Bijlagen toelichting bestemmingsplan Braakakker 1 te Kaatsheuvel-gecomprimeerd
Tekst van het document
Av* iVjŕ
-
' ONTWIKKELING Į BRAAKAKKER 1, KAATSHEUVEL LANDSCHAPSVISIE 'enĮ BEELDKWALITEITPLAN ‘
.. .
«kW,
-
GROOTWAGERS ontwikkelingen 1 v JUNI 2022
mm fflmyk m
—'
-' i?*
-
- v
-**B**útŞ '^r Jr, " į&É?-
jZįįgr
j*Qľ íŕ-.ŵiw^į ’ -T * ; -•^••jÄjř-rt ' ^ '-X - ‘J-
ţ.^ţj ryv -
^ - ~*.
5Wr^sį-^r^įr"Sįr
2
Huidige Kinkenpolder met links de drie knotlindes
Inhoudsopgave 1
Opgave De locatie, ontstaanswijze
2
Referentiebeelden boeren erf Analyse ten behoeve van nieuw inrichting
3
Voorstel nieuw inrichting Stedenbouwkundig ontwerp Uitwerking ontwerpvoorstel
4
Uitwerking landschappelijke inpassing Beplanting
5
Beeldkwaliteit nieuwe gebouwen Status beeldkwaliteitsplan Erf principe Opzet Criteria Hoofdvolume en Nevenvolume Landschappelijke inrichtingseisen
6
Colofon
3
kavel 1
Stedenbouwkundige opzet ontwikkeling totaal
4
1
Opgave
Het voornemen is om het terrein Braakakker 1 en Klinkenpolder 1 te ontwikkelen. Het thema boerenerven is passend binnen het landschappelijk/ stedenbouwkundig en historisch perspectief. Door de plaatsing van een viertal nieuwe bouwvolumes is het mogelijk om twee erven te maken. Een erf is ontsloten via Klinkepolder, het andere erf via Braakakker. Mede door de ligging aan het historische lint van Klinkenpolder is het wenslijk om de landschappelijk inpassing zorgvuldig uit te werken.
Ligging locatie [Google Maps]
5
WįEJiïnEF * ?L**«
/r*n
fJ Ljf * .Ȓjs.v
īl®
- — “-.
Ar' t
wi ^
,*vl'
í'.'^»řrì 'C ;--3Hİ‘\ -» V
TŞiŕïįŴ
s«ţ
WTT9 ml L 7»
De KlinVen polder
v.—
« *
ŵíJř
į-,
Mmĩìś WUíi
|WI» ľŗrFŢįgaJ
ïHijärfi í 1:1 íŕ.ìBai ť.ţį
mmm De Kliņkenpi
Lrií
6
Locatie op diverse kaartbeelden
1
Opgave
De locatie, ontstaanswijze: Zeer lange tijd is de locatie bebouwd geweest. Het lint, Klinkenpolder is bebouwd geweest in de richting van Kaats heuvel. Dit was het laatste huis van het lint. Het vormde en vormt nog steeds de overgang naar het landschap. De kavel richting is van oudsher haaks op de Klinkenpolder. In de jaren '60 I '70 is door de ruilverkaveling het oude patroon verloren gegaan. Door nieuwbouw in de jaren '80 | '90 wordt dit hersteld. Door de nieuwe verkaveling ontstaat er de mogelijkheid om dit her stel verder door te zetten. De opzet vormt de nieuwe overgang naar het landschap. Ook als deze door de Efteling anders wordt ingezet . Daar de huidige waterberging zal worden verruimt.
Locatie op Google Maps met een analyse van de situatie
7
Referentie beeld, Phaea Design
-VReferentie beeld, Pliaea Design
•ţ* Jwvľ Á^uA-V
V \ a&SS
Referentie beeld, Pliaea Design
Referentie beeld, Pliaea Design
MĒM
2
Referentiebeelden boerenerf
Analyse ten behoeve van nieuw inrichting » » »
me
A'
» »
‘.#a
»
į.'vu
» »
T,.' w
í V
ftg- '
- . ľV. J VV '' 1* L
Referentie beeld, Phaea Design
»
Boerenerven zijn herkenbaar door de diverse gebouwen aan een 'centrale' plaats op het erf zijn geplaatst. De maat van de gebouwen zijn divers. De gebouwen grenzen aan het erf, gelegen in kamers. Die worden gevormd door gebiedseigen beplanting. Het erf zelf is veelvormig, organisch van vorm. Het materiaal gebruik van de gebouwen is divers, [hout/steen/riet/ pannen] Er staan meestal bomen of andere beplanting op het erf of aan de randen ervan. Er is zicht naar het landschap. De beplanting geeft niet alleen sfeer, maar is ook nuttig of volgt uit bijgeloof. Zo zijn geknotte linde bomen om het schilderwerk te beschermen, notenbomen om muggen en vliegen te verdrijven. De verharding bestaat meestal uit klinkers met ernaast grind of keien. Niet alles wordt verhard, alleen dat wat nodig is.
Bijgevoegde referenties zijn ter inspiratie voor de opbouw van een boerenerf welke zijn gebruikt voor het stedenbouwkundigontwerp; een gemeenschappelijk erf met aanliggend "kamers" waarin de bebouwing is geplaatst. 1 -7
Ik ..
,
1*
Referentie beeld, Puur Groen [FB]
9
10
3
Voorstel nieuw erf
Stedenbouwkundig ontwerp
Schema kavels
Schema erf /erven
^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^
^ ^
Clustering van gebouwen
Het erf zelf is veelvormig, organisch van vorm. Het erf is gemeenschappelijk gebruik. Het bestratingsmateriaal is divers; Klinkers en grof grind met keien. Rijbaan van klinkers; ongeveer 3.50 meter breed Parkeren bij bebouwing is van klinkers, of natuursteenkeien. Parkeervoorzieningen bezoekers buiten privé grond van grind; 2 auto's. Bomen; eik, beuk, noot, linde. Haag: meidoorn, veldesdoorn, sleedoorn, krent, kornoelje. Interne erfscheidingen naar erf worden met heesterstruweel beplant; soorten zijn onder andere, meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, hazelaar, vlier, wilde roos en enkele bomen als linde, es, eik, gewone kers. Of dit is deels van hagen voorzien. Er zijn twee "hoofdvolumes" overige drie gebouwen zijn in architectuur meer ondergeschikt. Watercompensatie vind plaats als overgang privé—openbaar gebied aan de zijde Braakakker.
Parkeren pnve en bezoek
I Aangeven 2 hoofdvolumes
Aangeven 3 nevenvolumes
Locaties overkappingen
11
;f -v į
sa
gĥŵjť
' « way k»5
Pf vv -
ăs
lW j
itfTV ~ ĩ
iiv«
3
Voorstel nieuw erf met kamers
Uitwerking
Locatie watercompensatie
Bomen op erf
De kamers liggen aan het gemeenschappelijk erf gescheiden van elkaar met beplanting. Delen van de rand van de ontwikkeling wordt gevormd door een struweel van heesters met enkele bomen. Dit struweel wordt dicht beplant om een snelle groei te bevorderen. Het overige deel vormt een open overgang naar het omliggende landschap. Aan de Klinkenpolder wordt het gevormd door een beukenhaag met de bestaande knotlinden. En zal deze niet afwijken van de overige woningen aan de straat. De monumentale geknotte linde bomen zijn eigendom van de gemeente. De nieuwe bebouwing zal op voldoende afstand komen van de Lindes. Op de hoeken van het perceel kan een linde worden geplant. Aan de Braakakker zal de voortuin ook een open karakter krijgen. Dit in aansluiting met de groene rand van de bestaande en de nieuwe waterberging; deels open met solitaire bomen en deel gesloten met heester beplanting met bomen.
Zicht naar landschap, haag
Hagen bij erf
De rand van het perceel aan de Europalaan zal een gesloten karakter hebben. In deze rand wordt eventueel een wal gemaakt. Hierdoor ontstaat er sneller een gesloten groene wand. De Klinkenpolder zal als weg niet worden aangepast voor deze ontwikkeling. De Braakakker kent een ander profiel. Hier is naast de rijbaan deels een sloot aanwezig. Deze wordt over de gelel lengte aangebracht als onderdeel van de waterberging van de ontwikkeling.
Struweel tussen percelen
13
.■«Stóft
14
Sfeer beeld I bovenaanzicht
3
Voorstel nieuw erf
Ontwerpvoorstel Door de bestrating van klinkers van 3,50 meter naar bijna 4,00 meter breedte te variërend ontstaat er minder strak beeld van het erf. Door ook de richting niet parallel en haaks aan de gebouwen te laten verlopen wordt de organische groei van oude boerenerven na gestreefd. Op verschillende plekken is het ook mogelijk om ook extra te parkeren door het aanbrengen van grindvakken. De bomen staan verspreidt over het gemeenschappelijk erf. Ook zijn het verschillende soorten. Bij voorbeeld een meerstammige eik waar omheen gereden kan worden heeft de voorkeur boven kersen of notenbomen. De eik groeit redelijk omhoog waardoor het geen probleem vormt voor het er onderdoor rijden. De hagen zijn los groeiend en bestaan uit meerdere soorten heesters, onder andere; vlier, meidoorn, esdoorn, kornoelje, hazelaar. De haag wordt één keer per jaar gesnoeid, bij voorkeur in de winterperiode. Hierdoor blijft de haag los groeiend tijdens de overige tijd van het jaar. Bij de woningen zijn parkeergelegenheden gemaakt van grind. Naar de voordeur van de woningen is het mogelijk om een klinkerpad te maken.
15
A Ü ĨC-
JĻ&ÈśSSi '
*ç
,* T.
*N
tirrŕ
9|Sļ
Beplanting struweel/hagen; " iT^
•r*į.
'*~! XĻ'Ŭ Hİ
•Ŵ'í^.
«ŕÇŜT •V - Į|
.*r
van links naar rechts: Hazelaar, krent, vlier,hondsroos,meidoorn, sleedoorn, kornoelje en het beeld van een gemengd struweel Onder het struweel kan een grondwal zijn aangebracht dit om snel hoogte te krijgen.
4
Landschappelijke inpassing beplanting
HEESTERS
P" t tt.1 A »
LATIJNSE NAAM
NEDERLANDSE NAAM
Amelanchier lamarckii
krente boompje
Craetegus monogyna
meidoorn
Cornus mas
kornoelje
Corylus avellana
hazelaar
Ilex aquifolium
hulst
Prunus spinosa
sleedoorn
Rosa canina
hondsroos
Sambucus nigra
gewone vlier
Sambucus racemosa
trosvlier
BOMEN
ÍK .Vf- '4. -Mfc
Quercus robur
zomer eik
Fraxinus excelsior
gewone es
juglans regia prunus avium
walnoot zoete kers
Tilia cordata
winterline of kleinbladige
Beplanting bomen;
ņf* ‘ ļv . - Sä*
/vvS .*:w 5T*t : VS fc átitf*
řjK ľ»i
van links naar rechts: Eik, Es, Linde, Noot, Zoete Kers. Bomen kunnen ook als meerstammige boom/ heester worden geplant. De bomen in struweel worden niet opgekroond, waardoor de boom zo laag mogelijk vertakt blijft. Bomen in tuinen en bij wegen en erven worden wel opgesnoeid.
17
/•TB Jí
j
1„
’
5
Referentie beeld, Atelier 3
* H
Referentie beeld. Atelier 3
^H sttIi ři
18
Referentie beeld. Atelier 3
Referentie beeld, Akor Vastgoed[FB]
5
Beeldkwaliteit nieuwe gebouwen
Status beeldkwaliteitsplan Erf principe Opzet Criteria Hoofdvolume en Nevenvolume Landschappelijke inrichtingseisen Status beeldkwaliteitsplan De stedenbouwkundige randvoorwaarden van de voorgenomen ontwikkeling op de locatie Braakakker-Kinkelpolder zijn juridisch verankerd in het bestemmingsplan. Om het principe van één erf volledig tot zijn recht te laten komen, is het van belang om beeldkwaliteitscriteria te stellen waaraan de nieuwe bebouwing op de locatie dient te voldoen. Daarom is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de ontwikkeling van de locatie opgesteld. Het voorliggende beeldkwaliteitsplan dient beschouwd te worden als een onderdeel van de gemeentelijke welstandsnota als bedoeld in artikel 12a van de Woningwet. Dit houdt in dat op basis van dit beeldkwaliteitsplan de nieuwe bebouwing in het projectgebied aan de Braakakker en de Kinkenpolder wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand.
19
įá fcfl ,\ \ \ A
r
r;w ;
V Ŭ
í'a.í
Mestenmaker Architecten
Steenbergen bouwerken
sé:v X?**
20
Vervoort Architecten
____ Jeroen Dingemans
Erf-principe Ruimtelijk gezien is er op de projectlocatie aan de Braakakker en de Kinkenpolder in Kaatsheuvel sprake van een karakteristiek, die refereert aan het buitengebied. De vrijstaande woningen, landelijke architectuur en het nog deels agrarische grondgebruik dragen daar in belangrijke mate aan bij. Om bovenstaande reden is voor de ontwikkeling van de locatie Braakakker 1 het stedenbouwkundige principe van een 'erf' geïntroduceerd: enerzijds omdat daarmee zo goed mogelijk aan kan worden gesloten bij de huidige verschijningsvorm van het buurtje (qua bebouwing en beeldkwaliteit) en anderzijds omdat daarmee waarde c.q. ruimtelijke kwaliteit toegevoegd wordt door de locatie op een andere - speelsere en historiserende - manier in te richten. Door de plaatsing van enkele volumes is het mogelijk om twee erven te maken. De ontsluiting van de locatie blijft plaatsvinden via de Kinkenpolder en de Braakakker.
Bij de uitwerking van het erf-principe zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: ^ de bebouwing (hoofd- en nevenvolumes) zijn gebonden aan en gegroepeerd rond een centraal erf; ^ de inrichting van de (particuliere en collectieve) buitenruimten dienen de sfeer van het wonen op een erf te versterken; ^ De nieuwe volumes zijn gebaseerd op vereenvoudiging van de archetype schuur en boerderij; ^ de verschillende gebouwen aan het erf hebben een eigen karakter [door verschillen in schaal, maat, vormgeving en materiaal]; ^ de architectuur van de alle volumes is geïnspireerd op de typologie van de boerderij of de boerenschuur; ^ het erf is omzoomd door hagen, struweel, incidenteel houten hekken/ poorten en bomen; ^ struweel planting ten behoeve van privacy kan op delen worden toegepast; ^ Toegepaste beplanting is streekeigen en vormt een landschappelijk geheel . Opzet criteria Er zijn twee type gebouwen te onderscheiden; hoofdvolume en nevenvolumes. Deze vorm zorgt voor het benadrukken van de beide erven als één beleving. Alle nieuwe gebouwen bevatten alle bij functies, er worden geen bijgebouwen toegestaan om de verdichting van de locaties te voorkomen.
21
-'f- Sí
r
ĴT--ÏV Sfeer beelden architectuur en materiaal. Atelier 3
22
5
Beeldkwaliteit nieuwe gebouwen
Hoofdvolume: [ Kavel 1] Deze woning is reeds gerealiseerd.
[ Kavel 2]
i f
kawt 4 A**w/ J
kav+J 5
kmw+i 2
Hoofdvolume, hoek Braakakker/Kinkenpolder: Vorm: Rechthoekig met doorlopende kap [doorlopende goothoogte] Goothoogte: 3,50 [minimaal 70%] over een lengte van maximaal 30% is een hogere goothoogte van 4.00 meter mogelijk. Nokhoogte: maximaal 10.00 meter. Hellingshoek: Kap is verplicht, tenminste 45^ Maximaal 50° Schilden en wolfseinden kunnen afwijken van de hellingshoek van de kap. Accenten: Plaatsing van niet meer dan 4 kappelen zijn mogelijk, niet gekoppeld aan elkaar, maximale lengte is 1/4 deel van de kaplengte. Kapellen aan twee zijde is toegestaan. Entree kan worden geaccentueerd door verhoogde goothoogte of uitspringende Z terug liggende geveldeel. Materiaal: Wit gestukt muur of muurdelen Metselwerk [lichte kleurstelling] Rietenkap of deels pannen Houten balken als accent
23
•1 _________ - . —1
—i —I
1 - ~
.
Sfeer beelden architectuur en materiaal. Atelier 3
24
5
Beeldkwaliteit nieuwe gebouwen
Nevenvolume [Kavel 3, 4, 5] Deze gebouwen zijn 'tussen' de hoofdvolumes in geplaatst. Vorm:
kar+J 4 kmvmJ J
! ļt ,t - i -J
.kornis .^
t* I
ķMlI
Rechthoekig met doorlopende kap [doorlopende goothoogte] Goothoogte: 3,50 [minimaal 70%] over een lengte van maximaal 30% is een hogere goothoogte van 4.00 meter mogelijk. Nokhoogte: maximaal 10.00 meter, voorkeur lager. Helingshoek: Kap is verplicht, tenminste 45^ Maximaal 50° Schilden en wolfseinden kunnen afwijken van de hellingshoek van de kap. Accenten: Plaatsing van niet meer dan 4 kappelen zijn mogelijk, niet gekoppeld aan elkaar, maximale lengte is maximale lengte is 1/3 deel van de kaplengte. Kapellen aan één zijde toepassen. Entree kan worden geaccentueerd door verhoogde goothoogte of uitspringende Z terug liggende geveldeel. Materiaal: Metselwerk [donkere kleurstelling] Gecementeerd of gekeimd is mogelijk [ongekleurd] Rietenkap, of deels met pannen, donker van kleur Houten wanddelen [potdeksel].
25
raŭflH
Jm
3* »
.*?Ŵ» .:- yr-^rï.*:^-
į#».
- . ^V ' *
mtñ Z ^
Sfeer beelden van beplanting en erfgrens, Phaea Design
26
5
Beeldkwaliteit nieuwe gebouwen
Landschappelijke inrichtingseisen Erfafsch eidingen: Erfgrens tuin naar openbare ruimte: Hagen [Beuk, Haagbeuk, Veldesdoorn, kan gemend worden met Meidoorn, Kornoelje ed.] Afwijken kan incidenteel door aanbrengen struweel [altijd gemengd; Meidoorn, Kornoelje, Vlier, Hulst, Hondsroos ed.] Erfgrens tussen tuinen: Struweel, eventueel met bomen [altijd gemengd; Meidoorn, Kornoelje, Vlier, Hulst, Hondsroos, Hazelaar ed.] Erfgrens tuin naar erf: Hagen [Beuk, Haagbeuk, Veldesdoorn, kan gemend worden met Meidoorn, Kornoelje ed.] Afwijken kan incidenteel door aanbrengen struweel in verband met privacy.
Overige beplanting: In tuin; Boomgaard | nutsbomen Erven; Eik, Es, Walnoot, Zoete Kers of Winterlinde Ontwerpproces: Bij het vaststellen van de woning dient een integraalontwerp voor het terrein privé tuin als groene casco [plaats bomen, struweel en hagen] mee genomen te worden.
27
28
6
Colofon
Project: Landschapsvisie en Beeldkwaliteitplan Inpassing nieuwbouw Braakakker, Kaatsheuvel
Projectnummer: 2108203
Datum: Januari 2022 I juni 2022
Opdrachtgever: Fam. Grootwagers Braakakker 1 Kaatsheuvel
Opdrachtnemer: Phaea Design Akkerstraat 9 Duizel
In samenwerking met;
Disclaimer Van afbeeldingen die zijn gebruikt is., waar van te achterhalen, de bron van vermeld.
Van den Berg Ruimtelijke Ordening ‘t Rond 9 Woudrichem
De afbeeldingen in dit document zijn als referentie opgenomen. Bij de afbeeldingen is de bron vermeld. Als de vermelding ontbreekt is er geprobeerd om de eigenaar te achterhalen.
29
JOL. f?
■MBS.
3r vŗMļ
____________________ „
ro/nsultancy
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK BRAAKAKKER1 TE KAATSHEUVEL GEMEENTE LOON OP ZAND
Archeologie
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Braakakker 1 te Kaatsheuvel Opdrachtgever
Van den Berg Ruimtelijke Ordening Nachtegaal 32 4284 XD Rijswijk
Rapportnummer
9390.002
Versienummer1
2
Datum
8 april 2020
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
drs. M. Stiekema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
dr. A.C. Mientjes
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto's en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van de uitgevers. Econsul tancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de advie zen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
9390.002
Toponiem
Braakakker 1
Opdrachtgever
Van den Berg Ruimtelijke Ordening
Gemeente
Loon op Zand
Plaats
Kaatsheuvel
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
gemeente Loon op Zand, sectie L, nummers 4065 en 4066
Omvang plangebied
circa 8.500 m2
Kaartblad
44H
Coördinaten centrum plangebied
X: 130.855 Y: 407.070
Bevoegde overheid
Gemeente Loon op Zand t.a.v. dhr. B. Vorster Postbus 7 5170 AA Kaatsheuvel
T: 06-83672652 E: b.vorster@loonopzand.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Gemeente ’s-Hertogenbosch t.a.v. drs. S. Molenaar Postbus 12345 5200 GZ ‘s-Hertogenbosch
T: 06-46971394 E: s.molenaar@s-hertogenbosch.nl
ARCHIS3
Bureauonderzoek 4721696100
Booronderzoek 4721703100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerder(s)
Econsultancy, drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaar heid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsul tancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Eco/nsultanĉy
SAMENVATTING
Econsultancy heeft in opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een op Zand.
De
plangebied gelegen aan de Braakakker 1
initiatiefnemer is voornemens
te Kaatsheuvel in de gemeente Loon
het woningbouwproject
Braakakker-Kinkenpolder in
het
plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan
worden
cheologische waarden
doorgevoerd.
binnen
Hierbij
het plangebied
dient ook
gisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van 2006).
Het archeologisch
onderzoek
is
inzichtelijk te worden
kunnen worden verwacht.
gemaakt welke
Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening
noodzakelijk om te
bepalen
ar
De noodzaak tot archeolo
of er archeologische
(Wro,
waarden
aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen wor den aangetast.
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeo logische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waar den.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bu
reauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting
aan te vullen
en te toetsen
door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bo demprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeolo gisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische
resten,
vanwege de
ligging
ver weg
van
een
gradiëntzone
naar een
beekdal,
laag
voor Paleolithicum en Mesolithicum. Voor landbouwers zal het plangebied op basis van de ligging op een uitgestrekte dekzandrug een geschikte locatie voor bewoning en landbewerking zijn geweest. Het plangebied
heeft daarom een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithi-
cum tot en met de Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat het plangebied in het verleden toch met een veen pakket afgedekt is geweest, zoals ook aangegeven staat op de paleogeografische kaarten. Dit veen pakket zal vermoedelijk net als in de gebieden ten westen van het plangebied vanaf de Bronstijd de onderliggende dekzanden van
hebben afgedekt,
het dekzandpakket heeft zich
podzolprofiel gevormd.
en
in de Late Middeleeuwen zijn
in de voorgaande
periode
Uit het booronderzoek blijkt verder dat de
verstoord is, waarbij dit podzolprofiel geheel is verdwenen. volg
zijn
van
de
laatmiddeleeuwse veenontginning
ontgonnen.
In de top
(Laat Paleolithicum tot Bronstijd) bodemopbouw
in
een
het plangebied
Deze verstoringen kunnen zowel het ge
als moderne
ploeg- en
graafactiviteiten
die ver
moedelijk samen hangen met het gebruik van een deel van het plangebied als agrarisch bedrijf vanaf het begin van de 19e eeuw.
Conclusie Op basis van de in het plangebied aangetroffen veraarde veenbrokken blijkt dat het plangebied van vermoedelijk de Bronstijd tot aan de ontginningen in de Late Middeleeuwen afgedekt is geweest met een veenpakket. De hoge archeologische verwachtingswaarde voor die perioden, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, kan daarom op basis van de aangepaste landschappelijke situatie worden bij gesteld naar laag. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat ook archeologische waarden
Rapport 9390.002 versie 2
uit het Neolithicum tot en
met de Nieuwe tijd
niet meer
in situ worden
Eco/nsultancy
verwacht. Ook voor deze perioden kan de hoge archeologische verwachtingswaarde, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, worden bijgesteld naar laag.
Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plan gebied vrij te geven.
Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld
door de
bevoegde
overheid
(gemeente
Loon
op Zand).
De
bevoegde
overheid
neemt
vervolgens een besluit.
Mochten
tijdens
de
graafwerkzaamheden
toch
archeologische
waarden
worden
aangetroffen,
dan
dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Mel ding
van
archeologische waarden
Noord-Brabant
kan
plaatsvinden
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 9390.002 versie 2
bij
de
gemeente
Loon
op
Zand,
de
of bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).2
Provincie
Eco/nsultanĉy
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING.................................................................................................................................................................................................................................................................................................1
2
BUREAUONDERZOEK.................................................................................................................................................................................................................................................... 1
2.1
3
4
Doelstelling en onderzoeksvragen.........................................................................................................................................................................................1
2.2
Methoden...............................................................................................................................................................................................................................................................................1
2.3
Afbakening en huidige situatie van hetplangebied....................................................................................................................................2
2.4
Toekomstige situatie.........................................................................................................................................................................................................................................4
2.5
Aardwetenschappelijke gegevens.......................................................................................................................................................................................... 4
2.6
Archeologische waarden......................................................................................................................................................................................................................... 7
2.7
Beschrijving van het historische gebruik.................................................................................................................................................................... 8
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel............................................................................................................................. 13
2.9
Conclusie bureauonderzoek.......................................................................................................................................................................................................... 15
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK............................................................................................................................................................................. 15
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen.................................................................................................................................................................................... 15
3.2
Methoden.......................................................................................................................................................................................................................................................................... 15
3.3
Resultaten..................................................................................................................................................................................................................................................................... 16
3.4
Conclusie veldonderzoek ................................................................................................................................................................................................................ 17
CONCLUSIE EN ADVIES......................................................................................................................................................................................................................................... 17
LITERATUUR......................................................................................................................................................................................................................................................................................................
18
BRONNEN...............................................................................................................................................................................................................................................................................................................20
Rapport 9390.002 versie 2
Eco/nsultanĉy
LIJST VAN TABELLEN Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Tabel II.
Grondwatertrappenindeling
Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Tabel IV.
Verleende bouwvergunningen
Tabel V.
Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Figuur 4.
Kadastrale kaart van het plangebied
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
Figuur 8.
Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart
Figuur 9.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen de Historische kaart uit 1794
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale Minuut uit
Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1869
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1905
Figuur 15.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1969
Figuur 16.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1988
Figuur 17.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 2006
Figuur 18.
Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Bijlage 2
Onderzoeksmeldingen
Bijlage 3
Vondstmeldingen
Bijlage 4
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Bijlage 5
AMZ-cyclus
Bijlage 6
Planontwerp
Bijlage 7
Boorprofielen
Rapport 9390.002 versie 2
1811-1832
Eco/nsultanĉy
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een op
Zand
(zie
plangebied gelegen aan de Braakakker 1
figuur
1).
De
initiatiefnemer
is
voornemens
te Kaatsheuvel in de gemeente Loon het
woningbouwproject
Braakakker-
Kinkenpolder in het plangebied te realiseren.
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd.
Hierbij dient ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen
het plangebied
kunnen worden verwacht.
het Verdrag van Malta (1992)
De noodzaak tot archeologisch
onderzoek vloeit voort uit
en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006).
Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de
resultaten
van
het
onderzoek
wordt
een
advies
gegeven
of
vervolgstappen
noodzakelijk
zijn
(hoofdstuk 4).
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd
in juli 2019 door drs. M. Stiekema (Senior KNA prospec
tor) en drs. A.J. Wullink (Senior KNA-prospector). Het rapport is gecontroleerd door dr. A.C. Mientjes (Senior KNA-archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied ventarisatie gegevens.
gemaakt Aan
de
van
hand
bekende van
deze
is.
Om deze vraag te
aardwetenschappelijke, inventarisatie
wordt
beantwoorden wordt een
archeologische
het gespecificeerd
en
in
(cultuur)historische
archeologisch
verwach-
tingsmodel opgesteld.
2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Ne derlandse Archeologie (KNA, versie 4.1,
24-05-2018),
die
is vastgesteld door het Centraal College
van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.
Voor de
uitvoering
van
het bureauonderzoek gelden
de
specificaties
LS01,
LS02,
LS03,
LS04
en
LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3
Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
^
afbakening van
het plangebied
en
vaststellen
van
de
consequenties van
het mogelijk toe
komstige gebruik (LS01); ^
beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02);
^
beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);
3 Beschikbaar via www.sikb.nl.
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 1 van 21
Eco/nsultancy
^
beschrijving van
bekende archeologische en
historische waarden en aardwetenschappelijke
gegevens (LS04); ^
opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
^
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS);
^
de Archeologische Monumenten Kaart (AMK);
^
geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten;
^
de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLo-
^
literatuur en historisch kaartmateriaal;
^
bouwhistorische gegevens;
^
de recente topografische kaart (schaal 1:25.000);
^
recente luchtfoto’s;
^
het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN);
^
de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant;
ket);
^
de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Loon op Zand;
^
plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen plangebied
is
het gebied waarbinnen
feitelijk de
het onderzoeksgebied en
bodemverstorende
het plangebied.
ingreep gaat
plaatsvinden.
Het Het
onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de
archeologische waarden
binnen
het plangebied.
Dit gebied
is groter dan
het plangebied.
In
het
huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied.4
De onderzoekslocatie, circa 8.500 m2,
ligt aan de Braakakker 1, aan de zuidelijke rand van de kern
van Kaatsheuvel in de gemeente Loon op Zand (zie figuur 1
en figuur 2). Volgens het Actueel Hoog
tebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 5,5 meter +NAP.
Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en be bouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied betreft een woonhuis en schuur met omliggende siertuin en weiland. figuur 3).
Ten
zuiden
en
oosten
van
het plangebied
Het plangebied staat kadastraal bekend
bevindt zich
het terrein
als gemeente Loon
van
op Zand,
4065 en 4066 (zie figuur 4). Perceel 4065 behoort tot het adres Braakakker 1
de
sectie
Efteling L,
(zie
nummers
en perceel 4066 tot het
adres Kinkerpolder 12.
Vigerend beleid Het
plangebied
valt
binnen
het
bestemmingsplan
Beheersverordening
Woongebieden
Kaatsheuvel
(2012). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie. Vol gens de bijbehorende planregels ligt het plangebied in Waarde categorie 3: hoge verwachting, waar
4 Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 2 van 21
Eco/nsultancy
archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm mv. 5
Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig
met het archeologisch
bureauonderzoek
is er voor het plangebied
een
milieuhygiënisch
bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 9390.001). Uit historisch kaartmate riaal blijkt dat de onderzoekslocatie op het oostelijk deel (deellocatie B)
rond
1900 bebouwd is.
westelijk deel is onbebouwd en in gebruik als akkerland (deellocatie A). Tot 1991 catie niet wezenlijk veranderd. Omstreeks 1991 zoekslocatie gerealiseerd.
Het
is de onderzoekslo
is een woonhuis op het westelijk deel van de onder
Rond 2006 is het huis op het oostelijk deel (deellocatie B) van de onder-
zoekslocatie gesloopt. De met klinkers verharde oprit van dit huis is behouden gebleven. Sindsdien is de onderzoekslocatie niet wezenlijk veranderd. Het westelijke deel van de onderzoekslocatie bestaat momenteel uit een woonhuis met een bijbehorende siertuin (deellocatie A). De directe omgeving van het woonhuis is voorzien van een klinkerverharding. Tevens is er een opslag aanwezig van ter plaat se gekapte bomen. Het oostelijke deel van de onderzoekslocatie ligt braak (deellocatie B). Ter plaat se van het oostelijk deel van de onderzoekslocatie zijn partij(en) grond aangetroffen. De partijen zijn puinhoudend en tijdens de terreininspectie zijn asbestverdachte materialen waargenomen in de par tijen
grond.
Volgens de
opdrachtgever zijn
de
partijen
grond
afkomstig
van
een
perceel
uit de ge
meente Loon op Zand. Deze partijen maken geen onderdeel uit van het onderhavige onderzoek. Voor zover bij de opdrachtgever en de gemeente Loon op Zand bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Uit de geraadpleegde bronnen blijkt geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen. Bij de gemeente Loon op Zand zijn geen gegevens aanwezig, naast de partijen grond, waaruit blijkt of er asbesthoudende materialen zijn toegepast op of in de (voormalige) bebouwing. Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht:
Deellocatie A: Westelijk perceel Op basis van
het vooronderzoek is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden
volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de
bodem
niet verontreinigd
aangetroffen.
is.
De bovengrond
verontreinigingen aangetoond. teerd.
Voor de
lichte
Zintuiglijk zijn
in
de
boven-
is plaatselijk licht verontreinigd In het grondwater is een
verontreiniging
met
PCB
en
ondergrond
met PCB.
geen
verontreinigingen
In de ondergrond zijn geen
lichte verontreiniging
met barium geconsta
heeft Econsultancy vooralsnog
geen
verklaring.
De
lichte verontreiniging met barium in het grondwater is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van
metalen in
het grondwater.
De vooraf gestelde hypothese,
dat deellocatie A als "onverdacht" kan worden beschouwd, wordt, op basis van de onderzoeksresulta ten, niet geheel bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén re den voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén
belemmeringen voor de voorgenomen
bestemmingsplanwijziging
en de voorgenomen
nieuwbouw van/op de onderzoekslocatie.
Deellocatie B: Oostelijk perceel Op basis van
het vooronderzoek is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden
volgens de strategie "verdacht" (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. De ondergrond dient te worden onderzocht volgens de strategie ‘’onverdacht’’ (ONV). Zintuigelijk zijn in de boven- en ondergrond geen verontreinigingen aangetroffen. De boven grond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aange toond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium geconstateerd. De lichte verontreini ging
met PAK is
hoogstwaarschijnlijk te
relateren
aan
de sloop van
de voormalige
bebouwing.
De
5 Ruimtelijkeplannen.nl.
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 3 van 21
Eco/nsultancy
lichte verontreiniging met barium in het grondwater is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van dat de
onderzoekslocatie ter plaatse
metalen
van
in
het grondwater.
deellocatie
B als
beschouwd, wordt aanvaard. Echter, gelet op de aard en
De vooraf gestelde hypothese
"heterogeen
verdacht" dient te worden
mate van verontreiniging,
bestaat er géén
reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de
bodem géén
men
nieuwbouw
belemmeringen van/op
de
voor de
voorgenomen
onderzoekslocatie.
Ter
bestemmingsplanwijziging
plaatse
van
deellocatie
B
en
zijn
de voorgeno
partij(en)
grond
waargenomen. Econsultancy adviseert om deze partijen grond te keuren volgens protocol 1001.6
2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het
in-fex-situ behoud
van de archeologische waarde. In het plangebied is het woningbouwproject Braakakker-Kinkenpolder gepland.
Hiervoor zal alle bestaande bebouwing
bouwterrein
ontstaat.
Aansluitend
zullen
zeven
in
het plangebied worden gesloopt zodat een
gebouwen
worden
gerealiseerd
(zie
bijlage
6).
kaal Het
exacte verstoringsoppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw zijn nog niet bekend net als de ligging van toekomstige infrastructuur zoals kabels en leidingen, riolering, sleuven voor
voorzieningen
en
vergravingen
voor
de
aanleg
van
bomen,
groenvoorzieningen
en
slo-
ten/waterberging.
2.5 Het
Aardwetenschappelijke gegevens landschap
heeft altijd
een
naar archeologische sporen
belangrijke
in een
rol gespeeld
bepaald
gebied
het
nederzettingspatroon.
Bij
is het van
in
groot belang te weten
hoe
onderzoek het land
schap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied:
Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)
Geomorfologie8
Bebouwd gebied
Bodemkunde9 10 11 12
Hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ21)
Grondwatertrap
VI
Landschappelijke ontwikkeling10n12'13 Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar afzettingen van de Formatie van Boxtel,
Laag-
pakket van Wierden aan het maaiveld worden aangetroffen. De afzettingen van de Formatie van Box tel zijn
afgezet gedurende de laatste ijstijd.
Gedurende de laatste ijstijd
had de wind vrij spel in
het
verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.
6 Van de Weijer, 2019 7 Mulder et al., 2003. 8 Wageningen Environmental Research, 2017. 9 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 10 Berendsen, 2008. 11 De Mulder et al., 2003. 12 Vos & De Vries, 2013. 13 geoloket.provincieantwerpen.be.
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 4 van 21
Eco/nsultancy
Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus
worden
genoemd
en
grotere
hoogteverschillen
dekzandruggen
of dekzandkopjes
genoemd
worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes
in
het landschap op te vullen.
Het dekzand, dat in
het plangebied
aan
het
oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van
Boxtel.
Het water van de in
het voorjaar smeltende sneeuwmassa's erodeerde
een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van
het landschap
als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. ding,
afbranden
en
Bij het ontstaan
het steken
van
hiervan speelde de mens een
plaggen
op de
heidevelden
belangrijke rol, door bewei
dat voornamelijk
plaatsvond
in
de
Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen
en zand.
Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van
Singraven, welke tevens
behoren tot de Formatie van Boxtel. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een beekdal.
Vanaf het Atlanticum (Laat Mesolithicum) vindt in
het westen van
Brabant op grote schaal veenvor
ming plaats, waarbij ook grote delen van het dekzandlandschap door veen worden overdekt. Dit veen is in de loop van de
Middeleeuwen veelal verdwenen door turfwinning of door oxidatie. Volgens de
paleogeografische kaarten
is het plangebied tussen
1500 en 500 voor Chr.
(Bronstijd-IJzertijd) door
veen overdekt geraakt. Het veen is in de Late Middeleeuwen afgegraven voor turfwinning, waardoor dekzanden weer aan
het maaiveld zijn
komen te
liggen. Volgens de turfdatabank van de
provincie
Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders (2012), ligt de meest oostelijke grens van het veengebied op circa
1
kilometer ten westen van
het plangebied. Omdat de kaart in de turfdatabank
gedetailleerder is dan de paleografische kaarten, wordt er, in het kader van dit onderzoek vanuit ge gaan dat het plangebied niet door veen overdekt is geweest.
Vanaf de Late Middeleeuwen ontstaan door bodemdegradatie als gevolg van overbegrazing en steken
van
plaggen
lokaal
zandverstuivingen.
Deze
zanden
vormen
het
Laagpakket van
het
Kootwijk
binnen de Formatie van Boxtel. Volgens de paleogeografische kaarten heeft op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied lokaal zandverstuiving plaatsgevonden.
DINO14 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en
Informatie van de Nederlandse Ondergrond
(DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen,
geo-elektrische metingen,
resultaten
van geologische, geochemische en
geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.15 Hieruit blijkt dat de ondergrond voor de bovenste 5 meter uit fijne (dek)zanden bestaat. Op grotere diepte worden voornamelijk grove zanden aangetroffen.
Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Kaatsheuvel bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd. Uitgaande van de kartering van het gebied rond Kaats heuvel ligt het plangebied op een uitgestrekte dekzandrug (zie figuur 5).
14 Dinoloket. 15 DINO boornummers B44H0113 en B44H0114
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 5 van 21
Eco/nsultancy
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)16 Het Actueel
Hoogtebestand
Nederland
vormt
een
belangrijke
aanvullende
informatiebron
voor de
landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetail leerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied net als de rest van het zuidelijk deel van Kaatsheuvel op een hooggelegen dekzandrug. Binnen het plange bied liggen de woning en de omliggende tuin circa 50 cm hoger dan de rest van het plangebied. Op basis van de scherpe begrenzing van
het hoogteverschil lijkt het dat dit deel van
het plangebied
is
opgehoogd (zie figuur 6).
Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (zie figuur 7).
Enkeerdgronden
zijn
oude
bouwlanden,
die vanaf de
Late
Middeleeuwen
op de
Pleistocene zand
gronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gesto ken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden.
Het belang van een enkeerdgrond ligt
in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden
in de regel
door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.
Sinds de
jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.
In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een
hoge dichtheid aan verhoudingsge
wijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeolo gische
landschappen.
schrijving van Midden
de
De
vaak
bewoning
en
opmerkelijke
resultaten
het landgebruik in
de
vormen
de
belangrijkste
zandlandschappen
voor de
bron
voor de
periode
be
vanaf de
Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de
dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeolo gische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.17
Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel son deringen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek.
Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemid deld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden geka rakteriseerd
in
een jaar met een gemiddelde
grondwatertrappen
bepaald.
Deze
worden
neerslag en verdamping.
als
‘witte
vlekken’
op
de
In stedelijk gebied zijn geen Bodemkaart
van
Nederland
(1:50.000) weergegeven.
Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen.
De trappen
worden vastgesteld
op een
schaal van
I
tot VII van
respectievelijk
extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.
16 www.ahn.nl. 17 Doesburg et al., 2007.
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 6 van 21
Eco/nsultancy
Tabel II.
Grondwatertrappenindeling18
Grondwater trap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
GHG (cm -mv)
-
•*40
•*40
M0
•*40
40-80
s-80
GLG (cm -mv)
•s50
50-80
80-120
80-120
s-120
s-120
s-120
') ")
VIII
140 -
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen
met een
goede
ontwatering
(Grondwatertrap VI,
VII
en
VIII)
zijn
zeer geschikt voor
landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten: hoe beter de
ontwatering
hoe slechter de
conservering.
gekenmerkt met een grondwatertrap VI.
Het plangebied
bevindt zich
Omdat het plangebied
op zand
in
een
gebied dat wordt
ligt en de toekomstige
be
bouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal worden gerealiseerd, wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.
2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeo logisch goed
Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf
(RCE).18 19 In
dit systeem worden
alle
archeologische gegevens verzameld
en
via
internet zijn
deze door bevoegden te raadplegen.
In
figuur
9
zijn
de
in
onderzoeksmeldingen leidskaart een
ARCHIS binnen
geregistreerde
een straal van
hoger detailniveau
heeft dan
AMK-terreinen,
waarnemingen,
vondstmeldingen
en
500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke bede
landelijke
IKAW
(Indicatieve
Kaart Archeologische
Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.
Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In
de
CHW-kaart van
geduid’.
Dit
belang
de
provincie
bestaat
uit 21
Noord-Brabant
heeft de
cultuurhistorische en
provincie
het
16 archeologische
provinciaal
‘belang
landschappen.
In
aan
de 21
cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefini eerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeolo gische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt grotendeels in het archeologische landschap Loonse en Drunense duinen.
Dit landschap,
relatief lage dichtheid
aan
dat
bestaat
uit dek-
archeologische resten aangetroffen uit alle perioden eeuwen.
Het ten
Drunense Duinen,
zuiden een
en
archeologische waarnemingen
van
Waalwijk gelegen
reliëfrijk bos-,
stuifzanden,
wordt gekenmerkt door een
en AMK-terreinen.
In
het gebied
zijn wel
behalve het Neolithicum en de Vroege Middel
landschap wordt gedomineerd
heide- en stuifduinengebied
door de Loonse
en
met groot oppervlaktaan open en
actief stuifzand. De zandverstuivingen zijn veroorzaakt door te intensieve exploitatie door de laatmid deleeuwse bewoners van de regio. De jongere verstuivingen hangen samen met het gebruik als mili tair oefenterrein in de vorige eeuw. In het westen en zuiden bevinden zich de bebouwde kommen van respectievelijk Kaatsheuvel en Loon op Zand. De kern van het landschap bestaat uit een dekzandrug, waarop vanaf de
Late
Middeleeuwen door zandverstuivingen
landduinen
met bijbehorende
laagten
zijn ontstaan. In het noorden wordt het gebied begrensd door het veengebied van de Langestraat, en in het zuiden door een slecht ontwaterde, moerassige dekzandvlakte met enkele beken. De randzo-
18 Locher & De Bakker, 1990. 19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 7 van 21
Eco/nsultancy
nes van
het landschap bestaan
uit kleinere en grotere arealen
oud
bouwland.
Onder het stuifzand
kunnen nog oude landbouwgronden en nederzettingen voorkomen.20
Archeologische verwachtingskaart Gemeente Loon op Zand21 Volgens de
archeologische
verwachtingskaart van
de gemeente
Loon
op Zand
ligt het plangebied
geheel binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (zie figuur 8).
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied22 De
Archeologische
Monumentenkaart
(AMK)
bevat
een
overzicht
van
archeologische
monumen
ten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaam heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën: terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een
beschermde status.
In zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 9).
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en
instellingen
derzoeken,
in totaal 22 archeologische onderzoeken
booronderzoeken,
proefsleufonderzoeken
uitgevoerd.
en
Het gaat daarbij om bureauon
archeologische
begeleidingen
van
graaf
werkzaamheden (zie bijlage 2 en figuur 9).
De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat op veel van
de
locaties
die
in
het
verleden
onderzocht
zijn
een
dermate
sterk
verstoord
bodemprofiel
is
aangetroffen, dat er geen archeologische resten meer verwacht worden.
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied24 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan acht vondstmeldingen geregistreerd
(zie
bijlage 3 en figuur 8).
zien dat er in de omgeving van
De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan
het plangebied
niet veel waarnemingen
bekend zijn.
laten
Uit de wijdere
omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van zowel jagers-verzamelaars als landbou wers bekend.
Wetenschappelijke publicaties In het kader van dit bureauonderzoek zijn er, buiten de reeds besproken wetenschappelijke publica ties, de publicaties van enkele archeologische onderzoeken uit de omgeving van het plangebied ge raadpleegd.25 Het betreffen twee onderzoeken waarvan de resultaten zijn
meegenomen in
Bijlage 2
(onderzoeksmeldingen 2399312100 en 4557752100).
2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen
en wegen- en
kavelpatronen.
Veel van deze
bewaard gebleven
historische geografie geeft
door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch
20 Tol & Van Laan, 2009 21 Van Heeringen & Schrijvers, 2017 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor hetCultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor hetCultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor hetCultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 25 Bergman, 2013; Wullink, 2018.
Rapport 9390.002 versie 2
Pagina 8 van 21
Eco/nsultancy
landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
Korte bewoningsgeschiedenis van Kaatsheuvel26 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven.
Een
algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4.
Van oudsher behoorde Kaatsheuvel tot de heerlijkheid Venloon, zoals Loon op Zand vroeger heette. Thans behoort het met de
kerkdorpen
Loon
op Zand
en
De Moer tot de gemeente
Loon
op Zand.
Loon op Zand lag op een kruispunt van handelswegen en bezat in 1233 reeds een kerk en een kas teeltje.
Daar
rondom
ontstonden
allerlei
gehuchten
zoals
de
Roestelberg,
de
Klokkenberg,
het
Hoekske, de Efteling, het Kraanven, de Bernsehoef en ook Kaatsheuvel. Opmerkelijk voor Kaatsheu vel was dat het zich in de grensstreek van Holland en Staats-Brabant bevond. De oudste vermelding van
Kaatsheuvel is
uit 1312 en
de oudste vermelding van
Loon
op Zand
uit 1233.
Het buurtschap
Efteling, waarnaar het attractiepark is vernoemd, wordt voor het eerst in de 14e eeuw genoemd. Deze naam zou zijn afgeleid van ‘Achterling’. Een verklaring voor deze naam is dat, gezien vanuit de ver onderstelde oudste kern van Venloon (Oude Huisplaats), dit buurtschap de verst afgelegen nederzet ting was. Het is dus aannemelijk dat het gebied tussen Kaatsheuvel en Loon op Zand in de loop van de 14e eeuw is ontgonnen.
In 1731 ging men in Kaatsheuvel het eerst ter kerke (daarvoor moesten de inwoners van Kaatsheuvel naar de kerk in Loon op Zand of in Sprang). Dit was in een kamer van een boerderij die behoorde aan de heer van Loon op Zand. In 1736 kwam daar een schuurkerk voor in de plaats en 100 jaar later de eerste stenen kerk, een zogenaamde Waterstaatskerk.
In 1897 werd in het westelijk deel van Kaats
heuvel een tweede katholieke kerk in gebruik genomen, gewijd aan de H.H. Martelaren van Gorcum. De Waterstaatskerk maakte in de jaren 1912/1913 plaats voor de St. Janskerk in de Hoofdstraat van Kaatsheuvel.
Lange tijd was de schoenindustrie in Kaatsheuvel het voornaamste middel van bestaan. Van oudsher kent Kaatsheuvel veel
ambulante
beroepen,
zoals scharenslijpers,
mattenvlechters,
zwavelstokma-
kers en stoelenmatters. Ook leerlooien en de daaraan gekoppelde schoenindustrie waren in heuvel van belang.
Kaats
De vestigingsomstandigheden waren erg gunstig voor het leerlooien. Het eiken
schors, basis voor het looiproces, en stromende beekjes waren veelvuldig aanwezig. Het eikenschors werd gemalen op de plaatselijke molens, die naast de koppels stenen voor het malen van graan ook een koppel stenen voor het malen van eikenschors bezaten.
Door de opkomst van de lage loonlanden verdween de schoenindustrie grotendeels en maakte plaats voor andere takken van industrie. Toch bleef de handel in schoenen in deze regio doorgaan. Als laat ste voornaamste overblijfsel aan de schoenindustrie kan de Efteling genoemd worden. in