CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting vast te stellen bestemmingsplan.pdf

Raadsvergadering 13 juli 2023, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Erasstraat 115 Kaatsheuvel14.329 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Erasstraat 115 Kaatsheuvel Loon Op Zand

DATUM IMRO IDN

26-04-2023 NL.IMRO.0809.BPErasstraat115-VG01

PROJECT PROJECTLEIDER

Erasstraat 115 Kaatsheuvel ing. R.B.P. Verkooijen

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Loon op Zand 080900.2021149

AUTEUR STATUS

ing. H.A.Q. Maas vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

6

1.1

Aanleiding en doel

6

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Geldend bestemmingsplan

7

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Planvoornemen

10

2.1

Huidige situatie

10

2.2

Toekomstige situatie

13

Beleidskader

14

3.1

Inleiding

14

3.2

Rijksbeleid

14

3.3

Provinciaal beleid

16

3.4

Gemeentelijk beleid

21

Milieu- en omgevingsaspecten

28

4.1

Inleiding

28

4.2

Verkeer en parkeren

28

4.3

Milieuhinder

29

4.4

Geurhinder en veehouderijen

30

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

31

4.6

Wegverkeerslawaai

33

4.7

Externe veiligheid

34

4.8

Luchtkwaliteit

36

4.9

Kabels en leidingen

38

4.10

Bodem

38

4.11

Water

40

4.12

Ecologie

41

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

47

Toelichting op de juridische regeling

48

5.1

Wettelijke eisen

48

5.2

Opzet van de bestemmingsregeling

48

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

3/52

5.3

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

49

5.4

Toelichting op de algemene regels

50

5.5

Toelichting op de overgangs- en slotregels

50

Uitvoerbaarheid

51

6.1

Economische uitvoerbaarheid

51

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51

Hoofdstuk 6

4/52

Toelichting

5/52

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Aan de Erasstraat 115 te Kaatsheuvel was in het verleden een varkenshouderij gevestigd. Hoewel de varkenshouderij inmiddels gestopt is, kent het perceel (kadastraal bekend als Loon op Zand, sectie P, perceelsnummer 431) de bestemming 'Agrarisch' conform 'Beheersverordening Woongebieden Kaatsheuvel'. Op het perceel is de bedrijfswoning nog aanwezig. De wens bestaat om deze bedrijfswoning 'om te zetten' naar een burgerwoning en aan te merken als 'Woonboerderij'. Conform gemeentelijk beleid ('Buitengebied Geconsolideerd') mag een woonboerderij maximaal 1.000 m3 aan inhoud hebben. Op het perceel zelf mag dan nog steeds maximaal 200 m2 aan bijgebouwen staan. Dit betekent dat er een klein aandeel bijgebouwen gesloopt zal moeten worden. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied kent een oppervlakte van circa 2.650 m2 en ligt aan de Erasstraat 115, ten westen van de kern Kaatsheuvel. De ligging en begrenzing is weergegeven in figuur 1.1 en 1.2. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Loon op Zand, sectie P en perceelsnummer 431 (gedeeltelijk).

Figuur 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van de kern Kaatsheuvel (Bron: Google Maps)

6/52

Figuur 1.2 Begrenzing plangebied (Bron: Kadastrale kaart)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt 'Beheersverordening Woongebieden Kaatsheuvel' (figuur 1.3). De gronden hebben de bestemming 'Agrarisch', waarbij tevens gedeeltelijk een bouwvlak van kracht is. Aangeduid zijn tevens een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijf; b. bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; c. volkstuinen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin'; d. water- en retentievoorzieningen; e. tuinen, erven en verhardingen; f. parkeervoorzieningen ten dienste van de bestemming.

7/52

Figuur 1.3 Uitsnede 'Beheersverordening Woongebieden Kaatsheuvel' (Bron: Ruimtelijkeplannen) In de geldende beheersverordening (vastgesteld 20 september 2012) hebben bestaande (agrarische) bedrijfswoningen de aanduiding 'bedrijfswoning' gekregen. Conform de werkwijze van de beheersverordening zijn deze aanduidingen toegekend aan de hand van de gegevens van de gemeentelijke Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De bedrijfswoning aan de Erasstraat 115 heeft ten onrechte geen aanduiding gekregen. Dat blijkt uit het het feit dat volgens de BAG ter plaatse sprake is van een verblijfsobject (woonfunctie) uit het bouwjaar 1929. De wens bestaat om deze bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning en aan te merken als 'Woonboerderij'. Deze ontwikkeling is in strijd met de geldende berheersverordening. In de huidige bestemmingsplannen mag een woonboerderij maximaal 1.000 m3 aan inhoud hebben. Op het perceel zelf mag dan nog steeds maximaal 200 m2 aan bijgebouwen staan. Dit betekent dat er een klein deel aan bijgebouwen gesloopt zal moeten worden. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld en zijn de benodigde onderzoeken uitgevoerd.

1.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie in en rond het plangebied en geeft inzicht in de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Loon op Zand. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.

8/52

9/52

Hoofdstuk 2 2.1

Planvoornemen

Huidige situatie

Aan de Erasstraat 115 te Kaatsheuvel was in het verleden een varkenshouderij gevestigd. Hoewel de varkenshouderij inmiddels gestopt is, kent het perceel tot op heden nog steeds de bestemming 'Agrarisch'. Op het perceel is de voormalige bedrijfswoning nog aanwezig. Daarnaast is binnen het plangebied een uit drie componenten bestaande schuur, een tuinhuisje en een klein dierenverblijf aanwezig. De karakteristieke woning dateert uit 1929 en staat haaks op de Erasstraat. De woning is opgetrokken uit baksteen en heeft een mansardekap met een dakpannen dak. De goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk circa 4 en 6 meter. De achterzijde van het bestaande pand was voorheen in gebruik als onderdeel van de varkenshouderij. Een gedeelte daarvan kent een lagere goot- en bouwhoogte dan de overige bebouwing. Daardoor lijkt dit bouwdeel van ondergeschikte betekenis. Functioneel maakt dit bouwdeel echter inmiddels ook onderdeel uit van de woning. Aan de voorzijde en de westzijde van de woning is de tuin behorende bij deze woning gesitueerd. Op een afstand van circa 25 meter ten noordwesten van de woning staat de, uit drie componenten, bestaande schuur. Het middenstuk van de schuur is aan de oostelijke zijde permanent open en opgetrokken uit betonblokken. Het dak bestaat uit polyester golfplaten met nokpannen.

Aan beide zijden van het middenstuk, aan de noord- en zuidzijde, staat een laag schuurtje opgetrokken uit hout met een plat dak. Deze delen van de schuur zijn voorzien van een dakgoot. De schuur is permanent in gebruik en dient onder andere als opslag voor diverse bouwmaterialen, agrarische voertuigen en voer voor hobbyvee. In de directe omgeving van de schuur staan heggen, struiken en bomen. Aan de oostzijde van de schuur is een kleine weide gesitueerd. Het perceel grenst in diverse windrichtingen direct aan agrarisch buitengebied.

10/52

Figuur 2.1 Voorzijde bestaande bedrijfswoning

Figuur 2.2 Achterzijde bestaande bedrijfswoning

Figuur 2.3 Het tuinhuis en de schuur ten westen van de bedrijfswoning

11/52

Figuur 2.4 De schuur en het dierenverblijf

Figuur 2.5 Doorzicht naar agrarsch buitengebied aan de achterzijde van het perceel

12/52

Figuur 2.6 Straatbeeld Erasstraat

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bedrijfswoning aan Erasstraat 115 om te zetten naar een burgerwoning en deze aan te merken als 'Woonboerderij'. Een woonboerderij is een gebouw dat bestaat uit een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met de in hetzelfde gebouw opgenomen (voormalige) bedrijfsruimten, waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn (bijvoorbeeld langgevelboerderij of kortgevelboerderij). De woonboerderij heeft een inhoudsmaat van maximaal 1.000 m3. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt maximaal 200 m2. Om de woning aan te merken als 'Woonboerderij' wordt een klein deel (40 m2) van de schuur gesloopt. Om dit te borgen is in artikel 3.4.2 van de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

13/52

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Tot slot wordt in paragraaf 3.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is.

Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin

14/52

meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijven. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.

Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) zijn dertien nationale belangen opgenomen. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente: Rijksvaarwegen; Grote rivieren; Defensie; Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij

15/52

de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Toetsing Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt (Bro art. 3.1.6 lid 2). “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn ontwikkelingen, die nog niet eerder in een bestemmingsplan of ander juridisch verbindend ruimtelijk plan zijn opgenomen.

Toetsing De wens bestaat om deze bedrijfswoning 'om te zetten' naar een burgerwoning en aan te merken als 'Woonboerderij'. Conform gemeentelijk beleid mag een woonboerderij maximaal 1.000 m3 aan inhoud hebben. Op het perceel zelf mag dan nog steeds maximaal 200 m2 aan bijgebouwen staan. Dit betekent wel dat er alsnog een klein deel aan bijgebouwen gesloopt zal moeten worden. De beoogde ontwikkeling wordt conform artikel 3.1.6 Bro niet aangmerkt als stedelijke ontwikkeling niet aangemerkt als zijnde een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder is derhalve niet noodzakelijk. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatprof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Samen met andere partijen, zoals gemeenten en bedrijven, wil de provincie uitvoering geven aan projecten die

16/52

passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit, zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving, is het uitgangspunt. Toetsing De beoogde herbestemming heeft slechts beperkte invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 van voorliggend bestemmingsplan wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie Noord-Brabant geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau.

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo'n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Het plangebied ligt conform de Interim omgevingsverordening in het gebiedstype landelijk gebied, op relatief korte afstand van de gebiedstypen 'concentratiegebied verstedelijking' en 'verstedelijking afweegbaar'.

De ligging ten opzichte van deze gebiedstypen is weergegeven op de themakaarten 'landbouw' en 'stedelijke ontwikkelingen en erfgoed' in de figuren 3.1 en 3.2.

17/52

Figuur 3.1 Uitsnede kaart 'landbouw' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Ruimtelijkeplannen)

Figuur 3.2 Uitsnede kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Ruimtelijkeplannen) In hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de

18/52

instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. De volgende artikelen zijn relevant voor de beoogde ontwikkeling. Paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies: Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik; Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering; Artikel 3.8 meerwaardecreatie; Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap. Toetsing Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Interim omgevingsverordening getoetst. Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Artikel 3.5 vormt de opmaat voor een goede omgevingskwaliteit. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8.

Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Indien er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening is toegestaan kan er worden uitgebreid in het bestaand ruimtebeslag. Bij de beoogde ontwikkeling gaat het om het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij een aantal vierkante meters aan bijgebouwen conform gemeentelijk beleid gesloopt worden. De ontwikkeling blijft beperkt tot een bestaand bouwperceel waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande opstallen. Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Interim omgevingsverordening voldaan te worden: b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro,

19/52

waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft te worden toegepast. c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ontwikkeling betreft enkel het toekennen van een reguliere woonbestemming aan het plangebied. Conform gemeentelijk beleid mag een woonboerderij maximaal 1.000 m3 aan inhoud hebben. Op het perceel zelf mag dan nog steeds maximaal 200 m2 aan bijgebouwen staan. Dit betekent dat er een klein deel aan bijgebouwen gesloopt zal moeten worden, maar dat er verder enkel gebruik gemaakt wordt van bestaande opstallen. De opstallen zijn geconcentreerd op het perceel gesitueerd. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: de ondergrond de netwerklaag de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de sloop van bijgebouwen, waardoor in totaal maximum 200 m2 aan bijgebouwen aanwezig is.

Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist bij een bestemmingsplan, dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met een positieve bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit van het gebied. Hier wordt nader op in gegaan in paragraaf 3.4.5 van voorliggend bestemmingsplan. Gesteld kan worden dat het initiatief in lijn is met artikel 3.9 van de Interim

20/52

omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Loon op Zand 2030 (2013) / Structuurvisie Loon op Zand 2030, 1e herziening (2018) Op 5 maart 2015 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Loon op Zand 2030 vastgesteld. De structuurvisie legt de missie vast voor de (middel) lange termijn met een planhorizon van 10 tot 15 jaar. De gemeente neemt een regierol op zich. Er wordt veel ruimte gelaten aan de initiatieven van burgers en ondernemers voor de inrichting en het beheer van de wijken en buurten. Dit is door het gemeentebestuur benadrukt in de ‘Kadernota 2013-2016’. De visie fungeert als afwegingskader voor de initiatieven en voor de verdere ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. In het afwegingskader is nadrukkelijk aandacht voor het benoemen van hoofdstructuren zoals (bebouwings)linten, groen en verkeer en worden er (woningbouw)projecten verbeeld, waarin de komende jaren energie wordt gestoken. Om recht te doen aan het meer abstracte toekomstbeeld, maar juist ook aan het scheppen van concrete kaders, is de structuurvisie opgedeeld in 2 hoofddelen. Deel A (het raamwerk en de visie) en een deel B (het projectenplan met daarin de geselecteerde projecten, de uitgangspunten en de haalbaarheid). De visie is daarmee niet alleen een kader, maar tevens een aanjager voor toekomstige ontwikkelingen.

Zij moet niet alleen de gemeente zelf, maar juist ook ondernemers, bewoners en andere overheden uitnodigen tot initiatieven en acties. De visie gaat uit van een hoofdambitie: behouden en waar mogelijk versterken van de bestaande kwaliteiten en het op adequate wijze inspelen op trends en ontwikkelingen. De belangrijkste ambities in relatie tot onderhavig plan zijn gericht op: behouden en versterken van de eigen identiteit van groene en recreatieve gemeente, met alle positieve kenmerken van het streekeigene van Midden-Brabant; behouden en versterken van het contrast met de nabij gelegen stedelijke gebieden: de landelijke en groene gemeente Loon op Zand als groene voortuin van de omliggende steden; verruimen van het aanbod aan kwalitatief aantrekkelijke woonmilieus. Ten aanzien van woningbouw stelt de visie voor onderhavig plan het volgende: Behoud van een dynamische samenleving Om de drie dorpen vitaal en leefbaar te houden, is een evenwichtige bevolkingsopbouw van groot belang. Nieuwe ontwikkelingen, zoals woningbouw, zijn vooral een middel om dit te bereiken (en geen doel op zichzelf). Gestreefd wordt naar een gevarieerde woningvoorraad waar ruimte is voor diverse leeftijdsgroepen, huishoudens en inkomensgroepen. Belangrijk wordt gevonden dat inwoners, maar ook mensen van buiten kunnen kiezen uit verschillende aantrekkelijke woonmilieus.

De bijzondere kwaliteiten, die het wonen in de gemeente Loon op Zand aangenaam maken, dienen te worden benut. Een hoge ruimtelijke kwaliteit in bestaand en nieuw stedelijk gebied is daarbij van groot belang. Zorgvuldig en stapsgewijs

21/52

Bij woningbouw wordt het accent op vernieuwing van binnenuit gelegd, op ‘inbreiding’ (in bestaand bebouwd gebied) in plaats van op uitbreiding. Hiermee wordt aangesloten op ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’, die het Rijk op 1 oktober 2012 aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft toegevoegd. Enerzijds wordt ervoor gezorgd dat het buitengebied minimaal verstedelijkt en de uitstraling van een landelijke gemeente wordt behouden. Anderzijds is inbreiding (door herstructurering of transformatie) een middel om de ruimtelijke knelpunten in bestaande bebouwde gebieden aan te pakken. Omdat niet de volledige woningbehoefte op inbreidingslocaties kan worden opgevangen, zijn er enkele uitbreidingslocaties voor nieuwe woongebieden vastgelegd. Dit zijn de locaties Sweensstraat-West fase 1 en Sweensstraat fase 2 t/m 4 (aan de westzijde van Kaatsheuvel), Driestapelenstoel (zuidwestzijde Kaatsheuvel) en Molenwijck fase 3 en 4 (aan de zuidoostzijde van Loon op Zand). Een uitsnede van de visiekaart met daarbij de aanduiding van het plangebied is weergegeven in figuur 3.3. Het plangebied is conform de structuurvisie aangewezen als 'woongebied - lint'. Dergelijke gebieden betreffen de bebouwingslinten die doorlopen tot in het centrum van de dorpen.

Figuur 3.3 Uitsnede visiekaart van de Structuurvisie Loon op Zand 2030 (Bron: Gemeente Loon op Zand) De hoofdstructuur van een lint bestaat uit een lijnvormige combinatie van een weg, water, bebouwingen, erven en beplantingen. Kenmerkend voor bebouwingslinten in Loon op Zand is de afwisseling tussen bebouwde en open delen in het lint. De bebouwingslinten in de dorpen kennen een naar buiten toe open en naar de kern van het dorp min of meer aaneengesloten bebouwingsprofiel. Ten opzichte van de later gerealiseerde woonwijken geeft het in elk geval een afwisselender beeld. Het zijn dan ook de identiteitsdragers van het ‘stedelijke’ landschap. De herkenbaarheid (of ‘afleesbaarheid’) is door verkeerskundige maatregelen en ingrepen in de openbare ruimte in de loop der jaren echter minder sterk geworden. De open delen geven mooie doorzichten

22/52

naar het (half) open landschap. Deze zichtlijnen maken beleving van het landschap mogelijk. Er is zodoende altijd een samenhang aanwezig tussen het lint en het achterliggende landschap. De linten zijn daarmee ook in het buitengebied de identiteitsdragers van het landschap. Het karakter van de linten in het buitengebied verandert langzaam maar zeker door verschuiving van agrarische bedrijvigheid naar particulier en commercieel niet-agrarisch grondgebruik en door de toenemende intensivering van de landbouwsector. Dit karakter wordt mede bepaald door de aard en vorm van gebouwen en bijgebouwen, bouwvolumes, ontsluitingen, hekken en poorten en beplantingen. Toetsing Het plangebied is conform de structuurvisie aangewezen als 'woongebied - lint'. Nieuwe ontwikkelingen in de linten zijn in principe toegestaan omdat ze kunnen bijdragen aan de stedelijke respectievelijke plattelandseconomie, maar dienen wel de bestaande kwaliteiten van de linten te versterken. Het gaat daarbij om begrippen als attractiviteit, landschappelijk, stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp, ruimtelijke samenhang op het erf (het ensemble van bebouwing en groene elementen, bij voorkeur gebiedseigen beplantingen) en met het omliggende landschap en de omliggende bouwmassa. Om richting te kunnen geven aan particuliere initiatieven is het van belang uitgangspunten per bebouwingslint-/ cluster te hanteren.

Bij het voorliggend initiatief wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Het oppervlak aan bijgebouwen wordt in het kader hiervan teruggebracht tot maximaal 200 m2. De ontwikkeling heeft geen invloed op de aard en kwaliteit van het lint. Gesteld kan worden dat het initiatief hiermee in lijn is met de structuurvisie. 3.4.2 Structuurvisie Loon op Zand 2030, 1e herziening (2018) Op 8 maart 2018 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Loon op Zand 2030, 1e herziening vastgesteld. Het betreft een herziening van de in 2015 vastgestelde Structuurvisie Loon op Zand 2030. Met de herziening zijn de bepalingen over glastuinbouw aangepast en verduidelijkt. Aangezien bij dit bestemmingsplan geen sprake is van glastuinbouw, kan een verdere toetsing aan de herziening Structuurvisie achterwege blijven. 3.4.3 Lintenvisie Kaatsheuvel Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad de Lintenvisie Kaatsheuvel vastgesteld.

De visie heeft heeft als doelstellingen: Bescherming van de historische structuur en het erfgoed, alsmede aandacht voor de historische uitstraling van de linten; Vergroting van de herkenbaarheid van de linten, hun identiteit, openbare ruimte en verkeer; Behoud en bevordering van de diversiteit van het wonen aan de linten met respect voor de historische perceelsgewijze bouwwijze; Introductie van een manier van bouwen die meer bijdraagt aan het karakter en de sfeer van de linten; Behoud en stimulering van de dynamiek in de “bedrijvige” linten. In de Lintenvisie worden twee gebieden onderscheiden, namelijk het 'Winkelgebied' (één gebied richt zich tot de Peperstraat en het deel van de Hoofdstraat tussen Jan de Rooijstraat en de Sprangsestraat) en de 'overige linten' (de historische linten die hier buiten zijn gelegen, te weten de Antoniusstraat, een deel van Hoofdstraat, de Roestenbergstraat, de Marktstraat en de Gasthuisstraat).

23/52

Toetsing Het plangebied van dit bestemmingsplan is gelegen aan een lint, maar dit lint maakt geen deel uit van de Lintenvisie. Desondanks kan worden gesteld dat het plan tegemoet komt aan de doelstellingen uit de Lintenvisie. De bestaande bedrijfswoning aan het lint wordt immers in zijn oorspronkelijke vorm behouden en doet dan ook niets af aan de historische structuur, uitstraling, herkenbaarheid en identiteit van het lint en de perceelsgewijze bouwwijze aan dat lint. 3.4.4 Woonvisie 2016 - 2025 De Woonvisie 2016 – 2025 'Duurzaam, gevarieerd en betaalbaar' (vastgesteld op 14 december 2016) omvat de gemeentelijk visie op het wonen tot en met 2025. De keuze van deze termijn is ingegeven door de looptijd van het regionale woningbouwprogramma van de provincie Noord-Brabant en de nieuwbouwafspraken voor de regio Hart van Brabant. De gemeente beschouwt het realiseren van harde plancapaciteit niet als een doel op zich, maar als een middel om de gemeenschappen van Kaatsheuvel, Loon op Zand en De Moer verder te versterken. De centrale doelstelling is uitgewerkt in een aantal subdoelstellingen, die er op gericht zijn om dreigende onevenwichtigheden te voorkomen en bestaande onevenwichtigheden te corrigeren. Achtereenvolgens gaat het om: 1. het voorkomen van krimp; 2. inspelen op de toename van het aantal kleine en oudere huishoudens; 3.

aantrekken en behouden van starters en gezinnen; 4. realisatie van goedkope en snel beschikbare huisvesting voor ‘bijzondere doelgroepen’; 5. inspelen op de hervorming van de langdurige zorg; 6. duurzaam (ver)bouwen. Vanuit de Woonvisie wordt concreet voor de komende jaren ingezet op toevoeging van: 150 gelijkvloerse woningen, waarvan 50% in het sociale segment; Mogelijkheden voor short-stay onderzoeken; Meer midden- en duur segment huurwoningen toevoegen; Realisatie van landelijk-dorps woonmilieu. De voortgang van de Woonvisie wordt sinds 2021 jaarlijks middels de Quickscan Woningbouwprogramma uitgewerkt. Quickscan Als onderlegger voor het opstellen van de Quickscan Woningbouwprogramma zijn de ‘Eindrapportage Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant’ en de ‘Actualisatie Bevolkings-, huishoudens en woningbehoefteprognoses provincie Noord-Brabant’ aangehouden. De meest recente Quickscan Woningbouwprogramma is opgesteld voor het jaar 2021. Hierin is opgenomen dat de woningvoorraad van de gemeente Loon op Zand conform de laatste gegevens van het CBS per per 1 januari 2021 vastgesteld is op 10.478 woningen. Voor de periode 2021-2025 geldt dat de gemeente volgens de prognoses van de Provincie Noord-Brabant op 1 januari 2025 voldoet aan de woningbehoefte als de een feitelijke woningvoorraad uitkomt op 10.920 woningen.

24/52

De opgenomen woningbouwplannen van de gemeente Loon op Zand in de Quickscan 2021 ten aanzien van de periode 2021 tot 2026 vertegenwoordigen een toevoeging van 448 woningen. Hiermee kan worden gesteld dat de gemeente (in combinatie met de potentiële plannen) voldoende woningbouwplannen heeft. In de Quickscan zijn enkel de woningbouwplannen opgenomen waar het college een positief principebesluit over heeft genomen. Verder is er een flexibele ruimte ingecalculeerd, omdat de gemeente het gedurende jaar kleine woningbouwinitiatieven binnen krijgt, die hierdoor ook gehonoreerd kunnen worden als deze voldoen aan de woningbehoefte binnen de gemeente. Ook kan het voorkomen dat plannen vertraging lopen of uitvallen. Kortom, de planvoorraad voor de gemeente Loon op Zand bevat tezamen met de potentiële plannen voldoende woningbouwplannen voor de korte termijn. Voor de middellange- en lange termijn zal de gemeente extra woningbouwprojecten moeten toevoegen aan het woningbouwprogramma, gezien de bijstelling van de nieuwe prognoses. Met name voor de kern Loon op Zand zal de gemeente mogelijk een nieuwe locatie moeten vinden voor de middellange termijn Conform de Actualisatie van de meeste recente prognoses uit 2017 van de Provincie Noord-Brabant ligt de benodigde toevoeging voor de gemeente Loon op Zand voor de periode 2017 t/m 2027 (peildatum 1-1-2017) tussen de 700 en 910 woningen.

Nadrukkelijk advies van de Provincie is om maximaal 70% van deze 770 woningen vast te leggen in harde plancapaciteit, zodat ingespeeld kan worden op actuele ontwikkelingen. Regionaal is dus afgestemd dat voor de gemeente Loon op Zand een toevoeging van 700 – 910 woningen nodig is voor 2017 t/m 2026. Toetsing Het behouden van eigen karakter is één van de hoofddoelen voor de bebouwingslinten in en rondom de dorpskern van Kaatsheuvel. Met onderhavig initiatief wordt een reguliere woonfunctie toegevoegd aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Hiermee speelt het initiatief in op een actuele behoefte en voorkomt in zekere mate de verwaarlozing en/of leegstand in het buitengebied van Loon op Zand. 3.4.5 Landschapsinvesteringsregeling Binnen de gemeente Loon op Zand zijn de 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' (versie 15 november 2012) van toepassing.

In deze notitie worden, in overeenstemming met het procvinciaal beleid, drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist); Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist); Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).

25/52

Toetsing Op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de hierboven benoemde notitie worden de volgende investeringen beschouwd als investeringen van het landschap: 1. de kwaliteit van bodem/water/natuur/landschap/cultuurhistorie; 2. het slopen van bebouwing. Een gemeente kan er voor kiezen om per ontwikkeling te onderbouwen hoe met de landschapsinvesteringsregeling wordt omgegaan en per ontwikkeling overleg te hebben met de provincie of met deze onderbouwing kan worden ingestemd. Voor onderhavige kleinschalige ontwikkeling is, in overleg met de gemeente Loon op Zand en provincie Noord-Brabant bepaald dat deze ontwikkeling valt binnen categorie 1 van de LIR: Dit zijn ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Binnen categorie 1 vallen onder andere ontwikkelingen die maatschappelijk zeer gewenst zijn en/of ontwikkelingen die naar aard al een fysieke verbetering van de van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of via de sloop van bebouwing mogelijkheden tot gevolg hebben. Bij de specifieke voorbeelden en regels uit de 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' wordt benoemd dat een wijziging van de bestemming 'Agrarisch' (met in dit geval een agrarische bedrijfswoning) naar 'Wonen' valt onder categorie 1 mits: 1.

het bestemmingsvlak met tenminste 70% wordt verkleind; 2. overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt; 3. maximaal 200 m2 voormalige agrarisch bedrijfsbebouwing resteert. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch' heeft conform de geldende beheersverordening een oppervlakte van 11.480 m2, wat overeenkomt met het kadastrale perceel LOO00-P-431. Het plangebied ten behoeve van de woonfunctie is verkleind tot 2.653 m2, wat neerkomt op een verkleining van het bestemmingsvlak van circa 77%. De overige gronden binnen het kadastrale perceel maken geen onderdeel uit van het bestemmingsplangebied, waardoor de reguliere agrarische bestemming (zonder bouwvlak / nadere aanduidingen) van kracht blijft. Binnen het plangebied zal de bedrijfswoning worden omgezet naar een burgerwoning / bestemming 'Wonen – 1' en worden aangemerkt als 'Woonboerderij' (conform beleidsregels buitengebied Loon op Zand). Een woonboerderij is een gebouw dat bestaat uit een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met de in hetzelfde gebouw opgenomen (voormalige) bedrijfsruimten, waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn (bijvoorbeeld langgevelboerderij of kortgevelboerderij). De woonboerderij heeft een inhoudsmaat van maximaal 1.000 m3. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt maximaal 200 m2.

Om de woning aan te merken als 'Woonboerderij' wordt een klein deel (40 m2) van de schuur gesloopt. Om dit te borgen is in artikel 3.4.2 van de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Met de beoogde ontwikkeling wordt meerwaarde gecreëerd door de sloop van (een gedeelte van) de bijgebouwen en de instandhouding van karakteristieke bebouwing die tot de cultuurhistorisch waardevolle lint aan de Erasstraat behoort.

26/52

Het planvoornemen past hiermee binnen de landschapsinvesteringsregeling van de gemeente Loon op Zand. 3.4.6 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid.

27/52

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Verkeer en parkeren

4.2.1 Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan, dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Uitwerking parkeerbeleid Loon op Zand 2016'. Conform dit beleid wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging de categorie 'matig stedelijk' met bijbehorend functietype 'rest bebouwde kom Loon op Zand en Kaatsheuvel' aangehouden. 4.2.2 Toetsing Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van een vrijstaande woning, welke reeds bestaand is, is dusdanig beperkt en gaat op in het heersend verkeersbeeld van de Erasstraat. De agrarische bedrijfsfunctie is reeds vervallen maar ten opzichte van die bestaande (planologisch) situatie is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen.

Parkeren De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de 'Uitwerking parkeerbeleid Loon op Zand 2016'. De parkeernorm voor een grote woning (>135 m2 GBO) bedraagt 2,2 parkeerplaatsen. In deze norm zit een bezoekersdeel van 0,3 parkeerplaats per woning. De parkeerbehoefte kan, net zoals dat in de bestaande situatie het geval is, volledig op eigen terrein worden opgevangen. 4.2.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

28/52

4.3

Milieuhinder

4.3.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.3.2 Toetsing In de beoogde situatie wordt een bestaande woning omgezet naar een burgerwoning. Hiermee is er sprake van een milieugevoelige functie en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

Het plangebied is in het buitengebied gelegen met voornamelijk woningen in de omgeving. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van 'rustig buitengebied'. Ten zuidwesten van het plangebied aan De Roei 4 bevindt zich een constructiewerkplaats. Het betreft een gesloten gebouw met een productieoppervlak van meer dan 2.000 m2. Hierdoor valt het bedrijf in milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter in een rustig buitengebied. Met een afstand van circa 220 meter tot aan het plangebied wordt er aan de richtafstand voldaan. Aan De Roei 76 bevindt zich de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) Kaatsheuvel. De bijbehorende milieucategorie 4.1 geeft een richtafstand van 200 meter in een rustig buitengebied. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 340 meter. Hiermee wordt er aan de richtafstand voldaan. Tevens is er momenteel al sprake van een bedrijfswoning waar door de genoemde bedrijven al rekening gehouden moet worden. Ook zijn er op kortere afstand tot de genoemde bedrijven reeds reguliere woningen aanwezig waar de betreffende bedrijven in hun bedrijfsvoering rekening moeten houden. 4.3.3 Conclusie Het aspect milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

29/52

4.4

Geurhinder en veehouderijen

4.4.1 Normstelling en beleid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. In de Wgv is bepaald dat in een concentratiegebied een maximale voorgrondbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) geldt binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Ten opzichte van dieren van een diercategorie, waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien de woning binnen de bebouwde kom gelegen is, 100 meter te bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een vaste aan te houden afstand van 50 meter. Voor pelsdieren zijn aparte afstandseisen bepaald in bijlage 2 van de regeling Geurhinder en veehouderij. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt samen met de voorgrondbelasting het woon-en leefklimaat op een locatie.

Bij ontwikkeling van een geurgevoelig object dient er sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.4.2 Toetsing en conclusie Om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn de maximale voor- en achtergrondbelasting vanuit de omliggende veehouderijen van belang. De voorgrondbelasting is de uitstoot van geur op individueel niveau. Het effect van alle uitstoot van geur van alle veehouderijen bij elkaar opgesteld is de achtergrondbelasting. Het plangebied omvat zelf geen veehouderij. Wel heeft de om te zetten woning (geurgevoelig object) tot 1 mei 2001 deel uitgemaakt van een varkenshouderij. De woning is gelegen binnen de bebouwde kom. Op basis van artikel 3, lid 2 onder a dient zodoende een richtafstand van 100 meter te worden aangehouden tussen een dergelijk geurgevoelig object en een veehouderij. Er zijn geen veehouderijen aanwezig op een afstand van 100 meter of minder vanaf het plangebied. De veehouderij aan de Erasstraat 91 (ongeveer 220 meter ten oosten van het plangebied) is volgens het Bestand veehouderijen Brabant op 18 januari 2011 beëindigd.

Zodoende zijn dichtstbijzijnde veehouderijen: Hoge Zandschel 8, melkrundveehouderij: ongeveer 290 meter ten noorden van het plangebied; De Roei 4, paardenhouderij: ongeveer 460 meter; ten zuidwesten van het plangebied; Heuvelstraat 4, melkrundveehouderij: ongeveer 670 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de vaste afstand vanuit de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens zijn er in de omgeving van de veehouderij op kortere afstand al woningen gelegen en zijn bedrijfswoningen ook geurgevoelige objecten waarmee rekening gehouden moet worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de genoemde veehouderijen niet verder zullen worden beperkt door de beoogde ontwikkeling.

30/52

Figuur 4.1 Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur van ODZOB met het plangebied rood omcirkeld Uit de uitsnede van de kaart Achtergrondbelasting geur van de ODZOB blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een zeer goede kwaliteit leefomgeving, zie figuur 4.1. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. In verband met de implementatie van het Verdrag van Malta zijn de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten gewijzigd. Als gevolg daarvan is de al bestaande verplichting expliciet gemaakt om in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening te houden met het belang bij behoud van archeologische waarden. Thans is deze verplichting opgenomen in de Erfgoedwet. In 2017 heeft Vestigia voor de gemeente Loon op Zand kaarten gemaakt voor het archeologiebeleid van de gemeente. Het toelichtende rapport op de verwachtingskaart (waarden-/verwachtingenkaart) en de beleidsadvieskaart (maatregelenkaart) vormt de wetenschappelijke en ruimtelijke onderbouwing voor het hier geformuleerde gemeentelijke beleid en de gehanteerde onderzoeks- en ontheffingsregeling. De regeling wordt (door middel van dubbelbestemmingen) planologisch verankerd in de gemeentelijke bestemmingsplannen en gekoppeld aan de omgevingsvergunning. Op deze manier wordt door de gemeente Loon op Zand voldaan aan de

31/52

eisen van Erfgoedwet, Wro en Bro, terwijl tegelijkertijd een goede gemeentelijke balans is aangebracht tussen het behoud van archeologische informatie (de zorg voor het bodemarchief) en economisch-maatschappelijke criteria (tijd, kosten, procedures, regeldruk – zowel voor de burger c.q. veroorzaker als voor het de bevoegde overheid). Op de archeologische maatregelenkaart van Loon op Zand is het gemeentelijk grondgebied opgedeeld in vijf (effectieve) maatregelcategorieën, die inzichtelijk maken of, en zo ja waar en wanneer, archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen en welke onderzoekeisen en ontheffingen daarbij gelden. Toetsing Conform de geactualiseerde archeologische maatregelenkaart (figuur 4.2) valt het plangebied binnen categorie 2b. Het betreft een gebied/terrein van archeologische waarde, waarvoor in principe een onderzoeksverplichting geldt bij een verstoringsoppervlak van 100 m2 of meer en een diepte van meer dan 30 centimeter.

Figuur 4.2 Archeologische maatregelenkaart met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Loon op Zand) Bij de voorliggende ontwikkeling is sprake van een functiewijziging naar een reguliere woonbestemming. Voor deze ontwikkeling vinden er geen fysieke ingrepen plaats en worden de gronden niet geroerd. Specifiek gericht archeologisch onderzoek kan daarom achterwege gelaten worden en er kan gesteld worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.5.2 Cultuurhistorie Normstelling en beleid Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In

32/52

de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Toetsing De regio, waartoe de buurtschap Erasstraat behoort, is van cultuurhistorisch belang vanwege het voor Noord-Brabant unieke slagenlandschap. De verschillende fasen van ontwikkeling van het landschap hebben er toe geleid, dat van het van oudsher aanwezige slagenlandschap nog slechts in het noordelijk deel van Kaatsheuvel herkenbaar is. In het gebied, waarvan het plangebied deel uitmaakt, is dit nauwelijks het geval. Van een (verdere) aantasting van dit aspect van de cultuurhistorische waarden, die als karakteristiek kunnen worden aangemerkt voor dit deel van Kaatsheuvel, is dan ook geen sprake. Op andersoortige historische deelfacetten (geografisch, groen en stedenbouw) en evenmin op bouwkunst en zichtrelaties is binnen geldende beleidskaders een aanknopingspunt te vinden, die nopen tot een vergaande analyse. Conform de 'Welstandsnota 2014' van de gemeente Loon op Zand wordt de Erasstraat aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol bebouwingslint. Het lint loopt van de Marktstraat parallel aan de Hoofdstraat en vervolgens als uitloper naar het buitengebied.

In de overloop naar het gebied buiten de bebouwde kom is een interessante clustering van historische bebouwing te zien, waarin het klooster het scharnierpunt tussen het historische en het recentere deel vormt. Deze omgeving is van grote waarde en verdient speciale aandacht. Naar het buitengebied toe wordt de bebouwing in het historische lint meer landelijk en open van karakter; boerderijen en woonhuizen met natuurlijk materiaalgebruik bepalen het beeld. Het initiatief aan Erasstraat 115 te Kaatsheuvel betreft een kleinschalige wijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar de bestemming 'Wonen', waarbij binnen de bestemming 'Wonen' 200 m2 aan bijgebouwen toegestaan is. Met de beoogde ontwikkeling wordt meerwaarde gecreëerd door de sloop van (een gedeelte van) bijgebouwen en het hergebruiken van waardevolle cultuurhistorische bebouwing in relatie tot het lint Erasstraat. Van aantasting van cultuurhistorische waarden is geen sprake, waardoor een nadere analyse op dit onderdeel niet noodzakelijk is. 4.5.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6

Wegverkeerslawaai

4.6.1 Normstelling en beleid Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

33/52

Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast.

De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. 4.6.2 Toetsing De geluidsgevoelige woonfunctie is op dit moment in de vorm van de bedrijfswoning reeds aanwezig. In de bestaande situatie is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Daardoor kan gesteld worden dat reeds voldaan wordt aan een goed geluidsklimaat ten aanzien van wegverkeerslawaai. 4.6.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeing.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=3a0e7b9e-d77a-4664-ae39-1a44c451bf9d