CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel over de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025

Raadsvergadering 6 februari 2025, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 202520.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raadsvoorstel Portefeuillehouder : M.F.H. Budel Zaakdossiernummer : zk24.02724 Documentnummer : 2024.18884

*2024.18884*

Onderwerp

:

Raadsvoorstel over de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025

Beleidsprogramma

:

2.4 Maatwerk

Aan de raad van de gemeente Loon op Zand, Inleiding De regels voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 zijn vastgelegd in de wet- en regelgeving en worden verder uitgewerkt in de gemeentelijke verordening. De verordening wordt aangepast op basis van opgedane (uitvoerings-) ervaringen, voortschrijdend inzicht, jurisprudentie of gewijzigde regelgeving. Ook dit jaar is de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand gewijzigd. De verordening bevat enkele inhoudelijke wijzigingen. Echter, het merendeel van de wijzigingen is tekstueel van aard. Ook zijn de tarieven voor 2025 geactualiseerd in de verordening. Beslispunten Wij stellen u voor: 1. vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025. Beoogd effect Een verordening die in lijn is met de wet- en regelgeving, en waarin opgedane (uitvoerings-) ervaringen, voortschrijdend inzicht, jurisprudentie is verwerkt. Argumenten 1.1 Het vaststellen en intrekken van een verordening is een raadsbevoegdheid De wijzigingen in de verordening dienen door de gemeenteraad te worden vastgesteld. De wijzigingen die zijn gemaakt zien vooral op de leesbaarheid van de verordening. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen. Artikel 4.1, zesde lid geeft aan waaraan een persoonsgebonden budget (pgb) niet besteed kan worden.

Het pgb wordt niet besteed aan 1) kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers, 2) kosten voor het voeren van een pgb-administratie, 3) reiskosten worden niet uit een pgb bekostigd, tenzij er een specifiek pgb is toegekend voor vervoer, 4) het maximum uurtarief is niet hoger dan het maximale uurtarief dat is vastgesteld in de beschikking, 5) kosten voor ondersteuning bij het aanvragen van een pgb, of 6) kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. De laatste twee uitgangspunten zijn nieuw ten opzichte van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2024. Vanuit artikel 10.4 volgt dat de tarieven jaarlijks door het college worden geïndexeerd en vastgesteld. Deze vastgestelde tarieven worden vervolgens opgenomen in bijlage 1 van de verordening. Het college wordt door middel van het gewijzigde artikel 10.4 in de Verordening maatschappelijke

1

ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 gemandateerd om de bijlagen waarin de tarieven zijn opgenomen bij collegebesluit te wijzigen. Er zijn twee redenen om deze wijziging door te voeren: 1. Het is geen beperkende wijziging op de inspraak van de gemeenteraad omdat het college al bevoegd is om de tarieven te indexeren en vast te stellen. De tarieven die worden opgenomen in de bijlagen zijn dus al vastgesteld. Door middel van deze wijziging kan het college de geïndexeerde tarieven na vaststelling direct opnemen in de verordening. De wijziging is een vereenvoudiging van de processen. 2. Jaarlijks vindt de indexatie en de vaststelling van de tarieven pas aan het einde van het kalenderjaar plaats. Het is een terugkerend euvel dat de verordening vervolgens nog gewijzigd moet worden en dat de tarieven aangepast moeten worden in de bijlagen behorende tot de verordening. Om de bijlage te wijzigen gaat de verordening met de raadscyclus mee en kan de raadsbehandeling pas in het nieuwe kalenderjaar plaatsvinden. De verordening treedt daardoor structureel met terugwerkende kracht in werking. Met de beoogde wijziging kunnen de bijlagen gelijktijdig met de vaststelling van de tarieven worden gewijzigd. Hierdoor hoeft de verordening niet langer meer met terugwerkende kracht in werking te treden.

In artikelen 2.2, vijfde lid, 6.1, achtste lid en 9.1 zijn toevoegingen gemaakt omtrent de gegevensbescherming en privacy van cliënten. Deze toevoegingen zijn gemaakt naar aanleiding van het ontvangen advies van de Adviesraad Sociaal Domein. Kanttekeningen 1.1 De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 treedt met terugwerkende kracht in werking De beoogde wijziging in artikel 10.4 treedt pas in werking nadat de gemeenteraad de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 heeft vastgesteld. De tarieven die door het college zijn vastgesteld kunnen nog niet bij collegebesluit gewijzigd worden in de bijlage behorende tot de verordening. De college krijgt hiervoor de bevoegdheid wanneer de voorgestelde Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 wordt vastgesteld door de gemeenteraad in het nieuwe kalenderjaar. Om deze reden worden in 2025 de tarieven nog met terugwerkende kracht opgenomen in de verordening. Financieel De tarieven behorende tot deze verordening zijn opnieuw geïndexeerd en vastgesteld. Voortgang De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 treedt de dag na vaststelling in werking.

Communicatie De Verordening en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 publiceren we na vaststelling op www.decentrale.regelgeving.overheid.nl (raadpleegbaar via www.overheid.nl). Bijlagen 1. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 (2024.18769); 2. Was-wordt overzicht bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 (2024.18820); 3. Was-wordt overzicht bij de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025 (2024.18770); 4. Advies Adviesraad Sociaal Domein (2024.18531); 5. Reactie college advies Adviesraad Sociaal Domein (2024.18756).

2

Het college van burgemeester en wethouders; de secretaris,

de burgemeester,

C.A. de Haas

H.A.G. Ronnes

3

Ontwerpbesluit Intitulé Verordening van de raad Loon op Zand van [datum] houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025) De raad van de gemeente Loon op Zand; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2024, nummer 2024.18820. gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde en zesde lid, 2.1.4a, eerste tot en met derde en vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; besluit: Vast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: individuele voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen, passend in het actuele maatschappijbeeld en waarvan, gelet op de omstandigheden van de betrokken persoon met beperkingen, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen zou hebben, zou (hebben kunnen) beschikken; b. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning; c. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; d. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand; e. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015; f. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Wmo 2015; g. budgetplan: door de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger opgesteld plan dat voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid; h.

cliëntondersteuning: onafhankelijke persoon die de inwoner ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie

5

en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; i. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand; j. gebruikelijke hulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid binnen de leefeenheid verwacht mag worden van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die een gemeenschappelijk huishouden voeren; k. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; l. hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; m. hulp uit het sociaal netwerk: natuurlijk persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. n. ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf, dan wel zijn feitelijke verblijfplaats heeft in de gemeente Loon op Zand; o. maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; p. maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; q.

mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (ZVW) / Wet langdurige zorg (Wlz), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; r. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; s. ondersteuningsplan: een door de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en de zorgaanbieder overeengekomen plan dat een concrete invulling bevat van de door de aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt; t. onverwijld: in ieder geval binnen drie werkdagen; u. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de Wmo 2015, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; v. persoonsgebonden budget (pgb): bedrag, waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; w.

sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015;

6

x. Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; y. woonvoorziening: roerende zaak dan wel bouwkundige of woon technische aanpassing van een woning of voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten. z. zorg in natura: de zorg of ondersteuning die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd aa.zorgorganisatie: een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg die meerdere personeelsleden in dienst heeft. bb.ZZP'er: een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Handelswetregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel. Artikel 1.2 Doelgroep van deze verordening 1. Deze verordening richt zich op personen: a. die hun woonplaats hebben in gemeente Loon op Zand, en die hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en daar ondersteuning bij nodig hebben, of b.

die, al dan niet woonachtig in gemeente Loon op Zand, als mantelzorger ondersteuning aan een ingezetene bieden.

2. In afwijking van het eerste lid richt de verordening zich wat betreft opvang en beschermd wonen met inachtneming van artikel 1.2.2. van de wet op ingezetenen van Nederland die in gemeente Loon op Zand ondersteuning zoeken. Artikel 1.3 Aanbod maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. b. c. d. e. f. g.

begeleiding; hulpmiddelen; hulp bij het huishouden; opvang en beschermd wonen; sportvoorzieningen; vervoersvoorzieningen; woonvoorzieningen.

2. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. b. c.

collectief vervoer vrije reiziger; indicatievrije en voorliggende dagbesteding met laag intensieve ondersteuning; klussendienst.

3. De gemeente kan aanvullende algemene voorzieningen inrichten.

Hoofdstuk 2 Toegang

7

Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en vooronderzoek 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt schriftelijk, mondeling, telefonisch of elektronisch, bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding binnen twee weken schriftelijk. 3. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid zich tijdens het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening, te laten bijstaan door iemand uit het eigen netwerk of een gratis cliëntondersteuner. 4. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet te overhandigen. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 6. Het college verzamelt alle van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 7. Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, na ontvangst van de melding: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven dan wel te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, , of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot

8

een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een voorziening in natura of pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.

Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.

3.

De factoren genoemd in het eerste lid van dit artikel maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek.

4.

Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

5.

Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

6.

Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, met de cliënt besluiten af te zien van het gesprek.

Artikel 2.3 Uitkomst van het onderzoek (ondersteuningsplan) 1. Het college verstrekt na het onderzoek een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger, in een ondersteuningsplan. 2. Een cliënt heeft de mogelijkheid het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord te ondertekenen. 3. Als de cliënt tekent voor gezien, heeft hij de mogelijkheid daarbij aan te geven waarom hij niet voor akkoord tekent. 4. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende ondersteuningsplan. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na ontvangst van de melding. 2. Een cliënt, zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een: a. door het college vastgesteld en door de cliënt ondertekend aanvraagformulier; of b. ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.3. 3. Het college beoordeelt de aanvraag binnen twee weken na ontvangst.

9

Artikel 2.5 Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene die of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip op een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad en met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 2.2 is gevoerd; b. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek, als bedoeld in artikel 2.2, heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of soort van voorziening kunnen beïnvloeden; of c. het college dat overigens gewenst vindt. 3. Indien het college advies inwint als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger hiervan op de hoogte gebracht. Artikel 2.6 Inhoud beschikking 1.

In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college in ieder geval aan of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en geeft het college tevens aan op welke manier er bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.

welke de te verstrekken voorziening is en wat de intensiteit en het beoogde resultaat daarvan is;

b.

wat de ingangs- en einddatum van de verstrekking is;

c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; en d.

de motivatie / reden waarom de maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

10

c.

wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag, inclusief de eventuele opmerkingen van de cliënt, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van personen uit zijn sociaal netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; of b.

ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening (zaak), wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven: a.

tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

b.

tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of

c.

de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.

11

Artikel 3.2 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden en begeleiding 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 3.1, eerst of de cliënt één of meerdere huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen in het kader van gebruikelijke en niet-gebruikelijke hulp. 2. Het college stelt beleidsregels op. Artikel 3.3 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen De maatwerkvoorziening voor opvang en beschermd wonen wordt verstrekt overeenkomstig de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en de hierop gestoelde nadere regels en/of beleidsregels van de gemeente Tilburg. Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen In aanvulling op artikel 3.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een sportvoorziening als de cliënt de sport niet actief kan beoefenen zonder deze voorziening. Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 3.1, eerst of de cliënt gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare algemene voorziening of van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de individuele situatie van de cliënt kan leiden tot het te bereiken resultaat. 2. Het aantal kilometers waarop aanspraak gemaakt kan worden is maximaal 1500 km per kalenderjaar.

Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen, op basis van onderzoek naar de reden van de grotere vervoersbehoefte, worden afgeweken. 3. Het college stelt beleidsregels op. Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1. Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 3.1, de situatie aan de hand van onderstaand stappenplan: a. Het college beoordeelt of de woning van cliënt zodanig kan worden aangepast dat daarmee ook op de lange termijn een adequate oplossing wordt gecreëerd. Als het college oordeelt dat de woning niet kan worden aangepast, dient cliënt in beginsel te verhuizen. b. Het college beoordeelt vervolgens of de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat. c.

Het college beoordeelt of dat het aanpassen van de huidige woning óf verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is.

d. Het college beoordeelt of er zwaarwegende argumenten zijn, waardoor verhuizen geen geschikte oplossing is. 2. Het uitgangspunt bij het beoordelen is de goedkoopst adequate oplossing. Het college beoordeelt wat de goedkoopst adequate oplossing is door het bedrag dat nodig is om de huidige woning aan te passen af te zetten tegen het bedrag van de maximale verhuiskostenvergoeding. 3. Het college maakt een zorgvuldige afweging en weegt hierbij de behoeften van de cliënt af tegen het belang van de gemeente.

12

4. Het college kan besluiten tot een verhuiskostenvergoeding die gebruikt kan worden voor de daadwerkelijke verhuizing en de stoffering van de nieuwe woning. 5. Een voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten wordt slechts verleend als de aanvrager niet verhuisd is op een moment dat dit op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing ook zonder handicap algemeen gebruikelijk wordt geacht. 6. Het college kan besluiten tot het toekennen van een vergoeding voor een woningsanering, als die noodzakelijk is in verband met CARA en/of allergische aandoeningen. De woningsanering beperkt zich tot die woonruimten die het meeste gebruikt worden. 7. Het college stelt beleidsregels op. Artikel 3.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: a. met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk de beperkingen kan wegnemen; c.

de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

d. de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; e. het een voorziening betreft die de cliënt vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd; f.

het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

g. de kosten van de voorziening niet in redelijke verhouding staan tot de levensduur van de voorziening; h. er geen sprake is van meerkosten ten opzichte van de situatie voordat de beperkingen of problemen bestonden; i.

deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

j.

er sprake is van voorzienbaarheid; of

k.

een cliënt niet meewerkt aan het onderzoek, waardoor niet kan worden vastgesteld welke voorziening passend is.

2. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als deze niet langdurig noodzakelijk is, met uitzondering van hulp bij het huishouden en begeleiding. 3. Het college verstrekt geen woonvoorziening: a. als de cliënt in de betreffende woning niet zijn hoofdverblijf heeft; b. als deze verkrijgbaar is in de reguliere handel;

13

c.

als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

d. ten behoeve van Wlz-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; e. als deze zich in een gemeenschappelijke ruimte bevindt en de cliënt woont in een specifiek voor mensen met een beperking of ouderen bedoeld gebouw; f.

als het een voorziening betreft in gemeenschappelijke ruimte, anders dan automatische deuropeners, hellingenbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

g. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie; of h. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college. 4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, van dit artikel en artikel 2.3.5., zesde lid, van de Wmo 2015 kan het college besluiten om voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar te maken.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget Artikel 4.1 Regels voor persoonsgeboden budget (pgb) 1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een pgb dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. De cliënt dient een budgetplan op te stellen, waarin in ieder geval uiteen is gezet: a. aan welke diensten de cliënt het budget wil besteden; b. het beoogde doel, dan wel doelen, van de te treffen maatwerkvoorziening(en); c.

het resultaat, dan wel resultaten, van de te treffen maatwerkvoorziening(en);

d. om welke reden cliënt hiervoor een pgb wenst; e. hoe de cliënt voornemens is vorm te geven aan de uitvoering; f.

welke kwalificaties er al dan niet aan de uitvoering zijn verbonden en indien van toepassing; en

g. welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. 3. Het college besluit alléén tot het verstrekken van een pgb als, op basis van het gesprek, het onderzoek en het door de cliënt ingevulde budgetplan, kan worden vastgesteld dat de cliënt, al

14

dan niet met hulp uit het sociaal netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, en in staat is om de rechten en plichten die zijn verbonden aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren. Het college moet, eventueel met advies van een expert, vast kunnen stellen dat een cliënt in staat is regie te voeren over de kwaliteit en de uitvoering van het budgetplan met het oog op de te behalen resultaten. Een pgb wordt, net als een maatwerkvoorziening in natura, ingezet voor kwalitatief goede ondersteuning die bijdraagt aan het gewenste resultaat en past bij het ontwikkelperspectief. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de maatwerkvoorziening onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon, die behoort tot het sociaal netwerk, als: a. het college beoordeelt dat de inzet van de persoon uit het sociaal netwerk passend is; en b. de persoon uit het sociaal netwerk heeft verklaard dat zijn inzet voor hem niet tot overbelasting leidt. 5. Het college kan een pgb weigeren indien aan de pgb-houder in de afgelopen jaren een pgb is verleend, waarbij niet werd voldaan aan de voorwaarden van het destijds verstrekte pgb. 6. Het pgb wordt niet besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c.

reiskosten worden niet uit een pgb bekostigd, tenzij er een specifiek pgb is toegekend voor vervoer;

d. het maximum uurtarief is niet hoger dan het maximale uurtarief dat is vastgesteld in de beschikking; e. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen van een pgb; of f.

kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

7. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 8. Het is verplicht om de modelovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken. 9. Het college kan nadere regels stellen aan de toegang tot en het gebruik van het pgb. Artikel 4.2 De hoogte van een persoonsgeboden budget (pgb) 1. De hoogte van een pgb: a. is gebaseerd op de soort voorziening en omvang van de voorziening; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; c.

bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura; en

d. is in beginsel afgestemd op wat in het budgetplan is opgenomen.

15

2. De hoogte van een pgb voor begeleiding wordt als volgt bepaald: a. Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van begeleiding en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. b. Een budgethouder die een derde inschakelt, zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP'er, ontvangt het formele pgb-tarief. Het formele pgb-tarief is bepaald op 80% van de prijs van zorg in natura. Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage 3. c.

Een budgethouder die een derde inschakelt, niet zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er, ontvangt het informele pgb-tarief. Het informele pgb-tarief voor begeleiding is afgeleid van de gebruikelijke beloning in de branche. Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage 3.

d. Bij het beoordelen van de vraag of de budgethouder het formele pgb-tarief of het informele tarief ontvangt voor de dienst die hij inkoopt, gaat de omstandigheid dat de dienst wordt verricht door iemand uit het sociaal netwerk, dan wel een eerste- of tweedegraads familielid een eerste- of tweedegraads familielid voor op de omstandigheid dat de dienst wordt verleend door een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er. e. De maximale werkweek van de (in)formele zorgverlener is niet meer dan 40 uur per week, rekening houdend met de totaal aantal uren werk waaraan een arbeidscontract ten grondslag ligt. f.

Het college kan in nadere regels aanvullende eisen stellen aan derden die begeleiding bieden aan de cliënt.

3. De hoogte van een pgb voor hulp bij het huishouden wordt als volgt bepaald: a. Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van hulp en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. b. Een budgethouder die een derde inschakelt, zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP’er, ontvangt het formele pgb-tarief. Het formele pgb-tarief is voor hulp bij het huishouden, categorie 1 (algemeen en plus), bepaald op 80% van de prijs van zorg in natura. c.

Een budgethouder die een derde inschakelt, niet zijnde een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er, ontvangt het informele pgb-tarief. Het informele pgb-tarief voor begeleiding is afgeleid van de gebruikelijke beloning in de branche. Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage 3.

d. Bij het beoordelen van de vraag of de budgethouder het formele pgb-tarief of het informele tarief ontvangt voor de hulp die hij inkoopt, gaat de omstandigheid dat de hulp wordt verricht door iemand uit het sociaal netwerk, dan wel een eerste- of tweedegraads familielid, voor op de omstandigheid dat de hulp wordt verleend door een zorgorganisatie of een gekwalificeerde ZZP-er.

16

e. De maximale werkweek van de (in)formele zorgverlener is niet meer dan 40 uur per week, rekening houdend met het totaal aantal uren werk waaraan een arbeidscontract ten grondslag ligt. f.

Het college kan in nadere regels aanvullende eisen stellen aan derden die hulp verlenen aan de cliënt.

4. De hoogte van een pgb voor hulpmiddelen wordt als volgt bepaald: a. Bij hulpmiddelen wordt een onderscheid gemaakt tussen hulpmiddelen die binnen het kernassortiment vallen en hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen. b. Voor de duur van het verstrekken van het pgb wordt aansluiting gezocht bij het afschrijvingstermijn van de voorziening. c. Als de pgb-verstrekking een tweedehands hulpmiddel betreft, wordt de maximale kostprijs gebaseerd op het pgb-tarief, zoals opgenomen in bijlage 4, minus de reeds afgeschreven termijn. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal het aanschafbedrag van het hulpmiddel. 5. Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen binnen het kernassortiment a. Het pgb voor hulpmiddelen, die binnen het kernassortiment van de gemeente Loon op Zand vallen, wordt per voorzieningencategorie vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening. Deze bedragen zijn vastgelegd in bijlage 4. b. Het college heeft de mogelijkheid de cliënt te verzoeken één of twee offertes te overleggen. Het college kan ook zelf een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. c. Het college behoudt zich het recht voor de hoogte van het pgb vast te stellen op het bedrag waarvoor het hulpmiddel in de reguliere markt verkrijgbaar is. d.

De basisbedragen zoals opgenomen in bijlage 4 worden, indien van toepassing, verhoogd met een bedrag voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen. e. Het pgb voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. f. De pgb-bedragen bedoeld in het eerste en vierde lid van dit artikel vormen tezamen het totale persoonsgebonden budget voor de voorziening. 6. Persoonsgebonden voor hulpmiddelen buiten het kernassortiment a. Het pgb voor hulpmiddelen die buiten het kernassortiment van de gemeente Loon op Zand vallen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college kan de cliënt verzoeken om meerdere offertes op te vragen. De offerte(s) bevat(ten) ook, indien van toepassing, een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. b. Het college behoudt zich het recht voor de hoogte van het pgb vast te stellen op het bedrag waarvoor het hulpmiddel in de reguliere markt verkrijgbaar is. 7.

De hoogte van een pgb voor kortdurend verblijf- en respijtzorg wordt berekend per dagdeel bepaald op basis van het laagste tarief per dagdeel of per resultaat voor kortdurend verblijf- en respijtzorg in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht(en) werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. 8. De hoogte van een pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding wordt bepaald op basis van de prijsafspraken met de zorgaanbieder (bijlage 3). 9. De hoogte voor vervoerskosten wordt als volgt berekend:

17

a. Indien een cliënt geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, regiovervoer niet mogelijk is en eigen vervoer niet beschikbaar is, en op geen enkele andere manier een goedkopere passende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de cliënt een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere (rolstoel)taxi te reizen. b. De hoogte van de vervoerskosten wordt vastgesteld op grond van het feitelijke vervoerspatroon van de cliënt met als uitgangspunt een maximum van 1500 kilometer per jaar tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt afgesproken, maar bedraagt maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere (rolstoel)taxi. c. Het college verzoekt de cliënt één of twee offertes te overleggen. Het college kan ook zelf een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. d. Bij gebruik van de eigen auto worden de kosten gebaseerd op de ‘cao Rijk’. . 10. De hoogte van een pgb voor een autoaanpassing wordt als volgt berekend: a. De hoogte wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, welke voldoet aan het door het college opgestelde programma van eisen. b. Het college verzoekt de cliënt één of twee offertes te overleggen. De offerte(s) moet(en), indien van toepassing, een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten.

Het college kan ook zelf een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. c.

Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder.

11. De hoogte van een pgb voor een sportvoorziening wordt als volgt berekend: a. De hoogte wordt uitsluitend vastgesteld op een gemaximeerd pgb en is, ongeacht het inkomen, gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum tarief volgens bijlage 7. b. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een overeengekomen bedrag verstrekt volgens het tarief in bijlage 7, waarmee voor een periode van drie jaar een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden. c.

Als de cliënt nog steeds gebruik maakt van de sportvoorziening, kan aan hem, aansluitend aan de in het onderdeel a bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een overeengekomen bedrag in de vorm van een pgb verstrekt worden volgens het tarief in bijlage 7 ten behoeve van de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening.

d. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte(s) moet(en) ook een indicatie bevatten voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(s) van de cliënt te toetsen. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde leverancier.

18

12. De hoogte van een pgb voor verhuis- en inrichtingskosten bedraagt maximaal het tarief volgens bijlage 6 en wordt verstrekt aan de hoofdbewoner van de woonruimte. Het college verzoekt de cliënt de kosten aantoonbaar te onderbouwen. 13. De hoogte van een pgb voor een woonvoorziening wordt als volgt berekend: a. Indien de goedkoopst adequate oplossing is om te verhuizen, maar de cliënt kiest ervoor de huidige woning geschikt te maken, bedraagt de hoogte het tarief volgens bijlage 6 (maximale verhuiskostenvergoeding), vermeerderd met het bedrag dat nodig zou zijn geweest om de nieuwe woning aan te passen. Het college zoekt aansluiting bij de goedkoopst adequate oplossing. b. In overige situaties wordt de hoogte bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag, zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, welke voldoet aan het door het college gestelde programma van eisen. c. Het college verzoekt de cliënt twee offertes op te vragen. De offertes moeten ook - indien van toepassing - een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offertes van de cliënt te toetsen. d. Voor de duur van het verstrekken van het pgb wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn van de voorziening. 14. De hoogte van een woningsanering wordt als volgt berekend: a.

Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met de een reguliere afschrijftermijn van 8 jaar op de bestaande stoffering. Indien de bestaande stoffering niet ouder is dan 8 jaar, kunnen de kosten (gedeeltelijk) worden vergoed: • • • • •

leeftijd tot 2 jaar: leeftijd tot 4 jaar: leeftijd tot 6 jaar: leeftijd tot 8 jaar: leeftijd > 8 jaar:

100 % van de maximale vergoeding 75 % van de maximale vergoeding 50 % van de maximale vergoeding 25 % van de maximale vergoeding geen vergoeding

b. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de NIBUD prijzengids. c. Als de bestaande stoffering volgens de afschrijftermijn van 8 jaar aan vervanging toe zou, verstrekt het college geen vergoeding. Artikel 4.3 Verplichting verbonden aan pgb woonvoorziening 1. Indien een cliënt een maatwerkvoorziening ontvangt, dan wel heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient de cliënt bij verkoop van deze woning binnen een periode van zeven jaar na gereed melding van de voorziening: a. De verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden; b. De kosten van de verstrekte woonvoorziening volgens het onderdeel c vastgestelde afschrijvingsschema aan het college terug te betalen, dit onder aftrek van eventueel betaalde eigen bijdrage. c.

Het afschrijvingsschema, bedoeld in onderdeel d, luidt als volgt:

19

1. In het eerste jaar is 100 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; 2. In het tweede jaar is 85 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; 3. In het derde jaar is 70 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; 4. In het vierde jaar is 55 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; 5. In het vijfde jaar is 40 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; 6. In het zesde jaar is 25 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd; 7. In het zevende jaar is 10 procent van de kosten van de verstrekte voorziening verschuldigd.

Artikel 4.4 Indexering Er vindt jaarlijks per 1 januari indexering plaats van de door de gemeente verstrekte maatwerkvoorzieningen. De indexering vindt als volgt plaats: 1. Pgb voor dienstverlening: aangesloten wordt bij de prijs die de gemeente betaalt voor de voorziening in natura. Is in het contract voor de dienstverlening geen indexering voorzien, dan wordt ook het pgb niet verhoogd. 2. De overige pgb’s worden verhoogd met de Consumenten Prijsindex (CPI). Dit CPI-percentage wordt gebaseerd op de "nominale ontwikkelingen t.b.v. actualisering" die het Rijk verstrekt in maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden.

Hoofdstuk 5 Bijdragen Artikel 5.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag er maand zoals is bepaald in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet. Tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorziening verhuis- en inrichtingskosten. 5. In afwijking van artikel 2.1.4a van de wet is de cliënt voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer een eigen bijdrage in de kosten van het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer) verschuldigd ter hoogte van: a. een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op basis van het Wmo-tarief of in afwijking daarvan; b.

een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op basis van het OV-tarief , zodra de cliënt zijn jaarlijks te gebruiken kilometerbudget heeft verbruikt; c. De bedragen, (zoals bedoeld onder a en b,) worden jaarlijks vastgesteld door Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant (zie bijlage 5 voor de tarieven);

20

d. Voor ritten, (zoals bedoeld in lid 5,) tijdens de door de Stuurgroep vastgestelde piektijden, geldt het OV-tarief van het regiovervoer (bijlage 5). 6. In aanvulling op het vijfde lid kan het college nadere regels stellen. 7. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening bruikleen, huur of eigendom; c.

pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

8. Voor de actuele prijslijst van de gecontracteerde leveranciers wordt verwezen naar bijlage 1, 2, 3 en 5. 9. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 10. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Artikel 5.2 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Voor algemene voorzieningen, die niet bij verordening zijn aangewezen, is de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd aan de organisatie die zorg draagt voor de uitvoering van de algemene voorziening. Deze bijdrage valt niet onder de eigen bijdrage genoemd in artikel 6.1, eerste lid. 2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. De organisatie die zorg draagt voor de algemene voorziening stelt de hoogte van de bijdrage vast en int deze.

Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening als bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening.

21

3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening is aangewezen; c. bij overlijden een terugvordering plaats vindt naar rato van een verstrekt pgb in het geval van hulpmiddelen. d. bij verhuizing buiten de gemeente een terugvordering plaats vindt naar rato van een verstrekt pgb in het geval van hulpmiddelen. e. de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet meer toereikend is te achten; f. de cliënt niet voldoet aan de maatwerkvoorziening, het pgb of aan de algemene voorziening verbonden voorwaarden; of g. de cliënt de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor de maatwerkvoorziening is verstrekt. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.

Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onderdeel a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, algemene voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6. Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. 7. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. 8. Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wmo 2015 verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 6.2 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 2.

Het college wijst ter uitvoering van het eerste lid een toezichthouder aan om misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele en overige voorzieningen op te sporen, te bestrijden en tegen te gaan. Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onderdelen a, d of e, van de wet.

22

2. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Hoofdstuk 7 Kwaliteit en Klachten Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c.

erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Ook als de voorzieningen zijn verstrekt in de vorm van een pgb. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de (all-in)tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a.

de aard en omvang van de te verrichten taken;

b.

de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

c.

een redelijke toeslag voor overheadkosten;

d.

een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en

e.

kosten voor bijscholing van het personeel.

2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a.

de marktprijs van de voorziening; en

b.

de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, het gaat hier in ieder geval om

23

1°. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2°. instructie over het gebruik van de voorziening; 3°. onderhoud van de voorziening en; 4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel 7.3 Waardering voor mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen zich bij het college melden om voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking te komen. 2. Het college biedt mantelzorgers een lidmaatschap aan van MantelzorgNL. 3. Het college kan, als dat nodig is, mantelzorgers ondersteunen door het inzetten van respijtzorg. 4. Het college kan nadere regels stellen over mantelzorgwaardering.

Artikel 7.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende ambtenaar. 3. De toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 7.5 Klachtregeling 1. Het college draagt zorg voor een behoorlijke en transparante procedure voor de afhandeling van klachten van de cliënt over de algemene of overige voorzieningen, zoals bedoeld in hoofdstuk 7 en over de toekenningsprocedure als in hoofdstuk 2. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=4dd0a784-56f3-4d73-ad9e-a21d46555bfd