet alle regelingen, gebruikmaken. In werkelijkheid valt het vrij besteedbare budget waarschijnlijk vaak lager uit, dan weergegeven in deze rapportage. Daarnaast doen we de aanname dat huishoudens geen schulden hebben. ^ Bij de inkomenseffecten wordt uitgegaan van gemiddelden. Dit betekent ook dat een ongunstige situatie, bijvoorbeeld een hogere huurprijs of een slecht geïsoleerd huis, direct gevolgen kan hebben voor de inkomenseffecten zoals in dit rapport zijn weergegeven. ^ Iedereen woont in een huurwoning. We gaan uit van C 582 kale huur per maand voor een alleenstaande en C 644 kale huur per maand voor een meerpersoonshuishouden. Deze bedragen zijn gebaseerd op huurtoeslaggegevens van de Rijksoverheid over de gemeente Losser. ^ Alleenstaande ouders met een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm werken niet of zitten in een traject waarbij de kinderopvang wordt vergoed. We gaan ervan uit dat alleenstaande ouders met inkomens tegen 110 en 120 procent Wsm gebruik maken van twee dagdelen van 4 uur BSO per week.
Alleenstaande ouders met een inkomen van 130 procent Wsm maken gebruik van drie dagdelen BSO per week. Dit alles tegen een tarief van C 8,73 (gemiddeld uurtarief in 2023). ^ Bij een paar met twee kinderen en een inkomen hoger dan 100 procent Wsm werkt slechts één van beide partners. Anders is het huishoudinkomen hoger. Daarom gaan we er vanuit dat deze huishoudens geen kinderopvang nodig hebben omdat één van beide partners thuis is voor de kinderen. Dit is eveneens waarom een paar met kinderen geen combinatiekorting krijgt bij werkaanvaarding. • Huishoudens in de bijstand werken niet, en hebben daarom geen werkgerelateerde kosten. Bij een inkomen vanaf 110 procent Wsm werkt één persoon in het huishouden, en is er wel sprake van deze kosten. ^ De gemeente Losser biedt via Menzis drie collectieve zorgverzekeringpakketten aan. De meeste minima hebben het meest uitgebreide pakket afgesloten (pakket 3, het eigen risico is meeverzekerd in dit pakket). Deze premie wordt daarom doorgerekend in de begrotingen. • Kinderen van 4 tot 18 jaar kunnen vanuit Stichting Leergeld per jaar een bedrag ontvangen voor onderwijs, sport, cultuur en welzijn. Voor sport kan een kind maximaal C 250 ontvangen, voor cultuur C 400. Daarnaast kunnen kinderen van 12 en 13 jaar die naar het voortgezet onderwijs gaan een tas met schoolspullen ontvangen ter waarde van C 100.
In de begrotingen gaan we ervan uit dat er in gezinnen met twee kinderen, één kind gebruik maakt van de vergoeding voor sport en één kind van de vergoeding voor cultuur. Daarbij maakt het kind van 13 jaar gebruik van de schoolspullentas. • We specificeren één apart huishoudtype dat langdurig afhankelijk is van een minimuminkomen tot 100 procent Wsm. Voor de overige huishoudens gaan we er vanuit dat zij korter dan drie jaar een laag inkomen hebben en daardoor geen recht hebben op de individuele inkomenstoeslag.
1.7. Tegemoetkoming in de energiekosten Wegens sterk stijgende energiekosten heeft het Rijk in 2022 een energietoeslag geïntroduceerd. Hiervoor is een bedrag van C 1.300 per huishouden gereserveerd waarbij de gemeente de precieze beleidskaders zelf mag vaststellen. In 2023 wordt de energietoeslag opnieuw uitgekeerd aan minimahuishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Het is belangrijk om hierbij te realiseren dat deze toeslag geen blijvende vergoeding is. In de figuren is te zien dat de invloed van de energietoeslag relatief groot is (C 108 per maand). Op het moment dat de energietoeslag wegvalt, kan dat beduidende invloed hebben voor de inkomenssituatie van de huishoudens.
5
Gemeente Losser
Versie 0.2
2. De inkomenseffecten In dit hoofdstuk staan de inkomenseffecten.
2.1. Effect van het landelijk beleid groter dan van gemeentelijk beleid Minima met een inkomen op bijstandsniveau maken aanspraak op landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Het totale bedrag uit de landelijke toeslagen (zoals huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag, kindgebonden budget en mogelijk de combinatiekorting) is groter dan het totale bedrag uit de gemeentelijke regelingen. In figuur 2.1.1. is de opbouw van het maandelijks totaal inkomen bij een inkomen van 100 procent Wsm per huishoudtype weergegeven. Omdat de aanname is gedaan dat deze huishoudens kortdurend minima zijn hebben is de individuele toeslag niet meegenomen in de gemeentelijke bijdragen. Te zien is dat huishoudens met kinderen een hoger bedrag aan landelijke toeslagen kunnen ontvangen dan huishoudens zonder kinderen. Het verschil in hoogte is toe te schrijven aan de verschillende kindregelingen waar gezinnen recht hebben, zoals het kindgebonden budget of de kinderbijslag. Bij de gemeentelijke bijdragen is het verschil minder groot. Als voorbeeld: een alleenstaande ontvangt maandelijks C 1.196 aan bijstandsuitkering (inclusief vakantietoeslag). Als hij gebruikmaakt van alle landelijke toeslagen, ontvangt hij daar maandelijks C 465 voor.
Daarnaast kan hij maximaal C 200 aan gemeentelijke regelingen ontvangen als hij gebruikmaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, de collectieve zorgverzekering, de Meedoenregeling en de energietoeslag. Figuur 2.1.1. Maandelijks inkomen op 1000Zo Wsm, per huishoudtype
Maandelijkse bijdragen ■ Uitkering
«Toeslagen Rijk
«Bijdrage gemeente
f 3.500
f 336
f 3.000 f 273 f 2.500
f 274
f 274 f 1.141 f 200
f 1.351
f 200 f 1.500
f 619
f 616
f 2.000
f 466 f 465
f 1.000 f 1.708 f 500
f 1.196
f 1.807
f 1.708 f 1.331
f 1.196
f0 Alleenstaande Paar zonder Alleenstaande kinderen ouder met kinderen
6
Paar met kinderen
Alleenstaande AOW-leeftijd
Paar AOWleeftijd
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.2. Opbouw maandelijkse gemeentelijke bijdragen op 100oZo Wsm Uit de vorige paragraaf blijkt dat de (maximale) maandelijkse gemeentelijke bijdrage verschilt per huishoudtype. In figuur 2.2.1. is de opbouw van het totale bedrag aan gemeentelijke regelingen per huishoudtype weergegeven voor minima met een inkomen van 100 procent Wsm. Bij de opbouw van de maandelijkse gemeentelijke bijdrage geven we ook de individuele inkomenstoeslag weer waar minima die drie jaar of langer van een minimuminkomen tot 101 procent Wsm moeten rondkomen, recht op hebben. Als voorbeeld: een alleenstaande ouder ontvangt maandelijks (maximaal) C 39 voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, C 38 korting vanuit de collectieve zorgverzekering, C 25 voor de meedoenregeling, C 63 vanuit Stichting Leergeld en C 108 als energietoeslag vanuit de gemeente. In totaal ontvangt hij dan C 273 per maand vanuit de gemeentelijke regelingen. Als hij al drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, krijgt hij daar bovenop C 43 voor de individuele inkomenstoeslag. Bij een langdurig minimuminkomen ontvangt hij C 317 als gemeentelijke bijdrage. Figuur 2.2.1. Maandelijks bedrag per regeling op 1000Zo Wsm, per huishoudtype
Maandelijkse gemeentelijke bijdragen ■ Kwijtschelding
■Collectieve Zorgverzekering bMeedoenregeling
■ Stichting Leergeld
«Energietoeslag
tj Individuele inkomenstoeslag
f 400
f 350
f 300 f 108 f 250 f 108
f 108
f 108
f 200
f 150
f 63
f 108
f 50
f 100 f 25 f 50
f 50
f 108
f 50
f 76
f 25
f 76
f 25 f 76 f 38
f 38 f 29
f 63
f 39
f 38
f 39
f 39
f 29
f 39
Paar met kinderen
Alleenstaande AOW-leeftijd
Paar AOWleeftijd
f0 Alleenstaande Paar zonder Alleenstaande kinderen ouder met kinderen
7
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.3. De gemeentelijke bijdragen zorgen voor (meer) vrij besteedbaar budget Alle minimahuishoudens houden door de gemeentelijke regelingen (meer) geld over voor het doen van vrije bestedingen (bedoeld voor sociale participatie). Dit is het bedrag dat maandelijks overblijft na aftrek van alle vaste lasten, huishoudelijke uitgaven en reserveringsuitgaven (zie kader). Hoeveel een huishouden daarvoor over houdt, én hoeveel iemand daarvoor nodig heeft, verschilt per huishouden en inkomenshoogte. Een paar met kinderen zal daar gemiddeld meer aan (willen) uitgeven dan een alleenstaande. Het Nibud hanteert een normbedrag voor het vrij besteedbaar budget, dit is het bedrag dat een huishouden nodig heeft voor dergelijke uitgaven. Deze staan ook in de figuur. Uiteraard zal iemand die nauwelijks geld meer over heeft, dat niet per definitie daaraan besteden. Duiding vrij besteedbaar budget Het vrij besteedbaar budget is bedoeld voor sociale participatie (een krant, abonnement, dagje uit, op bezoek gaan et cetera). Dat huishoudens in de plus staan betekent niet direct dat huishoudens ook op een minimaal niveau sociaal kunnen participeren. Een alleenstaande zonder kinderen heeft volgens het Nibud C 110 nodig voor minimale sociale participatie (zie bijlage 3). In Figuur 2.3.1.
is te zien dat er op bijstandsniveau zonder de gemeentelijke bijdragen niet voldoende budget is voor vrije bestedingen, een alleenstaande heeft dan namelijk een budget van C 64. Indien de alleenstaande gebruik maakt van alle gemeentelijke regelingen is er (C 64 + C 200 ^ C 264 beschikbaar voor vrije bestedingen. Een alleenstaande zonder kinderen heeft dan voldoende budget voor sociale participatie. In de volgende figuren staat per huishoudtype het budget dat zij overhouden voor vrije bestedingen weergegeven, opgesplitst in wat zij zonder de gemeentelijke regelingen zouden overhouden en wat de gemeentelijke regelingen toevoegen aan het vrij besteedbaar budget. De meeste huishoudtypen houden bij ieder hoger inkomen ook telkens een groter bedrag over voor het doen van vrije bestedingen.
8
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.3.1. Minimahuishoudens zonder kinderen Alleenstaanden hebben bij ieder inkomen voldoende budget voor het doen van vrije bestedingen als zij gebruikmaken van alle gemeentelijke regelingen. Minimahuishoudens zonder kinderen zijn bij een inkomen van 100 en 110 procent Wsm wel degelijk afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor sociale participatie te hebben. Wanneer zij de regelingen niet gebruiken, houden zij weliswaar geld over voor sociale participatie (resp. C 64 en C 114 per maand) maar dit is lager dan de Nibudnorm van C 110 voor vrije bestedingen. Bij een inkomen van 120 en 130 procent Wsm houden alleenstaanden ook zonder gemeentelijke regelingen voldoende geld over voor het doen van vrije bestedingen. Tenslotte valt op dat alleenstaanden bij een inkomen van 130 procent Wsm C 3 minder vrij te besteden hebben dan bij een inkomen van 120 procent Wsm. Dit komt met name door het wegvallen van de energietoeslag; de stijging in loon kan dit niet compenseren. Ook voor paren zonder kinderen geldt dat zij zonder gemeentelijke bijdragen niet voldoende geld hebben voor het doen van vrije bestedingen; ze houden weliswaar geld over per maand (resp. C 9 en C 110) maar dat is minder dan de Nibudnorm van C 176.
Daarnaast zien we ook bij dit huishoudtype dat het vrij besteedbaar budget (met alle gemeentelijke regelingen) bij een inkomen van 120 procent Wsm hoger is dan bij een inkomen van 130 procent Wsm. Dat heeft te maken met het wegvallen van onder andere de energietoeslag en een afname van de toeslagen van het Rijk. Figuur 2.3.1. Maandelijks vrij besteedbaar budget alleenstaande, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget voor een alleenstaande m Zonder gemeentelijke bijdrage
«Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie C 110 100Zo Wsm
C 64
110Zo Wsm
C 200
C 114
1200Zo Wsm
C 171 C 233
1300Zo Wsm
C146 C 345
C0
C 100
C 38
C 200
C 300
C 400
C 500
C 600
C 700
C 800
Figuur 2.3.2. Maandelijks vrij besteedbaar budget paar zonder kinderen, niet AOW
Vrij besteedbaar budget voor ee n paar zonder kinderen ■ Zonder gemeentelijke bijdrage
Mlet alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie C 176 100Z Wsm Cl9 110Z Wsm
C 274 C 110
120Z Wsm
C 235 C 230
130Z Wsm
C 185
C 298 C0
C100
«C 200
C 76 C 300
C 400
9
C 500
C 600
C 700
C 800
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.3.2. Minimahuishoudens met kinderen Alleenstaande ouders hebben op ieder inkomensniveau meer budget voor vrije bestedingen dan paren met kinderen. Alleenstaande ouders hebben namelijk langer recht op hetzelfde bedrag aan landelijke toeslagen en ontvangen een hoger bedrag voor het kindgebonden budget. Voor paren nemen de landelijke toeslagen sneller af. Alleenstaande ouders met kinderen hebben op alle inkomensniveaus voldoende budget voor sociale participatie (conform de Nibud norm) en zijn hiervoor niet afhankelijk van gemeentelijke regelingen. Paren met kinderen zijn daarentegen bij inkomens tegen 100 en 110 procent Wsm afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen voor voldoende sociaal participatiebudget, zij houden weliswaar resp. C 133 en C 234 over maar dat is minder dan de norm die hiervoor staat. Het vrij besteedbare budget van alleenstaande ouders en ouderparen neemt tussen 100 en 120 procent Wsm toe maar daalt vervolgens iets bij 130 procent Wsm door het wegvallen van de energietoeslag en de daling van landelijke toeslagen. De stijging in loon kan dit niet voldoende compenseren. Figuur 2.3.3. Maandelijks vrij besteedbaar budget alleenstaande ouder met twee kinderen
Vrij besteedbaar budget alleenstaande ouder met kinderen a Zonder gemeentelijke bijdrage
a Met alle gemeentelijke bijdragen
100y0 Wsm 110y0 Wsm 120y0 Wsm 130y0 Wsm C0
C 100
C 200
C 300
C 400
C 500
C 600
C 700
C 800
Figuur 2.3.4. Maandelijks vrij besteedbaar budget paar met twee kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget paar met kinderen aZonder gemeentelijke bijdrage
a Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie C 309 1000Zo Wsm
C 133
1100Zo Wsm
C 336 C 234
1200Zo Wsm
C 297 C 354
1300Zo Wsm
C 247
C 422 C0
C 100
C 200
C 139 C 300
C 400
10
C 500
C 600
C 700
C 800
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.3.3. AOW-gerechtigde minimahuishoudens Alleenstaande AOW-gerechtigden zijn niet afhankelijk van gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor vrije bestedingen te hebben. AOW-gerechtigde paren zijn alleen bij een inkomen van 100 procent Wsm afhankelijk van gemeentelijke bijdragen voor voldoende budget voor vrije bestedingen. Net als bij de vorige huishoudens is ook hier een kleine daling in het vrij besteedbaar budget te zien tussen de inkomens van 120 en 130 procent Wsm. De redenen hiervoor zijn hetzelfde. Figuur 2.3.5. Maandelijks vrij besteedbaar budget alleenstaande, AOW-gerechtigd
Vrij besteedbaar budget alleenstaande AOW i Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie f 110 100y0 Wsm
f179
f200
110y0 Wsm
f312
120y0 Wsm
f171 f 439
130y0 Wsm
f 146
f 516 f0
f 100
f 200
f 38
f 300
f 400
f 500
f 600
f 700
f 800
Figuur 2.3.6. Maandelijks vrij besteedbaar budget paar, AOW-gerechtigd
Vrij besteedbaar budget paar AOW ■ Zonder gemeentelijke bijdrage
a Met alle gemeentelijke bijdragen
Normbedrag sociale participatie f 176 100y0 Wsm
f 95
110y0 Wsm
f 274
f 274
120y0 Wsm
f 235
f430
13007o Wsm
f185
f 540 f0
f 100
f 200
f 76
f 300
f 400
11
f 500
f 600
f 700
f 800
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.4. Werken vanuit de bijstand loont Een hoger inkomen leidt voor alle (voorbeeld)huishoudens in deze rapportage tot een hoger totaal inkomen dan in de bijstand. Het is wel zo dat voor de meeste huishoudens de bijdragen van het Rijk en de gemeente dalen en/of vervallen wanneer het inkomen stijgt. Dit zorgt ervoor dat het totaal inkomen van een huishouden niet altijd evenredig met het loon stijgt. Hieronder geven we de inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding vanuit de bijstand tot een inkomen van maximaal 130 procent Wsm weer per huishoudtype. Daarna leggen we de inkomensvooruitgang per inkomensniveau uit aan de hand van een casus. In bijlage 2 worden al deze inkomens per huishoudtype uitgesplitst naar inkomenssoort waarmee visueel wordt weergegeven waarom het totaal inkomen stijgt of daalt.
2.4.1. Alleenstaanden en paren zonder kinderen Alleenstaanden gaan er bij een hoger loon tot en met 120 procent Wsm op vooruit ten opzichte van de bijstand. Bij een loon tegen 130 procent Wsm is er sprake van stabilisering. Paren ervaren een teruggang in de procentuele groei van hun inkomen bij een inkomen tegen 130 procent Wsm. Dit is te verklaren door het wegvallen van bijna alle gemeentelijke regelingen6 en de dalende toeslagen vanuit het Rijk. Bij paren dalen de landelijke toeslagen sneller én harder dan bij alleenstaanden (paren krijgen bij 130 procent Wsm maandelijks C 154 minder aan landelijke toeslagen dan in de bijstand terwijl deze afname bij alleenstaanden slechts C 8 is) . Figuur 2.4.1. Inkomensgroei t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huish zonder kinderen7
Inkomensgroei t.o.v. bijstand, huishoudens zonder kinderen 1107o Wsm
«1207o Wsm
«1307o Wsm 57o
Alleenstaande
107o 107o 57o
Paar zonder kinderen
87o 67o
Tabel 2.4.1 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding, huishoudens zonder kinderen Netto inkomen incl. VT
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
Alleenstaande 1007o Wsm 1107o Wsm 1207o Wsm 1307o Wsm
1.196 1.315 1.435 1.554
465 465 465 457
200 171 146 38
Paar zonder kinderen 1007o Wsm 1107o Wsm 1207o Wsm 1307o Wsm
1.708 1.879 2.050 2.221
616 616 565 462
274 235 185 76
Huishoudtype
Verschil tov 1007o Wsm (C)
Verschil tov 1007o Wsm (07o)
1.861 1.952 2.046 2.049
91 186 189
57 107 1007o
2.598 2.729 2.799 2.759
132 201 161
57 87 67
6 Paren zonder kinderen kunnen bij een inkomen tegen 130 procent Wsm alleen nog gebruikmaken van de korting op de collectieve zorgverzekering. 7 De percentages worden in de figuur en tabel afgerond omwille van de leesbaarheid. Een klein lengteverschil van de balkjes, bij een gelijk percentage, is terug te voeren op afrondingsverschillen.
12
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.4.2. Alleenstaande ouders en ouderparen Alleenstaande ouders hebben bij ieder hoger loon een hoger totaal inkomen. Zij behouden lange tijd hetzelfde bedrag aan landelijke toeslagen en door de combinatiekorting stijgt de Rijksbijdrage zelfs. Het wegvallen van het recht op lokale regelingen wordt gecompenseerd door de inkomensstijging waardoor werken tegen een hoger loon, financieel gezien ook méér loont. Ouderparen hebben daarentegen te maken met een teruggang van de procentuele groei van hun inkomen, wanneer het loon stijgt naar 130 procent Wsm. De loonstijging draagt niet voldoende bij aan een compensatie voor het wegvallen van gemeentelijke regelingen en landelijke toeslagen. Ten opzichte van de bijstand krijgt een paar met kinderen bij 130 procent Wsm C 154 minder aan landelijke toeslagen (C 987 t.o.v. C 1.141) en C 197 minder aan gemeentelijke bijdragen (C 139 t.o.v. C 336). Toch hebben zij nog steeds een hoger inkomen dan wanneer zij in de bijstand zaten; werken loont financieel gezien dus nog steeds. Figuur 2.4.2. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100X Wsm bij werkaanvaarding, huishoudens met kinderen
Tabel 2.4.2 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding, huishoudens met kinderen Huishoudtype
Netto inkomen incl. VT
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
Verschil tov 1007o Wsm (C)
Verschil tov 1007o Wsm (07o)
Alleenstaande ouder met kinderen
1000Zo Wsm 1100Zo Wsm 1200Zo Wsm 1300Zo Wsm
1.196 1.315 1.435 1.554
1.351 1.390 1.395 1.401
273 234 209 101
2.820 2.939 3.039 3.056
119 219 236
40Zo 80Zo 80Zo
1.708 1.879 2.050 2.221
1.141 1.141 1.090 987
336 297 247 139
3.185 3.317 3.386 3.346
132 201 161
40Zo 60Zo 50Zo
Paar met kinderen
1000Zo Wsm 1100Zo Wsm 1200Zo Wsm 130Z Wsm
13
Gemeente Losser
Versie 0.2
2.4.3. Voorbeeldcasus inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding Casus: paar met kinderen (zie tabel 2.4.2) Daan en Sam hebben twee kinderen van 8 en 13 jaar oud en krijgen een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van C 1.708 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Zij hebben maandelijks recht op 6 1.141 aan toeslagen van het Rijk. Voor het gezin bestaat dit uit huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. Tot slot kunnen Daan en Sam rekenen op een financiële bijdrage vanuit de gemeente van C 336 per maand. Dit bestaat uit kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, de korting op de collectieve zorgverzekering, de Meedoenregeling en de energietoeslag. Voor hun kinderen maken zij nog aanspraak op Stichting Leergeld. In totaal hebben Daan en Sam een totaal inkomen van ŝ 3.185 per maand. Als Daan of Sam werk krijgt tegen een inkomen van 110 procent Wsm, dan stijgt hun netto-inkomen naar C 1.879 per maand. Zij houden recht op dezelfde toeslagen van het Rijk, dus in totaal C 1.141. Ze kunnen geen kwijtschelding meer aanvragen, maar houden wel recht op de andere gemeentelijke regelingen. De gemeentelijke bijdragen zijn dan C 297 per maand. Het totaal inkomen van Daan en Sam is bij een inkomen van 110 procent Wsm C 3.317. Dit is een stijging van C 132 (4 procent) ten opzichte van hun totaal inkomen bij een bijstandsuitkering.
Wanneer Daan of Sam tegen een loon van 120 procent Wsm gaat werken, stijgt hun netto-inkomen naar C 2.050 per maand. De bijdrage van het Rijk neemt iets af, en is nu C 1.090. Inmiddels kan het gezin nog aanspraak maken op een deel van de gemeentelijke regelingen: een korting op de collectieve zorgverzekering, Stichting Leergeld en de energietoeslag van C 247 in totaal. Het totale inkomen van het gezin is dan C 3.386 per maand. Dit is C 201 (6 procent) meer dan wanneer zij een bijstandsuitkering hebben. Als Daan of Sam gaat werken tegen een inkomen van 130 procent Wsm dan stijgt hun netto-inkomen naar C 2.221 per maand. De bijdragen van het Rijk dalen verder naar C 987 per maand. Het gezin kan aanspraak maken op de korting op de collectieve zorgverzekering en Stichting Leergeld. De gemeentelijke bijdrage komt hiermee op C 139. Het totale inkomen van Daan en Sam is nu C 3.346 per maand, dit is C 161 (5 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering hadden.
14
Gemeente Losser
Versie 0.2
3. Bevindingen inkomenseffecten Financieel effect Het bedrag dat minima vanuit het Rijk aan toeslagen kunnen ontvangen is hoger dan het bedrag dat ze aan gemeentelijke regelingen kunnen ontvangen. Financieel gezien is de invloed van de gemeente dan ook kleiner dan de invloed van het Rijk. Het bedrag aan landelijke toeslagen neemt voor de meeste huishoudens geleidelijk af bij een hoger inkomen. Omdat de lokale regelingen verschillende inkomensgrenzen hebben, vervalt het recht hierop geleidelijk en is een huishouden (bij een inkomen tot 130 procent Wsm) niet in een keer alle regelingen kwijt. De gemeentelijke regelingen zorgen ervoor dat huishoudens (meer) ruimte overhouden voor het doen van vrije bestedingen. Dit komt met name huishoudens op het bijstandsniveau ten goede, die (alleenstaande ouders uitgezonderd) zonder de gemeentelijke regelingen weinig budget zouden overhouden voor vrije bestedingen. Alleenstaande ouders zijn gemiddeld minder afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen om sociaal te participeren dan (ouder)paren. Het vrij besteedbaar budget is, voor bijna alle voorbeeldhuishoudens, bij een inkomen van 120 procent Wsm iets hoger dan bij een inkomen van 130 procent Wsm indien alle landelijke en lokale regelingen worden gebruikt. Dit komt door het wegvallen van het recht op regelingen.
Toch houden ook de huishoudens op 130 procent voldoende geld over voor het doen van vrije bestedingen. In de praktijk is de ervaring echter dat huishoudens niet of gedeeltelijk gebruik maken van de regelingen. In werkelijkheid kan het vrij besteedbaar budget daarom lager uitvallen. Werken loont voor sommige huishoudens meer dan voor andere Wanneer huishoudens in Losser vanuit de bijstand gaan werken, gaan zij er in totaal inkomen altijd op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie (mits zij gebruikmaken van alle toeslagen en regelingen). Het totaal inkomen bestaat uit het netto-inkomen (inclusief vakantietoeslag), landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Er is echter niet altijd sprake van méér inkomensgroei. Landelijke toeslagen lopen namelijk terug en het recht op gemeentelijke regelingen vervalt. Alle (voorbeeld)huishoudens kunnen inkomensvooruitgang tegemoetzien wanneer hun loon stijgt naar 110 en 120 procent Wsm. Tegelijkertijd ervaren ook alle huishoudtypen een demping in de groei of een terugval in hun procentuele inkomensgroei als het loon stijgt naar 130 procent Wsm. Dit heeft te maken met het wegvallen van gemeentelijke regelingen en het snelle dalen van de toeslagen uit het Rijk. De groei van het inkomen wordt hierdoor gedempt. Wel hebben zij nog meer totaal inkomen dan in de bijstand.
Relatief gezien gaan alleenstaanden zonder kinderen er het meest op vooruit bij ieder hoger loon. Paren met kinderen ervaren de minste inkomensvooruitgang. Zij krijgen sneller en méér dan de andere huishoudtypen te maken met een daling van de toeslagen van het Rijk.
15
Gemeente Losser
Versie 0.2
Figuur 3.1.1. Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding
Inkomensgroei i 110Zo Wsm
b 120Zo Wsm
b1300Zo Wsm
Alleenstaande
Paar zonder kinderen 0s
CD
0s
sÇ
Alleenstaande ouder met kinderen
Paar met kinderen
De invloed van de energiekosten De energietoeslag is begin 2022 door het Rijk aangekondigd om huishoudens met een laag inkomen te compenseren in de fors stijgende energiekosten. Gemeenten krijgen in 2023 ook weer geld om de energietoeslag uit te keren. In deze inkomenseffect rapportage is zichtbaar geworden dat huishoudens, ondanks het ingestelde prijsplafond, alsnog een flink bedrag moeten betalen voor het gebruik van gas en energie, oplopend tot C 254 voor een vierpersoonshuishouden. De energietoeslag bedraagt C 1.300 euro per huishouden voor 2023. In dit rapport is de energietoeslag doorgerekend als gemeentelijke bijdrage voor alle huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Uit de berekeningen en maandbegrotingen blijkt de compensatie van C 108 euro per maand helpt in het betalen van de kosten, zeker nu er ook een prijsplafond ingesteld is en prijzen in de laatste maanden zijn gedaald dan wel gestabiliseerd. Gezien de tijdelijke aard van deze regeling is het reëel om te verwachten dat - indien de energieprijzen op een hoger niveau blijven - het financiële plaatje van (sommige) minimahuishoudens er iets anders uit komt te zien wanneer het Rijk zou besluiten de energietoeslag niet meer uit te laten keren.
16
Gemeente Losser
Versie 0.2
4. Scenarioanalyse In dit hoofdstuk zijn worden vier scenario’s doorgerekend. Deze scenario’s zijn in overleg met de gemeente opgesteld en betreffen mogelijke beleidswijzigingen die kunnen worden doorgevoerd. Per scenario kijken we wat de effecten zijn op de inkomens van minimahuishoudens en/of geven we een inschatting van de kosten voor de gemeente. .
4.1. Scenario 1: maandbegroting zonder de energietoeslag Huidige situatie In de huidige Inkomenseffect Rapportage is de energietoeslag als gemeentelijke bijdrage meegenomen in de maandbegrotingen van de minimahuishoudens. De energietoeslag bestaat uit C 1.300 per jaar, wat neerkomt om C 108 per maand. Dit is een substantieel bedrag voor minimahuishoudens en het al dan niet ontvangen van deze toeslag heeft dus een aanzienlijk effect op de inkomenspositie van minimahuishoudens. . Beschrijving scenario 1 In dit scenario bekijken we de inkomenspositie van minimahuishoudens wanneer de energietoeslag zou komen te vervallen. Zodoende kunnen we in kaart brengen in hoeverre minimahuishoudens financieel gezien in de problemen zouden komen. Vanwege de tijdelijke aard van de energietoeslag is dit een reëel scenario. Specifiek kijken we naar het effect op het vrij besteedbare budget van minimahuishoudens en naar de effecten van werkaanvaarding vanuit de bijstand. Inkomenseffecten scenario Vrij besteedbaar budget Logischerwijs leidt het vervallen van de energietoeslag ertoe dat het vrij besteedbare budget van alle huishoudens tot 120 procent Wsm daalt ten opzichte van de huidige situatie. Desondanks houden bijna alle voorbeeldhuishoudens bij elk inkomensniveau voldoende budget over voor sociale participatie.
Er is één uitzondering: paren zonder kinderen hebben bij een inkomen van 100 procent Wsm een vrij besteedbaar budget van C 175. Dit is C 1 minder dan de voorgeschreven Nibudnorm van C 176 voor paren zonder kinderen. Daarnaast leidt het wegvallen van de energietoeslag ertoe dat het verschil in vrij besteedbaar budget tussen 120 procent en 130 procent Wsm verandert. Waar in de huidige situatie veel huishoudens bij een inkomen van 120 procent meer te besteden hebben dan bij een inkomen van 130 procent Wsm (deze laatste groep heeft immers geen recht op de energietoeslag) is het in het scenario zo dat een inkomen van 130 procent Wsm tot een hoger vrij besteedbaar budget leidt dan bij 120 procent Wsm. In de huidige situatie compenseert de inkomensstijging niet voldoende voor het wegvallen van onder andere de energietoeslag, wanneer het loon stijgt naar 130 procent Wsm. In het scenario is hier geen sprake van en leidt een hoger inkomen ook tot een hoger vrij besteedbaar budget. Tabel 4.1.1 Maandelijks vrij besteedbaar budget, huidige situatie en scenario Huishoudtype Alleenstaande Normbedrag vrij te besteden budget: Ç110
Wsm 1000Zo 1100Zo 1200Zo 1300Zo
Huidige situatie C 264 C 285 C 380 C 383
Scenario 1 C 156 C 177 C 272 C 383
Paar zonder kinderen Normbedrag vrij te besteden budget: Ç176
1000Zo 1100Zo 1200Zo 130Z
C 283 C 344 C 414 C 374
C 175 C 236 C 306 C 374
17
Gemeente Losser
Versie 0.2
Huishoudtype Alleenstaande ouder Normbedrag vrij te besteden budget: 6227
Wsm 1000Zo 1100Zo 1200Zo 1300Zo
Huidige situatie 6 623 6 634 6 734 6 732
Scenario 1 6 515 6 526 6 626 6 732
Paar met kinderen Normbedrag vrij te besteden budget: 6309
1000Zo 1100Zo 120Z 130Z
6 470 6 531 6 601 6 560
6 361 6 423 6 493 6 560
Inkomensgroei In de volgende tabel staat het effect van scenario 1 op de inkomensgroei van minima weergegeven. Het gaat om het verschil in totaal inkomen ten opzichte van de bijstandssituatie; in hoeverre levert werken tegen een hoger loon ook een hoger totaal inkomen op (zonder de energietoeslag)? Onderstaande tabel laat de volgende effecten zien van het wegvallen van de energietoeslag (vergelijking scenario 1 met de huidige situatie) ^ Waar in de huidige situatie werken tegen een loon van 120 procent voor sommige voorbeeldhuishouden een hoger totaal inkomen oplevert, is dat in het scenario niet meer het geval. Huishoudens met een inkomen van 130 procent Wsm hebben ook hoger totaal inkomen dan huishoudens met een lager inkomen, die nu (nog) recht hebben op de energietoeslag. In die zin heeft loont werken tegen een hoger loon à 130 procent Wsm dus meer dan op dit moment. ^ Ook ten opzichte van de bijstandssituatie is de groei in totaal inkomen op 130 procent Wsm in het scenario een stuk hoger. Dit komt omdat het totaal inkomen in de bijstand lager is, terwijl voor de huishoudens op 130 procent Wsm niets is veranderd. Het verschil tussen deze twee inkomensgroepen is daardoor groter geworden. Tabel 4.1.2 Tabel inkomensgroei t.o.v. bijstandssituatie, huidige situatie en scenario 1 Huidige situatie Huishoud type
Totaal inkomen
Verschil 100/ Wsm
Scenario 1
Verschil 100/ Wsm
Totaal inkomen
Verschil 100/ Wsm
Verschil 100/ Wsm
Alleenstaande 100Z Wsm 1.861 110Z Wsm 1.952 120Z Wsm 2.046 130Z Wsm 2.049 Paar zonder kinderen
91 186 189
5Z 10Z 10Z
1.752 1.843 1.938 2.049
91 186 297
5Z 11Z 17Z
100Z Wsm 2.598 110Z Wsm 2.729 120Z Wsm 2.799 130Z Wsm 2.759 Alleenstaande ouder
132 201 161
5Z 8Z 6Z
2.490 2.621 2.691 2.759
132 201 269
5Z 8Z 11Z
100Z Wsm 2.820 110Z Wsm 2.939 120Z Wsm 3.039 130Z Wsm 3.056 Paar met twee kinderen
119 219 236
4Z 8Z 8Z
2.711 2.830 2.931 3.056
119 219 345
4Z 8Z 13Z
132 201 161
4Z 6Z 50Zo
3.077 3.208 3.278 3.346
132 201 269
4Z 7Z 9Z
100Z Wsm 110Z Wsm 120Z Wsm 130Z Wsm
3.185 3.317 3.386 3.346
18
Gemeente Losser
Versie 0.2
4.2. Scenario 2: verruimen inkomensgrens voor de Meedoenregeling Huidige situatie Op dit moment is de Meedoenregeling bedoeld voor volwassenen van 18 jaar en ouder. Elke gebruiker ontvangt maximaal C 300 per jaar, wat neerkomt op C 25 per volwassene per maand. De inkomensgrens van de regeling is 110 procent Wsm. Beschrijving scenario 2 In dit scenario is de inkomensgrens van de Meedoenregeling verruimd naar 120 (2a) en 130 procent Wsm (2b). Eerst is een schatting gemaakt van de te verwachten extra programmakosten voor het verruimen van de inkomensgrens. Vervolgens zijn de effecten van het scenario op het vrij besteedbare budget en de inkomensgroei van minimahuishoudens weergegeven. Voor het doorrekenen van dit scenario zijn de volgende aannames gedaan: ^ Het bereik van de Meedoenregeling in 2022 is 30Zo. We gaan ervan uit dat het bereik van de regeling niet verandert, wanneer de doelgroep groter wordt. ^ De doelgroep betreft de geschatte doelgroep per 31-12-2022 zoals is opgenomen in de Armoedemonitor. ^ Inwoners maken gebruik van het maximaal te ontvangen bedrag van C 300. ^ Om de totale programmakosten te berekenen, moeten we rekenen met het aantal personen dat gebruik zal maken van de Meedoenregeling. Dat is immers het aantal keer dat er C 300 wordt verstrekt door de gemeente (de regeling wordt op persoonsniveau verstrekt en niet zozeer op huishoudniveau).
Voor dit onderzoek hebben wij alleen gegevens beschikken wij alleen over gebruikscijfers op huishoudniveau en is onduidelijk of alle volwassenen in het desbetreffende huishouden van de Meedoenregeling gebruik hebben gemaakt. Voor dit scenario gaan we hier wél vanuit. We doen de aanname dat in een alleenstaand huishouden met Meedoen, één verstrekking is geweest, en in een meerpersoonshuishouden met Meedoen twee verstrekkingen (aan twee volwassenen) zijn geweest. o Uit de gebruiksgegevens blijkt dat in 2022 elf huishoudens met één volwassene gebruik hebben gemaakt van Meedoen (alleenstaanden of alleenstaande ouders) en zeven huishoudens waarin twee volwassenen wonen. Daarom doen we de aanname dat in deze 18 huishoudens, 25 volwassenen gebruik hebben gemaakt van Meedoen. Deze verhouding wordt ook doorgerekend in scenario’s 2a en 2b. ^ Voor de doorrekening van de inkomenseffecten gaan we er vanuit dat - net zoals in de reguliere inkomenseffect rapportage - de voorbeeldhuishoudens gebruikmaken van de regeling en daarbij het maximale bedrag ontvangen.
19
Gemeente Losser
Versie 0.2
Doorrekening programmakosten In tabel 4.2.1 zijn de programmakosten weergegeven van de huidige situatie en de verandering in de programmakosten wanneer de inkomensgrens wordt verruimd naar 120 en 130 procent Wsm. Tabel 4.2.1 Programmakosten verruimen inkomensgrens Meedoen naar 120% en 130% Wsm.
584 huishoudens 30Zo 18 huishoudens 25 personen C 300
Scenario 2a: Meedoen tot 1207o Wsm 748 huishoudens 30Zo 22 huishoudens 30 personen C 300
Scenario 2b: Meedoen tot 13007o Wsm 883 huishoudens 30Zo 26 huishoudens 36 personen C 300
C 7.500
C 9.000
C 10.800
-
C 1.500
C 3.300
Huidige situatie Doelgroep Bereik Gebruik huishoudens Gebruik personenn Maximale vergoeding per gebruiker Totale kosten alle gebruikers Extra kosten t.o.v. huidige situatie
Inkomenseffecten scenario Vrij besteedbaar budget Een verruiming van de inkomensgrens van de Meedoenregeling naar 120 of 130 procent Wsm heeft logischerwijs effect op het vrij besteedbare budget van de huishoudens; dit zal voor alle huishoudens met een dergelijk inkomen met C 25 per volwassene per maand toenemen. Daarnaast zijn er verschillende te zien tussen de verschillende inkomens. In de huidige situatie is het zo dat - behalve alleenstaanden - huishoudens op 120 procent Wsm een hoger vrij besteedbaar budget hebben dan huishoudens op 130 procent Wsm. In scenario 2a, waar de grens van Meedoen op 120 procent Wsm wordt vastgesteld, wordt dit verschil alleen nog maar groter. In scenario 2b (Meedoen tot 130 procent Wsm) blijft dit verschil gehandhaafd; zowel op 120 als op 130 procent Wsm krijgen er immers hetzelfde bedrag bij als in de huidige situatie. Zodoende verandert het verschil in bedrag tussen deze twee inkomens niet. Ten opzichte van de bijstandsnorm wordt het vrij besteedbaar budget natuurlijk wel hoger. . Tabel 4.2.2 Maandelijks vrij besteedbaar budget, huidige situatie en scenario 2a en 2b
C 264 C 285 C 380 C 383
Scenario 2a: Meedoen tot 1207 Wsm C 264 C 285 C405 C383
Scenario 2b: Meedoen tot 1307 Wsm C 264 C 285 C405 C408
100Z 110Z 120Z 130Z
C 283 C 344 C 414 C 374
C 283 C 344 C 464 C 374
C 283 C 344 C 464 C 424
Alleenstaande ouder Normbedrag vrij te besteden budget: ť227
100Z 110Z 120Z 130Z
C 623 C 634 C 734 C 732
C 623 C 634 C 759 C 732
C 623 C 634 C 759 C 757
Paar met kinderen Normbedrag vrij te besteden budget: ë309
100Z 110Z 120Z 130Z
C 470 C 531 C 601 C 560
C 470 C 531 C 651 C 560
C 470 C 531 C 651 C 610
Huishoudtype
Wsm
Huidige situatie
Alleenstaande Normbedrag vrij te besteden budget: Ç110
1000Zo 1100Zo 120Z 130Z
Paar zonder kinderen Normbedrag vrij te besteden budget: Ç176
20
Gemeente Losser
Versie 0.2
Inkomensgroei In de volgende tabel staat het effect van scenario’s 2a en 2b op de inkomensgroei van minima weergegeven. Het gaat om het verschil in totaal inkomen ten opzichte van de bijstandssituatie; in hoeverre levert werken tegen een hoger loon ook een hoger totaal inkomen op? Logischerwijs levert scenario 2a, een verruiming van de inkomensgrens naar 120 procent Wsm, meer inkomensgroei op voor minima met een inkomen op 120 procent Wsm. Paren gaan er meer op vooruit dan alleenstaanden omdat zij gezamenlijk een hoger bedrag krijgen. Het verhogen van de grens naar 130 procent Wsm (scenario 2b) levert, ten opzichte van scenario 2a, vooral voor alleenstaanden en alleenstaande ouders meer op; waar zij in scenario 2a een kleine inkomensachteruitgang tegemoetzien tussen 120 en 130 procent Wsm is dat in scenario 2b niet meer aan de orde. Tabel 4.2.3 Tabel inkomensgroei t.o.v. bijstandssituatie, huidige situatie en scenario 2a en 2b Huidige situatie Huishoudtype
Totaal inkomen
Verschil 100/ Wsm
Scenario 2a
Verschil 100/ Wsm
Totaal inkomen
Verschil 100/ Wsm
Scenario 2b Verschil 100/ Wsm
Totaal inkomen
Verschil 100/ Wsm
Verschil 100/ Wsm
Alleenstaande
1000 Wsm 1100 Wsm 1200 Wsm 1300 Wsm
1.861 1.952 2.046 2.049
100
1.861 1.952 2.071 2.049
91 211 189
50 mo 1007o
1.861 1.952 2.071 2.074
91 211 214
50 110 110
132 201 161
50 80 60
2.598 2.729 2.849 2.759
132 251 161
5o 100 6o
2.598 2.729 2.849 2.809
132 251 211
50 100 80
119 219 236
40 80 80
2.820 2.939 3.064 3.056
119 244 236
4o 9o 8o
2.820 2.939 3.064 3.081
119 244 261
40 90 90
132 201 161
400o 600o 500o
3.185 3.317 3.436 3.346
132 251 161
4o 8o 50
3.185 3.317 3.436 3.396
132 251 211
40 80 70
91 186 189
50 100
Paar zonder kinderen
1000 Wsm 1100 Wsm 1200 Wsm 1300 Wsm
2.598 2.729 2.799 2.759
Alleenstaande ouder
1000 Wsm 1100 Wsm 1200 Wsm 1300 Wsm
2.820 2.939 3.039 3.056
Paar met twee kinderen
1000 Wsm 1100 Wsm 1200 Wsm 1300 Wsm
3.185 3.317 3.386 3.346
21
Gemeente Losser
Versie 0.2
4.3. Scenario 3: verruimen inkomensgrens en verhogen budget Meedoenregeling Huidige situatie Op dit moment is de Meedoenregeling bedoeld voor volwassenen van 18 jaar en ouder. Elke gebruiker ontvangt maximaal C 300 per jaar, wat neerkomt op C 25 per volwassene per maand. De inkomensgrens van de regeling is 110 procent Wsm. Beschrijving scenario 3 In dit scenario is de inkomensgrens van de Meedoenregeling verruimd naar 120 (3a) en 130 procent Wsm (3b) en wordt het bedrag verhoogd van C 300 naar C 350 per volwassene. Eerst is een schatting gemaakt van de te verwachten extra programmakosten voor het verruimen van de inkomensgrens. Vervolgens zijn de effecten van het scenario op het vrij besteedbare budget en de inkomensgroei van minimahuishoudens weergegeven. Voor dit scenario zijn vergelijkbare aannames gedaan als in scenario 2: ^ Het bereik van de Meedoenregeling in 2022 is 30Zo. We gaan ervan uit dat het bereik van de regeling niet verandert, wanneer de doelgroep groter wordt. ^ De doelgroep betreft de geschatte doelgroep per 31-12-2022 zoals is opgenomen in de Armoedemonitor. ^ Inwoners maken gebruik van het maximaal te ontvangen bedrag van C 350. ^ Om de totale programmakosten te berekenen, moeten we rekenen met het aantal personen dat gebruik zal maken van de Meedoenregeling.
Dat is immers het aantal keer dat er C 350 wordt verstrekt door de gemeente (de regeling wordt op persoonsniveau verstrekt en niet zozeer op huishoudniveau). Voor dit onderzoek hebben wij alleen gegevens beschikken wij alleen over gebruikscijfers op huishoudniveau en is onduidelijk of alle volwassenen in het desbetreffende huishouden van de Meedoenregeling gebruik hebben gemaakt. Voor dit scenario gaan we hier wél vanuit. We doen de aanname dat in een alleenstaand huishouden met Meedoen, één verstrekking is geweest, en in een meerpersoonshuishouden met Meedoen twee verstrekkingen (aan twee volwassenen) zijn geweest. o Uit de gebruiksgegevens blijkt dat in 2022 elf huishoudens met één volwassene gebruik hebben gemaakt van Meedoen (alleenstaanden of alleenstaande ouders) en zeven huishoudens waarin twee volwassenen wonen. Daarom doen we de aanname dat in deze 18 huishoudens, 25 volwassenen gebruik hebben gemaakt van Meedoen. Deze verhouding wordt ook doorgerekend in scenario’s 3a en 3b. ^ Voor de doorrekening van de inkomenseffecten gaan we er vanuit dat - net zoals in de reguliere inkomenseffect rapportage - de voorbeeldhuishoudens gebruikmaken van de regeling en daarbij het maximale bedrag ontvangen.
22
Gemeente Losser
Versie 0.2
Doorrekening programmakosten In tabel 4.3.1 zijn de programmakosten weergegeven van de huidige situatie en de verandering in de programmakosten wanneer de inkomensgrens wordt verruimd naar 120 of 130 procent Wsm en het budget voor de Meedoenregeling is verhoogd naar C 350. Tabel 4.3.1 Programmakosten voor verruiming inkomensgrens naar 120% en 130% Wsm en ophoging van het budget van de Meedoenregeling.
584 huishoudens 30Zo 18 huishoudens 25 personen C 300
Scenario 3a: Meedoen tot 1207o Wsm 748 huishoudens 30Zo 22 huishoudens 30 personen C 350
Scenario 3b: Meedoen tot 1307o Wsm 883 huishoudens 3y0 26 huishoudens 36 personen C 350
C 7.500
C 10.500
C 12.600
-
C 3.000
C 5.100
Huidige situatie Doelgroep Bereik Gebruik huishoudens Gebruik personen Maximale vergoeding per gebruiker Totale kosten alle gebruikers Extra kosten t.o.v. huidige situatie
Weergave huidige situatie en effecten scenario Een inkomensgrens van 120 of 130 procent Wsm leidt, in combinatie met het ophogen van het budget, logischerwijs voor alle huishoudens tot een hoger vrij besteedbaar budget. Met name de inkomens van 120 en 130 procent hebben hier baat bij. Ten opzichte van de bijstandsnorm hebben deze huishoudens dan ook meer te besteden. Het verschil tussen de andere inkomensgroepen verdwijnt echter niet altijd; een hoger inkomen (van 130 procent Wsm) leidt soms nog steeds tot een lager vrij besteedbaar budget. Tabel 4.3.2 Maandelijks vrij besteedbaar budget, huidige situatie en scenario 3a en 3b
100y0 110y0 120y0 130y0
Huidige situatie C 264 C 285 C 380 C 383
Scenario tot 12007o Wsm C 269 C 290 C 409 C 383
Scenario tot 1307 Wsm C 269 C 290 C 409 C 412
Paar zonder kinderen Normbedrag vrij te besteden budget: 6176
100y0 110y0 120y0 13007o
C 283 C 344 C 414 C 374
C 291 C 353 C 473 C 374
C 291 C 353 C 473 C 432
Alleenstaande ouder Normbedrag vrij te besteden budget: 6227
100y0 110y0 120y0 130y0
C 623 C 634 C 734 C 732
C 628 C 638 C 764 C 732
C 628 C 638 C 764 C 761
Paar met kinderen Normbedrag vrij te besteden budget: 6309
100y0 110y0 120y0 13007o
C 470 C 531 C 601 C 560
C 478 C 539 C 659 C 560
C 478 C 539 C 659 C 619
Huishoudtype
Wsm
Alleenstaande Normbedrag vrij te besteden budget: 6110
De volgende tabel laat het effect van het verruimen van de grens in combinatie met het ophogen van het budget zien op de inkomensgroei ten opzichte van de bijstand (hoeveel loont het om te werken)? Scenario 2a (inkomensgrens van 1200Zo Wsm) heeft (logischerwijs) tot gevolg dat werken tegen een loon van 120 procent Wsm méér loont dan in de huidige situatie, maar heeft als neveneffect dat werken tegen een loon van 130 procent daardoor mínder loont; ieder 23
Gemeente Losser
Versie 0.2
huishouden heeft bij scenario 2a op 120 procent Wsm een hoger totaal inkomen dan op 130 procent Wsm. Wanneer de inkomensgrens voor de Meedoenregeling wordt verruimd naar 130 procent Wsm en het budget wordt verhoogd, neemt de inkomensgroei op 120 en 130 procent uiteraard toe ten opzichte van de huidige situatie. Het verschil tussen 120 en 130 procent Wsm is echter even groot als in de huidige situatie; omdat álle huishoudens een hoger inkomen krijgen is het verschil tussen 120 en 130 procent net zo groot als nu. Als voorbeeld: een paar zonder kinderen gaat er op dit moment bij een inkomen van 120 procent Wsm 8 procent op vooruit ten opzichte van de bijstand en bij een inkomen van 130 procent Wsm is hun inkomen 6 procent hoger dan in de bijstand. Scenario 2a leidt ertoe dat deze huishoudens op 120 procent Wsm méér groei tegemoet zien ^100Zo), waardoor het verschil tussen 120 en 130 procent Wsm groter wordt. Immers, voor 130 procent verandert er in scenario 2a niets; zij gaan er nog steeds 6 procent op vooruit (en nu dus 4 procentpunt minder dan op 120 procent Wsm). Scenario 2b is in daarom gunstiger voor deze hoogste inkomens; zij gaan er met 8 procent méér op vooruit dan de 6 procent nu, maar dat is nog steeds minder dan paren met een inkomen van 120 procent Wsm, die er in beide scenario’s 10 procent op vooruit gaan ten opzichte van de bijstand.
Tabel 4.3.3 Tabel inkomensgroei t.o.v. bijstandssituatie, huidige situatie en scenario 3a en 3b Huidige situatie Huishoudtype
Totaal inkomen
Scenario 3a
Verschil 100y0 Wsm
Verschil 100y0 Wsm
1000 Wsm 1.861 1100 Wsm 1.952 1200 Wsm 2.046 1300 Wsm 2.049 Paar zonder kinderen
91 186 189
50 100
1000 Wsm 2.598 1100 Wsm 2.729 1200 Wsm 2.799 1300 Wsm 2.759 Alleenstaande ouder 1000 Wsm 2.820 1100 Wsm 2.939 1200 Wsm 3.039 1300 Wsm 3.056 Paar met twee kinderen
Totaal inkomen
Scenario 3b
Verschil 100y0 Wsm
Verschil 100y0 Wsm
Verschil 100y0 Wsm
Verschil 100y0 Wsm
91 211 185
50 110
100
1.865 1.956 2.075 2.049
100
1.865 1.956 2.075 2.079
91 211 214
50 110 110
132 201 161
50 80 60
2.606 2.738 2.858 2.759
132 251 153
5o 100 6o
2.606 2.738 2.858 2.817
132 251 211
50 100 80
119 219 236
40 80 80
2.824 2.943 3.068 3.056
119 244 232
4o 9o 8o
2.824 2.943 3.068 3.085
119 244 261
40 90 90
132 201 161
40 60 50
3.193 3.325 3.445 3.346
132 251 153
4o 8o 50
3.193 3.325 3.445 3.404
132 251 211
40 80 70
Totaal inkomen
Alleenstaande
1000 Wsm 1100 Wsm 1200 Wsm 1300 Wsm
3.185 3.317 3.386 3.346
24
Gemeente Losser
Versie 0.2
4.4. Scenario 4: verruiming inkomensgrens bijzondere bijstand Huidige situatie Huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm kunnen - bij noodzakelijke onvermijdbare individuele kosten - bijzondere bijstand krijgen. Bij een inkomen dat net iets hoger ligt wordt eventueel een draagkrachtberekening toegepast. Beschrijving scenario In dit scenario beschrijven we wat de gevolgen zijn voor het besteedbaar inkomen wanneer de inkomensgrens voor bijzondere bijstand zou worden verruimd. Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke onvermijdbare individuele uitgaven. De gemeente toetst per aanvraag of daaraan wordt voldaan. Het bedrag dat per aanvraag wordt vergoed verschilt per situatie en kan uiteenlopen van enkele tientallen euro’s voor bijvoorbeeld een bril tot honderden euro’s voor bijvoorbeeld rechtsbijstand. Naast incidentele bijzondere bijstand (voor kosten die vaak eenmalig zijn) verstrekken gemeenten vaak ook periodieke bijzondere bijstand, voor inwoners met periodiek terugkerende noodzakelijke kosten, bijvoorbeeld kosten voor bewindvoering. Door het individuele - en vaak incidentele - karakter van deze regeling is het moeilijk te voorspellen hoeveel inwoners er gebruik van zullen maken en voor hoeveel geld zij bijzondere bijstand aanvragen (dan wel vergoed krijgen).