30-03-2023 Bijlage 4. Bijlagen toelichting bestemmingsplan Duiksehoef 8 en 8a.pdf
Tekst van het document
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BIJLAGE 1 MEMO NOODZAAK OMZETTEN BEDRIJFSWONING NAAR BURGERWONING
Memo Aan: Van: Cc: Onderwerp: Datum:
Gemeente Loon op Zand, dhr. W. van Veghel Beerens Advies, Frenkel Beerens Noodzaak bedrijfswoning bij groepsaccommodatie Duiksehoef 8 Mei 2021 / augustus 2022
Geachte heer / mevrouw, De gemeente heeft de vraag gesteld waarom er geen noodzaak is om bij het bedrijf (Groepsaccommodatie Duikse Hoef) te wonen (in een bedrijfswoning). Hierbij wordt een vergelijk gemaakt met bv. een camping. Ook al ontbreekt de noodzaak, dan kan 24 uurs aanwezigheid van een beheerder wel wenselijk zijn, zo wordt gesteld. In deze memo zet ik uiteen waarom een bedrijfswoning niet noodzakelijk en vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet wenselijk / haalbaar is. a.
Geschiedenis groepsaccommodatie Duikse Hoef
In de jaren zestig is toenmalig eigenaar en agrarisch ondernemer gestart met een groepsaccommodatie naast zijn agrarische bedrijf (nevenactiviteit). De bebouwing op het perceel, met uitzondering van de receptie, de nostalgische hooimijt en de thans als bedrijfswoning bestemde woning, komen voort uit het agrarisch gebruik van het perceel. De boerderij vormde het oorspronkelijke woonhuis van het agrarisch bedrijf. Eigenlijk vergelijkbaar met andere agrarische bedrijven die in de loop der jaren nevenactiviteiten zijn gaan ontplooien. Eind jaren zeventig is de groepsaccommodatie Duikse Hoef verkocht aan een derden. De nieuwe eigenaar woonde elders en had (elders) een bouwbedrijf. De nieuwe eigenaar ging de groepsaccommodatie als nevenactiviteit voortzetten. De agrarische activiteiten zijn rondom de eigendomswissel beëindigd. In de jaren ’80 maakt de groepsaccommodatie een grote groei door. De exploitatie richt zich volledig op het bieden van groepsaccommodaties voor mensen met een beperking. Instellingen uit het hele land maken gebruik van de accommodatie. Deze groepen hebben ieder een eigen begeleidingsteam en de eigenaar was telefonisch bereikbaar en in de gelegenheid om binnen afzienbare termijn op locatie te zijn. De aanwezige bedrijfsbebouwing wordt in de jaren tachtig getransformeerd t.b.v. de groepsaccommodatie en eind jaren 80 is de Hooimijt gerealiseerd.
Ook de woonboerderij werd verbouwd en bij de activiteiten van de groepsaccommodatie betrokken. Met het betrekken van de woonboerderij (de agrarische bedrijfswoning) bij de groepsaccommodatie is mogelijk gebleken (eind jaren tachtig) om elders op het perceel een nieuwe bedrijfswoning te realiseren (al was die voor de exploitatie niet strikt noodzakelijk). De bedrijfswoning (8A) is in eigen beheer gebouwd, eigenaar heeft hier tien jaar over gedaan. Pas sinds het begin van deze eeuw is de woning bewoond (2001). De groepsaccommodatie Duikse Hoef heeft daarmee vanaf de eind jaren zeventig tot aan 2001, ruim 20 jaar kunnen bestaan zonder een bedrijfswoning en zonder dat er een beheerder aanwezig was op het terrein. Kort nadat gestart werd met de bouw van de bedrijfswoning (jaren negentig) doet zich een enorme verandering voor die van invloed is op de exploitatie. Door veranderingen in wet- en regelgeving rondom het bieden van verblijfsaccommodaties aan mensen met een beperking, dient er fors te worden geïnvesteerd in de bestaande accommodaties. De middelen hiervoor ontbraken en/of waren niet beschikbaar. Hierdoor is de Duikse Hoef haar
1
primaire doelgroep kwijtgeraakt. Om een nieuwe doelgroep aan te kunnen spreken is het plan gemaakt om op het terrein enkele kleinere chalets/bungalows te realiseren. Hiermee zou men voor de exploitatie niet langer afhankelijk zijn van grote groepen. De gemeente Loon op Zand wilde destijds niet meewerken aan het plan. Vanaf het moment van wegvallen van deze doelgroep is het financieel resultaat van de exploitatie een stuk lager. Een volwaardig DGA inkomen is niet haalbaar gebleken. Dat was voor de eigenaar ook niet nodig, hij had immers nog een ander bedrijf dat zijn hoofdactiviteit betrof. De activiteiten van een groepsaccommodatie vinden hoofdzakelijk plaats in de weekenden en de vakantie. Dus dat is ook nog eens goed om te combineren. Kijkend naar de jaarresultaten dan is de omzet vanaf 2010 t/m 2018 zo’n €80.000 per jaar (daar moeten de kosten nog vanaf: rente/afschrijving, onderhoud/beheer, energielasten, exploitatiekosten). In 2019 was de omzet €40.000 en in 2020 – mede als gevolg van COVID-19 – is er geen omzet gemaakt. 2021 kenmerkt zich evenaals 2020 als een “coronajaar”. In 2022 zijn de maatregelen rondom Corona verder afgeschaald, zodat eind 2022 zicht is op een ‘regulier’ jaar. Doordat het eigendom al sinds de jaren zeventig bij de eigenaar berust is het mogelijk gebleken de accommodatie als nevenactiviteit in stand te laten.
In februari 2020 is de eigenaar overleden en de erfgename – woonachtig in Heemstede – belast met de afhandeling van de erfenis, waaronder begrepen de verkoop van de Groepsaccommodatie en bedrijfswoning. Tot aan de verkoop exploiteert de erfgename de groepsaccommodatie (exploitatievergunning staat op zijn naam). Nadat de maatregelen rondom COVID zijn komen te vervallen is er weer sprake van regelmatige verhuur. Actuele cijfers zijn niet voorhanden. Deze worden in 2023 voor het eerst verwacht. Erfgename heeft niet tot doel om de groepsaccommodatie als eigenaar voort te zetten, maar wil het graag verkopen aan iemand die met respect omgaat met hetgeen hier in de afgelopen zestig jaar is opgebouwd. b. Huidige situatie Het perceel incl. bedrijfswoning is 3 hectare groot. Het perceel van de bedrijfswoning is ca. 1.900m2. De verblijfsaccommodaties staan geconcentreerd op het voorste deel van het naastgelegen perceel. De percelen zijn van elkaar gescheiden door volgroeide groene erfafscheidingen. De bedrijfswoning en het terrein van de groepsaccommodatie hebben ieder een eigen afsluitbare toegangspoort.
2
De groepsaccommodatie Duiksehoef bestaat uit de volgende accommodaties. - Een boerderij – max. 40 personen - Nostalgische hooimijt – max. 32 personen - Comfortabele schaapskooi – max. 30 personen - Veldschuur 2 – max. 20 personen - Veldschuur 3 – max. 20 personen In de Veldschuur is nog een derde ruimte aanwezig die niet verhuurd wordt. Daarnaast is er een receptie aanwezig bij de poort. Het hele terrein is afsluitbaar. De verschillende accommodaties zijn volledig zelfvoorzienend en beschikken over alle benodigde faciliteiten om met familie, bedrijf of andere groepen te verblijven. Naast voldoende sanitaire voorzieningen en slaapvertrekken, is per accommodatie voorzien in een grote keuken, bar en leefgedeelte. De accommodaties zijn sober ingericht en doen enigszins gedateerd aan. De Hooimijt vormt hierop een positieve uitzondering. Het onderscheidende karakter van het bedrijf zit niet in het aanbieden van een luxe en moderne verblijfsaccommodaties, maar richt zicht hoofdzakelijk op grotere groepen die kiezen voor de locatie (nabij Efteling en Loonse- en Drunense duinen). De accommodaties zijn schoon en doelmatig ingericht. De receptie is enkel op doordeweekse dagen geopend tussen 10:00 – 12:00 en in geval calamiteit kan men telefonisch contact opnemen met de ‘beheerder/eigenaar’. De accommodaties zijn voorzien van een Brandmeldinstallatie.
Buiten de openingstijden van de receptie zijn de gebruikers op zichzelf aangewezen. Met moderne communicatiemiddelen is dat geen enkel probleem.
Figuur 1: receptie (65m2) bij entree accommodatie
Sinds het overlijden van de eigenaar is de erfgenaam uit Heemstede het eerste aanspreekpunt en exploitant conform de exploitatievergunning. Een plattegrond van het terrein is bijgevoegd. De totale oppervlakte bedrijfsbebouwing bedraagt ca. 1.030 m2. Op het terrein zijn verder aanwezig een sportveld en twee onverwarmde zwembaden met een diepte van < 1.20m. De primaire doelgroep voor de Duikse Hoef zijn bedrijfsuitjes (teambuilding), familie-uitjes en verenigingen. Voor reguliere gezinnen zijn de accommodaties te groot.
3
c.
Noodzakelijkheid
Het verzoek voorziet in het ‘ontkoppelen’ van de bedrijfswoning van de recreatieonderneming. De gemeente stelt de vraag waarom dit bedrijf, bestaande uit groepsaccommodaties, anders dan bijv. een camping zonder toezicht, beheer c.q. bereikbaarheid? Ook al ontbreekt een noodzaak dan kan een 24 uursaanwezigheid van een beheerder wel wenselijk zijn. Op voorhand willen stellen dat er een groot verschil is tussen ‘wonen’ en ‘beheren’. Het wonen in een bedrijfswoning is wezenlijk anders dan het organiseren van het beheer en toezicht op een recreatiebedrijf. In het algemeen kan gesteld worden dat een woonhuis – waar mensen zich permanent vestigen en zich inschrijven – (tegenwoordig) niet noodzakelijk is voor een recreatiebedrijf. Ook voor een camping is het niet noodzakelijk om een woonhuis te hebben waar mensen permanent wonen. Dat er vaak een woonhuis aanwezig is bij een recreatiebedrijf, moet in historisch perspectief worden geplaatst. Bij de Duikse Hoef is het recreatiebedrijf, net als bij vele andere recreatiebedrijven, voortgekomen als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. Vanuit de functie van het agrarisch bedrijf was er al een woning aanwezig op het terrein. De noodzakelijkheid van een bedrijfswoning was gekoppeld aan de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf (ook dat is tegenwoordig genuanceerder).
Bij recreatiebedrijven die specifiek vanuit dat doel zijn gestart, was het in het verleden gebruikelijk dat ondernemer, eigenaar en beheer in één persoon. Zeker vanuit de start van een bedrijf was het destijds vanuit het oogpunt van efficiënte bedrijfsvoering wenselijk om op het bedrijf te wonen. In een aantal gevallen werd het destijds zelfs verplicht gesteld door gemeenten om een bedrijfswoning te realiseren. De bedrijfswoning had, zeker in de beginfase van het bedrijf ook de functie van receptie/ontvangst en diende voor verhuur van faciliteiten. In de loop van de jaren is de noodzaak om als ondernemer bij het recreatiebedrijf te wonen in veel gevallen komen te vervallen. Door de groei van het bedrijf, schaalvergroting, overname en/of verkoop van het bedrijf, veranderingen in de recreatiesector en technologische ontwikkelingen is er steeds meer sprake van een scheiding van functies, en is de noodzaak om bij recreatiebedrijf permanent te wonen komen te vervallen. Het recent geopende vakantiepark van de Efteling (Loonsche Land), maar ook het eerder geopende Bosrijk hebben geen bedrijfswoning bij het park, met andere woorden er is geen bedrijfswoning aanwezig. Dit wil niet zeggen dat er in die parken geen beheer is. De praktijk op de Duiksehoef laat zien dat in de periode ’80-’00 ook hier niemand woonachtig was bij het bedrijf.
dat er een mogelijkheid was om te wonen in een bedrijfswoning is mooi meegenomen, maar dat had zijn ontstaansgeschiedenis in het verleden. Vanuit de exploitatie is het niet noodzakelijk gebleken om bij het bedrijf te wonen (groepsaccommodatie was bovendien een nevenactiviteit). d. Beheer De rol van toezicht en beheer is ondergebracht bij een beheerder/gastheer of team van beheerders en wordt tegenwoordig niet meer primair uitgevoerd door de eigenaar/ondernemer, maar door werknemers. Deze beheerders bemannen op gezette tijden de receptie of zijn telefonisch bereikbaar voor gasten. In een aantal gevallen zal de dienstdoende beheerder ook in de nacht verblijven op het terrein, hij of zij woont er echter niet. Ook in het geval dat dat eigenaar het beheer in eigen hand heeft, wil dat nog niet zeggen dat hij of zij er ook bij woont (een eigenaar kan ook maar op 1 plek wonen, ook als hij meerdere vastgoedobjecten of recreatieparken heeft). Voor het toezicht – met name in de avonduren – zijn afzonderlijke mensen verantwoordelijk. Bij grote parken is dit toezicht uitbesteed aan professionele beveiligingsbedrijven. Bij de meeste parken is beveiliging en toezicht
4
overbodig en wordt volstaan met het beschikbaar stellen van een telefoonnummer bij calamiteiten. Hulpdiensten zijn eveneens beschikbaar. Waar recepties in het verleden nog de functie vervulde voor in- en uitchecken is hier een tendens zichtbaar waarbij de sleuteluitgifte op een andere wijze plaatsvindt (pasjes, code, ophalen of brengen). De functie van de receptie om bezoekers wegwijs te maken in de omgeving is als gevolg van de moderne communicatiemiddelen overbodig geworden. De groepsaccommodatie Duikse Hoef is een recreatiebedrijf met op het terrein (slechts) vijf groepsaccommodaties. In het geval dat er geen verhuring is, is het terrein afgesloten. De receptie dient in de huidige exploitatie nog als aanspreekpunt, maar is slechts beperkt geopend (2 uur per dag op doordeweekse dagen). Gebruikers zijn op zichzelf aangewezen. Enkel voor vragen en in- en uitchecken heeft men contact met de beheerder. Dit is tijdens de openingstijden van de receptie of telefonisch. De exploitatie van de Duikse Hoef richt zich op grote groepen (minimaal 20 personen). Het gaat om bedrijfsuitjes, verenigingen en familiefeesten. Daarmee ligt het accent van de verhuur ook niet in de reguliere vakanties, in tegenstelling tot reguliere recreatiebedrijven waar gezinnen verblijven. Een volledige bezetting van de accommodaties is de afgelopen jaren niet aan de orde geweest.
Is het noodzakelijk om 24 uur per dag / 7 dagen per week een beheerder te hebben die op het terrein verblijft? Gezien de exploitatie in de afgelopen jaren en het karakter van de recreatievoorziening is het niet noodzakelijk om permanent een beheerder op het terrein aanwezig te laten zijn. De accommodaties moeten vooraf gereserveerd worden. Het heeft daarmee geen zin om een beheerder permanent te laten verblijven op het terrein. Vanuit veiligheid is het niet nodig, het terrein is afsluitbaar en de accommodaties zijn voorzien van deugdelijk hang- en sluitwerk. Uit documentatie van de gemeente Loon op Zand blijkt dat het niet verplicht is om een permanente beheerder op het terrein aanwezig te hebben. In de exploitatievergunning d.d. 20 juni 2020 met kenmerk 1002020064 t.n.v. de eigenaar te Heemstede staat onder punt e. dat het gedurende de tijd dat de openbare inrichting geopend is, er altijd een persoon aanwezig, dan wel direct bereikbaar moet zijn. Deze persoon staat op het aanhangsel behorende bij de vergunning als leidinggevende vermeld. Hieruit volgt dat fysieke aanwezigheid vanuit exploitatie geen vereiste is. Het bestemmingsplan regelt bouw- en gebruiksmogelijkheden van gronden en richt zich niet op de inrichting van activiteiten [daar is in dit geval de exploitatievergunning voor]. Een voorwaarde t.a.v.
beheer en toezicht op recreatieterreinen hoort daarmee niet thuis in het bestemmingsplan. Is beheer op locatie mogelijk? Er is op het terrein van de groepsaccommodatie De Duikse Hoef ruimte beschikbaar voor een beheerder in een deel van de veldschuur danwel de receptie. In de huidige exploitatievorm kan volstaan worden met telefonische bereikbaarheid en beperkte openingstijden (aanwezigheid) van de receptie. Het is evenwel denkbaar en voorstelbaar dat er zich een gelegenheid voordoet, waarbij het wenselijk is dat er gedurende de nacht iemand verblijft om toezicht te houden op de accommodatie. In zowel de Veldschuur als de receptie is die mogelijkheid voor handen. Daarmee is er geen sprake van een woonsituatie, maar meer vergelijkbaar met een ‘nachtportier’ bij een hotel. De beheerder kan daarmee – indien nodig – verblijven op de accommodatie, maar woont er niet. De bedrijfswoning is primair een woonhuis. Het (verplicht) ter beschikking stellen van de woning als verblijfsruimte voor de beheerder in die gevallen dat hij/zij aanwezig zou moeten zijn is niet logisch, maar ook niet wenselijk. De geboden woonruimte staat in geen enkele verhouding tot de rol en takenpakket van de beheerder. Bovendien geldt ook dan nog dat een beheerder er niet gaat wonen, maar er enkel een verblijf heeft.
5
Figuur 2 Bedrijfswoning
Overige zaken worden vanuit beheer oogpunt uitbesteed aan bijvoorbeeld aan schoonmaakdienst en hoveniersbedrijf. Ook hiervoor is het niet noodzakelijk dat de beheerder permanent op het terrein is. e.
Economisch perspectief
Het economisch perspectief is in de ruimtelijke ordening om begrijpelijke redenen een onderbelicht aspect. Echter in situaties waarbij een recreatiebedrijf verkocht moet worden spelen verschillende zaken een rol. Zoals gezegd kende de groepsaccommodatie in de jaren 80 en 90 hoogtijdagen, door de vele instellingen voor mensen met een beperking die gebruik maakten van de voorzieningen. Juist in die periode was er niemand woonachtig op het recreatiebedrijf. De eigenaar/beheerder woonde op afstand en was telefonisch bereikbaar. De eigenaar/beheerder had naast de groepsaccommodatie een bouwbedrijf (hoofdactiviteit). Door het succes in de jaren 80 en 90 en het feit dat hij ook een bouwbedrijf had, is hij in de gelegenheid geweest om de bedrijfswoning in eigen beheer te realiseren (bewoond vanaf 2001). Met het wegvallen van de doelgroep is een belangrijke inkomstenbron weggevallen. Een uitbreiding met chalets werd destijds niet toegestaan door de gemeente. ➔ Een koper moet zich gaan oriënteren op een doelgroep: waar richt ik me op? De groepsaccommodaties zijn in de jaren 80 gerealiseerd en daarmee al 40 jaar oud. Hoewel de accommodaties schoon en veilig zijn, doen ze enigszins gedateerd aan. ➔ Een koper zal moeten investeren om de accommodaties te moderniseren, de mate van investeren is afhankelijk van de beoogde doelgroep en het omzetpotentieel.
Het bestemmingsplan laat 1.030 m2 aan bedrijfsbebouwing toe op het perceel. Deze is aanwezig. Een verdere uitbreiding van het bedrijf is op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk. Daarmee kan een ondernemer binnen bandbreedtes berekenen wat het maximale omzet kan zijn. Gelet op de monitor van groepsaccommodaties Nederland is een accommodatie met 100 bedden zeker levensvatbaar. ➔ Het bouwvolume mag niet uitgebreid worden op grond van het bestemmingsplan. Hiermee is een groei van het bedrijf beperkt mogelijk. Een koper neemt dit mee in zijn afwegingen.
6
De bedrijfswoning mag enkel en alleen bewoond worden door de persoon die betrokken is bij de exploitatie van het recreatiebedrijf. Dit betekent dat de koper wordt geacht te gaan wonen in de bedrijfswoning of dat hij zijn beheerder in de woning laat wonen. Vanuit exploitatie oogpunt is bij een groepsaccommodatie van deze omvang een bedrijfswoning niet noodzakelijk. Ook hoeft een beheerder niet permanent fysiek aanwezig te zijn. Daarmee is de bedrijfswoning een overbodig vastgoedobject. ➔ Koper wordt gedwongen om bij het recreatiebedrijf een bedrijfswoning te kopen die niet nodig is vanuit exploitatieoogpunt en daarmee enkel een enorme kostenpost is. Voor het eventueel bieden van faciliteiten voor een beheerder is de woning geen serieus alternatief. Kopers haken hierop af, daarmee haken ook de kopers af van de groepsaccommodatie. Een nieuwe eigenaar zal in veel gevallen de aankoop van zowel de bedrijfswoning en de groepsaccommodatie moeten financieren. De bedrijfswoning zal als zakelijk vastgoed gefinancierd moeten worden. Dit betekent dat er geen hypotheek gevestigd kan worden, maar dat het om een kortdurende lening gaat (binnen 5 jaar aflossen). Dit impliceert dat de ondernemer in de gelegenheid moet zijn om het geheel binnen 5 jaar af te lossen. Met de beperkte exploitatiemogelijkheden en de investeringen in de bestaande accommodaties zal dit niet lukken.
Gevolg is dat kopers afhaken. ➔ Kopers krijgen de financiering incl. bedrijfswoning niet geregeld omdat de exploitatiemogelijkheden het niet mogelijk maken om binnen 5 jaar de financiering af te lossen. De vraag is of een recreatiebedrijf met slechts 5 groepsaccommodaties als zelfstandig en eigenstandig bedrijf kan voortbestaan. Het is goed denkbaar dat er partijen zijn die deze accommodaties als onderdeel van een groter geheel willen aanbieden. Neem als voorbeeld de Efteling. De Efteling heeft bijvoorbeeld accommodaties beschikbaar voor groepen tot maximaal 12 personen. Voor hen kan het interessant zijn om de accommodaties toe te voegen aan hun areaal (minimaal 20 maximaal 40 personen). Maar ook een bedrijf als De Efteling heeft geen bedrijfswoning nodig. Er zijn meerdere recreatieondernemers die in verschillende gemeenten vakantiehuizen en groepsaccommodaties aanbieden en dit centraal in beheer onderbrengen bij een organisatie. Voor hen kunnen de groepsaccommodaties van de Duikse Hoef ook een goede uitbreiding zijn van het areaal. ➔ Een koper kan ook iemand zijn die al meerdere vakantiebedrijven heeft en hiermee zijn areaal uitbreidt. Een bedrijfswoning heeft hij echter niet nodig.
Hopelijk hebben we hiermee een duidelijk antwoord gegeven waarom het hebben van de bedrijfswoning niet noodzakelijk is voor het bedrijf en waarom afsplitsing van de bedrijfswoning nodig is voor het voortzetten van de groepsaccommodatie. Eventueel toezicht en beheer kan plaatsvinden op de locatie van de groepsaccommodatie. Ik wil u vragen om op korte termijn een uitspraak te doen over het principeverzoek. Gelet op het provinciaal beleid, de structuurvisie van de gemeente en bovenstaande onderbouwing, lijkt ons de weg vrij voor een positieve uitspraak van het gemeentebestuur. Natuurlijk zijn wij bereid om vragen te beantwoorden en/of een toelichting te geven.
Met vriendelijke groet,
ing. Frenkel Beerens MSc Beerens Advies
7
8
BIJLAGE 2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
Aanplant Beukenhaag (Fagus sylvaƟca) Breedte: 0,5- 1 m Hoogte: 1 meter
Landschappelijke Inpassing Duiksehoef 8 en 8a Gemeente Loon op Zand 25 januari 2023 0m
50 m
Bestaand te behouden houtwal
BIJLAGE 3 STANDAARDADVIES EXTERNE VEILIGHEID
Gemeente LOON op ZAND T.a.v. College van Burgemeester en Wethouders Postbus 7 5170 AA KAATSHEUVEL
Sector Risicobeheersing Taakveld RO&I Postbus 3208 5003 DE Tilburg Telefoon (088) 2250100 www.brandweermwb.nl
Datum Onze referentie
23 december 2020 U.031771
Uw referentie Uw brief van
Harry Killaars 06-53625089 E-mail info@brandweermwb.nl Onderwerp Standaardadvies 2020
Behandeld door Doorkiesnummer
Geacht College, Een deel van uw gemeente is gelegen in invloedsgebieden van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of buisleiding. Uw beleid externe veiligheid en de Besluiten externe veiligheid inrichtingen (bevi), buisleidingen (bevb) en transportroutes (Bevt) verplicht u het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat u in een invloedsgebieden neemt. De Omgevingsdienst MWB heeft voor uw gemeente een standaard groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is hierop afgestemd. Daarnaast komen er steeds meer aanvragen die in de geest van de Omgevingswet. We benoemen in dit standaardadvies de kernwaarden van de Veiligheidsregio’s zodat u bij het opstellen van een omgevingsvisie of omgevingsplan deze kernwaarden vroegtijdig kunt inbrengen bij de initiatiefnemers van omgevingsvisies en omgevingsplannen. Maar ook bij het verantwoorden van het groepsrisico in het kader van de wet en regelgeving zoals beschreven in de genoemde besluiten externe veiligheid. Werkingssfeer advies Met deze brief voorzien wij u van een standaard advies 2020, voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebieden van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur.
U kunt de informatie uit de bijlage gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen met plangebieden die niet zijn gelegen binnen de nader genoemde afstanden van risicobronnen. In de bijlage kunt u zien wanneer u het standaard advies kunt gebruiken deze toegespitst op uw gemeente. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl Indien u nog vragen of opmerkingen heeft kunt u contact opnemen met de bovengenoemde ambtenaar. In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, tekenen wij met vriendelijke groeten Hoogachtend, Namens het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Afdelingshoofd Risicobeheersing, H. Sijbring
De werking van deze bijlage is voorzien van een inhoudsopgave en u kunt in de digitale versie klikken op de gewenste onderwerpen.
Inhoudsopgave Kernwaarden Veiligheidsregio’s ................................................................................................................... 3 Samenwerken aan een veiligere leefomgeving ................................................................................................ 3 Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid .................................................................................................... 3 Bebouwing en omgeving bieden bescherming ................................................................................................. 4 Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten ..................................................................................... 4 De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk ................................................. 5 Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. ................................................ 6 Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. .................................................................................. 6 Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico..............................................................................
7 Loon op Zand ................................................................................................................................................... 7 Zeer kwetsbare gebouwen ............................................................................................................................... 8 Stroomschema standaard verantwoording ....................................................................................................... 9 Opkomsttijd .................................................................................................................................................... 10 Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie ..................................................................................................... 11 Bereikbaarheid ............................................................................................................................................... 12 Bluswatervoorziening ..................................................................................................................................... 13 Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan ........................................................................... 15 Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. .........................................................................................................
15 Zorgplicht ....................................................................................................................................................... 15 Bruidsschat .................................................................................................................................................... 17 art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening ................................................................................................................... 17 Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten .......................................................... 17 Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen .............................................................................. 18
pagina 2 van 18
Kernwaarden Veiligheidsregio’s 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Samen werken aan een veiligere leefomgeving; Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid; Bebouwing en omgeving bieden bescherming; Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg.
Samenwerken aan een veiligere leefomgeving Een veilige leefomgeving draagt bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Dit maakt uw gemeente en de woon-, werk- en leefgebieden voor de burgers aantrekkelijker. Initiatiefnemers (burgers en ondernemers), maatschappelijke organisaties en de overheid streven samen naar een veiligere leefomgeving, dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak voor hun initiatief. Of deze wordt verkregen, hangt onder andere samen met de professionele onderbouwing van de veiligheid van het desbetreffende initiatief. In dit samenspel van verschillende belangen geeft de Veiligheidsregio MWB duiding aan de risico’s bij initiatieven en denkt mee over het minimaliseren van de risico’s en de effecten. •
• • •
Alle betrokkenen hebben inzicht in en zijn zich bewust van de risico’s en de gevolgen van het initiatief, ook in relatie tot de al bestaande leefomgeving. Dit maakt een gewogen verantwoord besluit mogelijk. Betrokkenen zijn burgers, buurbedrijven en de gebruikers van kwetsbare objecten. Aandacht voor een veilige leefomgeving is ook nodig bij voorgenomen ontwikkelingen en eventuele innovaties op het gebied van bijvoorbeeld circulaire economie en energie. Initiatiefnemers betrekken de Veiligheidsregio MWB in een zo vroeg mogelijk stadium bij het ontwerp van een veilig initiatief. Dit houdt in dat afstand tot, bescherming tegen, effectief optreden van, ontvluchten van en handelingsperspectief, onderdeel zijn van het ontwerp. Professionele overheidsorganisaties, waaronder Veiligheidsregio, de GGD en de Omgevingsdienst zijn de natuurlijke adviespartners bij ruimtelijke ontwikkeling. In het besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) is aangeven dat in een omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises.
Artikel 5.2 van het BKL (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises) In een omgevingsplan wordt voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van: het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen, en de geneeskundige hulpverlening aan personen daarbij. Het eerste lid laat onverlet de in paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 gestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. De veiligheidsregio MWB zal binnen de kaders van het beleidsplan en bij ruimtelijke ontwikkelingen in uw gemeenten een advies uitbrengen.
Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid Ondanks de maatregelen die de veiligheid ten goede komen bij het risico zelf, blijft er een kans bestaan dat er incidenten plaatsvinden met gevolgen voor en effecten op de omgeving en haar bewoners. Dit is extra belangrijk voor de kwetsbare mensen die zichzelf niet kunnen redden zonder hulp zoals jonge kinderen in kinderdagverblijven, gehandicapten en zorgbehoevenden. Denk bij een risico aan bijvoorbeeld droog bos, hoog water, een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen, of de vrachtwagen of spoorketelwagon die gevaarlijke stoffen vervoert. pagina 3 van 18
Het aantal slachtoffers wordt verlaagd door de afstand tussen de risico’s en de gebieden waar mensen verblijven te vergroten. Naast afstand kan ook vegetatie en geografische ligging het aantal slachtoffers verlagen. Hiermee kan letsel, hinder en overlast beperkt blijven. Een grotere afstand levert ook meer tijd op om het gebied veilig te verlaten; dit vergroot de veiligheid bij incidenten. De afstand tot een risico is dusdanig groot dat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen en dat ook mensen die niet zelfredzaam zijn in veiligheid kunnen worden gebracht. Daarnaast zorgt afstand tussen verschillende risico’s voor een beperking van gevolgeffecten, zoals het overslaan van brand naar een ander pand. Zo voorkom je dat een incident voor een volgend incident in de omgeving zorgt. • • • • •
Initiatieven, waardoor mensen langdurig verblijven in een gebied, zijn bij voorkeur op grote afstand van het risico. Bijeenkomsten en evenementen met grotere aantallen bezoekers zijn op dusdanige afstand gesitueerd dat ingeval van een incident de effecten op de bezoekers minimaal zijn. Een lage populatiedichtheid in de buurt van risicobronnen (door bijvoorbeeld lage bebouwingsdichtheid), hoge populatiedichtheid op grote afstand van risicobronnen. Groepen zeer kwetsbare personen verblijven niet in het gebied waar mensen direct moeten vluchten bij een (dreigende) calamiteit. Dit betreft scenario’s zoals plasbrand, BLEVE, natuurbrand, gebieden met een hoog overstromingsrisico. Bij de indeling van gebieden is aandacht voor het beperken van de gevolgeffecten. Maak daarbij een bewuste afweging of clustering van risico’s en/of risicobronnen een gewenste ontwikkeling is.
Zeer kwetsbare objecten hebben in de nieuwe Omgevingswet een plaats gekregen en men hanteert de nieuwe term zeer kwetsbare gebouwen. Maar ook grote groepen mensen in de buitenruimte hebben extra bescherming nodig. De zeer kwetsbare gebouwen zijn in bijlage 1 weergegeven.
Bebouwing en omgeving bieden bescherming Hoeveel voorzieningen er ook worden getroffen, de kans blijft bestaan dat er incidenten plaatsvinden met nadelige gevolgen voor de leefomgeving en haar bewoners en bezoekers. Het is belangrijk dat de leefomgeving mogelijkheden biedt om te schuilen of die de nadelige effecten vertraagt. Dit kan gerealiseerd worden door bewuste keuzes te maken in bouwwijze, het type bebouwing en de inrichting van gebouwen. Zo kunnen mensen beschermd worden tegen de effecten van bijvoorbeeld overstromingen, rookwolken bij brand, explosies, verspreiding van giftige gassen en uitval nutsvoorzieningen. • • • • •
Fysieke elementen (wallen, dammen, etc.) kunnen als obstakel gedurende langere tijd bescherming bieden en beperken de effecten voor gebouwen en mensen. Deze elementen kunnen tevens meerdere functies hebben in de ruimte, bijvoorbeeld voor kleinschalige recreatie of natuurstrook. Gevelconstructies en technische installaties in gebouwen kunnen mensen die er verblijven beschermen tegen de effecten. Een bepaalde functie in een gebouw kan bescherming (buffer) bieden, bijvoorbeeld een parkeergarage aan de risicovolle zijde van een gebouw. In gebieden en wijken kunnen opvanggebieden benoemd zijn ten behoeve van evacuaties. Ook kunnen voorzieningen zijn aangebracht voor scenario’s, zoals hoogwater en verstoring van de vitale infrastructuur. Afsluitbare ventilatie en goede bouwkundige detaillering verbeteren de vluchtmogelijkheden/schuilmogelijkheden. Aandachtspunt zijn bedrijfsloodsen waar meerdere personen verblijven. De eisen voor de luchtdichtheid van loodsen zijn vrij laag, waardoor de luchtkwaliteit gedurende een toxisch scenario niet voor 4 uur is gegarandeerd.
Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten Als de bebouwing en de omgeving onvoldoende bescherming bieden bij incidenten, voorkomt een veilige ontvluchting (evacuatie) verdere slachtoffers. De aanwezigheid van goede vluchtroutes in een gebied zorgt ervoor dat de zelfredzaamheid van mensen in het gebied omhoog gaat. Op basis van een analyse van de risico’s houdt het ontwerp van de gebouwen en ontsluitingswegen zelf rekening met de mogelijkheid om veilig en snel naar een veilige omgeving te vluchten. pagina 4 van 18
• • • • • •
De entree en vluchtroutes van een gebouw bevinden zich aan de gebouwzijde die van de risicobron is afgekeerd. Deze vluchtroutes zijn ook bruikbaar voor verminderd zelfredzamen en voor het in veiligheid brengen van gewonden door de hulpdiensten. Vluchtroutes in de (openbare) ruimte zorgen ervoor dat mensen makkelijk en zo snel als mogelijk een veilige plaats kunnen bereiken, waar mogelijk geschikt voor verminderd zelfredzame personen. De vluchtroutes zijn o.a. via bewegwijzering bekend bij degenen die verblijven in het gebied. De capaciteit van de vluchtroutes past bij de populatiedichtheid van het gebouw en gebied, rekening houdend met tijdelijke populaties, zoals toerisme en evenementen. De opvangmogelijkheden voor de bewoners in het veilige gebied zijn afgestemd op de omvang van de populatie en veilig te bereiken via de vluchtroutes. Belangrijke informatie over het incident kan in het gebied ontvangen worden, zodat mensen weten wat er aan de hand is en wat ze moeten zoen. De locatiekeuze van vitale infrastructuur, zoals zendmasten voor telefonie, internet en voorzieningen voor elektriciteit, is zo gekozen, dat er zo min mogelijk risico is op uitval. De vitale infrastructuur is waar nodig beschermd tegen de effecten van incidenten om de continuïteit te waarborgen.
De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk De inrichting van de fysieke leefomgeving kan bijdragen aan snelle en effectieve hulpverlening. Hulpverleners kunnen sneller optreden als de bereikbaarheid en aanrijdroutes van gebieden, gebouwen, bedrijven en evenemententerreinen doordacht is. Zo kunnen hulpdiensten de mensen sneller bereiken, in veiligheid brengen (bijvoorbeeld met ambulances) en de gevolgen van incidenten beperken. Toegesneden voorzieningen voor bluswater zorgen voor een snelle en efficiënte bestrijding van incidenten. Daardoor beperkt dit de gevolgen voor de omgeving en haar bewoners en is naderhand een snellere terugkeer naar de ‘normale’ situatie mogelijk. Ook de opvang van bluswater is belangrijk, want zonder maatregelen kan vervuild bluswater het milieu langdurig vervuilen. Effectief optreden van de hulpdiensten valt of staat met het hebben van toegankelijke en actuele informatie over de verblijfplaatsen van kwetsbare groepen, de risico’s en mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Dit leidt tot een betere voorbereiding en daardoor effectiever optreden van hulpverleners. • • • •
Aanrijdroutes en toegangswegen zijn geschikt voor een snelle opkomst van het materieel van de hulpverleners en voor het afvoeren van gewonden. Opstelplaatsen voor het materieel zijn beschikbaar. Gebieden zijn voor hulpverleners van meerdere kanten en windrichtingen te bereiken. In het gebied is bluswater beschikbaar. De hoeveelheid en de wijze waarop bluswater beschikbaar is, is afgestemd met de hulpdiensten. Een bluswatervoorziening als onderdeel van een doorlopend watersysteem, kan ook een andere functie hebben zoals visvijver of recreatieplas. Vooral bij brand door bedrijfsmatige activiteiten kunnen grote hoeveelheden vervuild bluswater ontstaan. Om milieueffecten te beperken, kunnen maatregelen voorbereid in bijvoorbeeld het watersysteem, verspreiding van bluswater voorkomen. Initiatiefnemers dragen bij aan de ontsluiting van informatie voor de hulpdiensten, waardoor deze kunnen beschikken over actuele informatie over de risico’s en de effecten op de leefomgeving.
De eisen ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswater zijn opgenomen in de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant, Brabant Noord en Brabant Zuidoost. Een beknopte weergave is in bijlage 1 weergegeven.
pagina 5 van 18
Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Een samenleving heeft altijd te maken met risico’s. Communicatie over risico’s zelf en de voorbereiding erop, draagt bij aan de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van bewoners. Iedereen die in de gemeente verblijft weet welke risico’s er zijn, hoe ze zich kunnen voorbereiden en wat ze kunnen doen in het geval van crisissituaties. Daar hoort ook kennis van de inrichting van de omgeving en van de mogelijkheden om te handelen bij. Hierdoor stijgt het veiligheidsbewustzijn van mensen en is het handelingsperspectief bekend. • Gemeenten communiceren actief en continu over risico’s en wat te doen tijdens crisissituaties. Zij gebruiken daarvoor (digitale) communicatiemiddelen die aansluiten op verschillende doelgroepen. • Bedrijven en organisatoren informeren hun gasten, werknemers en overheden over risico’s en het handelingsperspectief tijdens crisissituaties (bijvoorbeeld organisatoren van evenementen, uitbaters van openbare gebouwen, horeca, recreatieterreinen, campings). • Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te blijven van de risico’s en het handelingsperspectief. Ze weten waar ze deze informatie kunnen vinden en waar ze vragen hierover kunnen stellen. • Informatie over risico’s en inrichting van de omgeving is toegankelijk, actueel en makkelijk te vinden voor iedereen.
Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. Bij risico’s zoals nutsuitval, overstromingen, dierziekten, branden en andere rampen kunnen er situaties voordoen dat mensen beroep doen op de medische zorg. De hulpdiensten anticiperen bij acute en/of grootschalige hulpvragen afhankelijk van het type crisis en passen hierop de zorgaanbod aan. Bij omgevings-, visies en plannen is ook bij de locatiekeuze van zorginstellingen zowel de ziekenhuizen en/of zorgboerderijen en gebouwen met niet zelfredzame bewoners rekening te houden met crisissituaties, zoals: • Bereikbaarheid bij hoog water, • Uitval van nutsvoorzieningen, • Afsluiten van mechanische ventilatiesystemen.
pagina 6 van 18
Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico
Loon op Zand
pagina 7 van 18
Zeer kwetsbare gebouwen
Waarom extra aandacht voor zeer kwetsbare gebouwen? Indien bij een van deze gebouwen brand of een incident op afstand plaatsvindt heeft dat direct gevolgen voor de hulpverleningscapaciteit. Niet zelfredzame personen hebben altijd hulp nodig om in veiligheid te worden gebracht.
pagina 8 van 18
Stroomschema standaard verantwoording
1.
2. 3. 4.
5. 6.
Een conserverend plan laat juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen toe. Een beheersverordening behoort hier ook toe. Een conserverend bestemmingsplan waarin wijzigingsgebieden of uit te werken bestemmingen (opnieuw) worden vastgelegd, wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. Een legalisatie wordt ook beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. Bij een standaard verantwoording kan ook altijd het standaardadvies van de Veiligheidsregio worden toegepast. Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen en buisleidingen. Indien beide vragen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden, volg dan ‘ja’. Zo niet, volg dan ‘nee’. Wat de toepassingsvereisten zijn bij een beperkte verantwoording staat verwoord in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb. De motivering in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient te worden opgenomen in het ruimtelijk plan. Personen zijn zondermeer niet zelfredzaam wanneer sprake is van ziekenhuizen, basisscholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen en gevangenissen. De OMWB kan een dergelijke verantwoording voor uw gemeente opstellen of daarbij ondersteunen. Indien een standaard verantwoording conform het stroomschema van toepassing kan gebruik worden gemaakt van het standaardadvies van de Veiligheidsregio.
Voor alle overige ruimtelijke ontwikkelingen dient u het Bestuur van Veiligheidsregio MWB in de gelegenheid te stellen een maatwerkadvies uit te brengen. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl
pagina 9 van 18
Opkomsttijd
Overzicht van opkomsttijden Basis Brandweer eenheid in de gemeente Loon op Zand Door het Algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant zijn in het Dekkings- en spreidingsplan de opkomsttijden voor de brandweer vastgesteld. In onderstaande tabel zijn deze opkomsttijden weergegeven: Acht minuten woonfunctie voor 2003 celfunctie gezondheidszorgfunctie logiesfunctie onderwijsfunctie basisonderwijs tot 12 jaar bijeenkomstfunctie kinderdagopvang woonfunctie voor zorg
Twaalf minuten woonfunctie na 2003 kantoorfunctie winkelfunctie onderwijsfunctie overige industriefunctie sportfunctie bijeenkomstfunctie overige overige gebruiksfunctie
Tabel 2 opkomsttijden
Wanneer een ontwikkeling plaatsvindt in de donker blauwe gebieden in bovenstaande figuur het overzicht van opkomsttijden Basis Brandweer eenheid in uw gemeente dienen er maatregelen worden getroffen. Door de Veiligheidsregio MWB is een Toolbox ontwikkeld en bij de AOV-er van uw gemeente bekend is. Te denken valt aan gebiedsgerichte risicocommunicatie, training van de BHV organisaties en het aanbrengen van rookmelders bij bewoners.
pagina 10 van 18
Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie
Overzicht WAS-Installaties in de gemeente Loon op Zand Binnen de bebouwde kom is er veelal voldoende dekking van de WAS-installatie daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Voor de industriegebieden is Alert4All ontwikkeld en kunnen BRZO bedrijven de overige bedrijven bij incidenten alerteren. Bij ontwikkelingen buiten de bebouwde kom adviseren wij u na te gaan of de dekking voldoende is. In bovenstaande figuur is een overzicht opgenomen van de dekking van de WAS-installatie in uw gemeente. De zendmasten hebben buiten een bereik van ca. 900 m1.
pagina 11 van 18
Bereikbaarheid De kern van de beleidsregels wordt voor het aspect bereikbaarheid gevormd door een drietal doelvoorschriften: 1. Stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen bieden te allen tijde een onbelemmerde doorgang aan hulpdiensten. 2. Ieder object is voor de hulpdiensten vanaf een gebiedsontsluitingsweg te allen tijde binnen 2 minuten te bereiken. 3. Kazernes en posten moeten altijd ontsloten blijven door een gebiedsontsluitingsweg. Het plangebied dient toegankelijk te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Waarbij rekening wordt gehouden dat een effectieve brandweerinzet kan worden gegarandeerd. Dit houdt in dat de plaats van het brandweervoertuig zodanig is gepositioneerd, dat met behulp van de hoge druk brandweerslang ca. 60 m1 binnen in het gebouw waar een brand is, de brand ook geblust kan worden. Verder dienen de wegen in het plangebied te voldoen aan hoofdstuk 2 Bereikbaarheid hulpdiensten uit de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening februari 2016 indien deze worden gebruikt voor bestemmingsverkeer. Om een goede bereikbaarheid te borgen dienen wegen, die leiden naar potentiële incidentlocaties, recht te doen aan de afmetingen van hulpverleningsvoertuigen. Omdat brandweervoertuigen het grootst en het zwaarste zijn, worden deze als uitgangspunt gehanteerd.
Een weg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpverleningsvoertuigen als aan de volgende criteria wordt voldaan: • De weg is geschikt voor voertuigen met een asbelasting van ten minste 10 ton; • De weg is geschikt voor voertuigen met een totaal gewicht van ten minste 30 ton; • De minimale doorgangshoogte bedraagt 4,2 m 1; • De minimale doorgangsbreedte bedraagt 3,5 m1 ; • De minimale breedte van de verharding; bedraagt 3 m1 (rechte weg); • De minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 m1;
Maar bereikbaarheid wordt niet alleen bepaald door de afmetingen van de voertuigen. De breedte van de rijlopers op doorgaande wegen zijn doorgaans breder dan in de woonwijken. Maar bij het positioneren van voertuigen is met name het redvoertuig het breedst en is de stempellast op de steunpunten maatgevend.
pagina 12 van 18
Bluswatervoorziening De Brabantse Veiligheidsregio’s hebben in samenspraak met gemeenten en Brabant Water beleid ontwikkeld waarin de doelstelling voor de beschikbaarheid van bluswater als volgt wordt geformuleerd: “Veilig drinkwater en voldoende bluswater tegen de laagste maatschappelijke kosten”. Er wordt gestreefd naar een professioneel minimum, met een toereikende bluswatervoorziening voor maatgevende incidenten. In de beleidsregel is vervolgens als doelvoorschrift opgenomen: “Ten behoeve van de brandbestrijding is tijdig voldoende bluswater voorhanden” . Bluswater levert een bijdrage in het kunnen uitvoeren van een veilige redding indien zelfstandig ontvluchten niet meer mogelijk is. De brandweer beschikt in de regel direct over voldoende eigen middelen (bijvoorbeeld het water in de tank) om een dergelijke redding mogelijk te maken. Voor redding is dus niet direct een externe bluswatervoorziening nodig, maar deze kan wel noodzakelijk zijn om de uitbreiding van een brand te voorkomen, dan wel te beperken. Welke hoeveelheid water nodig is in een bepaalde situatie, is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder brandfysica, bouwtechniek, architectuur en omgevingsfactoren. Deze factoren bepalen, samen met een aantal andere factoren, de mate van brandveiligheid in een bepaalde situatie. Zie op dat punt ook navolgend kenmerkenschema.
Voor de benodigde bluswatervoorziening is dus geen ‘gouden standaard’. Het hangt onder meer af van de aard en omvang van een gebouw, maar ook de omgeving waarin het gebouw staat. Daarnaast is de benodigde hoeveelheid water afhankelijk van de ontwikkeling van de brand en fase waarin de brand zich bevindt op het moment dat de brandweer een interventie pleegt. De benodigde bluswatervoorziening is kort en schematisch samen te vatten in navolgende figuur. Op basis van praktijkervaring wordt ongeveer 95% van de branden geblust met water uit de tank van de tankautospuit en is voor de resterende 5% van de branden een externe bluswatervoorziening (A, B, en/of C-water) nodig. Voor meer informatie over de achtergronden wordt hier volstaan met een verwijzing naar de beleidsregels. Verder is voor toepassing van deze handreiking van belang dat bluswatervoorzieningen niet altijd uit een brandkraan hoeven te bestaan. Ook andere vormen van bluswatervoorzieningen zijn denkbaar en werkbaar. Daarbij kan het gaan om geboorde putten, open water, (bluswater)bassins of een bluswaterriool met brandput.
pagina 13 van 18
Voorbeelden Het Besluit De bestaande agrarische bebouwing wordt omgezet naar het mogelijk maken van het bouw van twee woningen. A-Water Het pand op de Vroenhoutseweg 16 dateert van 1970 en een woning op ca.100 m1 van een brandkraan van 60 m3/h. Het nieuwbouw object op de Hogeweg is gelegen op meer dan 200 m1 en hier dient dus conform het beleid een nieuwe brandkraan te worden aangelegd op minder dan 200 m1 van de ingang. C-water (Rissebeek) is binnen 2500 m 1 voorhanden.
Het besluit De bestaande bestemming: maatschappelijke functie wordt gewijzigd en op deze plaats wordt een woongebouw met 6 verdiepingen gebouwd. A-Water Bij de ingang van het woongebouw dient op ca. 15 meter van de ingang een brandkraan van 60 m 3/h te worden aangebracht. C-water (open water) is binnen 2500 m1 voorhanden.
pagina 14 van 18
Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan •
•
De beschikbaarheid van een openbare bluswatervoorziening is primair een verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente. In een bestaand, reeds ingericht gebied en bij voorzetting van de bestaande functies hebben burgers en bedrijven geen invloed op de beschikbaarheid van bluswater in de openbare ruimte. Wel kan behoefte zijn aan een aanvullende, niet openbare bluswatervoorziening. Welke hoeveelheid en vorm van bluswater in een bepaald geval nodig is, is maatwerk. De Veiligheidsregio heeft de expertise in huis om het benodigde maatwerk te kunnen leveren. Om goed en tijdig gebruik te (kunnen) maken van die expertise is het expliciet opnemen van een adviesrol voor de veiligheidsregio wenselijk.
Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. Gezien de aard van deze regels zijn ze te integreren in zowel thematisch opgebouwde als gebiedsgerichte omgevingsplannen. De beleidsregels maken weliswaar onderscheid in verschillende gebieden en scenario’s, maar op basis van de beleidsregels is binnen de open norm gebiedsgericht maatwerk reeds mogelijk. Om tot een goede afweging op basis van de binnen de veiligheidsregio aanwezige expertise te komen, wordt een expliciete adviesfunctie voor de veiligheidsregio voorgesteld. De veiligheidsregio brengt op dat punt haar expertise graag en vroegtijdig in. Daarbij bestaat de optie dat de veiligheidsregio categorieën van gevallen definieert waarin geen advies hoeft te worden gevraagd. Overigens kan de veiligheidsregio zo’n lijst altijd maken en daarom is ook geen grondslag nodig (of überhaupt mogelijk) in een omgevingsplan. Wel is het zaak de planregel dan zo te formuleren dat in dergelijke gevallen inderdaad geen advies hoeft te worden ingewonnen.
Zorgplicht Aangezien de beschikbaarheid van voldoende openbaar bluswater in beginsel binnen de invloedssfeer en verantwoordelijkheid van de gemeente zelf ligt, is het gebruik van een zorgplicht een goede basis voor de verdere regeling en borging van de beschikbaarheid van voldoende bluswater. Die zorgplicht kan dan dienen als vangnet. Verder dient de zorgplicht dan als signaalfunctie voor de taak van de gemeente op dit punt. De zorgplicht kan als navolgende voorstel worden geformuleerd. Indien gewenst kan hieraan ook een programmaplicht worden gekoppeld, waarin wordt opgenomen hoe aan deze bestuurlijke zorgplicht invulling wordt gegeven.
De verantwoordelijkheid voor het realiseren van openbare bluswatervoorzieningen rust primair bij het college van burgemeester en wethouders. Wanneer de afstand tussen de perceelsgrens en (de brandweertoegang van) het betreffende bouwwerk meer bedraagt dan 40 m 1, dan is de openbare bluswatervoorziening niet meer toereikend en dient, afhankelijk van gebouwtype mogelijk een niet-openbare bluswatervoorziening te worden getroffen. Zie daarover paragraaf 3.9 van de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. Concreet voor de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen zijn de volgende bouwstenen te geven. Deze gelden als aanvulling op de hiervoor opgenomen zorgplicht. In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving geen regels op het gebied van de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen. Die regels zullen daarom een plek moeten pagina 15 van 18
krijgen in het omgevingsplan. Dat kan op basis van de beleidsregels. Uit die beleidsregels en uit de praktijkervaringen van adviseurs van de veiligheidsregio blijkt dat expertise en maatwerk nodig is om invulling te geven aan het doelvoorschrift als opgenomen in de beleidsregels, namelijk tijdige beschikbaarheid van voldoende bluswater. Om die reden wordt voorgesteld dit aspect in het omgevingsplan te regelen door het opnemen van een open norm, die vervolgens nader wordt ingevuld door de bestaande, dan wel eventuele nieuwe beleidsregels. Net als onder het Bouwbesluit 2012 is een beoordeling gewenst bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, waardoor het uitgangspunt een bouwregel is, waaraan zo’n aanvraag kan worden getoetst. Eventuele vergunningsvrije bouwwerken zullen ook moeten voldoen aan deze bouwregel. De regeling kan er als volgt uitzien. Bluswatervoorziening a) b)
c)
Een bouwwerk heeft een adequate bluswatervoorziening. Er is sprake van een adequate bluswatervoorziening als bedoeld onder a, wanneer wordt voldaan aan de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening (inclusief toepassing maatwerk) als vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Midden en West Brabant februari 2016. Ten aanzien van het bepaalde onder a wordt advies ingewonnen bij de veiligheidsregio alvorens de vergunning wordt verleend, tenzij de veiligheidsregio categorieën gevallen heeft aangewezen waarin geen advies noodzakelijk is en sprake is van een dergelijk geval.
pagina 16 van 18
Bruidsschat In verschillende artikelen zijn in de Bruidsschat regels opgenomen over bluswater, bereikbaarheid, opstelplaatsen en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en of de Energietransitie. Betrek hierbij de adviseurs van de Veiligheidsregio om de wijzigingen zodanig door te voeren dat de genoemde onderwerpen een goede plek krijgen. Voor bluswater, bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen zijn hieronder voorbeelden beschreven.
art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening 1.
2.
3.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening conform het Beleid bereikbaarheid en bluswater, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is voor woon,- en zorgcomplexen ten hoogste 40 meter en voor alle overige bouwwerken overeenkomstig het beleid bereikbaarheid en bluswater. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.
2.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Het eerste lid is niet van toepassing: a) op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b) op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c) op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d) als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e) als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a) een minimale doorgangsbreedte van ten minste 3,5 m; b) een verharding over een breedte van ten minste 3,0 m (rechte weg). die geschikt is voor motorvoertuigen met een asbelasting van 10 ton; c) de weg is geschikt voor voertuigen met een totaal gewicht van ten minste 30 ton; d) een doodlopende route/weg is acceptabel met een lengte < 40 meter; e) een doodlopende route/weg met aftakkingen die de 40 meter overschrijdt is niet acceptabel; f) een doodlopende route /weg < 80 meter is toegestaan mits de wegbreedte minimale 4,5 meter bedraagt en er een keermogelijkheid aanwezig is (conform j en k) g) een doodlopende route/weg van > 40 meter is alleen acceptabel met een breedte > 5.0 meter h) een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en i) een doeltreffende afwatering; j) de minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 meter; k) de maximale binnenbochtstraal bedraagt ten minste 4.5 meter minder dan de buitenbochtstraal.
4.
Een verbindingsweg is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. De geformuleerde uitgangspunten zijn voor hulpverleningsvoertuigen het absolute minimum en gelden ook voor verbindingswegen op eigen terrein.
5. 6.
pagina 17 van 18
Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.
2.
3.
4.
5. 6.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. Met het oog op het kunnen redden van personen uit wooncomplexen voor 2003 dient een opstelplaats voor brandweervoertuigen met een voldoende afmeting (lengte 10 m en breedte 5 m) en een maximale hellingshoek van 7 % voor kunnen afstempelen van een redvoertuig. De stempeldruk bedraagt 100 Kn; Het eerste lid is niet van toepassing: a) op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b) op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c) een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d) als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.