Bijlage 1. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Landgoed ’t Onthaesten, 2e herziening' inclusief bijlagen
Tekst van het document
Gemeente Loon op Zand TAM-omgevingsplan Landgoed ‘’t Onthaesten, 2e herziening Vastgesteld
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Voor de ontwikkeling van dit landgoed heeft de gemeenteraad op 27 juni 2019 het bestemmingsplan “Landgoed ’t Ontheasten”. De ontwikkeling van dit landgoed is voorzien op de locatie, gelegen ten oosten van de Eikendijk en ten noorden van de Van Haestrechtstraat te Kaatsheuvel. Op 16 mei 2024 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening” vastgesteld. Het doel van deze herziening van het bestemmingsplan was een aanpassing van de inhoud van de twee te realiseren woongebouwen op het landgoed. Deze aanpassing is echter onjuist in de genoemde herziening verwerkt. Daarom is voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorbereid. 1.2 Ligging plangebied Het Landgoed ’t Onthaesten is gelegen in de oksel van de Eikendijk en de Van Haestrechtstraat in het buitengebied van de gemeente Loon op Zand. De situering is weergegeven op onderstaande afbeelding.
Ligging landgoed
Omissie “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening” In de 1e herziening van het bestemmingsplan voor het Landgoed zijn de maatvoeringseisen ten aanzien van de toegestane inhoud van de woningen per abuis onjuist aangeduid. In de vastgestelde herziening is bepaald dat de inhoud van het meest westelijke woongebouw niet meer dan 1800 m3 bedraagt en van het meest oostelijke woongebouw niet meer dan 1200 m3.
2
De bedoeling van het plan is echter dat het oostelijke woongebouw niet groter mag worden dan 1800 m3 en dat de inhoud van het westelijke woongebouw maximaal 1200 m3 mag bedragen. Eén en ander is weergegeven op de afbeeldingen op de volgende bladzijde. Om deze omissie te herstellen, is voorliggende wijziging van het Omgevinsplan voorbereid.
Maximale inhoud woongebouw 1200 m3
Maximale inhoud woongebouw 1800 m3
Geldend bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening”
Maximale inhoud woongebouw 1800 m3
Maximale inhoud woongebouw 1200 m3
Wijziging omgevingsplan
3
Hoofdstuk 2
Verantwoording
2.1 Bedoeling omgevingsplan Voorliggende wijziging van het omgevinsplan voorziet enkel in het herstel van een omissie in het geldende bestemmingsplan. Met de wijziging wordt de toegestane inhoud van het westelijke woongebouw aangepast van 1800 m3 naar 1200 m3. Tevens wordt de toegestane inhoud van het woongebouw aan de oostzijde aangepast van 1200 m3 naar 1800 m3. Voor de woning aan de oostzijde is een ontwerp beschikbaar. Op onderstaande afbeeldingen zijn impressies weergegeven van de te realiseren woning ana de oostzijde.
Impressies oostelijke woning
2.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Algemeen In het kader van het bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten” zijn onderzoeksrapporten opgesteld en op onderdelen onderbouwingen gegeven die nog onverkort van toepassing zijn op de onderhavige herziening. Nu er slechts sprake is van een aanpassing in de maatvoering van de woongebouwen, waardoor een administratieve vergissing is hersteld. Er zijn geen wijzigingen aan de orde met betrekking tot de bestemmings- en bouwvlakken. Daarom is een verdere uitwerking van de onderbouwing niet aan de orde. Inrichtingsplan Voor de landschappelijke inrichting van het gebied heeft Studio Redd een ontwerp gemaakt. Dit ontwerp betreft een meer gedetailleerde invulling van het landgoed en maakt reeds onderdeel uit van het eerder vastgestelde bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening” Het ontwerp van Studio Redd heeft gedeeltelijk betrekking op een deel van de gronden van het kampeerterrein van de Smulhoeve. Een aantal van de maatregelen in verband met de ontwikkeling van het landgoed worden op de gronden van dit kampeerterrein gerealiseerd. Concreet betreft dit de struweelhagen, welke in het reeds vastgestelde bestemmingsplan zijn bestemd als “Natuur”. Deze maatregelen hebben geen gevolgen voor de exploitatie van het kampeerterrein. Natuur Ten aanzien van het aspect natuur zijn de onderzoeken geactualiseerd.
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Blom Ecologie een Quickscan Natuur uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Blom Ecologie van 23 juni 2025 (herzien op 30 september 2025) met nummer 2025-0875. Deze rapportage is bijgevoegd. 4
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt volgens de uitgevoerde quick scan niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorts blijkt uit de quick scan dat voorafgaand aan de werkzaamheden met aanvullend onderzoek dient te worden vastgesteld of de waardplanten op het grasveld een relevante functie hebben voor teunisbloempijlstaart. Tevens is voor de beoogde ruimtelijke aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) noodzakelijk. Het aanvullende onderzoek is uitgevoerd door Blom Ecologie. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de rapportage d.d. 26 november 2025 met nummer 2025-1260. Dit rapport is als bijlage bij deze motivering gevoegd. In de periode augustus t/m oktober 2025 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Tijdens het onderzoek zijn geen kleine marterachtigen waargenomen. Wel werden das en steenmarter waargenomen, echter zijn van deze soorten geen verblijfplaatsen aanwezig en worden er geen essentiële onderdelen van leefgebied aangetast.
Ten aanzien van marterachtigen gelden derhalve geen verdere vervolgstappen. In de periode juli - augustus 2025 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Onderzoeksprotocol Vlinders en Libellen (Vlinderstichting, 2023). Tijdens het onderzoek zijn geen rupsen, imago’s en/of vraatsporen van de teunisbloempijlstaart aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd. Uit het voorgaande blijkt dat het aspect soortenbeschermin geen belemmeringen geeft voor de beoogde ontwikkeling. Met toepassing van de AERIUS Calculator is de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend. Doel van deze berekening is om te beoordelen of de sloop van de bestaande woning en de bouw en het gebruik van de nieuwe woning leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in de separate bijlage. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten zijn, hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de bouw en het gebruik van de geplande woningen niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 2.2 Juridische beschrijving Op grond van de Omgevingswet heeft elke gemeente sinds 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat. Algemeen Voorlggend TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Loon op Zand. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. 5
Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (in casu 22d) toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan. Het plangebied van dit TAM-omgevingpslan omvat enkel de gronden die volgens het bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening” zijn bestemd voor wonen. De ligging en omvang van de woonbestemming is hetzelfde gebleven. Enkel de maatvoeringseisen ten aanzien van de inhoud van woongebouwen worden aangepast. Voor de overige gronden op het landgoed blijft het bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening” van toepassing. Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Loon op Zand. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn dit TAM-omgevingsplan. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor de woonnbestemming. Een belangrijk deel daarvan is overgenomen uit het bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening”.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor het plangebied beschreven. Dit betreft enkel de toegestane functies en acitvieiten ter plaatse van de woonbestemming. Daarbij zijn alle aanduidingen en regels uit het geldende bestemmingsplan. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk bevat het overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregels met daarin de naamgeving van het plan.
6
3. Uitvoerbaarheid 3.1 Economische uitvoerbaarheid Financieel economische haalbaarheid Aan de realisatie van het plan zijn voor de gemeente Loon op Zand geen kosten verbonden. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. Kostenverhaal In het kader van kostenverhaal sluit initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente. In deze overeenkomst zijn ook afspraken opgenomen over het verhaal van nadeelcompensatie. Daardoor is verzekerd dat eventueel uit te betalen vergoedingen voor nadeelcompensatie niet voor rekening van het gemeentebestuur komen. 3.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Initiatiefnemer heeft in het kader van de voorbereidingen van de ontwikkeling van het Landgoed ’t Onthaesten een aantal malen overleg gevoerd met omwonenden. Dit betreft de bewoners en gebruikers van de adressen Van Haestrechtstraat 15a, 15b en 15d en Eikedijk 10/12, 16 en 21. Het overleg is voornamelijk gegaan over de voorgestelde inrichting van het landgoed en de daarbij behorende bebouwing, zoals deze mogelijk is gemaakt in het bestemmingsplan “Landgoed ’t Onthaesten, 1e herziening”, zoals deze op 16 mei 2024 door de gemeenteraad is vastgesteld. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft enkel het herstel van een administratieve vergissing is hersteld, zonder dat beoogde inrichting van het landgoed wordt gewijzigd.
Daarom wordt verwezen naar de omgevingsdialoog die in het verlenden is gevoerd. Uit de diallog is duidelijk geworden in de omgeving geen bestaan tegen de beoogde ontwikkeling.
7
TAM IMRO
bestemmingsplan TAM IMRO
Inhoudsopgave
Bijlagen bij motivering
3
Bijlagen Bijlage 1
Quick scan natuur
Bijlage 2
Aanvullend natuuronderzoek
Bijlage 3
Memo stikstof
Bijlage 4
AERIUS-berekening aanlegfase
Bijlage 5
AERIUS-berekening gebruiksfase
2
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM IMRO
Bijlagen bij motivering
Bijlagen bij motivering (vastgesteld)
3
Quickscan Natuur Landgoed ’t Onthaesten te Kaatsheuvel Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2025-0875
Datum:
23 juni 2025
Samensteller:
ir. N. Krijnen
Collegiale toets:
ing. M.M.G. Vincken
Opdrachtgever:
Van den Berg Ruimtelijke Ordening
Contactpersoon:
J. van den Berg
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud Samenvatting
4
1 Inleiding
5
1.1
Planlocatie
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
8
2 Methode
9
2.1
Uitvoering onderzoek
9
2.2
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Specifieke zorgplicht Soorten
15
3.3
Gebiedsbescherming
16
3.4
Houtopstanden
18
3.5
Natuurinclusiviteit
19
4 Conclusie en vervolg
20
4.1
Conclusie
20
4.2
Effecten
20
4.3
Vervolgstappen
20
4.4
Maatregelen
20
Samenvatting Aan de Van Haestrechtstraat en de Eikendijk te Kaatsheuvel is een gebied gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om hier een nieuw landgoed te ontwikkelen, genaamd ’t Onthaesten’. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep Planten Grondgebonden zoogdieren Kleine marterachtigen Vleermuizen
Bescherming
Mogelijke functie
Vervolgstap (H4.3)
HR
Verblijfplaats
Aanvullend onderzoek
HR
Leefgebied
Aanvullend onderzoek
Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Teunisbloempijlstaart Vogels (jaarrond beschermd) Vogels (algemeen en cat. 5) Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Vervolgstap (H4.3)
Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groeneblauwe waarden
520 m 0m 500 m
Stikstof Geen Geen
Stikstofonderzoek n.v.t. n.v.t.
Zorgplicht
Effecten
Maatregel (H4.4)
Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Ja Ja Nee Nee
Algemene maatregelen Specifieke maatregelen n.v.t. n.v.t.
4
1 Inleiding Aan de Van Haestrechtstraat en de Eikendijk te Kaatsheuvel is een gebied gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om hier een nieuw landgoed te ontwikkelen, genaamd ’t Onthaesten’. De plannen omvatten onder meer de aanleg van nieuwe natuur, de realisatie van openbare wandelpaden en de bouw van twee woongebouwen, elk met maximaal twee bijgebouwen per woning. Voor het vigerende plan is het omgevingsplan gewijzigd en op 16 mei 2024 vastgesteld. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Berg Ruimtelijke Ordening begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art. 4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Van Haestrechtstraat en de Eikendijk.
5
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Van Haestrechtstraat en de Eikendijk (figuur 1.2). Het plangebied omvat een terrein van ruim 10 hectare dat momenteel wordt gebruikt als paardenhouderij. In figuur 1.3, 1.4 en bijlage 1 zijn enkele foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Van Haestrechtstraat en de Eikendijk. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een landelijke omgeving met weilanden. Het plangebied ligt binnen een groter groengebied dat fungeert als bufferzone tussen de Loonse en Drunense Duinen en de kernen van Kaatsheuvel en Waalwijk. Bebouwing in de omgeving bestaat uit boerderijen en woningen. Rondom de planlocatie staan enkele bomenrijen. Ten noorden van het plangebied ligt een bos, met daarachter een aantal voetbalvelden. Ten zuiden van de planlocatie bevinden zich een vakantiepark en een manege. Ten westen van het gebied op een afstand van circa 200 m ligt de N261. De dichtstbijzijnde rivier is de Bersche Maas op een afstand van circa 5,5 km ten noorden van de planlocatie.
6
Figuur 1.3 De planlocatie is een weiland van ruim 10 hectare dat momenteel wordt gebruikt als paardenhouderij.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de Eikendijk grenzend aan de westzijde van de planlocatie.
7
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de ontwikkeling van een nieuw landgoed genaamd ’t Onthaesten. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: www.planviewer.nl).
8
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot natuurwet- en regelgeving. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten, gebieden en houtopstanden. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 juni 2025 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers en ir. N. Krijnen. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 8/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden.
De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 17 juni 2025. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.
2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de voorgenomen ingreep zoals deze door de initiatiefnemer is geformuleerd en de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van drie jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen (Omgevingsregeling artikel 7.197j lid 2b).
9
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2020-2025). De planlocatie is een weiland van ruim 10 hectare dat momenteel wordt gebruikt als paardenhouderij. Rondom de planlocatie staan enkele bomenrijen en ten noorden van de planlocatie bevindt zich een bos. Ter plaatse van de planlocatie is vooral sprake van inheemse planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: basterdwederik, boskruiskruid, eenstijlige meidoorn, esdoorn, gewone braam, gewone brunel, gewone vogelkers, gewoon reukgras, grote brandnetel, grote kattenstaart, harig wilgenroosje, knotwilg, kruipende boterbloem, moerasrolklaver, paardenbloem, pulpkruid, rechte ganzerik, ridderzuring, rus spec., tamme kastanje, voederwikke, wilde liguster, witte klaver, zomereik, zoete kers en zwarte els.
Verder is de bolderik waargenomen. Deze soort staat als kwetsbare soort op de Rode lijst van beschermde plantensoorten. Een nadere toelichting op de implicaties met betrekking tot deze soort is opgenomen in paragraaf 3.2 Specifieke zorgplicht Soorten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis en vos (NDFF 2020-2025). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, das en rode eekhoorn. Het plangebied bestaat uit een grasveld. Tijdens een veldbezoek zijn geen sporen of tekenen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van boommarter, bunzing, das of rode eekhoorn, zoals uitwerpselen, prooiresten, burchten, holen of andere verblijfplaatsen. Nabij het grasveld bevindt zich een klein bosgebied. De boommarter en rode eekhoorn zijn primair gebonden aan bomenrijke habitats, zoals het bosgebied en zullen het open grasveld mogelijk incidenteel doorkruisen, maar zullen dit niet gebruiken als functioneel leefgebied. De bunzing geeft de voorkeur aan kleinschalige landschappen met veel lineaire landschapselementen zoals houtwallen, sloten en greppels met dekking.
Bunzingen maken gebruik van bestaande holen, takkenhopen of menselijke structuren zoals schuurtjes voor dagrust. Ook foerageren zij in dergelijke gevarieerde omgevingen met voldoende dekking (BIJ12 Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn – Wezel, 2024). Op het grasveld bevindt zich struweel wat dekking kan bieden aan marterachtigen, zoals de bunzing, waardoor het gebied geschikt is als foerageergebied (figuur 3.1). Mogelijk bevinden zich onder dit struweel tevens holen. Verder biedt het grasveld zelf ook voldoende dekking om als leefgebied te functioneren, vanwege de hoogte van het gras. Aanvullend onderzoek is nodig om dit nader te beoordelen (zie H4.3).
10
Figuur 3.1 Struweel wat dekking kan bieden aan marterachtigen. De das komt vooral voor in kleinschalige cultuurlandschappen met een mix van open graslanden en besloten bosjes of houtwallen. Essentieel voor de das is een goed vergraafbare bodem (voor het graven van burchten), een rijk voedselaanbod (zoals regenwormen) en voldoende rust en dekking (Kennisdocument Das (Meles meles), 2017). Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de das, vanwege de aanwezigheid van bos in de nabije omgeving, de Loonse en Drunense Duinen en omliggende weidegronden. In het plangebied zijn echter geen burchten of sporen van de das aangetroffen, waardoor aanwezigheid van verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Het grasveld kan op dit moment dus wel als foerageergebied voor de das fungeren. Momenteel is het gras op het grasveld relatief hoog, terwijl dassen de voorkeur geven aan korter bemest gras om te foerageren. Bij de aanleg van het landgoed is voorzien dat een groot deel van de weilanden behouden blijft en aanvullende ontwikkeling van nieuwe natuur plaatsvindt, zowel droge als natte habitats. Deze maatregelen dragen bij aan de ontwikkeling van een geschikter foerageergebied voor de das. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van verlies van een essentiële functie op de planlocatie voor de das.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2020-2025). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de specifieke zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.4). In de bomen nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Dit geldt ook voor de knotwilgen die gekapt dienen te worden voor het aanleggen van een 11
privéweg. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt geen bebouwing aangetast. Daardoor kan worden uitgesloten dat vleermuisverblijfplaatsen worden aangetast. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuisverblijfplaatsen worden aangetast, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het grasveld waarop de bedrijfswoning wordt gerealiseerd, zou mogelijk als foerageergebied kunnen dienen. Ten noordoosten van de locatie bevinden zich echter ook andere grasvelden die als alternatief foerageergebied kunnen dienen. Bovendien wordt bij de beoogde ruimtelijke ingreep nieuwe natuur ontwikkeld, wat het gebied potentieel zelfs geschikter maakt voor vleermuizen. Daardoor kan aantasting van een essentieel foerageergebied worden uitgesloten. De bomenrijen in de omgeving zouden gebruikt kunnen worden als vliegroute. De bomenrij van knotwilgen die de scheiding vormen tussen het plangebied en de weg ten westen van het plangebied zouden gebruikt kunnen worden als vliegroute. Voor de aanleg van een privéweg zullen enkele knotwilgen uit deze rij worden verwijderd. Dit heeft echter geen wezenlijke invloed op de ecologische functie van het gebied.
Aan de overzijde van de weg bevindt zich een aaneengesloten bomenrij van zomereiken, die eveneens als vliegroute kan dienen. Bovendien worden binnen het nieuwe landgoedplan meerdere nieuwe bomenrijen aangeplant. Daarmee wordt niet alleen de landschappelijke structuur hersteld, maar ook het netwerk van lijnvormige elementen versterkt. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF 2020-2025). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander en rugstreeppad. De kamsalamander is waargenomen in vijvers binnen het park ‘Plantloon’, op ongeveer 1,9 kilometer afstand van de planlocatie (NDFF 2020-2025). Gezien deze aanzienlijke afstand en het feit dat de soort uitsluitend in twee specifieke vijvers is vastgesteld, wordt de aanwezigheid van de kamsalamander op de planlocatie niet verwacht. Daarnaast is er geen geschikt voortplantingswater aanwezig op de planlocatie. Aantasting van de soort kan daarmee worden uitgesloten. De rugstreeppad is waargenomen bij de Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen, en bij de Kaatsheuvelse ijsbaan op een afstand van circa 800 meter van de planlocatie (NDFF 2020-2025).
De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in gebieden met vergraafbare grond, meestal gaat hier de voorkeur naar zandgronden. De soort komt vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals duingebieden, open heideterreinen, braakliggende bouwterreinen en zandafgravingen. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op. Bij voorkeur is er geen of beperkt vegetatie aanwezig en is er geen concurrentie van andere amfibieën (Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita), 2017). De rugstreeppad is op relatief korte afstand van de planlocatie waargenomen. Vanwege voorgenoemde vormt het grasveld nu geen geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Tijdens de werkzaamheden kunnen echter omstandigheden ontstaan die geschikt zijn voor de rugstreeppad. Bijvoorbeeld als er door graafwerkzaamheden ondiepe poelen ontstaan en er vergraafbaar zand wordt opgebracht. Om het doden of verwonden van individuen tijdens de werkzaamheden te voorkomen, alsmede overtreding van het vigerend beleid, dienen maatregelen getroffen te worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtredingen als mede negatieve effecten op amfibieën mits de maatregelen zoals aangegeven in H4.4 in acht worden genomen.
12
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de levendbarende hagedis (NDFF 20202025). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De levendbarende hagedis is waargenomen bij de Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen op een afstand van circa 1,4 km van de planlocatie (NDFF 2020-2025). De levendbarende hagedis komt voor in struwelen, bossen, halfnatuurlijke graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in duinen. Het habitattype heide en hoogveen genieten echter de voorkeur (Kennisdocument Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara), 2017). Op de planlocatie ontbreken geschikte structuren voor deze soort om te zonnen. Daarnaast vindt er regelmatig verstoring plaats, bijvoorbeeld door wintermaaiwerkzaamheden. Hierdoor kan de aanwezigheid van de levendbarende hagedis op de planlocatie worden uitgesloten. Bovendien wordt bij de beoogde ruimtelijke ingreep nieuwe natuur ontwikkeld, wat het gebied potentieel zelfs geschikter maakt voor reptielen. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20202025). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater.
Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, teunisbloempijlstaart en vermiljoenkever (NDFF 2020-2025). De vermiljoenkever leeft vooral in vochtige bossen, houtwallen en lanen met recent afgestorven bomen of dikke takken, bij voorkeur van populier. Zowel de larve als de kever verblijven langdurig achter de schors van vers dood hout. Op de planlocatie ontbreken populieren en dood hout van andere boomsoorten, waardoor geschikt leefgebied ontbreekt en de aanwezigheid van de vermiljoenkever uitgesloten kan worden. De grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder worden regelmatig waargenomen in bosrijke omgevingen en langs bosranden. Het habitat van deze soorten kan vochtig tot vrij droog zijn. De waardplanten bestaan uit verscheidende wilgensoorten (grote vos en grote weerschijnvlinder) en wilde kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) (De Vlinderstichting, 2023). Er zijn geen waardplanten van de kleine ijsvogelvlinder op de planlocatie waargenomen, waardoor de aanwezigheid van deze soort uitgesloten kan worden. De waardplanten van de grote weerschijnvlinder zijn de boswilg en grauwe wilg.
Deze zijn niet op de planlocatie waargenomen, waardoor de aanwezigheid van deze soort uitgesloten kan worden. Wilgensoorten zijn waardplanten van de grote vos. Aan de weg ten westen van de planlocatie staat een bomenrij van knotwilgen waarvan enkelen verwijderd zullen worden ten behoeve van een privéweg. De grote vos plant zich voort in hoge, vaak vrij staande wilgensoorten. De knotwilgen aan de weg zijn relatief klein en staan dicht op elkaar. Deze knotwilgen zijn daarom geen geschikte waardplant van de grote vos. Derhalve kan de aanwezigheid van deze soort ook uitgesloten kan worden. De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Vaak zijn dit braakliggende of ruderale terreinen. De rupsen van de teunisbloempijlstaart leven voornamelijk van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. De soort vliegt van mei tot juni in één generatie. Rupsen zijn aanwezig van juni tot september. De overwintering vindt plaats als pop in de strooisellaag. Tijdens het veldbezoek zijn er waardplanten aangetroffen. Dit betreffen de basterdwederik, harig wilgenroosje en
13
grote kattenstaart. De aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart kan derhalve niet uitgesloten worden. Om de aanwezigheid te onderzoeken dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H4.3). Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, buizerd, houtduif, pimpelmees, vink en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20202025). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023).
Bij de voorgenomen werkzaamheden is geen sloop van bebouwing voorzien. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Bij de voorgenomen werkzaamheden is geen sloop van bebouwing voorzien. Hierdoor kan aantasting van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
Door de afwezigheid van bebouwing en bomen op de planlocatie kan de aanwezigheid van nestlocaties en vaste rustplaatsen van soorten die hierin broeden zoals buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil worden uitgesloten. Wel is het mogelijk dat de planlocatie functioneert als foerageergebied voor uilen en andere roofvogels. Binnen een straal van 100 meter zijn waarnemingen van de steenuil bekend (NDFF 2020–2025). Daarnaast is tijdens het veldbezoek een buizerd waargenomen. Beide soorten maken gebruik van open weilanden, zoals het plangebied, als foerageergebied. In de directe omgeving van de planlocatie zijn vergelijkbare weilanden en open agrarische structuren aanwezig. Bovendien wordt in het kader van de beoogde ruimtelijke ingreep nieuwe natuur ontwikkeld, waardoor het gebied ook na de ontwikkeling geschikt blijft als foerageergebied voor roofvogels. Het verlies van dit specifieke perceel leidt dan ook niet tot een significant verlies van functioneel leefgebied. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
14
Vogels - Algemene broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen op en rondom de planlocatie vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2020-2025) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten.
Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.
3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: boerenzwaluw, bolderik, huismus en steenuil (NDFF 2020-2025). Voor de boerenzwaluw en bolderik geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. De bolderik is op het grasveld waargenomen. Deze soort staat als kwetsbare soort op de Rode lijst van beschermde plantensoorten. De aanwezigheid van bolderik is ecologisch waardevol, maar de soort is in dit geval aangetroffen op een intensief gebruikt weiland dat als paardenhouderij in gebruik is. Door de huidige beheervorm is het gebied geen duurzaam leefgebied voor deze soort. Bij realisatie van het landgoed zal het beheer veranderen en wordt een deel van het gebied ingericht als nieuwe natuur, waarbij ook bloemrijke vegetatie kan worden gestimuleerd. Hiermee ontstaat potentieel juist ruimte voor een geschikter habitat voor bolderik en andere akker- of graslandsoorten. Het (tijdelijk) verdwijnen van de soort op deze locatie is daarom niet als significant negatief te beschouwen.
De boerenzwaluw is een typische boerenlandvogel. Deze soort foerageert boven weilanden, waterlichamen en landschapselementen, vaak in de nabijheid van vee omdat dit veel insecten aantrekt. Het nestelen gebeurt in (oude) veestallen, schuren, overkappingen en soortgelijke bebouwing. De zwaluwen bouwen hierbij zelf een (half)gesloten nestkom van modder, die zij in de directe omgeving verzamelen. Hoewel het open grasveld binnen het plangebied op zichzelf geschikt is als foerageergebied voor de boerenzwaluw, is er in de directe omgeving sprake van vergelijkbare weilanden en open agrarische structuren. Bovendien wordt in het kader van de beoogde ruimtelijke ingreep nieuwe natuur ontwikkeld, waardoor het gebied ook na de ontwikkeling geschikt blijft als foerageergebied. Het verlies van dit specifieke perceel leidt dan ook niet tot een significant verlies van functioneel leefgebied. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.
15
3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 520 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ (figuur 3.2).
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 520 m tot het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de ontwikkeling van een nieuw landgoed genaamd ’t Onthaesten’. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Gezien de geringe afstand (520 m) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren. Dit stikstofonderzoek is reeds in 2023 uitgevoerd, maar dient geactualiseerd te worden. Kaderrichtlijn water De planlocatie ligt niet in een Kaderrichtlijn water-lichaam.
KRW-toetsing is niet van toepassing.
16
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe waarden. De planlocatie ligt naast het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.3). Op een afstand van circa 500 m ligt de Groenblauwe waarden (figuur 3.4). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) een toetsingskader biedt. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de ontwikkeling van een nieuw landgoed genaamd ’t Onthaesten’. Het plangebied omvat momenteel ruim 10 hectare en is in gebruik als paardenhouderij. Binnen het plan wordt een transformatie voorzien naar een landgoed van gelijke omvang, waarvan minimaal 5 hectare wordt ingericht als nieuwe natuur. Daarnaast worden openbare wandelpaden gerealiseerd en blijven deels open weilanden behouden. De ontwikkeling omvat verder twee woongebouwen van maximaal 1500 m³, met maximaal twee woningen per gebouw, en per woning één bijgebouw van maximaal 100 m². Hoewel een deel van het huidige grasland verdwijnt, wordt dit ruimschoots gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Door deze inrichting neemt de ecologische waarde van het gebied toe en wordt juist een versterking van de aangrenzende natuurzone binnen het Natuurnetwerk Brabant verwacht.
Daarbij is het van belang dat de aanleg en inrichting van het landgoed op een natuurvriendelijke wijze plaatsvinden. Zo zullen werkzaamheden zoveel mogelijk kleinschalig en met lichte machines worden uitgevoerd om verstoring van de omgeving te beperken. Er zal geen verlichting worden toegepast die op het Natuurnetwerk Brabant schijnt, om duisternis en rust in het natuurgebied te waarborgen en een externe werking van de werkzaamheden op het Natuurnetwerk te voorkomen. Bovendien wordt direct aangrenzend aan het Natuurnetwerk Brabant natuur gerealiseerd, en niet de woningen. De woningen worden op een afstand van circa 50 meter van het NNB gesitueerd.
Figuur 3.1 De planlocatie ligt naast het Natuurnetwerk Brabant ro.nl/MapViewer/).
(bron: noord-brabant.tercera-
17
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot de Groenblauwe waarden (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl/MapViewer/).
3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer. Wel zullen enkele knotwilgen uit de bomenrij aan de westzijde van het plangebied – grenzend aan de weg – worden verwijderd ten behoeve van de aanleg van een privéweg. Het kappen van deze knotwilgen is niet meldingsplichtig, aangezien het een eenrijige beplanting van populieren of wilgen betreft die valt onder één van de volgende categorieën: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen, of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden (zie bijlage 2: Houtopstanden). Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
18
3.5 Natuurinclusiviteit Natuurinclusief bouwen speelt een steeds grotere rol bij het versterken van robuuste natuur in de bebouwde omgeving. Dit draagt niet alleen bij aan biodiversiteit, maar ook aan een aangename en klimaatadaptieve leefomgeving voor de mens. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld direct of indirect bijdragen aan het verminderen van hittestress en wateroverlast. Initiatiefnemers kunnen hieraan bijdragen door natuurinclusieve maatregelen te treffen. Momenteel zijn er geen wettelijke verplichtingen opgenomen in het landelijke Besluit bouwwerken leefomgeving. Binnen de beoogde ontwikkeling is er ruimte om natuur te bevorderen. Voor dit project worden de volgende maatregelen als meest effectief beschouwd: 1. Behoud en aanplant van inheems groen; 2. Plaatsen van insectenhotels; 3. Behouden of creëren van toegang tot gebouwen voor dieren, zoals vleermuizen en vogels; 4. Ophangen van nestkasten; 5. Aanleggen van onverharde of halfverharde paden; 6. Verbeteren of toevoegen van oppervlaktewater; en/of 7. Creëren van structuren en schuilplaatsen voor dieren. Een verdere uitwerking van deze maatregelen is te vinden in bijlage 5.
19
4 Conclusie en vervolg 4.1
Conclusie In de beoogde ruimtelijke ingreep, de ontwikkeling van een nieuw landgoed genaamd ’t Onthaesten’ aan de Van Haestrechtstraat en de Eikendijk te Kaatsheuvel wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de waardplanten op het grasveld een relevante functie hebben voor teunisbloempijlstaart. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden.
4.3 Vervolgstappen Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar teunisbloempijlstaart uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek naar de teunisbloempijlstaart kan uitgevoerd worden door in de periode begin juli – begin augustus op zoek te gaan naar rupsen én (vraatsignalen aan) waardplanten. Er moeten drie bezoeken worden gebracht: tweemaal in juli en eenmaal in de eerste helft van augustus, conform het onderzoeksprotocol vlinders en libellen (De Vlinderstichting, 2023). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) uitgevoerd te worden. Dit kan middels het plaatsen van inventarisatiemiddelen zoals wildcamera’s, struikrovers, marterboxen en/of sporenbuizen. De exacte invulling van deze inventarisatiemiddelen betreft maatwerk afhankelijk van de verwachte soorten, functies en oppervlakte. Het onderzoek dient gedurende 8 weken plaats te vinden in de (actieve) periode van kleine marterachtigen, namelijk van juni t/m half november, conform het Kennisdocument Kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden.
Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator.
4.4 Maatregelen Algemene zorgplicht Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
20
• Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de locatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 4.
21
Bronvermelding De Vlinderstichting. (2023). Onderzoeksprotocol vlinders en libellen. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2024) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) (2017) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub bij12.nl www.planviewer.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl noord-brabant.tercera-ro.nl/MapViewer/ ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wetten.overheid.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Fotografische impressie Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming Rugstreeppad Natuurinclusiviteit
22
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
Aanvullende fotografische weergave van het plangebied.
Figuur 2
Aanvullende fotografische weergave van het plangebied. 23
Bijlage 2
Juridische kaders
Zorgplicht De zorgplichten zijn in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht. Hierbij kan de specifieke zorgplicht verder opgedeeld worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor iedereen geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht, waarin wordt voorgeschreven dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (Ow art. 1.6). De Omgevingswet heeft als oogmerk bescherming en verbetering van het leefmilieu (Ow art. 1.3). Hiertoe worden de volgende onderdelen nagestreefd: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij activiteiten met nadelige gevolgen moeten maatregelen genomen worden om die gevolgen te voorkomen, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of de activiteit heroverwegen (Ow art. 1.7).
Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -
-
“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”
De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en tijdens veldbezoeken bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient
24
de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.