Bijlage 1. Nota Grondbeleid 2025
Tekst van het document
7.
Wettelijk kader
7.1.
Inleiding
Het gemeentelijk grondbeleid wordt vormgegeven binnen een wettelijk kader op Europees-, op Rijks- en provinciaal niveau. Maar het moet eveneens in overeenstemming zijn met de gemeentelijke verordeningen. De belangrijkste wettelijke kaders worden in dit hoofdstuk toegelicht.
7.2.
Grondbeleid en Europese regels
In geval van een samenwerking tussen de gemeente en een marktpartij bij een (gebieds)ontwikkeling moeten de Europese regels op het gebied van aanbesteding, staatssteun en mededinging in acht genomen worden. 7.2.1 Staatssteun Van staatssteun is sprake als de begunstigde onderneming een economisch voordeel ontvangt dat zij onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen. Als de begunstigde onderneming geen directe tegenprestatie hoeft te verlenen die opweegt tegen de prestatie van de overheid, kan sprake zijn van een voordeel. Ter voorkoming van een rechtstreeks economisch belang is van belang dat door marktpartijen een marktconforme grondprijs wordt betaald en dat de ontwikkeling van het vastgoed voor rekening en risico van de marktpartijen plaatsvindt. Dit speelt een rol bij m et name de verwerving en verkoop van gronden. Op basis van de Mededinging Staatssteun kan de gemeente voor kleine gevallen steun verlenen op grond van de De-minimisverordening (EU/2023/2831) tot een bedrag van € 300.000. 7.2.2 Aanbestedingswet Door de Europese Unie zijn richtlijnen vastgesteld voor het verstrekken van overheidsopdrachten. De implementatie hiervan heeft in Nederland plaatsgevonden in de Aanbestedingswet 2012 (gewijzigd per 1 juli 2016).
Het aanbestedingsrecht is van toepassing op publiekrechtelijke instellingen die voorgeschreven procedures in acht moeten nemen bij opdrachten boven een bepaald Nota Grondbeleid 2025 | 25
drempelbedrag (elke 2 jaar herzien). De actuele drempelbedragen staan op www.europadecentraal.nl. Dit kan ook gelden voor samenwerkingsverbanden waarin de gemeente participeert.
7.3.
Grondbeleid en landelijke regels
In deze paragraaf worden de meest relevante wetten en regels weergegeven. Naast deze directe invloed die het Rijk heeft op het instrumentarium van grondbeleid heeft het Rijk (en ook Europa) grote invloed op de doelen van grondbeleid. Denk aan voorschriften voor percentages huurwoningen, maar ook rekenmethoden voor stikstofdepositie. In deze paragraaf wordt ingegaan op de directe wettelijke invloed op het grondbeleid. 7.3.1 De Omgevingswet De Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De Omgevingswet biedt een basis voor meer participatie en maatwerk en ruimte om meer gebiedsgericht te werken. Onderdeel van de Omgevingswet zijn: Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie waarin door de gemeente de strategische hoofdkeuzes van beleid voor de fysieke leefomgeving zijn beschreven. Deze visie bevat een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgev ing, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied, en de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Omgevingsplan Iedere gemeente stelt één omgevingsplan voor haar hele grondgebied vast. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Binnen het omgevingsplan worden specifieke regels gesteld ten aanzien van het programma en het bijbehorende kostenverhaal. Investeringsprogramma omgevingsvisie In een investeringsprogramma kan het beleid uit de omgevingsvisie nader worden uitgewerkt. De gemeente heeft het grondbeleid en het beleid ten aanzien van het kostenverhaal op hoofdlijnen vastgelegd in de omgevingsvisie en kan dat verder uitwerken in een programma, dan wel omgevingsplan. 7.3.2 Wet open overheid (Woo) Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Voor situationeel grondbeleid zijn financiële afwegingen, overwegingen en zijn onderhandelingen voor de gemeente van groot belang. Om de onderhandelingspositie van de gemeente niet te ondermijnen zijn bijvoorbeeld ramingen en interne besprekingen en besluiten hierover vertrouwelijk en worden deze naar aanleiding van een Woo-verzoek niet openbaar gemaakt. 7.3.3 Wet op de vennootschapsbelasting Met ingang van 1 januari 2016 is de Wet op de vennootschapsbelasting van toepassing op overheidsondernemingen. Dit betekent dat op het moment dat de overheid optreedt als ondernemer, wat het geval is bij grondexploitaties, en daarbij structureel fiscale winst maakt, zij belastingplichtig kan zijn. De gemeente onderzoekt jaarlijks of zij redelijkerwijs winst verwacht door te kijken naar:
Nota Grondbeleid 2025 | 26
• •
Is er sprake van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid; Neemt deze deel aan het economisch verkeer; en
•
Met het oogmerk daarmee winst te behalen (winstoogmerk), welke winst ook redelijkerwijze te verwachten is.
7.3.4 BTW en overdrachtsbelasting Grond die door gemeente gekocht wordt zonder dat er een bouwplan aan ten grondslag ligt, valt in principe onder de overdrachtsbelasting. De gemeente is daarvan vrijgesteld. De aan- of verkoop van bouwgrond is belast met BTW. Van bouwgrond is sprake als het grond betreft die ‘kennelijk bestemd is om te worden bebouwd’. Verkoop van gemeentelijke bouwkavels vallen vanwege het bouwrijp maken van het gebied in de BTW. Voor iedere grondtransactie en grondexploitatie zullen de gevolgen voor de BTW of overdrachtsbelasting moeten worden afgewogen. 7.3.5 Wet markt en overheid De wet Markt en Overheid schrijft voor een aantal economische activiteiten gedragsregels voor, die een gelijk speelveld tussen overheid en ondernemingen beogen te creëren. De gemeente past de “beslisboom” en de vragenlijst, zoals opgenomen in de Handreiking Wet Markt en Overheid (juli 2012) toe om te bepalen of deze wet van toepassing is op activiteiten die voortvloeien uit deze nota. Dit betekent onder andere dat de gemeente voor de grondtransactie minimaal de integrale kostprijs moet rekenen voor de grond.
8.
Financiële aspecten
8.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de financiële verantwoording plaatsvindt ten aanzien van de gemeentelijke gronden in relatie tot de BBV.
8.2.
Grondexploitaties
8.2.1 Inleiding Indien de gemeente zelf (deels) eigenaar is van de ondergrond waarop zij een ruimtelijke ontwikkeling wenst te realiseren stelt zij een grondexploitatie op. Een grondexploitatie (afgekort: GREX) is een beschouwing van de kosten, de opbrengsten, de risico's en de factor tijd behorende bij een ruimtelijke ontwikkeling. De GREX is van belang voor het beoordelen van de haalbaarheid van een project/ plan en voor risico- en budgetbeheersing. Voor grond in eigendom van de gemeente wordt onderscheid gemaakt tussen: • Bouwgrond in exploitatie (BIE). • Niet in exploitatie genomen grond (NIEGG). Grond kan pas als BIE worden geclassificeerd als er concrete plannen aan ten grondslag liggen, vaak in de vorm van een omgevingsplan. Voor deze plannen maakt de gemeente kosten en worden opbrengsten gerealiseerd en wordt een grondexploitatie opgesteld.
Nota Grondbeleid 2025 | 27
Voor de niet in exploitatie genomen grond heeft de gemeenteraad geen grondexploitatie vastgesteld. Het gaat hierbij enerzijds om gronden waarop wel plannen zijn voorzien maar die zijn nog niet concreet of anderzijds om agrarisch blijvende gronden. 8.2.2 Bouwgrond in exploitatie (BIE) Die gronden in eigendom van de gemeente waarvoor door de gemeenteraad een grondexploitatiecomplex met een grondexploitatiebegroting is vastgesteld behoren hiertoe. De kosten en opbrengsten van de grondexploitaties worden opgenomen in een exploitatieopzet. Deze opzet houdt rekening met de ontwikkeling van kosten en opbrengsten en de fasering van de kosten en opbrengsten in de tijd. De grondexploitaties worden (ten minste) jaarlijks herzien. Grondexploitaties moeten voldoen aan de “Notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken 2023” van de commissie BBV. Dit houdt in dat: • Grondexploitaties enkel kosten- en opbrengstsoorten en elementen bevatten die op de kostensoortenlijst onder de Omgevingswet staan, zoals: o Verwerving o Tijdelijk beheer o Civiele kosten en groenaanleg (bouw- en woonrijp maken) o Planontwikkelingskosten o Overige kosten o Grondopbrengsten en overige opbrengsten (subsidies en bijdragen) o Rente en kosten- en opbrengstenstijging. • De looptijd van een grondexploitatie in beginsel maximaal 10 jaar is. • Alle grondexploitaties (ten minste) jaarlijks herzien worden.
• Voor grondexploitaties met een geraamd negatief saldo een voorziening wordt getroffen ter hoogte van het saldo. • Voor grondexploitaties met een positief resultaat en een duur van 10 jaar of minder tussentijds winst wordt genomen op basis van Percentage Of Completion (POC)methode conform de regels van het BBV. Indien nodig past de gemeente jaarlijks de parameters rente en inflatie aan, om zo exploitaties te actualiseren. Ramingen worden vergeleken met werkelijke kosten en opbrengsten uit het voorgaande jaar en waar nodig op basis hiervan geactualiseerd. Het startpunt van een BIE is het raadsbesluit met de vaststelling van het grondexploitatiecomplex, inclusief de grondexploitatiebegrotng. Vanaf dat moment wordt de BIE geopend en kunnen kosten geactiveerd en bijgeschreven worden op de voorraadpositie op de balans. De benodigde grond wordt uit de voorraad niet in exploitatie genomen gronden gehaald en tegen boekwaarde overgeboekt naar de BIE. De BIE’s worden gewaardeerd per grondexploitatie en tegen de vervaardigingsprijs. Alle grondexploitaties worden jaarlijks geactualiseerd. Grondexploitaties waarvan tussentijds het (bouw)programma wijzigt en/ of de eindwaarde als gevolg van één of meerdere factoren toe- of afneemt met > € 100.000 worden opnieuw aan de raad aangeboden. Alle grondexploitaties tezamen vormen een portefeuille.
De portefeuille geeft, samen met de private ontwikkelingen, inzicht in de programmering, waarbij het aanbod wordt afgezet tegen de behoefte.
Nota Grondbeleid 2025 | 28
Binnen een grondexploitatie stuurt de gemeente op kasstromen en probeert uitgaven en inkomsten zo goed mogelijk te matchen. Grondexploitaties vragen om voorinvesteringen. De kosten gaan uit voor de baat (badkuip). Hieronder is een schematisch verloop van een gemiddelde grondexploitatie weergegeven:
100 o.a. grondverkoop
50 0 -50
-100
o.a. verwervingen,
-150
planprocedure,
Badkuip
-200 kosten
opbrengsten
plankosten, bouwen woonrijpmaken,
saldo
rentelasten
Beleidsuitgangspunt grondexploitaties • Grondexploitaties worden minimaal één keer per jaar geactualiseerd en conform de paragraaf grondbeleid (onderdeel van de jaarrekening en begroting) aan de raad ter informatie aangeboden en vastgesteld. • Ten aanzien van de besluitvorming over grondexploitaties die betrekking hebben op: o nieuwe plannen; of o plannen die (tussentijds) substantieel worden gewijzigd. Hiervan is sprake bij een tussentijdse wijziging van het (bouw)programma en/ of een wijziging van de eindwaarde van > 100.000. wordt aangesloten bij de besluitvormingsprocedure tot ruimtelijke plannen/ wordt een voorstel tot vaststelling van de (geactualiseerde) GREX aan de raad voorgelegd.
8.2.3 Niet in exploitatie genomen gronden Gronden die (nog) niet in exploitatie zijn genomen worden als Materiële Vaste Activa (MVA) opgenomen op de balans. Binnen deze gronden is er vervolgens nog een onderscheid in blijvend agrarische grond en overige. Voor de agrarisch blijvende grond zijn geen plannen voor exploitatie. Deze gronden worden dan tegen maximaal de (agrarische) marktwaarde gewaardeerd. Voor strategisch aangekochte gronden geldt dat deze tegen de aankoopprijs als MVA op de balans worden opgenomen. Vanwege gewijzigde richtlijnen van de Commissie Besluit Begroting en Verantwoording worden sinds 2016 geen kosten meer geactiveerd met betrekking tot de gronden die niet in exploitatie zijn. Dit heeft als effect dat de boekwaardes niet meer oplopen, waardoor de risico’s op de voorraden gronden wordt beperkt. Dit betekent wel dat dergelijke kosten sindsdien ten laste worden gebracht van een budget (in de begroting). 8.2.4 Faciliterende projecten Naast bovenstaande gronden waarvan de gemeente eigenaar is wordt op basis van faciliterend grondbeleid kostenverhaal toegepast. Hierbij wordt in een aantal gevallen een
Nota Grondbeleid 2025 | 29
financiële bijdrage gevraagd (zoals nader uitgewerkt in paragraaf 3.5 van deze nota) op het moment dat op gronden van derden een initiatief wordt gerealiseerd in de zin van de Omgevingswet waarop de kostenverhaalsregels van toepassing zijn. De gemeente streeft ernaar dat op basis van het kostenverhaal de gemeentelijke investeringen budgetneutraal op eindwaarde worden gerealiseerd. 8.2.5 Activeren van plankosten en voorstudiebudget De gemeente Loon op Zand beschikt over een reserve planherziening voor gebiedsontwikkelingen. Dit budget kan gebruikt worden op het moment dat: • er sprake is van een mogelijk gewenste ruimtelijke ontwikkeling binnen de gemeente; •
waarvoor het benodigde beleidskader en/ of programma nog ontbreekt en/ of verder uitgewerkt dient te worden; of dat een lopend project gewijzigd moet worden op basis van nieuwe uitgangspunten; en dit niet gedekt is vanuit het huidige budget.
• •
Deze reserve kan dan ingezet worden om dit, in een korte periode, verder uit te werken richting een voorstel aan de raad op basis waarvan deze (plan)kosten vervolgens gedekt worden. Dit budget kan zowel gebruikt worden voor mogelijke eigen projecten als voor faciliterende projecten. Als er voor het einde van het boekjaar geen raadsbesluit is genomen of wanneer de ontwikkeling gedurende het boekjaar wordt gestopt, komen de gemaakte kosten ten laste van deze reserve. Beleidsuitgangspunt reserve planvoorziening voor gebiedsontwikkeling • Deze reserve wordt jaarlijks aangevuld tot minimaal € 100.000 bij het vaststellen van de begroting voor het volgende jaar, waarbij: o Indien op basis van de meerjarenbegroting blijkt dat zich de mogelijkheid voordoet dat behoefte is aan een hoger budget meer middelen aan de reserve toegevoegd kunnen worden en daarmee de reserve over een hoger budget beschikt; o Indien op basis van de meerjarenbegroting blijkt dat er de komende jaren geen behoefte is aan middelen dan wordt deze reserve voor het eerst volgende begrotingsjaar weer teruggebracht naar het minimum van € 100.000.
8.3.
Besluit Begroting en Verantwoording
8.3.1
Inleiding
Het BBV is een Algemene Maatregel van Bestuur die voortvloeit uit de Gemeentewet. Het BBV geeft specifieke verslaggevingsregels voor grondexploitaties. Dit betreft met name de waardering van de gronden en grondexploitaties. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de gemeente Loon op Zand hiermee omgaat. 8.3.2
Winstneming
In de notitie Grondexploitatie (commissie BBV) is de tussentijdse winstneming uitgewerkt. Winstneming vindt plaats op basis van het voorzichtigheidsbeginsel, waarbij de Percentage Of Completion (POC) regel wordt toegepast. Winst wordt pas genomen als er voldoende
Nota Grondbeleid 2025 | 30
zekerheid over de grondexploitatie bestaat, waarbij deze op basis van eindwaarde wordt genomen. Hiervoor geldt dat: • de resterende looptijd van de grondexploitatie is 10 jaar of minder; én • het resultaat op de grondexploitatie betrouwbaar kan worden ingeschat; én • de grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht; én • de kosten zijn gerealiseerd (winst wordt naar rato van de realisatie genomen). Bij de herziening van de grondexploitaties actualiseert de gemeente de (tussentijdse) winstneming. De tussentijdse winstnemingen wordt in de algemene reserve (ABR) gestort. De POC methode geldt alleen voor de eigen grondexploitaties waarbij deze wordt bepaald conform de notitie Grondexploitatie. Deze methode geldt niet voor het faciliterend grondbeleid omdat hier in beginsel sprake is van kostenverhaal. 8.3.3
Verlies en disconteringsvoet
Bij een verlieslatende exploitatie, treft de gemeente direct een voorziening ter hoogte van de contante waarde van het verwachte verlies. Zodra er dus een verlies wordt verwacht wordt dit afgedekt. De dekking komt ten laste van de reguliere exploitatiebegroting van het jaar of ten laste van de reserves. De disconteringsvoet wordt bepaald aan de hand van de voorschriften van de BBV en wordt gebruikt bij de doorrekening van de grondexploitaties. 8.3.4
Looptijd grondexploitaties
In principe hanteert de gemeente een looptijd van maximaal 10 jaar voor een grondexploitatie. De raad kan gemotiveerd besluiten om exploitaties aan te gaan met een langere looptijd. Exploitaties met een langere looptijd worden expliciet toegelicht in de begroting en jaarrekening, waarbij minimaal beschrijving van de motivatie van die langere looptijd en beheersmaatregelen om risico’s te beperken worden toegelicht. 8.3.5
Indexen
De gehanteerde indexen hebben een effect op de grondexploitaties. Deze indexen worden gebaseerd op toetsbare indexen die aansluiten bij het doel waarvoor ze worden toegepast. Rente De in de grondexploitaties toegepaste rente wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld op basis van de voorgeschreven methode in de BBV-notitie grondexploitaties. Kostenstijging De indexering is afhankelijk van de kostensoort en kan per jaar afwijken. De gehanteerde percentages worden jaarlijks in de paragraaf grondbeleid gerapporteerd. De gemeente maakt inzichtelijk hierbij waarop de indexering is gebaseerd. Opbrengstenstijging De indexering is afhankelijk van de opbrengstsoort en kan per jaar afwijken. De gehanteerde percentages worden jaarlijks in de paragraaf grondbeleid gerapporteerd. De gemeente maakt hierbij inzichtelijk waarop de indexering is gebaseerd. Wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen een aanleiding zijn om uitgangspunten hiervoor in de toekomst bij te stellen.
Nota Grondbeleid 2025 | 31
8.3.6
Risicomanagement
Bij het voeren van project- en grondexploitaties loopt de gemeente risico’s. In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze van monitoren, beheersen en verantwoorden. Het hele spectrum van risico’s, zoals financiële, juridische, maatschappelijke en politieke risico’s wordt daarbij meegenomen waarbij ook nog een onderscheid gemaakt wordt tussen: • Project specifieke risico’s •
Portefeuille risico’s
Risico’s worden gekwantificeerd door het bedrag van een gebeurtenis in te schatten en dat bedrag te vermenigvuldigen met de kans dat de gebeurtenis zich voordoet. Dit gebeurt als volgt:
Omschrijving risico: effect op eindwaarde GREX * kans in % = bedrag dat als risico wordt opgenomen
Op basis van de risicoanalyse krijgt de gemeente inzicht en kan ze kansen benutten om exploitaties te verbeteren. Risico’s worden apart gerapporteerd en niet verdisconteerd in de grondexploitatie. Jaarlijks vindt een inhoudelijke toelichting plaats op de voortgang van de projecten waarvoor een grondexploitatie wordt gevoerd. Dit vindt plaats bij de begroting. In de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd over de gerealiseerde voortgang. Via de algemene reserve worden onvoorziene risico’s opgevangen. Onttrekkingen vinden plaats voor verlieslatende grondexploitaties en stortingen vanuit gerealiseerde winsten in de grondexploitaties. 8.3.7
Reserves en voorzieningen
Voor de grondexploitaties wordt geen aparte reserve en verliesvoorziening aangehouden. Een verslechtering en/ of verbetering van het resultaat wordt verrekend binnen de algemene reserve en daarbinnen wordt de eventuele voorziening getroffen. Ten behoeve van mogelijke plannen kent de gemeente een reserve planherziening. 8.3.8
Weerstandsvermogen
De risico’s zijn niet opgenomen in de grondexploitatie en bepalen daarmee de hoogte van de benodigde weerstandscapaciteit. De daadwerkelijke aanwezige weerstandscapaciteit geeft de mate aan waarin de gemeente in staat is middelen vrij te maken om de benoem de en gekwantificeerde tegenvallers binnen (grond)exploitaties op te vangen. Binnen de gemeente wordt het benodigde en beschikbare weerstandsniveau op gemeenteniveau bepaald. De risico-inschatting ten aanzien van de grondexploitaties is hier een onderdeel van. Ten aanzien van de bepaling hiervan en de toelichting hierop wordt hiernaar verwezen.
Nota Grondbeleid 2025 | 32
9.
Besluitvorming en vervolg
9.1.
Rolverdeling college van B&W en gemeenteraad
Een slagvaardig grondbeleid vereist heldere afspraken tussen raad, college en ambtelijk apparaat. Bij de vertaling van de algemeen geformuleerde taken en bevoegdheden worden in het kader van het grondbeleid de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De gemeente moet slagvaardig kunnen optreden; • De gemeenteraad moet op hoofdlijnen sturing geven aan grondzaken vanwege haar kaderstellende en controlerende taak; • De besluitvormingsprocedures moeten helder zijn; • De uitvoering van het grondbeleid moet transparant zijn; • Verantwoording vindt correct, volledig en tijdig plaats. In het kader van de Wet dualisering gemeentebestuur en de herziene Gemeentewet (artikel 160 lid 1 sub e) is het college van B&W bevoegd tot het besluiten over en verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, waaronder dus het aan- en verkopen van onroerend goed. Twee keer per jaar wordt, met inachtneming van de regels zoals gedefinieerd in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten, in de paragraaf grondbeleid als onderdeel van de begroting en de jaarrekening verantwoording afgelegd ten aanzien van de realisatie van de door de gemeenteraad in de programmabegroting vastgestelde beleidsvoornemens. Voor de uitvoering van het grondbeleid is de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders als volgt: Onderwerp
Gemeenteraad
Nota Grondbeleid
Vaststellen nota grondbeleid. Controleren uitvoering (paragraaf grondbeleid 2 keer per jaar)
Verwerving
Instellen en aanvullen van een reserve strategische verwervingen. Beschikbaar stellen van budget
College
voor het exploiteren van strategische verwervingen.
Toepassen grondbeleid. Verantwoording afleggen over uitvoering via paragraaf grondbeleid Verwerven van strategische gronden t/m € 1 mln per transactie, voor zover dit betrekking heeft op gronden die niet onder het
Instemmen met strategische verwervingen van meer dan € 1 mln per transactie.
voorkeursrecht vallen. Het sluiten van een koopovereenkomst met als ontbindende voorwaarde voor instemming raad dan wel het sluiten van een optie tot koop bij strategische grondaankopen boven € 1 mln.
Voorkeursrechten
Bestendigen van voorkeursrecht.
Onteigening
Nemen onteigeningsbeschikking.
Planmatig verwerven. Voor vestigen van voorkeursrecht.
Nota Grondbeleid 2025 | 33
Grondexploitaties
Openen/ sluiten grondexploitatie. (Minimaal jaarlijks) vaststellen/ herzien grondexploitaties al dan niet met planinhoudelijke
Uitvoeren van grondexploitaties en het afronden van afgesloten grondexploitaties.
wijzigingen en/ of materiele financiële consequenties. Gronduitgifte
(Grond)prijzen
Kostenverhaal
Vaststellen projectkrediet. Vaststellen beleidskaders voor gronduitgifte als onderdeel van deze nota.
Vaststellen kaders voor gronduitgifte en verkoopvoorwaarden voor verkoop/ uitgifte. Bepalen keuze en uitvoering selectieproces. Sluiten overeenkomsten.
Vaststellen kaders voor
Vaststellen Grondprijzenbrief,
(grond)prijzen als onderdeel van deze nota.
grondprijzen, pachtprijzen, zakelijk recht en prijzen voor huur en bruikleen. Sluiten anterieure en of
Vaststellen nota kostenverhaal en financiële bijdragen.
Samenwerking met derden
posterieure overeenkomsten en het in rekening brengen van exploitatiebijdragen binnen de kaders van de nota kostenverhaal en financiële bijdragen en nota grondbeleid. Aangaan samenwerkingsovereenkomst , oprichten en/ of deelnemen in een privaatrechtelijk rechtspersoon.
9.2.
Actueel houden Nota Grondbeleid
Regelgeving en beleid zijn aan verandering onderhevig. Jurisprudentie, politiek en maatschappelijke opvattingen hebben impact op de voorwaarden en wijze waarop het instrumentarium ingezet kan worden. Dit kan effect hebben op het te voeren grondbeleid. Indien noodzakelijk worden wijzigingen doorgevoerd of een nieuwe Nota Grondbeleid opgesteld. Deze nota vervangt de Nota grondbeleid 2017 zoals vastgesteld op 21 december 2017 die hierbij is ingetrokken. 2
2Deze nota is opgesteld gebruik makend
van verschillende bronnen waaronder GrondGidsen, Metaf oor, Urban Reality en Waarde & Vast en diverse gemeentelijke nota’s Nota Grondbeleid 2025 | 34