Raadsvoorstel over de actualisatie van de Algemene Plaatselijke verordening (APV) en het vaststellen van de geactualiseerde APV
Tekst van het document
Raadsvoorstel Portefeuillehouder : J. van Aart Zaakdossiernummer : ZK24.01065 Documentnummer : 2024.08021
*2024.08021*
Onderwerp
:
Raadsvoorstel over de actualisatie van de Algemene Plaatselijke verordening (APV) en het vaststellen van de geactualiseerde APV
Beleidsprogramma
:
1.3 Openbare orde en Veiligheid
Aan de raad van de gemeente Loon op Zand, Inleiding Periodiek (meestal jaarlijks) gaan we na of wijzigingen in wet- en regelgeving, rechtelijke uitspraken, beleid en praktijkervaringen van de teams en domeinen aanleiding geven om onze APV te wijzigen. Daarnaast adviseert de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) ons om de huidige APV op onderdelen aan te passen. Met dit voorstel stellen we uw raad voor om onze APV op onderdelen te wijzigen en daardoor de Algemene Plaatselijke Verordening 2024 vast te stellen. De te wijzigen onderdelen zijn opgenomen in een was-wordt-tabel die als bijlage bij deze adviesnota zit. De meeste wijzingen zijn tekstueel van aard. Het gaat om tekstuele nuances, aanscherpingen en verduidelijkingen. Op deze manier wordt de APV beter leesbaar en toepasbaar. Daarnaast wordt – indien dat noodzakelijk is – handhaving daardoor vergemakkelijkt. Conform de model APV van de VNG stellen we ook een aantal inhoudelijke wijzigingen voor. Deze wijzigingen hebben betrekking op: -
een nieuw artikel over proeverijen in slijtlokaliteiten zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan Vervallen artikel verboden softdrugsgebruik vervallen van het artikel verboden lachgasgebruik een nieuw artikel voor het verbieden van messen en andere voorwerpen als steekwapen een wijziging van het artikel over vuurwerk in verband met wijziging van de definitie van consumentenvuurwerk een wijziging van het artikel over gebiedsontzeggingen als een structureel artikel in plaats van facultatief een nieuw artikel over de sluiting van een voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf, ter uitbreiding van handhavingsmogelijkheden een wijziging van het artikel over het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat, ter uitbreiding van handhavingsmogelijkheden vervallen van het artikel over parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan
1
Beslispunten Wij stellen u voor: 1. de Algemene Plaatselijke Verordening Loon op Zand 2024 vast te stellen. Beoogd effect Actualisatie van de APV. De APV moet periodiek worden geactualiseerd om deze in overeenstemming te brengen met hogere wet- en regelgeving, wijzigingen in beleid, praktijkervaringen (o.a.) met betrekking tot handhaving en actuele jurisprudentie. Het doel van de APV is om onze gemeente voor iedereen leefbaar en ordelijk te houden. De APV moet daarvoor actueel en handhaafbaar zijn. Argumenten 1.1 De VNG stelde tekstuele wijzigingen voor. - Wijziging Model-APV (zomer 2022) -Wijziging Model-APV (najaar 2023)
(ledenbrief 19 juli 2022) (m.b.t. proeverijen) (ledenbrief 7 november 2023)
1.2 Wijziging artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats In dit artikel is in het tweede lid '2,60 strekkende meter' vervangen door '3,50 strekkende meter', wat overeenkomt met de hogere wetgeving. Verder is aan het vijfde lid van dit artikel een extra sub, namelijk sub d, toegevoegd. Daarin is bepaald dat voor het plaatsen van materiaal voor bouwactiviteiten in de openbare ruimte geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd wanneer de bouwactiviteiten minder dan twee weken duren én het te plaatsen materiaal minder dan 6m² in beslag neemt. In het zesde lid is een voorwaarde opgenomen dat een en ander wel moet worden gemeld bij het college. Dit moet vier weken voor aanvang van de werkzaamheden. Door deze uitzondering te maken wordt de administratieve last voor het verlenen van ontheffingen verminderd. Ook vergroot dit de handhaafbaarheid op het plaatsen van bouwmaterialen in de openbare ruimte. Immers: voor alles wat groter is dan 6m² en / of langer dan twee weken blijft staan moet een ontheffing worden aangevraagd. Is dat niet het geval, dan kunnen we eventueel handhaven.
1.3 Wijziging artikel 2:27 Definitie De verruiming van de definitie in het eerste lid met de toevoeging van de zinsnede "dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar af te halen of te verbruiken" brengt afhaalgelegenheden binnen het toepassingsgebied van het artikel. 1.4 Nieuw artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van dit verbod, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Het nieuwe artikel 2:34g voorziet in die vrijstelling. De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal één proeverij per dag en maximaal drie proeverijen per week worden gegeven. Omdat het een keuze van de gemeente is proeverijen al dan niet toe te staan is ervoor gekozen artikel 2:34g als facultatieve bepaling op te nemen.
2
1.5 Wijziging artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister In het tweede lid is de toezichthouder opgenomen om te verduidelijken dat deze bevoegd is om toezicht te houden op de verstrekking van gegevens voor het nachtregister. 1.6 Wijziging artikel 2:38b Vergunningplicht In het vierde lid, sub c van dit artikel is de locatie toegevoegd. Deze toevoeging waarborgt dat zowel de burgemeester als de burger helder inzicht hebben in waar de aanvraag betrekking op heeft en waar de vergunning op van toepassing is. 1.7 Wijziging artikel 2:47b Gebiedsontzeggingen Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Tot nu toe bood de VNG een facultatieve APV-bepaling over gebiedsontzeggingen aan. Vanwege het belang van dit onderwerp in de praktijk heeft de VNG hier een structurele bepaling van gemaakt. 1.8 Vervallen Artikel 2:48a Verboden softdrugsgebruik Dit artikel komt te vervallen omdat het overbodig is geworden door de aanwezigheid van artikel 2:74a, dat reeds openlijk of hinderlijk drugsgebruik op openbare plaatsen verbiedt. Artikel 2:74a heeft een bredere reikwijdte en omvat ook het gebruik van softdrugs, waardoor artikel 2:48a redundant is geworden.
1.9 Vervallen van artikel 2:48b Verboden lachgasgebruik Het specifieke artikel over verboden lachgasgebruik (artikel 2:48a) kan vervallen. Omdat lachgas vanaf 1 januari 2023 een softdrug is, wordt het verboden gebruik ervan duurzaam gereguleerd door artikel 2:74a ‘Openlijk drugsgebruik’. Daarmee is de juridische legitimatie van het specifieke lachgasartikel vervallen. 1.10 Vervallen van artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties De Hoge Raad heeft het colorverbod in de Algemene plaatselijke verordening (APV) onverbindend verklaard. Het gaat om het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties, zoals het logo van een verboden motorclub. Gemeenten moeten dit verbod uit de APV schrappen. Gemeenten die het colorverbod in hun APV hebben staan, moeten dit laten vervallen De Hoge Raad oordeelde op op 24 december 2021 dat artikel 2:50a van de APV in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Hoge Raad verklaart artikel 2:50a APV onverbindend.
1.11 Nieuw artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen Eerste lid De raad geeft het college de bevoegdheid openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven aan te wijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Een dergelijke gebiedsaanwijzing voor het messenverbod gaat vaak samen met de aanwijzing van een gebied als overlastgebied. Met het artikel kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. Tweede lid Het ligt voor de hand te bepalen dat het verbod niet geldt voor messen of voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten. De openbare orde en veiligheid zijn dan niet in het geding.
3
Derde lid De Wet wapens en munitie gaat voor op de APV-regeling. Dit lid moet daarom worden opgenomen. Als het dragen van het mes of (steek)voorwerp onder de reikwijdte van de Wet wapens en munitie valt, moet handhaving op grond van die wet plaatsvinden. 1.12 Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren In dit artikel is in het eerste lid ‘opheffing van overlast’ vervangen door ‘beëindiging van overlast’. 1.13 Wijziging artikel 2:71 Definitie consumentenvuurwerk Hoewel voor de definitie van consumentenvuurwerk gebruik is gemaakt van de formulering in het Vuurwerkbesluit zoals dat wordt gewijzigd bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet en bij het besluit van 20 juni 2022 (Stb. 2022, 291; herinvoering van het begrip), is het vermelden van de vuurwerkcategorieën overbodig. Zo valt bijvoorbeeld categorie F3 volgens de ministeriële Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk sinds 2020 al niet meer onder vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld aan particulieren. Het verdient daarom aanbeveling de definitie neutraler te formuleren. 1.14 Nieuw artikel 2:79a Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf Dit artikel berust op de algemene verordenende bevoegdheid van de raad (artikel 149 van de Gemeentewet).
Het biedt de burgemeester de mogelijkheid voor het publiek openstaande gebouwen of daarbij behorende erven te sluiten als daarin of vandaaruit bijvoorbeeld strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed, of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. 1.15 Wijziging artikel 2:80 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat De raad geeft met dit artikel de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor binnen een gebouw of gebied een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Het wordt ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Veel gemeenten experimenteren hier al mee. Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch-technisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten. Het is een vergaande bevoegdheid, waardoor hoge eisen worden gesteld aan de onderbouwing. 1.16 Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke In dit artikel is in het eerste lid ‘opheffing van overlast’ vervangen door ‘beëindiging van overlast’.
1.17 Vervallen van artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Artikel 5:10 over het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’) vervalt. Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen. 1.18 Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen In dit artikel is in het eerste lid ‘opheffing van overlast’ vervangen door ‘beëindiging van overlast’. Kanttekeningen 1.1. Artikelsgewijze toelichting APV ontbreekt De APV heeft geen artikelsgewijze toelichting. In de intitulé (aanhef) wordt verwezen naar de website van de VNG en de toelichting op de model-APV. Dit is al sinds jaar en dag zo. Op zichzelf volstaat dit. Het is echter wel zo dat de toelichting op de model-APV via de website van de VNG versnipperd vindbaar is. Dit is voor onze inwoners en ondernemers niet makkelijk vindbaar. Het is daarom
4
raadzaam om voor de toekomst een artikelsgewijze toelichting op te stellen die onder de APV hangt. Dit zorgt voor eenduidigheid en rechtszekerheid. In de toelichting wordt dan de bedoeling van het artikel uitgelegd en achtergrondinformatie geschetst. Ook kan worden verwezen naar relevante uitspraken van rechters. Dit kan in sommige gevallen handhaving vergemakkelijken. Ook voorkomt het discussie in juridische procedures over de uitleg van een artikel. 1.2. De strafbepaling (handhaving via het strafrecht door het opleggen van een boete) is ruim Onze strafbepaling in de APV is zeer uitgebreid. De gehele APV valt nu onder de strafbepaling. Onze boa’s kunnen echter alleen handhaven via de strafbepaling als het Openbaar Ministerie (OM) daaraan een feitcode heeft verbonden. Dit wordt in de nabije toekomst (bij de volgende actualisatie van de APV) in overleg met de boa’s gecategoriseerd en in overeenstemming gebracht met het feitenboekje van het OM. Niet voor elke overtreding kan namelijk een geldboete van dezelfde categorie worden opgelegd. Het OM maakt hierin onderscheid. Het in overeenstemming brengen van de strafbepaling met het feitenboekje van het OM vereist gedegen onderzoek. Het is niet zo dat we met de huidige strafbepaling niet uit de voeten kunnen. Deze is ook in zijn huidige hoedanigheid geldig.
De strafbepaling in de APV is ook onmisbaar om handhavend te kunnen optreden door het opleggen van een boete. 1.3. De APV bevat bij het ontbreken van beleidsregels veel nietszeggende bepalingen Veel artikelen in de APV stellen dat het college plaatsen kan aanwijzen om iets te gebieden / te verbieden. Dit moet via het opstellen van een aanwijsbesluit. Op dit moment hebben we (nog) niet overal aanwijsbesluiten voor. Adequate handhaving blijkt daardoor in de praktijk soms onmogelijk. Het opstellen van een aanwijsbesluit kost immers veel tijd, terwijl juist snel handhavend moet kunnen worden opgetreden. In de toekomst zal hier meer aandacht voor zijn. Financieel Geen financiële consequentie Voortgang Na vaststelling wordt de APV bekend gemaakt. Deze treedt de dag na bekendmaking in werking. Communicatie Wanneer uw raad de APV heeft vastgesteld wordt deze bekendgemaakt in het digitale gemeenteblad via lokaleregelgeving.overheid.nl. Dit is een voorwaarde voor inwerkingtreding. De APV treedt in werking op de dag na bekendmaking. Bijlagen - 2024.07567 – was-wordt-tabel Het college van burgemeester en wethouders; de secretaris,
de burgemeester,
N. van Mourik
J. van Aart
5
Ontwerpbesluit Ontwerpbesluit van de raad van de gemeente Loon op Zand tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening Loon op Zand 2024
De raad van de gemeente Loon op Zand; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2024 met nummer: 2024.07995 gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening 2024 De APV van de gemeente Loon op Zand is vastgesteld conform de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en is aangepast aan de lokale/regionale situatie van de gemeente Loon op Zand. Achtergrondinformatie zoals literatuur en jurisprudentie is te raadplegen op de website van de VNG (www.vng.nl) en in de model-APV. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken
leefomgeving; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
7
-
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Het gestelde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover elders in deze verordening anders is bepaald. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid;
8
d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 1:9 positieve fictieve beschikking Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: - Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen - Artikel 2:9: Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest; - Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister - Artikel 5:7 Reclamevoertuigen - Artikel 5:8 Grote voertuigen - Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving - Artikel 5:23: Vergunning organisatie snuffelmarkt - Artikel 5:36 Verboden plaatsen. Artikel 1:10 geen positieve fictieve beschikking Paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: - Artikel 2:25: Vergunning evenementen; - Artikel 2:28: Exploitatievergunning openbare inrichting; - Artikel 2:38b: Exploitatievergunning camping of recreatiepark; - Artikel 2:39a: Exploitatievergunning speelgelegenheid; - Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen - Artikel 2:80 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat - Artikel 3:3: Vergunning seksinrichting; - Artikel 4:18: Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen; - Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke - Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen - Artikel 5:18: Vergunning innemen standplaats. Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.
Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde te verstoren dan wel schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen. 3. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 4. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
9
5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. 6. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
10
1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,20 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. d. Het plaatsen van materiaal voor bouwactiviteiten in de openbare ruimte, waarbij die bouwactiviteiten minder dan twee weken duren en het te plaatsen materiaal minder dan 6m² van de openbare ruimte in beslag neemt. 6. De in het vijfde lid onder sub d. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voor de datum dat de materialen worden geplaatst te worden gemeld bij het college. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg;
11
b. van de weg gebruikt e maken voor het hebben van een uitweg; c. veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel 2:13 (Vervallen) Artikel 2:14 (Vervallen) Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 (Vervallen) Artikel 2:17 (Vervallen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. In dit artikel wordt onder natuurbrandthermometer verstaan de thermometer zoals die door de brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt wordt voor het aangeven van risico’s op bosbranden. De thermometer is te raadplegen op de website https://www.natuurbrandrisico.nl/. 2.
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode indien de natuurbrandthermometer de fase ‘extra alert’ aangeeft. 3. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 4. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in her daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestempelde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
12
Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbend als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel 2:22 (Vervallen) Artikel 2:23 (Vervallen) Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 300 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 06.00 uur en 24.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 20 vierkante meter.
13
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7, kan de vergunning geweigerd worden in het belang van: a. voorkomen of beperken van overlast; b. verkeersveiligheid van personen of goederen; c. de zedelijkheid; 4. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. 5. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator tenminste acht weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 6. De burgemeester kan binnen 15 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.
Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 10. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig besluiten) is niet van overeenkomstige toepassing op dit artikel. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar af te halen of te verbruiken. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een openbare inrichting exploiteert. 4. Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
14
a. de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed – en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van strafrecht; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien er ten behoeve van de exploitatievergunning een negatief BIBOB advies is uitgebracht. 4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de beheerder/ leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 5. Onverminderd het bepaalde in lid 2 en lid 3, kan de burgemeester de vergunning voor het plaatsen van een terras geheel of gedeeltelijk weigeren: a.
indien het terras schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het terras hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling, crematorium/begraafplaats; c. museum; d. bedrijfskantine of -restaurant; of e. camping of een recreatiepark als bedoeld in artikel 2:38a, onder a, APV, waarop de vergunningplicht uit artikel 2:38b, eerste lid, APV van toepassing is, voorzover er sprake is van eenzelfde exploitant. Artikelen 2:29 tot en met 2:33 zijn onverkort op de openbare inrichting op de camping of het recreatiepark van toepassing. 7. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 8. De vrijstelling wordt ingetrokken: a.
wanneer niet voldaan wordt aan beleidsregels of een convenant met betrekking tot de wijze van exploitatie van een openbare inrichting; b. of wanneer er aanleiding bestaat tot het verrichten van een onderzoek op grond van de wet BIBOB. 9. Een vrijstelling als bedoeld in het zevende lid is persoonsgebonden en niet overdraagbaar; Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de houder van een openbare inrichting niet toegestaan dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 2:00 uur en 5:00 uur en op zaterdag tussen 3:00 uur en 5:00 uur. 2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of daartoe behorend terras. 3. Het in het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Omgevingswet is voorzien.
15
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 (Vervallen) Afdeling 5.
Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet Artikel 2:34a Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - para commerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. 2. Voor de definitie van openbare inrichting wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel in artikel 2:27. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Para commerciële rechtspersonen die zich richten op sportieve aard mogen alleen zwak alcoholhoudende drank schenken op: a. maandag tot en met vrijdag na 17:00 uur tot 24:00 uur; b. zaterdag na 12:00 uur en tot 24:00 uur; en c. zon- en feestdag na 12:00 uur en tot 24:00 uur. 2. Overige para commerciële rechtspersonen mogen alleen alcoholhoudende drank schenken tijdens een bepaalde periode. Deze periode is gekoppeld aan activiteiten die passen binnen
16
de statutaire doelomschrijving van de para commerciële rechtspersoon. Die periode loopt van één uur voor begin tot één uur nadat de activiteit is afgelopen. Na 02:00 uur mag er geen alcoholhoudende drank geschonken worden. 3. De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen om af te wijken van de tijden genoemd in het eerste lid. Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken alcoholhoudende drank tijdens per jaar ten hoogste: a. 5 bijeenkomsten van persoonlijke aard; b. bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. c. De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 4 weken vóór een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan melding aan de burgemeester. Artikel 2:34d Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke alcoholhoudende drank te verstrekken in inrichtingen: 1°. waarin onderwijs wordt gegeven; 2°.
die geheel of uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of - instellingen; 3° die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of .- instellingen; 4° waarin, of in een onderdeel waarvan, uitsluitend of in hoofdzaak geringe etenswaren, zoals belegde broodjes, shoarma, patates frites en kroketten worden verkocht. 2. De burgemeester kan, in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank. Artikel 2:34e (Vervallen) Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2.
De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld en mag niet later plaatsvinden dan tot 22.00 uur. Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
17
Artikel 2:37 (Vervallen) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister 1. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. 2. Een toezichthouder kan hierop toezicht houden. Afdeling 6A. Toezicht op campings en recreatieparken Artikel 2:38a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. camping of recreatiepark: (kampeer-)terrein dat planologisch bestemd is ten behoeve van het verschaffen van tijdelijk recreatief nachtverblijf b. de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:38b; c. beheerder/leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen; Artikel 2:38b Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren; 2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier; 3.
Voor zover voor de exploitatie van de camping of het recreatiepark ook een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 APV benodigd is, er sprake is van eenzelfde eigenaar en beheerder/leidinggevende, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2:28 lid 6 onder e APV, één exploitatievergunning verleend. 4. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeldt; a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de locatie. Artikel 2:38c Gedragseisen De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; Artikel 2:38d Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning, als: a. de exploitant of beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:38c gestelde eisen b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend Omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. c. ten aanzien van de te verlenen vergunning een negatief BIBOB-advies is ontvangen 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het vorige lid kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, als: a.
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark, of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen.
18
c.
dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
Artikel 2:38e Sluiting 1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien daar: a. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verbogen zijn dan wel verworven of overgedragen; b. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; d. zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde; 2. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien: a. de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in de artikel 2:38b, eerste lid, of 2:38c onder sub a en b; b. de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. de exploitatie in strijd is met een geldend Omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen; 4.
De burgemeester draagt zorgt voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan’ 5. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht; Artikel 2:38f Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark 1. Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen; 2. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden; Artikel 2:38g Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien: a. de exploitatie van de camping of recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen; b. de exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:38c onder a en b gestelde eisen. c. Ten aanzien van de exploitant of beheerder/leidinggevende een negatief BIBOB advies is ontvangen. Artikel 2:38h Overgangsbepaling (vervallen) Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
19
Artikel 2:39a Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de Kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet; 2. In hoogdrempelige inrichtingen, niet zijnde een speelgelegenheid zoals staande in artikel 2:39a, zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 8.
Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
20
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben, waaronder tevens begrepen: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. a. ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. b. het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 2.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 3. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen Artikel 2:45 Bescherming groenvoorzieningen 1. Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem of beplanting, dan wel aldaar bloemen te plukken. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel 2:46 (Vervallen) Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;; b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:47a Verplichte route 1. Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
21
Artikel 2:47b Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4.