Bijlage 3. Participatieverordening Loon op Zand 2027
Tekst van het document
Participatieverordening gemeente Loon op Zand 2027
Intitulé De raad van de gemeente Loon op Zand, gelezen het voorstel van 12 mei 2026 van het college van burgemeester en wethouders, gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, besluit: de Participatieverordening gemeente Loon op Zand 2027 vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Inleiding Artikel 1. Onderwerp verordening Deze verordening regelt de betrokkenheid van en samenwerking met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij de ontwikkeling (daaronder begrepen de voorbereiding, uitvoering en evaluatie) van gemeentelijk beleid, alsmede de rol van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad in deze processen. Deze verordening is daarnaast van toepassing op de manier waarop de gemeente ondersteuning biedt aan of reageert op initiatieven van inwoners, ondernemers en/of maatschappelijke organisaties. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. inwoners: ingezetenen van de gemeente Loon op Zand als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Gemeentewet; b. ondernemers: commerciële bedrijven en exploitanten die lokaal actief zijn of die een lokaal belang hebben in de gemeente Loon op Zand; c. maatschappelijke organisaties: niet-commerciële rechtspersonen met een maatschappelijk doel, zoals verenigingen en stichtingen, die lokaal actief zijn of die een lokaal belang hebben in de gemeente Loon op Zand; d. inwonersinitiatief: een lokaal initiatief met een overwegend maatschappelijke component, opgezet door inwoners, ondernemers of maatschappelijke organisaties; e.
uitdaagrecht: het recht van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties op het overnemen van een taak van de gemeente; f. bestuursorgaan: de burgemeester of het college van burgemeester en wethouders of de raad van de gemeente Loon op Zand; g. beleid: een aanpak of strategie van de gemeente om een bepaald doel te realiseren; h. beleidsvoornemen: het voornemen van een bestuursorgaan tot het vaststellen of herzien van beleid; i. participatie: samen werken aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid, op een duidelijke, transparante en gelijkwaardige manier, door te praten met en te luisteren naar inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties en hen te laten meedenken, meedoen en, waar mogelijk, mee te laten beslissen; j. inwonersparticipatie: het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Inwonersparticipatie kan de vorm aannemen van informeren, raadplegen, adviseren, samenwerken of meebeslissen;
k.
l.
overheidsparticipatie: het deelnemen van de gemeente aan een inwonersinitiatief. Overheidsparticipatie kan de vorm aannemen van het bieden van (ambtelijke, financiële of materiële) ondersteuning. Nota Participatiebeleid: het door de raad op 2 juli 2026 vastgestelde participatiebeleid.
Artikel 3. Doelstelling en reikwijdte 1. Deze verordening heeft als doel om participatie te stimuleren, teneinde de kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten en de relatie tussen gemeente en inwoners te versterken. Verder wil deze verordening daarbij helderheid scheppen over proces en rolverdeling. 2. Participatie wordt niet toegepast: a. als dit bij of krachtens een wettelijk voorschrift is uitgesloten; of b. bij opstelling van een coalitieakkoord na gemeenteraadsverkiezingen; of c. bij vaststelling van de begroting of bij vaststelling van de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen als bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; of d. als er sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden waarbij de gemeente geen ruimte heeft om eigen afwegingen te maken; of e. voor een beleidsvoornemen dat uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente. 3. Participatie en uitdaagrecht komt toe aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties die lokaal actief zijn of die een lokaal belang hebben. Met lokaal wordt bedoeld: binnen de grenzen van de gemeente Loon op Zand. 4. De gemeente Loon op Zand geeft in een vroeg stadium inzicht in gemeentelijke beleidsvoornemens, in het bijzonder voor dorpen en wijken, zodat belanghebbenden tijdig invloed kunnen uitoefenen. 5.
Deze verordening is opgesteld met de gemeentelijke Nota Participatiebeleid als kader. 6. Deze verordening is niet van toepassing op participatie of inspraak die al is geregeld in andere regelgeving of procedures, zoals bijvoorbeeld in de Omgevingswet.
Hoofdstuk 2 Inwonersparticipatie bij overheidsinitiatieven Artikel 4. Keuze voor participatie 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inwonersparticipatie wordt toegepast bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. 2. Inwonersparticipatie wordt altijd toegepast als de wet daartoe verplicht. 3. Inwonersparticipatie hoeft niet te worden toegepast: a. bij een ondergeschikte herziening van een eerder vastgesteld beleid; b. als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat de uitkomst van een participatieproces niet kan worden afgewacht; of c. als het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. Artikel 5. Participatieproces 1. Het bestuursorgaan besluit bij de start van een proces tot vaststelling of herziening van een aanpak of strategie of en op welke wijze inwonersparticipatie wordt toegepast. Leidend hierbij zijn de uitgangspunten, het stappenplan en het afwegingskader in hoofdstuk 6 van de Nota Participatiebeleid. 2. Als het bestuursorgaan besluit om inwonersparticipatie toe te passen, wordt dit vastgelegd in een participatieplan. Daarin wordt antwoord gegeven op ten minste de volgende vragen: a. Wat is de (maatschappelijke, fysieke, financiële) impact van het beleidsvoornemen of plan? b.
Wat zijn de kernvragen bij het beleidsvoornemen of plan? c. Wie moeten er betrokken worden en op welke wijze wordt contact gezocht? d. Wat is het doel van participatie? Wat willen we bereiken met het betrekken van inwoners? e. Wat is het niveau van de participatie? Maak een keuze uit de volgende niveaus: I. informeren: belanghebbenden worden geïnformeerd II. raadplegen: belanghebbenden worden geraadpleegd III. adviseren: belanghebbenden adviseren de gemeente IV. samenwerken: belanghebbenden en gemeente werken samen V. meebeslissen: belanghebbenden en gemeente beslissen samen VI. zelfbesturen: belanghebbenden organiseren zelf f. Wie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de participatie?
g. Wat is de rol van het college van burgemeester en wethouders en/of de raad? h. Wat zijn de kosten van het participatieproces? 3. In het participatieplan wordt tevens vermeld op welke wijze het bestuursorgaan verwacht navolging te geven aan de uitkomsten van het participatieproces. Het bestuursorgaan heeft daarbij de volgende opties: • het bestuursorgaan neemt kennis van de uitkomsten van het participatietraject en zal nader afwegen of en in welke mate deze uitkomsten kunnen worden meegenomen in de politieke besluitvorming; • het bestuursorgaan beschouwt de adviezen en conclusies uit het participatietraject als een zwaarwegend uitgangspunt bij politieke besluitvorming; • het bestuursorgaan neemt de adviezen en conclusies uit het participatietraject over mits deze passen binnen de vooraf gestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders; • het bestuursorgaan treedt met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties in nader overleg om de uitkomsten van het participatieproces om te zetten in een convenant of samenwerkingsovereenkomst waarin partijen de gemaakte afspraken vastleggen. 4.
Van de in het participatieplan aangekondigde navolging mag het bestuursorgaan afwijken, bijvoorbeeld wanneer het participatietraject sterk uiteenlopende visies heeft opgeleverd, wanneer betrokken belangen onvoldoende zijn meegewogen of wanneer de participatie heeft geleid tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders. De afwijking en de motivering daarvan wordt meegedeeld aan de deelnemers van het participatieproces. Artikel 6. Participatieverslag 1. Ter afronding van het participatieproces maakt het bestuursorgaan een schriftelijk verslag op. Het participatieverslag bevat in elk geval: a. een beschrijving van de gevolgde participatieprocedure; b. een overzicht van de mondelinge en schriftelijke reacties of zienswijzen die tijdens het participatieproces zijn ontvangen; en c. een reactie op deze reacties en zienswijzen, waarbij wordt aangegeven op welke punten al dan niet wordt overgegaan tot aanpassing van het beleidsvoornemen. 2. Het bestuursorgaan maakt het participatieverslag op de gebruikelijke wijze openbaar en informeert actief de deelnemers aan het participatieproces. 3. Het participatieverslag wordt door het bestuursorgaan betrokken bij het nemen van zijn beslissing over het beleidsvoornemen.
Hoofdstuk 3 Overheidsparticipatie bij inwonersinitiatieven Artikel 7. Deelnemen aan inwonersinitiatieven 1. De gemeente neemt deel aan een inwonersinitiatief als naar het oordeel van het betrokken bestuursorgaan dat inwonersinitiatief bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid en/of dat inwonersinitiatief anderszins een positieve maatschappelijke bijdrage levert aan de lokale samenleving. 2. Het betrokken bestuursorgaan kan afzien van deelname aan een inwonersinitiatief als: a. er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden of anderen; of b. het initiatief naar het oordeel van het bestuursorgaan op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is; of c. het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht loopt of waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken; of d. het een onderwerp betreft dat overwegend het eigenbelang van de initiatiefnemer dient. 3. Het betrokken bestuursorgaan kan besluiten het inwonersinitiatief (tijdelijk of langdurig) te ondersteunen door middel van: a. het ter beschikking stellen van ruimtes of huisvesting; b. het beschikbaar stellen van een (aanjaag)subsidie of andere financiële middelen; c. de inzet van ambtelijke expertise of netwerken; of d. een andere vorm van ondersteuning. 4.
Het betrokken bestuursorgaan neemt een besluit over het inwonersinitiatief en informeert de indieners.
Artikel 8. Toepassen uitdaagrecht 1. De gemeente biedt inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties de mogelijkheid een voorstel in te dienen om de uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen. 2. Een voorstel met betrekking tot het uitdaagrecht wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders en bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. omschrijving van de taak die de indiener wil overnemen; b. uitleg waarom en hoe de indiener de taak wil overnemen; c. uitleg over de betrokkenheid, kennis of ervaring van de indiener; d. indicatie van het draagvlak onder belanghebbende inwoners; e. begroting van de kosten die aan de uitvoering van de taak verbonden zijn; f. omschrijving van de manier waarop de indiener met de gemeente wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft; en g. omschrijving hoe de indiener garant staat voor de uitvoering en de kwaliteit van de over te nemen taak op de langere termijn. 3. Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen 12 weken of met het voorstel wordt ingestemd. 4. Als met het voorstel wordt ingestemd, biedt de gemeente gepaste ondersteuning aan de indiener. De gemeente kan het initiatief op verschillende manieren ondersteunen: a. materieel: met menskracht, locaties, geld, praktische ondersteuning; b. formeel: met regelgeving, vergunningen, richtlijnen, monitoren en meten; of c.
informeel: door verbinden, inspireren, aandacht geven en communiceren. 5. De gemaakte afspraken (over o.a. de taken, het resultaat, het budget, de looptijd en de periodieke evaluatie) worden vastgelegd in een overeenkomst. De overeenkomst wordt van kracht zodra deze door beide partijen is ondertekend. 6. Het college van burgemeester en wethouders wijst een voorstel af als onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel voldoet aan de in lid 2 genoemde voorwaarden, of als het bestuursorgaan overname van de gemeentelijke taak om andere redenen onwenselijk vindt.
Hoofdstuk 4 Evaluatie Artikel 9. Evaluatie 1. De uitvoering van deze verordening wordt ten minste eenmaal per raadsperiode geëvalueerd. Het college van burgemeester en wethouders stuurt met dat doel een evaluatieverslag naar de raad. 2. Het evaluatieverslag beschrijft de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd, de rolinvulling door raad en college, de kosten, het resultaat van de participatie en de belangrijkste ervaringen. Het verslag bevat tevens informatie over inwonersinitiatieven, toegekende budgetten en over de werking van het uitdaagrecht. 3. De raad bespreekt het evaluatieverslag.
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 10. Intrekking oude regeling De ‘Verordening participatie gemeente Loon op Zand 1.0’ wordt ingetrokken op 1 januari 2027. Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2027. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Participatieverordening gemeente Loon op Zand 2027’. Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 juli 2026. De voorzitter,
De griffier,
Toelichting Participatieverordening gemeente Loon op Zand 2027
Algemeen Deze verordening is een vervolg op de Verordening participatie Loon op Zand 1.0, dat door de raad is vastgesteld op 15 december 2022. Die regeling is destijds in de plaats is gekomen van de toenmalige Inspraakverordening 2004. Iedere gemeente moet op grond van artikel 150 van de Gemeentewet een participatieverordening hebben. Inwoners kunnen zich op verschillende manieren tot het gemeentebestuur wenden. Denk aan het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren of informatiebijeenkomsten, het inspreekrecht en het bijwonen van de beeldvormende en/of opiniërende ronde. Als conceptbesluiten ter inzage worden gelegd, mogen inwoners zienswijzen over dat conceptbesluit indienen. Deze vormen vatten we van oudsher samen onder de term ‘inspraak’. Participatie is breder dan inspraak. In artikel 150 Gemeentewet wordt participatie beschreven als: het betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van gemeentelijk beleid. Het doel is dat inwoners in toenemende mate een belangrijke rol krijgen in de voorbereiding, de totstandkoming, de uitvoering en de beoordeling van beleid. Niet alleen omdat zij de gevolgen van beleid ervaren, maar ook omdat de gemeente het belangrijk vindt om de kennis en inzichten van inwoners te betrekken bij het politieke proces.
Temeer als het gaat om keuzes en strategieën waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Zo wordt participatie onderdeel van het bredere besluitvormingsproces. Deze nieuwe verordening is gebaseerd op de Nota Participatiebeleid met de ondertitel ‘Hoe werkt de gemeente effectief samen met haar inwoners’. Daarin wordt participatie nader gedefinieerd als het samen werken aan gemeentelijk beleid, op een duidelijke, transparante en gelijkwaardige manier, door te praten met en te luisteren naar inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties en hen te laten meedenken, meedoen en, waar mogelijk, mee te laten beslissen. Met gemeentelijk beleid wordt bedoeld de strategieën en uitvoeringskeuzes waarmee een bepaald doel moet worden bereikt. Het gaat dus niet om besluiten die worden genomen op aanvraag (van een vergunning of van een subsidie) en waartegen bezwaar en beroep open staat. Het gaat om keuzes over betaald parkeren of vergunning-parkeren, over de opvang van vluchtelingen, over coffeeshops of over kansspelen. De verschillende vormen van samenwerking worden genoemd in de zogenaamde participatieladder, waarvan de treden terug te vinden zijn in artikel 5 lid 2 onder e van deze verordening. In deze verordening wordt het uitdaagrecht benoemd als specifieke vorm van participatie. Hiermee krijgen initiatieven uit de samenleving ruimte.
Inwoners kunnen de gemeente vragen om de uitvoering van een taak over te nemen (al dan niet met bijbehorend budget). Denk daarbij bijvoorbeeld aan het onderhoud van een park of het beheer van een buurthuis. Hiermee laat de gemeente zien dat zij de uitvoering van een overheidstaak toevertrouwt aan een inwoner of maatschappelijke organisatie. De gemeente vergroot zo de betrokkenheid en het eigenaarschap van inwoners en maatschappelijke organisaties bij hun eigen leefomgeving. Daarnaast kan het leiden tot nieuwe vormen van samenwerking en sociale verbinding. Op die manier draagt het uitdaagrecht bij aan een veerkrachtige samenleving.
Toelichting op de artikelen Artikel 1 – Onderwerp verordening Deze verordening gaat over participatie. Daarbij maakt deze verordening onderscheid tussen het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners bij overheidsinitiatieven (hoofdstuk 2) en het door inwoners betrekken van de gemeente bij inwonersinitiatieven (hoofdstuk 3). In alle gevallen gaat het om initiatieven met een overwegend maatschappelijke component. Initiatieven met winstoogmerk zijn gericht op eigenbelang en vallen daarmee buiten de reikwijdte van deze verordening. Artikel 2 – Begripsomschrijvingen Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 3 – Doelstelling en reikwijdte lid 1 Deze bepaling sluit rechtstreeks aan op artikel 1. lid 2 Hier staan enkele algemene uitzonderingsgronden opgenoemd. In deze situaties is participatie nooit aan de orde. In artikel 4 lid 3 staan nog enkele uitzonderingsgronden genoemd, maar daarvan ligt de keuze bij het bestuursorgaan om daar al dan niet een beroep op te doen. lid 3 Hier worden de doelgroepen van participatie genoemd. In alle gevallen gaat het om personen en organisaties die actief zijn in de gemeente Loon op Zand. Wie niet gevestigd of actief is in deze gemeente wordt geacht geen belanghebbende bij participatie te zijn. lid 4 Dit is een opdracht aan de gemeente om beleidsvoornemens in een vroegtijdig stadium bekendheid te geven zodat belanghebbenden tijdig kunnen aanhaken. Dat is mogelijk door bij het opstellen van een projectplan ook meteen aandacht te schenken aan de in artikel 5 lid 2 opgesomde checkvragen voor een participatieplan. lid 5 De Nota Participatiebeleid ligt ten grondslag aan deze verordening. De aldaar in hoofdstuk 6 vermelde uitgangspunten, stappenplan en afwegingskader zijn verwerkt in de artikelen 5 tot en met 8 van deze verordening. lid 6 Zoals in het algemene deel vermeld is deze verordening niet van toepassing op concrete besluiten in individuele zaken waartegen bezwaar of beroep openstaat.
Participatie heeft de meeste toegevoegde waarde bij het voorbereiden en uitvoeren van algemene beleidskeuzes waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Artikel 4 – Keuze voor participatie lid 1 Het is lastig om in zijn algemeenheid aan te geven welke onderwerpen zich lenen voor participatie. Het uitgangspunt is daarom dat raad, college en burgemeester zelf beslissen of participatie mogelijk is. De checkvragen in artikel 5 lid 2 zijn behulpzaam bij het maken van een verantwoorde keuze. lid 2 Deze bepaling behoeft geen toelichting. lid 3 De hier genoemde uitzonderingsgronden vallen onder de discretionaire bevoegdheid van raad, college en burgemeester. De in artikel 3 lid 2 genoemde uitzonderingsgronden zijn dwingend. Artikel 5 – Participatieproces lid 1 Deze bepaling sluit aan op artikel 3 lid 4. Zodra bekend wordt dat het voornemen bestaat om beleid op te stellen of te herzien, moet ook worden besloten of en welke vorm van participatie wordt toegepast. lid 2 De hier opgenomen vragen vormen een praktische checklist om te bepalen of participatie geschikt is. Het antwoord op deze vragen vormt de basis van het participatieplan.
lid 3 en 4 In het kader van transparantie wordt aan raad, college en burgemeester tevens gevraagd om in het participatieplan op te nemen welke rol de uitkomsten van de participatie naar verwachting zullen spelen in het kader van de afsluitende besluitvorming van het betreffende project. Deze verwachting is niet definitief. In lid 4 worden enkele voorbeelden genoemd van situaties waarin het voornemen niet gestand hoeft te worden gedaan. De afwijking moet deugdelijk worden gemotiveerd, zodat voor de deelnemers aan het participatieproces inzichtelijk is waarom er op dit punt wordt afgeweken van het participatieplan. Artikel 6 – Participatieverslag lid 1 Het participatieproces wordt afgerond met een verslag. Het verslag bevat een beschrijving van het doorlopen proces. En net zoals een zienswijzenverslag bij een inspraakprocedure bevat het verslag een overzicht van alle ontvangen inhoudelijke opmerkingen en zienswijzen alsmede een bestuurlijke reactie op die opmerkingen en zienswijzen.
lid 2 De bekendmaking van het verslag is heel belangrijk. Voor degenen die hebben geparticipeerd is het verslag een bevestiging en een erkenning van hun inbreng. Het spreekt voor zich dat alle deelnemers een exemplaar van het participatieverslag ontvangen. Daarnaast publiceert de gemeente het verslag in de Duinkoerier en op de gemeentelijke website. lid 3 Het is niet de bedoeling dat het participatieverslag in een lade verdwijnt. Vandaar de uitdrukkelijke opdracht aan raad, college en burgemeester om het participatieverslag mee te nemen in het dossier dat ten grondslag ligt aan de politieke besluitvorming. Artikel 7 – Deelnemen aan inwonersinitiatieven lid 1 Elk inwonersinitiatief dat een positieve maatschappelijke bijdrage levert aan het leefklimaat in de gemeente Loon op Zand verdient in beginsel de steun van de gemeente. Dat neemt niet weg dat de gemeente mag beoordelen of een initiatief, hoe sympathiek ook, daadwerkelijk levensvatbaar is. In dat verband zijn in lid 2 een aantal uitzonderingsgronden opgenomen. lid 2 De uitzonderingsgronden spreken voor zich en behoeven geen toelichting. lid 3 Deze bepaling is bewust ruim geformuleerd. Inspiratie voor mogelijke vormen van steun kan ook worden gevonden in artikel 8 lid 4. lid 4 Een voorstel of verzoek aan de gemeente tot deelname aan een inwonersinitiatief is geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
De aldaar genoemde beslistermijn is op zichzelf dan ook niet van toepassing. Dat neemt niet weg dat van de gemeente mag worden verwacht dat er binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen over het voorstel of verzoek. Zie in dat verband artikel 8 lid 3, waar een periode van 12 weken wordt genoemd als redelijke termijn. Artikel 8 – Toepassen uitdaagrecht lid 1 Anders dan het algemeen geformuleerde artikel 7 gaat dit artikel 8 specifiek over het overnemen van een gemeentelijke taak. Het overnemen van een gemeentelijke taak brengt voor de initiatiefnemers een beduidend grotere verantwoordelijkheid mee dan een willekeurig ander inwonersinitiatief. Voor de gemeente is het laten overnemen van een gemeentelijke taak immers alleen interessant wanneer de taakuitvoering wordt gegarandeerd voor een langere periode en met een kwalitatief goed resultaat. In zoverre raakt het uitdaagrecht aan de aanbestedingsregels voor het uitvoeren van een overheidsopdracht. De toepasselijkheid van aanbestedingsregels kan een argument zijn voor de gemeente om niet in te stemmen met een overnamevoorstel. lid 2 De verantwoordelijkheid die het overnemen van een gemeentelijke taak meebrengt, leidt ertoe dat een voorstel tot overname van een gemeentetaak deugdelijk moet worden onderbouwd.
In deze bepaling wordt opgesomd welke informatie minimaal moet worden verschaft aan de gemeente om het voorstel een kans van slagen te geven. lid 3 Het uitdaagrecht is geen aanvraag als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Daarom is daarop de wettelijke beslistermijn van 8 weken niet van toepassing. Vanwege de gewichtigheid van zo’n overnamevoorstel mag van de gemeente worden verwacht dat daarop binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen. In dit geval is de redelijke termijn gesteld op 12 weken na ontvangst van een compleet en inzichtelijk overnamevoorstel. lid 4 en 5 Net als bij de aanbesteding van een overheidsopdracht moet tussen partijen duidelijk zijn welke partij waarvoor verantwoordelijk is. Het is dan ook onvermijdelijk dat er een overeenkomst wordt opgesteld waarin de wederzijdse verantwoordelijkheden en verplichtingen worden vastgelegd. De door partijen opgemaakte overeenkomst wordt niet eerder van kracht dan nadat deze door of namens alle partijen rechtsgeldig is ondertekend. lid 6 De wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente voor de uitvoering van gemeentetaken brengt mee dat een overnamevoorstel goed moet zijn onderbouwd en uitgewerkt. Een onvoldragen voorstel kan op zichzelf al een reden zijn om dat overnamevoorstel van de hand te wijzen. Andere redenen
voor afwijzing zijn de onwenselijkheid van de voorgestelde overname, bijvoorbeeld vanwege de redenen zoals genoemd in artikel 7 lid 2 of vanwege strijdigheid met aanbestedingsregels. Artikel 9 – Evaluatie Voor de implementatie van participatief werken in de gemeentelijke organisatie is een separaat borgingsplan geschreven. Het sluitstuk van de implementatie van participatief werken is de evaluatie ervan. De verantwoordelijkheid voor die evaluatie wordt allereerst gelegd bij het college van burgemeester en wethouders, dat iedere raadsperiode minimaal één keer een evaluatieverslag moet aanbieden aan de gemeenteraad, maar ook bij de raad, die wordt geacht het onderwerp participatief werken minimaal eenmaal per raadsperiode te agenderen en te bespreken. Het is aan de raad om erop toe te zien dat het evaluatieverslag elke keer voldoende inzichtelijk en volledig is. Artikel 10 – Intrekking oude regeling Met deze bepaling trekken we de bestaande Verordening participatie Loon op Zand 1.0 in. Dat gebeurt op dezelfde datum dat deze nieuwe verordening in werking treedt. Artikel 11 – Inwerkingtreding en citeertitel Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.