VERVALLEN Bijlage 1 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2024
Kaatsheuvel l Loon op Zand l De Moer 1
Inhoud Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen
6
Artikel 1.1 Definities
6
Artikel 1.2 Doelgroep van deze verordening
7
Artikel 1.3 Aanbod maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
8
Hoofdstuk 2 Toegang
8
Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en vooronderzoek
8
Artikel 2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
8
Artikel 2.3 Uitkomst van het onderzoek (ondersteuningsplan)
9
Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening
10
Artikel 2.5 Advisering
10
Artikel 2.6 Inhoud beschikking
10
Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen
11
Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening
11
Artikel 3.2 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden en begeleiding
12
Artikel 3.3 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen
12
Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen
12
Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen
12
Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
12
Artikel 3.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen
13
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget
14
Artikel 4.1 Regels voor persoonsgeboden budget (pgb)
14
Artikel 4.2 De hoogte van een persoonsgeboden budget (pgb)
15
Artikel 4.3 Verplichting verbonden aan pgb woonvoorziening
19
Artikel 4.4 Indexering
19
Hoofdstuk 5 Bijdragen
20
Artikel 5.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
20
Artikel 5.2 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
21
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving
21
Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
21
Artikel 6.2 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 22 Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het pgb
22
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en Klachten
22
Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
22
Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
23
2
Artikel 7.3 Waardering voor mantelzorgers
23
Artikel 7.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
24
Artikel 7.5 Klachtregeling
24
Artikel 7.6 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
24
Artikel 7.7 bezwarenprocedure
24
Hoofdstuk 8 Inspraak
24
Artikel 8.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
24
Artikel 8.2 Evaluatie
25
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen
25
Artikel 9.1 Hardheidsclausule
25
Artikel 9.2 Voorwaarden
25
Artikel 9.3 Beleidsregels
25
Artikel 9.4 Indexering
25
Artikel 9.5 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
25
Artikel 9.6 Inwerkingtreding en citeertitel
26
Bijlage 1 Tarieven 2024 hulpmiddelen
27
Bijlage 2 Tarieven 2024 hulp bij het huishouden
28
Bijlage 3 Tarieven 2024 begeleiding
29
Bijlage 4 Tarieven 2024 PGB voor hulpmiddelen
30
Bijlage 5 Tarieven 2024 collectief vervoer
31
Bijlage 6 Tarief 2024 maximale verhuiskostenvergoeding
31
Bijlage 7 Tarief 2024 PGB voor een sportvoorziening
31
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2024 32 Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen
33
Artikel 1.1 Definities
33
Artikel 1.2 Doelgroep
35
Artikel 1.3 Aanbod maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
36
Hoofdstuk 2 Toegang
36
Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en vooronderzoek
36
Artikel 2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
37
Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek
37
Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening
38
Artikel 2.6 Inhoud beschikking
38
Artikel 2.7 Advisering
38
Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen
38
Artikel 3.1 Criteria voor maatwerkvoorzieningen
38
Artikel 3.2 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden en begeleiding
39
3
Artikel 3.3 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen
39
Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen
39
Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen
40
Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
40
Artikel 3.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen
40
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget
43
Artikel 4.1 Regels voor PGB
43
Artikel 4.2 De hoogte van een persoonsgeboden budget (pgb)
43
Hoofdstuk 5 Bijdragen
44
Artikel 5.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb
44
’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
44
Artikel 5.2 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
45
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving
45
Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
45
Artikel 6.2 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 45 Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het pgb
46
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten
46
Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
46
Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit voorzieningen door derden
47
Artikel 7.3 Waardering voor mantelzorgers
47
Artikel 7.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
47
Artikel 7.5 Klachtregeling
47
Artikel 7.6 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
47
Artikel 7.7 Bezwarenprocedure
47
Hoofdstuk 8 Inspraak
47
Artikel 8.1 Betrekken van ingezetenen bij beleid
47
Artikel 8.2 Evaluatie
48
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen
48
Artikel 9.1 Hardheidsclausule
48
Artikel 9.2 Voorwaarden
48
Artikel 9.3 Beleidsregels
48
Artikel 9.4 Indexering
48
Artikel 9.5 Intrekkingen oude verordening en overgangsrecht
48
Artikel 9.6 Inwerkingtreding en citeertitel
49
4
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand Besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand tot vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand De raad van de gemeente Loon op Zand; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 december 2023, corsanummer ZK23.03724; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; overwegende dat:
burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
het noodzakelijk is om regels vast te stellen met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang;
het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
het van belang is te bewaken dat kwetsbare burgers niet in een positie komen waarin zij geen goede en passende zorg krijgen;
het wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de zorg en ondersteuning kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk;
het van belang is, alvorens een persoonsgebonden budget te verstrekken, voorlichting te geven over de taken van een budgethouder en de kennis die nodig is voor een verantwoord beheer van het budget;
het van belang is, alvorens een persoonsgebonden budget te verstrekken, de vaardigheden van een budgethouder (of een vertegenwoordiger) te toetsen en vast te stellen dat de vaardigheden voldoende zijn om een persoonsgebonden budget op een verantwoorde manier te beheren en het persoonsgebonden budget wordt ingezet voor kwalitatief goede ondersteuning die bijdraagt aan het gewenste resultaat en past bij het ontwikkelperspectief;
het van belang is toe te zien op een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundigheid van beroepskrachten, zowel voor voorzieningen die in natura worden verstrekt als voor voorzieningen die worden ingekocht met een persoonsgebonden budget.
besluit vast te stellen de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand
5
Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: individuele voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen, passend in het actuele maatschappijbeeld en waarvan, gelet op de omstandigheden van de betrokken persoon met beperkingen, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen zou hebben, zou (hebben kunnen) beschikken; b. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning; c. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; d. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand; e. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015; f. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Wmo 2015; g. budgetplan: door de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger opgesteld plan dat voldoet aan de eisen, zoals opgenomen in artikel 4.1 lid 2; h.
cliëntondersteuning: onafhankelijke persoon die de inwoner ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; i. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand; j. gebruikelijke hulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid binnen de leefeenheid verwacht mag worden van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die een gemeenschappelijk huishouden voeren; k. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; l. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; m. hulp uit het sociaal netwerk: natuurlijk persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. n. ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf, dan wel zijn feitelijke verblijfplaats heeft in de gemeente Loon op Zand; o.
maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; p. maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;
6
q. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet/Wlz, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; r. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; s. ondersteuningsplan: een door de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en de zorgaanbieder overeengekomen plan dat een concrete invulling bevat van de door de aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt; t. onverwijld: in ieder geval binnen drie werkdagen; u. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de Wmo 2015, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; v. persoonsgebonden budget (pgb): bedrag, waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; w. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt als bedoeld in artikel 1.1.1.
van de Wmo 2015; x. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015; y. woonvoorziening: roerende zaak dan wel bouwkundige of woon technische aanpassing van een woning of voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten. z. zorg in natura: de zorg of ondersteuning die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd aa. zorgorganisatie: een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg die meerdere personeelsleden in dienst heeft. bb. ZZP'er: een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Handelswetregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel.
Artikel 1.2 Doelgroep van deze verordening 1. Deze verordening richt zich op personen: a.
die hun woonplaats hebben in gemeente Loon op Zand, en
b.
die hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en daar ondersteuning bij nodig hebben of
c.
die, al dan niet woonachtig in gemeente Loon op Zand, als mantelzorger ondersteuning aan een ingezetene bieden.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid richt de verordening zich wat betreft opvang en beschermd wonen met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.2.2. van de wet op ingezetenen van Nederland die in gemeente Loon op Zand ondersteuning zoeken.
7
Artikel 1.3 Aanbod maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. b. c. d. e. f. g.
begeleiding; hulpmiddelen; hulp bij het huishouden; opvang en beschermd wonen; sportvoorzieningen; vervoersvoorzieningen; woonvoorzieningen.
2. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. b. c.
collectief vervoer vrije reiziger; dagbesteding met laag intensieve ondersteuning; klussendienst.
3. De gemeente kan aanvullende algemene voorzieningen inrichten.
Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en vooronderzoek 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt schriftelijk, mondeling, telefonisch of elektronisch, bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding binnen twee weken schriftelijk. 3. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid zich tijdens het onderzoek, als bedoeld in art. 2.2 van deze verordening, te laten bijstaan door iemand uit het eigen netwerk of een gratis cliëntondersteuner. 4. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet te overhandigen. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 6. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 7. Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Artikel 2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, na ontvangst van de melding: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
8
b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h.
de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een voorziening in natura of pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.
3.
De factoren genoemd in lid 1 van dit artikel maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek.
4.
Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.
5.
Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
6.
Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, met de cliënt besluiten af te zien van het gesprek.
Artikel 2.3 Uitkomst van het onderzoek (ondersteuningsplan) 1. Het college verstrekt na het onderzoek een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger, in een ondersteuningsplan. 2. Een cliënt heeft de mogelijkheid het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord te ondertekenen. 3. Als de cliënt tekent voor gezien, heeft hij de mogelijkheid daarbij aan te geven waarom hij niet voor akkoord tekent.
9
4. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende ondersteuningsplan. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na ontvangst van de melding. 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een: a. door het college vastgesteld en door de cliënt ondertekend aanvraagformulier of; b. ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.3. 3. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag af.
Artikel 2.5 Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene die of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip op een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 2.2 is gevoerd. b. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 2.2 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of soort van voorziening kunnen beïnvloeden. c. het college dat overigens gewenst vindt. 3. Indien het college advies inwint als bedoeld in lid 1 en lid 2 wordt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger hiervan op de hoogte gebracht.
Artikel 2.6 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college in ieder geval aan of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en geeft het college tevens aan op welke manier er bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.
welke de te verstrekken voorziening is en wat de intensiteit en het beoogde resultaat daarvan is;
10
b.
wat de ingangsdatum van de verstrekking is en wanneer een evaluatie plaats vindt;
c.
hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
d.
welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;
e.
de motivatie / reden waarom de maatwerkvoorziening wordt verstrekt.
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag, inclusief de eventuele opmerkingen van de cliënt, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van personen uit zijn sociaal netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening (zaak), wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven:
11
a.
tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of;
b.
tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten of;
c.
de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. Artikel 3.2 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden en begeleiding 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 3.1, eerst of de cliënt één of meerdere huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen in het kader van gebruikelijke en niet-gebruikelijke hulp. 2. Het college stelt beleidsregels op. Artikel 3.3 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen De maatwerkvoorziening voor opvang en beschermd wonen wordt verstrekt overeenkomstig de geldende raadsverordening van de gemeente Tilburg en de hierop gestoelde nadere regels en/of beleidsregels van de gemeente Tilburg. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR704622/1 Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen In aanvulling op artikel 3.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een sportvoorziening als de cliënt zijn/haar sport niet actief kan beoefenen zonder deze voorziening. Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 3.1, eerst of de cliënt gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare algemene voorziening of van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de individuele situatie van de cliënt kan leiden tot het te bereiken resultaat. 2.
Het aantal kilometers waarop aanspraak gemaakt kan worden is maximaal 1500 km per jaar . Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen, op basis van de vervoersbehoefte, worden afgeweken.
3. Het college stelt beleidsregels op. Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 3, de situatie aan de hand van onderstaand stappenplan: a. Het college beoordeelt of de woning van cliënt zodanig kan worden aangepast dat daarmee ook op de lange termijn een adequate oplossing wordt gecreëerd. Als het college oordeelt dat de woning niet kan worden aangepast, dient cliënt in beginsel te verhuizen. b. Het college beoordeelt vervolgens of de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat. c.
Het college beoordeelt wat de goedkoopst adequate oplossing is; huidige woning aanpassen óf verhuizen.
12
d. Het college beoordeelt of er zwaarwegende argumenten zijn, waardoor verhuizen geen geschikte oplossing is. 2. Het uitgangspunt bij het beoordelen is de goedkoopst adequate oplossing. Het college beoordeelt wat de goedkoopst adequate oplossing is door het bedrag dat nodig is om de huidige woning aan te passen af te zetten tegen het bedrag van de maximale verhuiskostenvergoeding. 3. Het college maakt een zorgvuldige afweging en weegt hierbij de behoeften van de cliënt af tegen het belang van de gemeente. 4. Het college kan besluiten tot een verhuiskostenvergoeding die gebruikt kan worden voor de daadwerkelijke verhuizing en de stoffering van de nieuwe woning. De inschrijfkosten voor de woningbouwcorporatie, aanschaf van meubilair, etc vallen hier niet onder. 5.
Een voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten wordt slechts verleend als de aanvrager niet verhuisd is op een moment dat dit op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing ook zonder handicap algemeen gebruikelijk wordt geacht.
6. Het college kan besluiten tot het toekennen van een vergoeding voor een woningsanering, als die noodzakelijk is in verband met CARA en/of allergische aandoeningen. De woningsanering beperkt zich tot die woonruimten die het meeste gebruikt worden. Meestal betreft het alleen de woonkamer en/of slaapkamer. 7. Het college stelt beleidsregels op. Artikel 3.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: a. met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk de beperkingen kan wegnemen; c.
de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;
d. de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; e. het een voorziening betreft die de cliënt vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd; f.
het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
g. de kosten van de voorziening niet in redelijke verhouding staan tot de levensduur van de voorziening; h. er geen sprake is van meerkosten ten opzichte van de situatie voordat de beperkingen of problemen bestonden; i.
deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;
j.
er sprake is van voorzienbaarheid;
k.
een cliënt niet meewerkt aan het onderzoek, waardoor niet kan worden vastgesteld welke voorziening passend is.
13
2. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, met uitzondering van hulp bij het huishouden en begeleiding; b. als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Loon op Zand. 3. Het college verstrekt geen woonvoorziening: a. als de cliënt in de betreffende woning niet zijn hoofdverblijf heeft; b. als deze verkrijgbaar is in de reguliere handel; c. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; d. ten behoeve van Wlz-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; e. als deze zich in een gemeenschappelijke ruimte bevindt en de cliënt woont in een specifiek voor mensen met een beperking of ouderen bedoeld gebouw; f.
als het een voorziening betreft in gemeenschappelijke ruimte, anders dan automatische deuropeners, hellingenbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
g. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie; h. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college. 4. In afwijking van lid 3 onder a van dit artikelen en artikel 2.3.5. lid 6 van de wet kan het college besluiten om voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar te maken.
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget Artikel 4.1 Regels voor persoonsgeboden budget (pgb) 1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een pgb dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. De cliënt dient een budgetplan op te stellen, waarin in ieder geval uiteen is gezet: a. Aan welke diensten de cliënt het budget wil besteden; b. het beoogde doel, dan wel doelen, van de te treffen maatwerkvoorziening(en); c.
het resultaat, dan wel resultaten, van de te treffen maatwerkvoorziening(en);
d. om welke reden cliënt hiervoor een pgb wenst; e. hoe de cliënt voornemens is vorm te geven aan de uitvoering;
14
f.
welke kwalificaties er al dan niet aan de uitvoering zijn verbonden en indien van toepassing;
g. welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. 3. Het college besluit alléén tot het verstrekken van een pgb als, op basis van het gesprek, het onderzoek en het door de cliënt ingevulde budgetplan, kan worden vastgesteld dat de cliënt, al dan niet met hulp uit het sociaal netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, en in staat is om de rechten en plichten die zijn verbonden aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren. Het college moet, eventueel met advies van een expert, vast kunnen stellen dat een cliënt in staat is regie te voeren over de kwaliteit en de uitvoering van het budgetplan met het oog op de te behalen resultaten. Een pgb moet, net als een maatwerkvoorziening in natura, worden ingezet voor kwalitatief goede ondersteuning die bijdraagt aan het gewenste resultaat en past bij het ontwikkelperspectief. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de maatwerkvoorziening onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon, die behoort tot het sociaal netwerk, als: a. het college beoordeelt dat de inzet van de persoon uit het sociaal netwerk passend is. b. de persoon uit het sociaal netwerk heeft verklaard dat zijn inzet voor hem niet tot overbelasting leidt. 5.
Het college kan een pgb weigeren indien aan de pgb-houder in de afgelopen jaren een pgb is verleend, waarbij niet werd voldaan aan de voorwaarden van het destijds verstrekte pgb. 6. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 7. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 8. Het is verplicht om de modelovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken. 9. Het college kan nadere regels stellen aan de toegang tot en het gebruik van het pgb.
Artikel 4.2 De hoogte van een persoonsgeboden budget (pgb) 1. De hoogte van een pgb: a. is gebaseerd op de soort voorziening en omvang van de voorziening; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen en; c.
bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura;
d. is in beginsel afgestemd op wat in het budgetplan is opgenomen.
2. De hoogte van een pgb voor begeleiding wordt als volgt bepaald: a. Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van begeleiding en, voor zover van toepassing, in ieder geval in
15
verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. b. Een budget-houder die een derde inschakelt, zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP'er, ontvangt het formele pgb-tarief. Het formele pgb-tarief is bepaald op 80% van de prijs van zorg in natura. Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage 3. c.
c. Een budget-houder die een derde inschakelt, niet zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er, ontvangt het informele pgb-tarief. Het informele pgb-tarief voor begeleiding is afgeleid van de gebruikelijke beloning in de branche. Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage 3.
d. Bij het beoordelen van de vraag of de budget-houder het formele pgb-tarief of het informele tarief ontvangt voor de dienst die hij inkoopt, gaat de omstandigheid dat de dienst wordt verricht door iemand uit het sociaal netwerk, dan wel een eerste- of tweede graadsfamilielid een eerste- of tweede graadsfamilielid voor op de omstandigheid dat de dienst wordt verleend door een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er. e. De maximale werkweek van de (in)formele zorgverlener is niet meer dan 40 uur per week, rekening houdend met de totaal aantal uren werk waaraan een arbeidscontract ten grondslag ligt. f.
Het college kan in nadere regels aanvullende eisen stellen aan derden die begeleiding bieden aan de cliënt.
3. De hoogte van een pgb voor hulp bij het huishouden wordt als volgt bepaald: a. Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van hulp en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. b. Een budgethouder die een derde inschakelt, zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP’er, ontvangt het formele pgb-tarief. Het formele pgb-tarief is voor hulp bij het huishouden, categorie 1 (algemeen en plus), bepaald op 80% van de prijs van zorg in natura. c.
Een budget-houder die een derde inschakelt, niet zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er, ontvangt het informele pgb-tarief. Het informele pgb-tarief voor begeleiding is afgeleid van de gebruikelijke beloning in de branche. Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage 3.
d. Bij het beoordelen van de vraag of de budget-houder het formele pgb-tarief of het informele tarief ontvangt voor de hulp die hij inkoopt, gaat de omstandigheid dat de hulp wordt verricht door iemand uit het sociaal netwerk, dan wel een eerste- of tweede graads familielid, voor op de omstandigheid dat de hulp wordt verleend door een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er. e. De maximale werkweek van de (in)formele zorgverlener is niet meer dan 40 uur per week, rekening houdend met het totaal aantal uren werk waaraan een arbeidscontract ten grondslag ligt. f.
Het college kan in nadere regels aanvullende eisen stellen aan derden die hulp verlenen aan de cliënt.
4. De hoogte van een pgb voor hulpmiddelen wordt als volgt bepaald: a. Bij hulpmiddelen wordt een onderscheid gemaakt tussen hulpmiddelen die binnen het kernassortiment vallen en hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen.
16
b. Voor de duur van het verstrekken van het pgb wordt aansluiting gezocht bij het afschrijvingstermijn van de voorziening. c. Als de PGB-verstrekking een tweedehands hulpmiddel betreft, wordt de maximale kostprijs gebaseerd op het pgb-tarief, zoals opgenomen in bijlage 4, minus de reeds afgeschreven termijn. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal het aanschafbedrag van het hulpmiddel. 5. Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen binnen het kernassortiment a. Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen, die binnen het kernassortiment van de gemeente Loon op Zandvallen, wordt per voorzieningencategorie vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening. Deze bedragen zijn vastgelegd in bijlage 4. b. Het college heeft de mogelijkheid de cliënt te verzoeken één of twee offertes te overleggen. Het college kan ook zelf een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. c. Het college behoudt zich het recht voor de hoogte van het pgb vast te stellen op het bedrag waarvoor het hulpmiddel in de reguliere markt verkrijgbaar is. d. De basisbedragen zoals opgenomen in bijlage 4 worden, indien van toepassing, verhoogd met een bedrag voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen. e.
Het pgb voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. f. De PGB-bedragen bedoeld in dit artikel onder lid 1 en lid 4 vormen tezamen het totale persoonsgebonden budget voor de voorziening. 6. Persoonsgebonden voor hulpmiddelen buiten het kernassortiment a. Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen die buiten het kernassortiment van de gemeente Loon op Zand vallen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college kan de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte(s) moet(en) ook, indien van toepassing, een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. b. Het college behoudt zich het recht voor de hoogte van het pgb vast te stellen op het bedrag waarvoor het hulpmiddel in de reguliere markt verkrijgbaar is. 7. De hoogte van een pgb voor kortdurend verblijf- en respijtzorg wordt berekend per dagdeel bepaald op basis van het laagste tarief per dagdeel of per resultaat voor kortdurend verblijf- en respijtzorg in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht(en) werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. 8.
De hoogte van een pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding wordt bepaald op basis van de prijsafspraken met de zorgaanbieder (bijlage 3). 9. De hoogte voor vervoerskosten wordt als volgt berekend: a. Indien een cliënt geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, regiovervoer niet mogelijk is en eigen vervoer niet beschikbaar is, en op geen enkele andere manier een goedkopere passende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de cliënt een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere (rolstoel)taxi te reizen. Dit hoogte van de vervoerskosten wordt vastgesteld op grond van het feitelijke vervoerspatroon van de cliënt met als uitgangspunt een maximum van 1500 kilometer per jaar tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt afgesproken, maar bedraagt maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere (rolstoel)taxi. Het college verzoekt de cliënt één of twee offertes te overleggen. Het college kan ook zelf een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen Bij gebruik van de eigen auto worden de kosten gebaseerd op de ‘cao Rijk’. . 10. De hoogte van een pgb voor een autoaanpassing wordt als volgt berekend: a. De hoogte wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, welke voldoet aan het door het college opgestelde programma van eisen.
17
b. Het college verzoekt de cliënt één of twee offertes te overleggen. De offerte(s) moet(en), indien van toepassing, een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. c.
Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder.
11. De hoogte van een pgb voor een sportvoorziening wordt als volgt berekend: a. De hoogte wordt uitsluitend vastgesteld op een gemaximeerd persoonsgebonden budget en is, ongeacht het inkomen, gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum tarief volgens bijlage 7. b. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een forfaitair bedrag verstrekt volgens het tarief in bijlage 7, waarmee voor een periode van drie jaar een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden. c.
Als de cliënt nog steeds gebruik maakt van de sportvoorziening, kan aan hem, aansluitend aan de in het sub a bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een forfaitair bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden volgens het tarief in bijlage 7 ten behoeve van de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening.
d. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte(s) moet(en) ook een indicatie bevatten voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde leverancier. 12. De hoogte van een pgb voor verhuis- en inrichtingskosten bedraagt maximaal het tarief volgens bijlage 6 en wordt verstrekt aan de hoofdbewoner van de woonruimte. Het college verzoekt de cliënt de kosten aantoonbaar te onderbouwen. 13. De hoogte van een pgb voor een woonvoorziening wordt als volgt berekend: a. Indien de goedkoopst adequate oplossing is om te verhuizen, maar de cliënt kiest ervoor de huidige woning geschikt te maken, bedraagt de hoogte het tarief volgens bijlage 6 (maximale verhuiskostenvergoeding), vermeerderd met het bedrag dat nodig zou zijn geweest om de nieuwe woning aan te passen. Het college zoekt aansluiting bij de goedkoopst adequate oplossing. b.
In overige situaties wordt de hoogte bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, welke voldoet aan het door het college gestelde eisen en/of voorwaarden. c. Het college verzoekt de cliënt twee offertes op te vragen. De offertes moeten ook - indien van toepassing - een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offertes van de cliënt te toetsen. d. Voor de duur van het verstrekken van het pgb wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn van de voorziening. 14. De hoogte van een woningsanering wordt als volgt berekend:
18
a. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met de een reguliere afschrijftermijn van 8 jaar op de bestaande stoffering. Indien de bestaande stoffering niet ouder is dan 8 jaar, kunnen de kosten (gedeeltelijk) worden vergoed:
leeftijd tot 2 jaar: leeftijd tot 4 jaar: leeftijd tot 6 jaar: leeftijd tot 8 jaar: leeftijd > 8 jaar:
100 % van de maximale vergoeding 75 % van de maximale vergoeding 50 % van de maximale vergoeding 25 % van de maximale vergoeding geen vergoeding
b. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de NIBUD prijzengids. c. Als de bestaande stoffering volgens de afschrijftermijn van 8 jaar aan vervanging toe zou, verstrekt het college geen vergoeding. Artikel 4.3 Verplichting verbonden aan pgb woonvoorziening Indien een cliënt een maatwerkvoorziening ontvangt, dan wel heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient de cliënt bij verkoop van deze woning binnen een periode van zeven jaar na gereed melding van de voorziening: a. De verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden en; b. de kosten van de verstrekte woonvoorziening volgens het onder c vastgestelde afschrijvingsschema aan het college terug te betalen, dit onder aftrek van eventueel betaalde eigen bijdrage/eigen aandeel. c.
Het onder b genoemde afschrijvingsschema luidt als volgt: ● In het eerste jaar is 100 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; ● In het tweede jaar is 85 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; ● In het derde jaar is 70 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; ● In het vierde jaar is 55 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; ● In het vijfde jaar is 40 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; ● In het zesde jaar is 25 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; ● In het zevende jaar is 10 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd.
Artikel 4.4 Indexering Er vindt jaarlijks per 1 januari indexering plaats van de door de gemeente verstrekte maatwerkvoorzieningen. De indexering vindt als volgt plaats: 1. Persoonsgebonden budget voor dienstverlening: aangesloten wordt bij de prijs die de gemeente betaalt voor de voorziening in natura. Is in het contract voor de dienstverlening geen indexering voorzien, dan wordt ook het PGB niet verhoogd. 2. De overige persoonsgebonden budgetten worden verhoogd met de Consumenten Prijsindex (CPI). Dit CPI-percentage wordt gebaseerd op de "nominale ontwikkelingen t.b.v. actualisering" die het Rijk verstrekt in maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden.
19
Hoofdstuk 5 Bijdragen Artikel 5.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag er maand zoals is bepaald in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet. Tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorziening verhuis- en inrichtingskosten. 5. In afwijking van artikel 2.1.4a van de wet is de cliënt voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer een eigen bijdrage in de kosten van het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer) verschuldigd ter hoogte van: a. een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op basis van het Wmo-tarief of in afwijking daarvan; b.
een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op basis van het OV-tarief , zodra de cliënt zijn jaarlijks te gebruiken kilometerbudget heeft verbruikt; c. De bedragen, (zoals bedoeld onder a en b,) worden jaarlijks vastgesteld door Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant (zie bijlage 5 voor de tarieven); d. Voor ritten, (zoals bedoeld in lid 5,) tijdens de door de Stuurgroep vastgestelde piektijden, geldt het OV-tarief van het regiovervoer (bijlage 5). e. het college kan regels stellen.
6. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening bruikleen, huur of eigendom; c.
pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.
7. Voor de actuele prijslijst van de gecontracteerde leveranciers wordt verwezen naar bijlage 1, 2, 3 en 5. 8. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 9. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
20
Artikel 5.2 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Voor algemene voorzieningen, die niet bij verordening zijn aangewezen, is de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd aan de organisatie die zorg draagt voor de uitvoering van de algemene voorziening. Deze bijdrage valt niet onder de eigen bijdrage genoemd in artikel 6.1 lid 1 van deze verordening. Voorbeelden hiervan zijn: a. collectief vervoer vrije reiziger (het tarief is opgenomen in bijlage 5 Onder OV-tarief); b. dagbesteding met laag intensieve ondersteuning; c.
klussendienst.
2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. De organisatie die zorg draagt voor de algemene voorziening stelt de hoogte van de bijdrage vast en int deze.
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening). 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening is aangewezen; c.
bij overlijden een terugvordering plaats vindt naar rato van een verstrekt pgb in het geval van hulpmiddelen. d. bij verhuizing buiten de gemeente een terugvordering plaats vindt naar rato van een verstrekt pgb in het geval van hulpmiddelen. e. de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet meer toereikend is te achten; f. de cliënt niet voldoet aan de maatwerkvoorziening, het pgb of aan de algemene voorziening verbonden voorwaarden; g. de cliënt de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor de maatwerkvoorziening is verstrekt.
21
4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, algemene voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6. Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. 7. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. Artikel 6.2 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 2.
Het college wijst ter uitvoering van het eerste lid een toezichthouder aan om misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele en overige voorzieningen op te sporen, te bestrijden en tegen te gaan.
Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en Klachten Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c.
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
22
d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Ook als de voorzieningen zijn verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de (all-in)tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a.
de aard en omvang van de te verrichten taken;
b.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c.
een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, en
e.
kosten voor bijscholing van het personeel.
2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a.
de marktprijs van de voorziening, en
b.
de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1°. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2°. instructie over het gebruik van de voorziening; 3°. onderhoud van de voorziening en; 4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld wijkteams).