CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Verordening Rechtspositie raads- en commissieleden 2026

Raadsvergadering 12 februari 2026, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Rechtspositie raads -en commissieleden 20262.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvoorstel Portefeuillehouder : Presidium Zaakdossiernummer : Documentnummer : 2026.00162

Onderwerp

:

Raadsvoorstel Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2026

Beleidsprogramma

:

1.1 Bestuur en Organisatie

Aan de raad van de gemeente Loon op Zand, Inleiding De huidige Verordening rechtspositieverordening raadsleden en fractieondersteuners Loon op Zand 2019 is verouderd en voldoet niet meer volledig aan de huidige wet- en regelgeving. Daarnaast heeft de wetgever een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd waarvan het aan de gemeenteraad wordt overgelaten of van deze bepalingen gebruik wordt gemaakt. Omdat de verordening op veel punten veranderingen behoeft, wordt voorgesteld om een nieuwe verordening vast te stellen onder gelijktijdige intrekking van de huidige verordening.

Beslispunten Wij stellen u voor: 1. de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Gemeente Loon op Zand 2026 vast te stellen. Beoogd effect Met het vaststellen van deze verordening is de verordening geactualiseerd. Daardoor is de verordening rechtspositie raads- en commissieleden weer in lijn met de huidige wet- en regelgeving en lokale keuzes.

1

Argumenten 1

De huidige verordening is verouderd

De huidige verordening is vastgesteld in 2019. De afgelopen jaren hebben er meerdere wijzigingen in wet- en regelgeving plaatsgevonden. Deze wijzigingen moeten worden verwerkt in een geactualiseerde verordening. Daarmee is de verordening voor de gemeente Loon op Zand weer in lijn met de modelverordening van de VNG. 2

Geen bepaling voor variabele raadsvergoeding op basis van aanwezigheid

De wet biedt de gelegenheid – mits vastgelegd in een lokale verordening – om de uitgekeerde vergoedingen aan raadsleden voor maximaal 20 procent afhankelijk te maken van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen. Dit is ingegeven door de behoefte van een aantal gemeenten om te kunnen optreden tegen zogenaamde ‘spookraadsleden’. De VNG heeft een facultatieve bepaling in de modelverordening opgenomen om variabele raadsvergoeding op basis van aanwezigheid mogelijk te maken (artikel 1 modelverordening). Aangezien dit probleem in Loon op Zand niet speelt, stelt het presidium voor om geen gebruik te maken van deze bepaling uit de modelverordening. 3

Artikel 2: Mogelijkheid tot toelage voor deelname aan ‘zware commissies’

Dit artikel is nieuw ten opzichte huidige verordening. Het gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’: de onderzoekcommissie (op grond van artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet), en de bijzondere commissie (als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid van een het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers). De basis voor de bepaling van de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies verschilt van elkaar. Voor de onderzoekscommissie geldt op grond van artikel 3.1.3 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers een maximale toelage per jaar van driemaal de (reguliere) maandelijkse raadsvergoeding. Dit komt per maand neer op een toelage van een kwart van de reguliere maandelijkse raadsvergoeding. Voor bijzondere commissies geldt het maximaal toegestaan bedrag zoals wordt genoemd in artikel 3.1.4 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Op dit moment bedraagt dit € 153,33 per maand. Voor zowel de onderzoekscommissie als de bijzondere commissie geldt dat de toelage alleen verstrekt wordt voor wanneer de commissie actief is. De burgemeester bepaalt op grond van het rechtspositiebesluit de duur van de werkzaamheden.

Voorgesteld wordt om de maximale bedragen te hanteren, en dus voor een onderzoekscommissie: 300 procent van de maandelijkse vergoeding op jaarbasis, voor de duur van werkzaamheden, en voor een bijzondere commissie het maximaal toegestane bedrag zoals genoemd in artikel 3.1.4 van het Rechtspositiebesluit.

2

4

Artikel 2: Geen toelage voor commissievoorzitters

Op grond van artikel 3.1.4a. van het Rechtspositiebesluit kunnen gemeenten besluiten om een extra vergoeding te verstrekken aan commissievoorzitters, als de belasting en tijdsbeslag van het voorzitterschap niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een raadslid geacht kunnen worden. Deze vergoeding is maximaal het bedrag dat ook geldt voor deelname een bijzondere commissie, en is - zie hierboven - op dit moment € 153,33 per maand, en geldt voor de duur van activiteiten van de commissie. Omdat in Loon op Zand de situatie tot op heden niet is voorgekomen dat het voorzitterschap van een commissie dusdanig belastend en tijdrovend is dat dit niet van een raadslid verwacht kan worden, en er daarnaast voor de voorbereidende bijeenkomsten een systeem van roulerend voorzitterschap geldt, wordt voorgesteld om vooralsnog geen gebruik van te maken en de betreffende bepalingen uit de modelverordening niet over te nemen. Mocht er in de toekomst toch behoefte zijn aan een dergelijke toelage, kan de raad de verordening aanpassen. 5

Artikel 3: Extra vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak

Ook dit artikel is nieuw ten opzichte van de huidige verordening. De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, is verplicht vastgesteld op een vast bedrag per inwonersklasse. Dit bedrag geldt voor elke vergadering van de commissie die het lid bijwoont. De gemeenteraad kan via de verordening op grond van artikel 3.4.2 van het Rechtspositiebesluit kiezen om een hogere vergoeding voor bepaalde commissieleden mogelijk te maken, bijvoorbeeld als er bijzondere deskundigheid nodig is of als het werk in de commissie zwaarder is. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht, waardoor het werk voor een of meerdere commissieleden meer tijd of inzet kost. Voorgesteld wordt om gebruik te maken van deze wettelijke mogelijkheid en een artikel in de verordening toe te voegen waarbij wordt uitgegaan van de door de VNG voorgestelde 10 procent. In het raadsbesluit over waarin de leden van de commissie worden benoemd, moet dan worden aangegeven of er sprake is van een dergelijke situatie. 6

Artikel 4: Niet-partijpolitieke scholing raads- en commissieleden

Ook dit artikel is nieuw. Het regelt de wijze waarop raads- en commissieleden een beroep kunnen doen op de vergoeding voor het deelnemen aan niet-partijpolitieke scholing, en is gebaseerd op artikel 3.3.3 van de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Voor deze scholing is een bedrag opgenomen in de raadsbudgetten zoals door de griffie worden beheerd en waarover regelmatig wordt gerapporteerd in het presidium. Gezien de ervaringen uit het verleden wordt voorgesteld om niet op voorhand maximale bedragen per jaar per raads- of commissielid vast te leggen, en daarmee die (facultatieve) bepaling uit de modelverordening niet over te nemen. 7

Artikel 5: Concretisering inlevertermijn van informatie- en communicatievoorzieningen

Voorgesteld wordt om aan dit het bestaande artikel van 2019 toe te voegen dat raads- of commissieleden hun informatie- en communicatievoorzieningen binnen tien werkdagen moeten

3

inleveren. De achtergrond hiervan is dat de ‘devices’ nodig zijn voor de opvolgers van de vertrekkende raads- en commissieleden, wordt in de voorliggende verordening voorgesteld om de inlevertermijn op 10 werkdagen te bepalen. 8

Mogelijkheid tot overname van informatie- en communicatievoorzieningen

De VNG-modelverordening bevat ook een bepaling waardoor vertrekkende raads- en commissieleden de aan hen beschikbaar gestelde informatie- en communicatiemiddelen kunnen overnemen. Voorgesteld wordt om deze bepaling over te nemen. De mogelijkheid tot overname van ict-middelen door vertrekkend raads- en commissieleden bestaat sinds 2022, en kan onder de volgende voorwaarden (zie de circulaire Overname ICT na ambtstermijn decentrale politieke ambtsdragers): a. Het overheidsorgaan is bereid het ICT-middel af te stoten. b. Het ICT-middel is door of namens het overheidsorgaan geschoond met speciale software (conform BIO). c. Betrokkene betaalt het overheidsorgaan de resterende waarde in het economische verkeer van het ICT-middel. Het presidium heeft kennisgenomen van de volgende ambtelijke reactie: Ik [de gemeentesecretaris] heb naar aanleiding van de vraag over de mogelijkheid voor het overnemen van devices door raadsleden overleg gehad met de domeinmanager. Daaruit blijkt dat wij met gebruikers zogenaamde gebruikersovereenkomsten afsluiten. Daarin staan de rechten en plichten benoemd van gebruikers ten aanzien van de bedrijfsmiddelen die zij in bruikleen krijgen. Onderdeel van de gebruikersovereenkomst is dat de devices bij eind dienstverband weer moeten worden ingeleverd; men krijgt niet de mogelijkheid om devices over te nemen.

Ook staat daarin dat devices niet privé mogen worden gebruikt. Dus er mogen geen privé-toepassingen op worden gezet en verricht. De reden dat devices niet kunnen worden overgenomen is dat deze helemaal zijn ingericht als bedrijfsmiddel met werk-accounts. Als een medewerker zijn device inlevert, dan wordt het werk-account aangepast en gaat de device naar een nieuwe gebruiker. Als een device zou worden overgenomen, dan levert dat veel werk voor ICT om de laptops (of ipads) helemaal 'schoon' te maken en te ontkoppelen van de systemen. Bij overname komen ook discussies op over de hoogte van de overnamesom en mogelijke problemen die zich achteraf met de devices voordoen. Er is daarom niet voor gekozen om deze mogelijkheid aan gebruikers aan te bieden. Het is niet wenselijk om het beleid ten aanzien van raadsleden te laten afwijken van het beleid dat wij voor ambtenaren voeren.

9 Artikel 7: Maandelijkse betaling vaste vergoedingen voor commissieleden Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen onder meer dat er vergoedingen en onkosten betaald worden aan commissieleden. Artikel 7 maakt expliciet wanneer dit is. Voorgesteld wordt om dit maandelijks te doen. 10 Artikel 8: Betaling en declaratie van onkosten Dit artikel regelt de wijze waarop raads- en commissieleden onkosten kunnen declareren, en is grotendeels vergelijkbaar met de oude verordening. Op twee punten wordt afgeweken van de modelverordening en van de huidige verordening: namelijk de termijn waarbinnen declaraties kunnen worden aangeleverd, en de termijn waarbinnen betaald wordt. Voor beide termijnen stelt het presidium voor om twee maanden te hanteren. en niet de door de VNG voorgestelde één maand. Enerzijds geeft raads- en commissieleden meer ruimte; anderzijds is

4

komt het ook tegemoet aan bepaalde situaties, bijvoorbeeld wanneer degene die de declaraties goedkeurt verlof heeft waardoor de verwerking iets langer blijft liggen. Overigens blijft een zo kort mogelijke termijn van terugbetalen uiteraard altijd het uitgangspunt. 11 Vervallen artikel 2 is inmiddels in de wet- en regelgeving vastgelegd Het oude artikel 2 (over Reis- en verblijfkosten raadsleden en fractieondersteuners voor dienstreizen buiten de gemeente) is niet opgenomen in de nieuwe verordening, omdat dit inmiddels in landelijke wet- en regelgeving is opgenomen.

Kanttekeningen Geen Financieel De nieuwe bepalingen omtrent toelagen op de raadsvergoedingen kunnen leiden tot extra kosten. Hieraan gaat steeds een raadsbesluit vooraf tot het instellen van een onderzoeks- of bijzondere commissie of benoemen van commissieleden met bijzondere expertise of zwaarte taak. Omdat dit geen standaard praktijk is, is het niet op voorhand te zeggen wat hier de extra kosten van zijn. Voortgang Na vaststelling van de verordening wordt deze op de gebruikelijke manier gepubliceerd. Communicatie De verordening wordt via de gebruikelijke kanalen gedeeld. Bijlagen geen

5

Ontwerpbesluit Intitulé Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Loon op Zand 2026 De raad van de gemeente Loon op Zand gelezen het voorstel van het presidium van 15 januari 2026, 2026.00162 gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; besluit: vast te stellen de volgende verordening:

Artikel 1. 1.

Artikel 2. 1.

2. 3.

In deze verordening wordt verstaan onder: a. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet; b. raadslid: lid van de gemeenteraad; c. commissielid: een door de raad benoemde en beëdigd commissielid.

Toelage raadslid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie]

Het raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet, ontvangt per jaar voor dat lidmaatschap een toelage die overeenkomt met 300 procent van de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, genoemd in artikel 3.1.1. van het Rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers. Indien de burgemeester de duur van de activiteiten voor de onderzoekscommissie niet op een heel kalenderjaar vaststelt, wordt de omvang van de toelage naar rato aangepast. Het raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangt per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage die gelijk is aan de maximum toelage, genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, van het besluit.

Artikel 3.

1.

Definitiebepalingen

Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak

Een commissielid krijgt een verhoogde vergoeding van 10 procent bovenop de vergoeding van artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, als het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid deelneemt.

7

2.

Een commissielid krijgt een verhoogde vergoeding van 10 procent bovenop de vergoeding van artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, als de vergoeding van artikel 3.4.1, eerste lid niet redelijk wordt geacht ten opzichte van de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de werkzaamheden.

Artikel 4.

Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden

1.

Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in bij het presidium via de griffier.

2.

Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.

Artikel 5.

Informatie- en communicatievoorzieningen

1.

Een raads- of commissielid tekent, zolang hij actief is in zijn functie, een bruikleenovereenkomst voor de informatie- en communicatievoorzieningen die ter beschikking zijn gesteld. Het gaat hier om de informatie- en communicatievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

2.

Een raads- of commissielid levert binnen tien werkdagen na beëindiging van zijn functie, de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

3.

Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen is mogelijk na schoning en tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 6.

Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

1.

Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

2.

Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 7.

Betaling vaste vergoedingen

8

De betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers vindt maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen.

Artikel 8. 1.

Betaling en declaratie van onkosten

Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a.

betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur;

b.

betaling vooruit uit eigen middelen.

2.

Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

3.

Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen twee maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend via de griffier.

4.

Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen twee maanden na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 9. Titel en inwerkingtreding 1.

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Loon op Zand 2026’ en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze regeling wordt geplaatst.

2.

De ‘Verordening rechtspositie raadsleden en fractieondersteuners Loon op Zand 2019’ wordt ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Loon op Zand, .....

De raad voornoemd,

de griffier

de voorzitter,

9

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=293bb52b-1613-402d-8908-b8b9b56d18c9