17-02-2022 Bijlage 3. Transitievisie Warmte Loon op Zand.pdf
Tekst van het document
TRANSITIEVISIE WARMTE
raad 16 december 2021
Kaatsheuvel l Loon op Zand l De Moer
SAMENVATTING We kunnen er niet meer omheen, er is sprake van klimaatverandering. Om de negatieve impact niet nog verder te vergroten is in het Klimaatakkoord afgesproken dat wij in 2050 geen gebruik meer maken van aardgas. In de transitievisie warmte leggen we als gemeente vast hoe we in stappen kunnen komen naar aardgasvrij. Op 1 april 2021 is het aanvalsplan transitievisie warmte vastgesteld. In dit aanvalsplan is aangegeven hoe de transitievisie opgesteld zal worden waarbij als uitgangspunten zijn gesteld: Geen wijken verplicht aardgasvrij voor 2030 De volgorde van de wijken wordt bepaald op basis van een integrale analyse De indeling van de wijken voor de warmtetransitie In de transitievisie warmte wordt aangegeven wat aardgasvrije alternatieven in wijken zijn en wanneer welke wijken als eerste van het aardgas gaan. De vraag hoe wijken van het aardgas kunnen gaan, moet worden uitgewerkt in de op te stellen uitvoeringsplannen per wijk.
Betrokken partijen De transitievisie warmte is uitgewerkt in samenspraak met een kerngroep met ECLoZ, Casade, Contour de Twern en Enexis Netbeheer. Er zijn een aantal bijeenkomsten georganiseerd om stakeholders en inwoners te betrekken. Tevens is een inwonerpanel uitgezet.
1ste stap: Isoleren en energie besparen Om als einddoel een gebouw aardgasvrij te kunnen verwarmen, is de eerste stap altijd isoleren en energie besparen. We kiezen er daarom voor ons eerst te richten op het isoleren van de gebouwen om de beweging naar aardgasvrij op gang te krijgen. De standaard en streefwaarden geven duidelijkheid tot welk niveau geïsoleerd moet worden.
Ambitie, doelstelling en strategie We sluiten aan bij de landelijke ambitie dat in 2030 in totaal 20% van de bestaande woningvoorraad aardgasvrij gereed is. Het einddoel is aardgasvrij, maar de eerste stap is altijd isoleren en energie besparing. Reductie van het gebruik van aardgas is dan ook de doelstelling om de beweging naar aardgasvrij op gang te krijgen. Als doelstelling zetten we in op 20% minder aardgasgebruik in 2030. De strategie om deze ambitie en doelstelling te kunnen bereiken, bestaat uit de volgende sporen: 1. We gaan inwoners die zelf stappen willen zetten – individueel of gezamenlijk - stimuleren en ondersteunen met onder andere goede communicatie, het energieloket, duurzaamheidsleningen en het betrekken van partners. 2. We gaan de pilots voor de twee woonbuurten en het bedrijventerrein uitwerken, afgestemd met de andere opgaven in de buurt. 3. We onderzoeken alternatieve warmtebronnen en hebben een voorbeeldrol als gemeente
Stimuleren en ondersteunen De gemeente heeft de regierol. Inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties moeten zelf de stappen zetten om energie te besparen, te isoleren en aardgasvrij te worden. Om deze beweging op gang te krijgen is het van belang om de komende jaren inwoners en gebouweigenaren bewust te maken van deze opgave en hen te ondersteunen om de woningen en andere panden toekomstbestendig te maken. Goede communicatie vormt de basis. ECLoZ en het energieloket zijn essentieel voor een goede advisering aan inwoners over de technische en financiële mogelijkheden. Contour de Twern kan inwoners hierin begeleiden. Samenwerking met het bedrijfsleven is noodzakelijk. Met duurzaamheidsleningen kunnen we als gemeente financieel ondersteunen.
2
Pilotbuurten We willen verspreid over de kernen pilots opstarten om ervaringen op te doen in verschillende typen buurten. Om tot een keuze voor deze pilots te komen, is er een integrale analyse opgesteld op technisch-economische, beheer en onderhoud, sociaal-maatschappelijke en ruimtelijke criteria. Op basis van deze analyse zijn als kansrijke pilot buurten gekozen: 1. De buurt met de meeste meerwaarde: Pannenhoef Oost en West in Kaatsheuvel 2. De buurt waar het relatief eenvoudig is: Molenwijk Zuid in Loon op Zand 3. Bedrijventerrein Kaatsheuvel 4. Daar waar bewonersinitiatieven zijn Het is het streven om de opgave aardgasvrij niet als aparte opgave te zien, maar gezamenlijk op te pakken met de andere opgaven die de kwaliteit van de buurt kunnen verbeteren Warmte alternatieven De komende jaren zal per wijk uitgewerkt worden welke strategieën mogelijk en wenselijk zijn. Dit is maatwerk. Een individuele oplossing met een luchtwarmtepomp is een goede alternatieve warmtebron in het buitengebied waar een warmtenet sowieso geen optie zal zijn. Een hybride warmtepomp kan een prima (tijdelijke) optie zijn, waar de cv-ketel alleen bijspringt als het heel koud is. Collectieve warmtenetten kunnen een optie zijn voor woonwijken in de toekomst. Er komt regionaal onderzoek om aan te sluiten op het regionale warmtenet vanuit de Amer.
Ook geothermie vanuit de huidige boorputten lijkt een optie die zeker onderzocht moet worden. Daarnaast is wellicht een warmtenet met aquathermie van de transportleiding voor drinkwater een optie of een warmtenet met Warmte Koude Opslag (WKO). Groen gas is beperkt beschikbaar en moet gereserveerd voor de woningen die niet goed te isoleren zijn.
Voorbeeldrol gemeente We willen als gemeente een voorbeeldfunctie vervullen met onze gemeentelijke gebouwen. We gaan proberen om renovatie van scholen als voorbeeldprojecten te realiseren en dit breed te communiceren om hiermee inwoners en expliciet ook de kinderen te informeren en te stimuleren. Dit geldt eveneens voor de renovatie van andere gemeentelijke gebouwen.
Communicatie Om de beweging naar een aardgasvrije toekomst in Loon op Zand stap voor stap verder te brengen is structurele communicatie nodig, net als samenwerking met en participatie van diverse stakeholders, inwoners en ondernemers. In het gehouden inwonerpanel is door de inwoners aangegeven goede informatie vanuit de gemeente nodig te hebben om stappen te kunnen zetten.
Uitvoering De eerste stap in de warmtetransitie voor alle gebouwen is isoleren en energie besparen. Om inwoners hierin te stimuleren en te faciliteren en pilotprojecten te starten, is capaciteit nodig. Met name het uitvoeren van de pilotprojecten en als vervolg de wijkuitvoeringsplannen vraagt veel capaciteit van gemeente, ECLoZ, Casade en Contour de Twern. Er worden extra middelen vanuit het Rijk verwacht. Het is nog niet duidelijk of de benodigde inzet hiermee ingevuld kan worden. Als er onvoldoende financiële middelen zijn om de uitvoeringskosten te dekken, zijn we genoodzaakt om te snijden in de activiteiten. Hoe meer er gesneden wordt, hoe groter de kans dat de gestelde ambities niet worden gehaald.
Monitoring en bijstelling Jaarlijks willen we monitoren wat de besparing is en of we de gestelde doelen kunnen halen bij het voorliggende beleid. De transitievisie warmte wordt conform de afspraken uit het Klimaatakkoord minimaal iedere vijf jaar herzien zodat nieuwe inzichten weer in de aanpak kunnen worden verwerkt. 3
Inhoudsopgave 1.
Aanleiding ........................................................................................................................................ 7 a.
Klimaatakkoord ........................................................................................................................... 7
b.
Transitievisie warmte (TVW) binnen de REKS: ............................................................................ 7
c.
Stappenplan Transitievisie warmte: ............................................................................................ 8
d.
Wat hoort er bij de gebouwde omgeving?.................................................................................. 8
e.
Trias energetica ........................................................................................................................... 8
f.
Regierol voor gemeenten ............................................................................................................ 8
g.
Betrokken partijen....................................................................................................................... 8
2.
Uitgangspunten Transitievisie Warmte (TVW) .............................................................................. 10 a.
Aardgasvrij – aardgasarm .......................................................................................................... 10
b.
Haalbaar, betaalbaar en rechtvaardig ....................................................................................... 10
c.
Koppelkansen ............................................................................................................................ 10
d.
Kosteneffectief voor de gehele warmteketen én eindgebruiker .............................................. 11
e.
Integrale verduurzaming. .......................................................................................................... 11
f.
Flexibiliteit ................................................................................................................................. 11
3.
Hoe worden we aardgasvrij ? ........................................................................................................ 11 a.
Woningen gereed maken voor aardgasvrij ............................................................................... 11
b.
Elektriciteitsnet voldoende ....................................................................................................... 13
c.
Alternatieve warmtebronnen.................................................................................................... 13
4.
Verkenning Loon op Zand.............................................................................................................. 18 a.
De opgave voor Loon op Zand ................................................................................................... 18
b.
Regionale Structuur Warmte - Loon op Zand............................................................................ 20
c.
De Efteling ................................................................................................................................. 21
d.
Vaststelling wijken ..................................................................................................................... 22
5.
WAT zijn de alternatieve warmte strategieën .............................................................................. 23 a.
De WAT kaart............................................................................................................................. 23
b.
Haalbaarheid warmte strategieën Loon op Zand ...................................................................... 24
6.
WANNEER kunnen wijken van het aardgas af ............................................................................... 26 a.
Uitgangspunten Pilotbuurten .................................................................................................... 26
b.
Analyse van de wijken ............................................................................................................... 26
c.
Meest kansrijke pilotbuurten .................................................................................................... 27
d.
Eerste doorkijk volgorde aardgasvrije wijken naar 2050 .......................................................... 28
7.
Betaalbaarheid .............................................................................................................................. 29 a.
Eindgebruikerskosten ................................................................................................................ 29
b.
Energiearmoede – stijgende gasprijzen .................................................................................... 30 4
c.
Investeren op natuurlijke momenten ....................................................................................... 31
d.
Terugverdientijd ........................................................................................................................ 31
e.
Subsidiemogelijkheden ............................................................................................................. 32
f.
Duurzaamheidslening gemeente .............................................................................................. 32
g.
Huurwoningen ........................................................................................................................... 32
8.
Wat is er al? ................................................................................................................................... 33 a.
Energieloket en energie coaches............................................................................................... 33
b.
Stappenplannen aardgasvrij maken woningen ......................................................................... 33
c.
Inwonercommunicatie .............................................................................................................. 35
d.
Regeling Reductie Energieverbruik Woningen (RREW)............................................................. 36
9.
Wat willen onze inwoners? ........................................................................................................... 37
10.
Ambitie en strategie .................................................................................................................. 38
a.
Individuele woningaanpassingen stimuleren en ondersteunen ............................................... 39
b.
Gezamenlijke initiatieven vanuit inwoners stimuleren en faciliteren....................................... 40
c.
Pilots voor 2 woonbuurten uitwerken ...................................................................................... 41
d.
Pilot bedrijventerrein uitwerkingsplan opstellen ...................................................................... 42
e.
Alternatieve warmtebronnen nader onderzoeken ................................................................... 42
f.
Voorbeeldrol gemeente ............................................................................................................ 42
11.
Visie op communicatie, samenwerking en participatie ............................................................ 43
a.
Algemene communicatie........................................................................................................... 43
b.
Mensen die aan de slag willen actief verder helpen ................................................................. 43
c.
Groep mensen die aan de slag wil structureel laten groeien.................................................... 44
d.
Gedrag van mensen beïnvloeden .............................................................................................. 44
e.
Groep mensen met zorgen en weerstand in beeld houden en serieus nemen ........................ 45
f.
Samenwerken met lokale en regionale organisaties ................................................................ 45
g.
Buurtparticipatie in pilotbuurten .............................................................................................. 45
12.
Uitvoering .................................................................................................................................. 46
a.
Extra financiële bijdrage vanuit Rijk .......................................................................................... 46
b.
Inzet gemeente.......................................................................................................................... 46
c.
Inzet bedrijfsleven ..................................................................................................................... 47
d.
Inzet ECLoZ ................................................................................................................................ 47
e.
Inzet Contour de Twern............................................................................................................. 47
f.
Inzet overige partijen ................................................................................................................ 47
g.
Planning ..................................................................................................................................... 48
h.
Uitvoeringsoverzicht.................................................................................................................. 48
13.
Monitoring en bijstelling over 5 jaar ......................................................................................... 48 5
BIJLAGE 1
Vastgestelde wijkindeling .............................................................................................. 49
BIJLAGE 2
Landelijke warmte strategieen ...................................................................................... 52
BIJLAGE 3
Leidraad warmte – startanalyse voorbeeldbuurt.......................................................... 53
BIJLAGE 4
WAT - kaart ................................................................................................................... 54
BIJLAGE 5
Afwegingscriteria analyse van de wijken....................................................................... 55
BIJLAGE 6
Analyse van de wijken per spoor .................................................................................. 56
BIJLAGE 7
Afwegingskader Procentuele weging ............................................................................ 57
BIJLAGE 8
Afwegingskader Confronteringsmatrix ......................................................................... 58
BIJLAGE 9
Afwegingskader grootste meerwaarde - % weging....................................................... 59
BIJLAGE 10
Afwegingskader grootste meerwaarde -confronteringsmatrix .................................... 60
BIJLAGE 11
Afwegingskader relatief eenvoudig - % weging ............................................................ 61
BIJLAGE 12
Afwegingskader relatief eenvoudig - confronteringsmatrix ......................................... 62
BIJLAGE 13
Afwegingskader bedrijventerrein ................................................................................. 63
BIJLAGE 14
Analyseresultaten ......................................................................................................... 64
BIJLAGE 15
Gemiddelde eindgebruikerskosten .............................................................................. 65
BIJLAGE 16
Moningtoringstabel ....................................................................................................... 67
BIJLAGE 17
Inwonerpanel: onderzoek Loon op Zand in beweging naar aardgasvrij ...................... 68
BIJLAGE 18
Benodigde capaciteit transitievisie warmte .................................................................. 70
BIJLAGE 19
Handelingsperspectief voor woningeigenaren ............................................................. 71
6
1. Aanleiding We kunnen er niet meer omheen, er is sprake van klimaatverandering. Om de negatieve impact niet nog verder te vergroten is in 2019 het Klimaatakkoord1 opgesteld. De doelstelling van het Klimaatakkoord is een CO2-reductie van 55% in 2030 ten opzichte van 1990 en 95 % CO2 in 2050. Om in 2050 vrijwel CO2-neutraal te zijn, zijn er verschillende stappen te zetten. In deze visie richten wij ons op de overstap naar duurzame warmte in de gebouwde omgeving. Zoals opgenomen in het coalitieakkoord 2019-2022 “Schouders eronder, samen vooruit”2 gaan we als gemeente de noodzakelijke stappen zetten om te zorgen dat we in 2050 energieneutraal, groen, klimaatbestendig, schoon en circulair zijn.
a. Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord is bij de gebouwde omgeving afgesproken dat wij in 2050 geen gebruik meer maken van aardgas. In 2030 dienen 1,5 miljoen bestaande woningen deze overstap te hebben gemaakt. Dit is circa 20% van de bestaande woningvoorraad. Gemeenten hebben de regierol gekregen voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving. In het klimaatakkoord is opgenomen dat de warmtetransitie wijk voor wijk verloopt. Voor het in gang zetten van de warmtetransitie dienen alle gemeenten voor eind 2021 een transitievisie warmte (TVW) vast te stellen. Hierin moet het tijdpad worden vastgesteld wanneer welke wijken van het aardgas af gaan en wat de potentiële alternatieve energie infrastructuren per wijk zijn.
b. Transitievisie warmte (TVW) binnen de REKS: De nationale afspraken uit het Klimaatakkoord voor de Gebouwde Omgeving worden regionaal uitgewerkt in de REKS, de Regionale Energie en Klimaat Strategie. De regionale structuur warmte is één van de pijlers binnen de REKS. De gemeentelijke TVW is een wisselwerking met de regionale structuur warmte. Dit om te voorkomen dat bijvoorbeeld twee gemeenten los van elkaar aanspraak maken op dezelfde regionale warmtebron. Vanuit deze REKS worden de regionale warmtevraag en beschikbare warmtebronnen in kaart gebracht. Dit is belangrijke input voor de TVW.
Rijk 2019
KLIMAATAKKOORD
Regionale Energie- en Klimaat Strategie (REKS) Regionale Structuur Warmte
Energie besparing
Klimaat adaptatie
Duurzame opwek
Regio 2020
TRANSITIEVISIE WARMTE
Energie besparing
Klimaat adaptatie
Zonnevisie
Gemeente 2021
verderenverderijkplan Wijkplan
Wijkplan
Wijkplan
1 https://www.klimaatakkoord.nl/gebouwde-omgeving 2 Coalitieprogramma Schouders eronder samen vooruit 2019-2022
7
Wijken 2022 en Wijkp verder
c. Stappenplan transitievisie warmte: Het Programma Aardgasvrije Wijken beschrijft in haar Stappenplan TVW een proces om tot een TVW te komen. In het “aanvalsplan transitievisie warmte3” dat in april is vastgesteld, was fase 1 uitgewerkt. In dit aanvalsplan zijn uitgangspunten bepaald zoals “geen wijken verplicht aardgasvrij voor 2030” en de voorgestelde wijkindeling. Met voorliggende transitievisie is fase 3 afgerond.
d. Wat hoort er bij de gebouwde omgeving? De TVW wordt opgesteld voor de gebouwde omgeving. De gebouwde omgeving bestaat uit de koopen huurwoningen, de bedrijven die bij het MKB horen en utiliteitsgebouwen zoals kantoren, scholen en sportcomplexen. Voor de zwaardere industrie is een aparte klimaattafel industrie ingericht. Betrokken partijen zijn de particuliere woningeigenaren, VvE’s, de sociale en particuliere woningverhuurders, gemeentelijk vastgoed en de diverse MKB bedrijven voor de publieke en commerciële dienstverlening. Vastgoedeigenaren gaan zelf over het aardgasvrij maken van hun bezit. Woningcorporaties hebben in het Klimaatakkoord aangegeven dat zij een grote rol voor zichzelf zien weggelegd als ‘startmotor’ van de transitie. Met hun schaal kunnen zij een stimulans zijn tot de transitie van ook particuliere woningen.
e. Trias energetica De Trias Energetica is een veelgebruikte aanpak om stapsgewijs woningen te verduurzamen en gaat uit van deze drie stappen: 1. Als eerste de energievraag beperken (verkaveling op zon, isoleren e.d.), 2. Vervolgens de restantvraag duurzaam opwekken (zon, wind, warmteterugwinning e.d.) 3. Tot slot efficiënt omgaan met deze fossiele restvraag (installaties, ventilatie, verlichting e.d.) In de praktijk is het zoeken naar het optimum in kosten voor isoleren en de duurzame installatie.
f. Regierol voor gemeenten We voeren als gemeente de regie over de warmtetransitie, maar we voeren de transitie niet zelf uit. Het behalen van de aardgasvrij doelstelling vraagt van elke inwoner, ieder lokaal bedrijf en maatschappelijke organisatie om ieder voor zich of samen de schouders eronder te zetten. Wij faciliteren en ondersteunen als gemeente waar mogelijk, we stellen de TVW op en zorgen voor gedragen beslissingen. Hierbij maken we gebruik van ervaringen die inmiddels opgedaan worden in de proeftuinen van het Programma Aardgasvrije Wijken.
g. Betrokken partijen Belangen kunnen alleen worden geborgd in een gezamenlijk proces. Er is een kerngroep geformeerd met energie coöperatie ECLoZ, woningcorporatie Casade, Enexis Netbeheer en Contour de Twern die gezamenlijk hebben meegedacht in de opstelling van de transitievisie warmte.
3Aanvalsplan transitievisie warmte Loon op Zand
8
Energie coöperatie ECLoZ Energie coöperatie ECLoZ is het energiecollectief in de gemeente Loon op Zand, gericht op een betaalbare en duurzame energievoorziening. ECLoZ werkt tevens aan een grootschalig zonnepark in de gemeente, met een capaciteit van 10 MW, waardoor 1500 huishoudens van groene stroom kunnen worden voorzien. Naast realisatie en levering van duurzame opgewekte energie zet ECLoZ zich ook actief in voor energiebesparing. In Loon op Zand is met ECLoZ het energieloket opgezet om inwoners te informeren. Energie coöperatie ECLoZ heeft energiecoaches opgeleid die bij mensen thuis advies kunnen geven voor hun specifieke situatie. Daarnaast is ECLoZ actief met besparingsacties.
Casade 25% van de woningvoorraad in onze gemeente zijn sociale huurwoningen van Casade. Casade heeft al veel ervaring met het verduurzamen van dit woningbezit en heeft als doel om in 2050 een (gemiddeld) CO2-neutrale woningvoorraad te hebben, waarin het gezond, comfortabel en betaalbaar wonen is. Volgens “Route CO2-neutraal Casade” betekent dit dat in 2050 het gehele woningbezit aardgasloos is, de warmtevraag bij de gehele woningportefeuille is gereduceerd (warmtevraag tussen 45 en 75 kWu-m2) en de energie duurzaam is opgewekt. Nieuwbouw is vaak Nul Op de Meter (NOM).
NOM sociale huurwoningen in Westwaard
Via woningverbetering krijgen een groot aantal woningen een energielabel A+ of A++. Casade hanteert bij woningverbetering een aanpak in één keer of in stappen. Dakenstroom is een voorbeeld van een aanpak in stappen waarbij de woning per bouwdeel in stappen naar de eindsituatie wordt gebracht. Een groot aantal schuine daken worden vervangen door nieuwe, goed geïsoleerde daken met zonnepanelen. Alle huurders van Casade kunnen profiteren van de duurzaam opgewekte zonneenergie. Op andere plekken verduurzaamt Casade de gebouwschil in één keer. Uitgangspunten Casade om woningen voor te bereiden op verduurzaming zijn: Investering moet duurzaam en toekomstbestendig zijn. Woning moet comfortabel blijven Woning moet gezond zijn, dus goede balans tussen isoleren en ventileren. Woning moet betaalbaar blijven voor de huurder. Casade wil ook met gespikkeld bezit aan de slag, zoals een blok woningen waarvan 4 van de 6 woningen eigendom van Casade zijn en 2 van een particulier. Van belang is dat er voor particulieren financieringsmogelijkheden komen op het moment dat zij zelf onvoldoende middelen hebben om de woning te kunnen verduurzamen. Casade heeft een coachende rol naar huurders. Als mensen wonen in een ‘ge-update’ huis, zijn er ineens heel andere technieken. Denk aan een warmte terugwin installatie, warmte-opwek, van Cvketel naar een warmtepomp.
Contour de Twern Contour de Twern verzorgt het sociaal werk in de gemeente Loon op Zand en helpt mensen en buurten bij het oplossen van kleine en grote vragen. Dat doet Contour de Twern voor een belangrijk deel met vrijwilligers. Contour de Twern kent de buurten goed en kan bewoners vanuit sociale projecten en activiteiten bij de uitvoeringsplannen voor de warmtetransitie betrekken. Contour de Twern wil zich graag inzetten om ook de particuliere woningeigenaren op een vergelijkbare manier te stimuleren om hun woning te verduurzamen. 9
2. Uitgangspunten transitievisie warmte (TVW) De warmtetransitie voor de gebouwde omgeving van aardgas naar duurzame alternatieve (warmte)bronnen heeft grote impact op de samenleving. We komen letterlijk achter de voordeur van de inwoners en bedrijven. Dit raakt mensen in hun portemonnee, hun manier van koken en verwarmen. Aardgasvrij worden geeft echter ook kansen. Zo geeft goede isolatie comfortverbetering en minder tocht en een lucht- of bodemwarmtepomp geeft ook koeling van de woning in de zomer.
a. Aardgasvrij – aardgasarm Een groot deel van de woningvoorraad in onze gemeente kan met de beschikbare technische middelen compleet aardgasvrij worden gemaakt tegen realistische kosten. Voor een deel van de oudere woningen kan aardgasarm een mogelijke (overgangs)optie zijn. Deze woningen zijn door hun verouderde constructie moeizaam te isoleren, en daarom nu nog heel moeilijk aardgasvrij te maken. Een wijkgerichte aanpak hoeft ook niet in één stap naar aardgasvrij te gaan. De verduurzaming van woningen en andere gebouwen kan ook stapsgewijs worden gerealiseerd met grootschalige woningisolatie en hybride warmteoplossingen zoals een hybride warmtepomp die het aardgasverbruik flink vermindert. Aanpassing van de infrastructuur, de omschakeling naar duurzame bronnen en de woningisolatie hoeven niet op hetzelfde moment gerealiseerd te worden, maar dienen wel in samenhang bezien te worden, zodat deze passend zijn in het perspectief van het eindbeeld 2050.
b. Haalbaar, betaalbaar en rechtvaardig Uitgangspunt is dat de transitie haalbaar, betaalbaar en rechtvaardig moet zijn. Dat vraagt om slimme, stapsgewijze keuzes, zowel op individueel niveau als binnen de wijkgerichte aanpak. Het loont om op natuurlijke momenten, zoals een verhuizing of grote verbouwing, verduurzamingsmaatregelen te treffen, omdat de kosten van verduurzaming dan aanzienlijk lager zijn en de overlast relatief beperkt is. Die momenten moeten dus optimaal benut worden. In de wijkgerichte aanpak is van belang zorgvuldig te bepalen waar en wanneer te beginnen en met welke woningen.
c. Koppelkansen We kijken met inwoners en bedrijven verder dan alleen de warmtetransitie. We kijken naar goede koppelkansen. Waar het aardgasnet of de riolering aan vervanging toe is, kunnen we het elektriciteitsnet gelijk verzwaren indien nodig. Bij problemen in de openbare ruimte zoals wateroverlast, droogte of hittestress, kunnen we klimaatadaptatie koppelen aan de warmtetransitie. Wijken waar bewoners zelf initiatieven ontwikkelen voor verduurzaming, waar grootschalige renovaties en woningverbetering op stapel staan of waar de verduurzaming gekoppeld kan worden aan andere fysieke en sociale opgaven in de wijk, liggen als eerste keuze het meest voor de hand. Om als gemeente de energietransitie in een wijk te stimuleren kan bijvoorbeeld het verduurzamen van het schoolgebouw een mooi startpunt zijn. We doen dit voor onze toekomst, dus het zou mooi zijn om te starten bij de kinderen. Een aardgasvrij schoolgebouw geeft een goede basis voor energiezuinig denken en doen. Ook is het makkelijker om het gesprek over duurzaamheid te starten vanuit die kinderen. Het schoolgebouw heeft een belangrijke functie in de wijk en dient als voorbeeld. Casade wil hierbij aansluiten en kinderen enthousiasmeren door ze projecten van Casade te laten bezoeken of op scholen casussen toe te lichten. We willen als gemeente deze voorbeeldfunctie vervullen met onze gemeentelijke gebouwen.
We gaan proberen om de geplande renovatie van de scholen als voorbeeldprojecten te realiseren en dit breed te communiceren om hiermee inwoners te informeren en te stimuleren. Dit geldt eveneens voor de renovatie van De Wetering.
10
d. Kosteneffectief voor de gehele warmteketen én eindgebruiker In het klimaatakkoord is afgesproken dat de warmtetransitie plaatsvindt tegen de laagste nationale kosten. Dit zijn de totale kosten van een warmtesysteem voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht bij wie deze kosten neerslaan. Gemeenten kunnen hiervan afwijken, maar dienen in dat geval expliciet te motiveren waarom voor een ander alternatief wordt gekozen. Het is daarbij cruciaal om de transitie betaalbaar te houden voor onze inwoners. Hierbij gaat het om de benodigde investeringen voor de verduurzaming én over de maandlasten voor de eindgebruikers.
e. Integrale verduurzaming. Bij de route naar aardgasvrij moet ook rekening gehouden worden met de bredere woningkwaliteit en de wensen van de woningeigenaren. De enorme groei van de vraag naar airco’s kan tot totaal andere beslissingen leiden bij woningeigenaren en kan toch worden gekozen voor een warmtepomp terwijl dat niet het goedkoopste alternatief is voor aardgas. Naast koeling dienen ook de ventilatie en de bredere woonwensen te worden meegenomen zoals comfort, gezondheid, status en veiligheid.
f. Flexibiliteit De technieken en oplossingen ontwikkelen in rap tempo. Het is daarom belangrijk om in de TVW een zekere dynamiek in te bouwen in het proces. Er zullen evaluatiemomenten worden ingepland zodat steeds kan worden gekeken of we nog op de goede weg zijn en echt de meest duurzame en efficiënte oplossing kiezen.
3. Hoe worden we aardgasvrij ? Voorwaarden om aardgasvrij te kunnen worden zijn: a. De woningen moeten gereed gemaakt worden b. Het elektriciteitsnet moet voldoende zijn c. Er moeten duurzame alternatieve warmtebronnen beschikbaar zijn
a. Woningen gereed maken voor aardgasvrij Beperken energievraag Om een gebouw warm te houden zonder aardgas, is de eerste stap altijd isoleren in combinatie met kierdichting. Voor de meeste alternatieven voor aardgas is een goed geïsoleerd gebouw echt noodzakelijk, maar isolatie is altijd belangrijk. Ook bij het gebruik van warmtebronnen met hoge temperatuur of hernieuwbaar gas. Want een lagere vraag betekent dat meer huishoudens kunnen profiteren van dezelfde bron, een lagere piekvraag in de winter, meer wooncomfort en een lagere energierekening. Daarnaast zal een goed geïsoleerd gebouw ook koeler blijven in de zomer. Voor koeling in de zomer is een goede zonwering noodzakelijk.
Isoleren naar de standaard- en streefwaarden In het Klimaatakkoord zijn de minimale isolatie eisen voor de bestaande woningbouw vastgelegd als de standaard- en streefwaarden. De standaard gaat over een basiskwaliteit die de woning als geheel moet behalen. De streefwaarden zijn ambitieuzer. Het gaat om wat nodig is voor aardgasloos én wat nodig is qua schil om niet ‘de rekening’ te betalen via extra elektra (schil ergens tussen de 50-70 kWh/m2). De standaard en streefwaarden geven duidelijkheid over de ‘eindbestemming’ van de woning, en biedt dus handvatten tot welk niveau geïsoleerd moet worden.
11
Deze minimale kwaliteitseisen zijn verplicht voor de huursector. Voor de particulieren zullen de subsidies en financieringsinstrumenten vanuit de Rijksoverheid waarschijnlijk afgestemd worden op deze norm. De minimale kwaliteitseisen moeten helpen bij het schetsen van verduurzamingsroutes bij gemeenten en vastgoedeigenaren. Hierbij dient niet alleen de opgave aardgasvrij, maar ook de integrale kwaliteit van de woning te worden meegenomen.
De isolatie waarden bij de standaard- en streefwaarden
Naast een standaard voor de gehele woning bestaan er ook streefwaarden voor afzonderlijke bouwdelen van de woning. Deze streefwaarden zijn bedoeld voor het verduurzamen van een of enkele delen van de woning. Ze geven aan wanneer een enkel bouwdeel (zoals dak, vloer of ramen) zeker ‘toekomstbestendig’ is. Zij zijn dan zeer goed geïsoleerd. Isoleren van een bouwdeel naar deze streefwaarde zorgt ervoor dat dit bouwdeel absoluut goed genoeg is geïsoleerd en bij aansluiting op een alternatieve warmtebron niet meer hoeft te worden aangepakt. Het doel is dat de woning voldoet aan de standaard. Daartoe is het niet nodig alle streefwaarden te realiseren.
Stapsgewijs naar aardgasvrij De woningen en gebouwen hoeven niet in 1 keer aardgasvrij gemaakt te worden. Het kan in stappen en er moet in ieder geval op logische momenten zoals bij verhuizing of verbouwing rekening mee gehouden worden.
12
b. Elektriciteitsnet voldoende Het elektriciteitsnet moet worden aangepast op aardgasvrij wonen. Aardgasvrij wonen verbruikt naar verwachting meer stroom. Enexis moet per situatie beoordelen welke aanpassingen nodig zijn in het elektriciteitsnet om aan deze vraag te kunnen voldoen en is daarom graag in een vroeg stadium betrokken, en denkt graag mee, zodat gezamenlijk beoordeeld kan worden welke opties er zijn en wat deze betekenen voor de bestaande infrastructuur. Belangrijk om te weten is dat het verzwaren van het elektriciteitsnet niet alleen vraagt om ruimte ondergronds maar ook bovengronds is meer ruimte benodigd. Bijvoorbeeld voor het plaatsen van trafohuisjes. Het op orde brengen van de infrastructuur in de wijk is planningstechnisch de eerste stap omdat je grote aantallen verduurzaamde woningen anders niet altijd kan aansluiten.
c. Alternatieve warmtebronnen Er zijn een groot aantal alternatieve warmtebronnen mogelijk, zowel collectief als individueel. Onderstaande figuur geeft de beschikbare alternatieven voor aardgas in de gebouwde omgeving met collectief of individueel systeem, de bijbehorende isolatieopgave en de warmte.
Alternatieven voor aardgasvrij. Bron: RVO(2019)
Op dit moment zijn er 3 alternatieve oplossingen voor het verwarmen van een woning, namelijk met individuele oplossingen met een warmtepomp, via een collectief warmtenet of met duurzaam gas.
Individuele oplossingen: warmtepomp Een elektrische warmtepomp kan het huis verwarmen én warm water leveren. Indien een huis goed geïsoleerd is en gekookt wordt op inductie dan is dit een klimaatvriendelijk alternatief voor aardgas. De CO2-uitstoot daalt hierdoor met 30 tot 45 procent. De elektriciteitsvraag van de warmtepomp zorgt voor een grote belasting van het elektriciteitsnet. Een elektrische warmtepomp waardeert de warmte van een bron op naar een bruikbare temperatuur voor verwarming en warm tapwater. De meest gebruikte bronnen zijn de bodem of de buitenlucht. Voor het comfort en voor het rendement is het belangrijk dat ook maatregelen getroffen worden die de warmtevraag kleiner maken en dat die goed op elkaar afgestemd zijn. De gebouweigenaar kan zelf beslissen wanneer hij of zij overstapt op een warmtepomp. Deze techniek is goed toepasbaar bij zogeheten grondgebonden woningen, oftewel op straatniveau.
13
Een overstap op een elektrische warmtepomp is tot nu toe alleen mogelijk indien het huis geïsoleerd is op minimaal schillabel B-niveau. Van vloer en muren, tot de gevel en het dak. Ook is overal dubbel HR++ of triple glas nodig. Er zijn experimenten om een elektrische warmtepomp op hoog temperatuur mogelijk te maken. Indien deze succesvol worden, zal ook met een lagere isolatiewaarde van de woning een warmtepomp een mogelijkheid worden.
Afbeelding: Plaatsing HT skid aan de Andromeda in Loon op Zand door Casade (elektrische warmtepomp op hoog temperatuur - in combinatie met isoleren van de gevel, HR++ beglazing, een nieuw dak en zonnepanelen)
Luchtwarmtepomp De warmtepomp met de buitenlucht als warmtebron heeft lagere investeringskosten en ook een wat lagere efficiëntie. Voor een luchtwarmtepomp moet in de meeste gevallen een buitenunit worden geplaatst, vergelijkbaar met een buitenunit van een airco. Die kan aan de gevel, op het dak of ook verder van de woning worden geplaatst. Hierbij is voorkoming van geluidsoverlast een aandachtspunt. Warmtepompen die vanaf april 2021 worden geplaatst mogen op de erfgrens nog maximaal 40 decibel geluid produceren. Dit is te vergelijken met een vaatwasser. Bodemwarmtepomp Bodemenergie is het gebruiken van de bodem om warmte en koude aan te onttrekken en in op te slaan. Men spreekt van bodemenergie tot een maximale diepte van 500 meter. Een warmtepomp waardeert de warmte uit de bodem op tot een voor gebouwen bruikbaar niveau. De warmte die in de winter gebruikt wordt, moet in de zomer weer worden aangevuld. Dit kan door gebouwen in de zomer te koelen, en door actief warmte in de bodem te brengen. De aanleg van individuele warmtepompen waarbij iedere woning zijn eigen gesloten bodemenergiesysteem heeft, leidt tot veel boringen in de ondergrond. Hybride warmtepompen Een hybride warmtepomp werkt op stroom en wordt gekoppeld aan de cv-ketel. Als het buiten heel koud is en de warmtepomp niet genoeg warmte kan verzamelen, kan de cv-ketel bijspringen.
Een hybride warmtepomp is dus geen all-electric oplossing, maar brengt wel de CO2-uitstoot met 20 procent omlaag. Op deze manier wordt ook voorbereid op toekomstige vormen van duurzaam gas. 14
Warmtenet Een warmtenet, ook wel stadsverwarming genoemd, is een collectieve oplossing om gebouwen te verwarmen. Het warmtenet is een netwerk van leidingen onder de grond waar warm water doorheen stroomt, waarmee huizen en bijvoorbeeld scholen verwarmd kunnen worden. Warmtenetten zijn vooral geschikt op plaatsen waar veel vraag naar warmte is op een klein oppervlak. De meeste warmtenetten vind je dan ook in steden. De grootte varieert. Soms is een lange leiding nodig om de warmte te transporteren van een grootschalige bron naar de afnemers. De duurzaamheid van warmtenetten hangt vooral af van de warmtebron. Ook de warmteverliezen in de leidingen spelen een belangrijke rol. Er zijn warmtenetten met een hoge en een lage temperatuur. Bij warmtenetten met een lage temperatuur zijn de warmteverliezen lager. Er is dan wel een betere isolatie nodig in de aangesloten woningen, en er zijn soms speciale afgiftesystemen nodig in de woning.
Warmtenet met hoog- of middentemperatuur: In de industrie, uit biomassa of via aardwarmte, komt warmte vrij. Deze warmte, die anders verloren zou gaan, kan gebruikt worden om water tot een hoge temperatuur te verwarmen. Restwarmte: Restwarmte komt vrij bij een productieproces, wordt getransporteerd via een bestaand of nieuw warmtenet en wordt gebruikt voor het verwarmen van gebouwen en tapwater. Restwarmte is warmte die over is en niet meer binnen het bedrijf zelf kan worden gebruikt. Beschikbaarheid van bronnen, de temperatuur en de afstand tot een (bestaand) warmtenet zijn belangrijke parameters voor de haalbaarheid van een restwarmteproject. Daarnaast is langdurige beschikbaarheid van deze bronnen van belang om toekomstige levering te waarborgen. Restwarmte wordt vaak ingezet in combinatie met andere warmtebronnen: bijvoorbeeld restwarmte voor de levering van de basislast en andere warmtebronnen voor back-up en piekwarmte. Een restwarmteproject is altijd maatwerk. Technisch is het vaak niet ingewikkeld, maar organisatorisch wel. Geothermie: Geothermie, ook wel aardwarmte genoemd, is het gebruik van warmte uit de diepe ondergrond vanaf 500 meter en dieper voor het verwarmen van huizen, gebouwen, kassen en lichte industrie. Of geothermie mogelijk is hangt af van de bodemgesteldheid en -samenstelling.
Tussen de geothermiebron en de gebouwen is een warmtenet nodig met voldoende geschikte warmtevragers. Een vuistregel hierbij is dat er ongeveer 4000 woningen nodig zijn. Afhankelijk van de diepte kan geothermie een warmtenet direct voorzien van warmte met een temperatuur van circa 70-90 °C.
Warmtenetten met laagtemperatuur: Benutting van lage temperatuur restwarmte of omgevingswarmte is CO2-vrij. Hierbij worden elektrische warmtepompen gebruikt om de temperatuur op voldoende niveau te krijgen voor bijvoorbeeld tapwaterbereiding. Dat betekent dat er op locatie geen emissies meer zijn. Er is momenteel veel aandacht voor lage temperatuur netten. Die worden ook wel ‘vierde generatie warmtenetten’ genoemd. De reden hiervoor is dat hier veel meer bronnen voor beschikbaar zijn en de verliezen lager worden. Warmtenetten zijn een volwassen techniek. De uitdagingen zijn van technische aard maar vooral ook organisatorisch, financieel en sociaal, bijvoorbeeld draagvlak onder bewoners. Aquathermie Een warmtenet met laagtemperatuur kan worden gevoed door aquathermie, door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater.
15
WKO Er zijn mogelijkheden om via een warmte-koude opslag (WKO) warmte in de zomer op te slaan en in de winter te gebruiken om via een warmtenet de woningen te verwarmen. Er wordt lokaal al veel ervaring opgedaan in de gebouwde omgeving in combinatie met kleinschalige WKO-systemen zoals een hocosto om water ondergronds op te slaan en daar ’s zomers zonwarmte in op te slaan en ’s winters warmte uit te onttrekken. In ecodorp Boekel wordt zonwarmte met een buizensysteem door een grote bak met basalt gestuurd, waardoor het basalt opwarmt tot zo’n 450ºC. De rest van het jaar wordt die zomerwarmte gebruikt om de woningen op te warmen.
Duurzaam gas Groen gas en waterstof zijn vormen van duurzaam gas die de CO2-uitstoot omlaag brengen. Daarom zijn groen gas en waterstof goede alternatieven voor aardgas. Ook omdat er gebruik kan worden gemaakt van het bestaande gasnetwerk. Groen gas Groen gas is gas uit organisch afval, zoals uit gft-afval, houtsnippers en mest. Door dit afval te vergisten komt er methaan vrij. Dit vrijgekomen gas noemen we biogas. Het biogas wordt met behulp van hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water opgewaardeerd tot het dezelfde kwaliteit heeft als aardgas. Omdat groen gas gelijk is aan aardgas hoeven geen aanpassingen in huis te worden gedaan en kan dezelfde cv-ketel gebruikt blijven worden. Groengas is maar beperkt beschikbaar; Waterstof Met elektrolyse is het mogelijk om waterstof te winnen uit water. Dit is een techniek waarbij je water onder stroom zet en zo waterstof en zuurstof kunt scheiden. Bij dit proces komt geen CO2 vrij. Het kost veel elektriciteit om waterstof te maken. Waterstofgas is een energiedrager die aardgas kan vervangen met beperkte aanpassingen aan het gasnet en apparatuur. De duurzaamheid van waterstof hangt af van de productiewijze. Anno 2020 wordt waterstof vooral gemaakt uit aardgas waarbij CO2 vrijkomt.
In de toekomst zal waterstof meer en meer CO2-arm of -neutraal worden geproduceerd door het afvangen van CO2 en productie met elektrolyse met hernieuwbare elektriciteit. De netbeheerders zullen het netwerk moeten aanpassen om het geschikt te maken voor waterstof. Ook moeten installaties binnenshuis gecontroleerd en eventueel aangepast worden, zoals de gasmeters. Zo'n omschakeling is een grote operatie. Binnen een buurt moet in één keer worden omgeschakeld als het bestaande gasnetwerk voor waterstof gebruikt wordt. Waterstof is in Nederland nog schaars en inefficiënt. De omzetting van elektriciteit naar waterstof gaat gepaard met energieverliezen. Het is daarom belangrijk dat CO2-vrije waterstof alleen wordt ingezet in de verduurzaming van processen waarvoor geen betere duurzame oplossing bestaat zoals bij bepaalde industriële processen zoals de opwek van energie
16
17
4. Verkenning Loon op Zand In deze verkenning wordt aangegeven wat de opgave is voor Loon op Zand. Beschreven wordt het energieverbruik in onze gemeente, hoe dit is opgebouwd en welke warmtebronnen beschikbaar zijn.
a. De opgave voor Loon op Zand Voor de gemeente bepalen we de totale opgave voor de transitie naar aardgasvrij voor zowel de woningen als de bedrijven en het maatschappelijk vastgoed. De CO2 uitstoot in onze gemeente is op 1-12020 berekend op 109.700 ton, waarvan 66.200 voor de gebouwde omgeving (klimaatmonitor). Dit is 80% van de CO2 uitstoot in 2010. De woningvoorraad is in deze periode juist sterk toegenomen
Energiegebruik Loon op Zand Het energieverbruik in het klimaatakkoord wordt weergegeven in TJ (Tera-Joule). De verschillende energiebronnen zoals aardgas, elektriciteit, fossiele brandstoffen en andere vormen van energie worden vastgelegd in deze eenheid, en kunnen bij elkaar worden opgeteld. In Loon op Zand was de energievraag over 2019 in totaal 1636 TJ.
Al het bekende energiegebruik van de gebouwde omgeving, industrie, landbouw en de vervoersbewegingen op het grondgebied van Loon op Zand valt hieronder. Ook is het gebruik van hernieuwbare warmte hierbij opgeteld, denk aan warmte van bijvoorbeeld houtkachels of uit bodemenergie. De energievraag van 1.636 TJ in Loon op Zand over 2019 is het eindgebruik van elektriciteit, warmte en voertuigbrandstoffen samen. Het blijkt dat ca. 45% van de energievraag als warmte wordt gebruikt, 33% als brandstof voor voertuigen en 22% voor elektriciteit.
Bron: klimaatmonitor.databank.nl 18
Energiegebruik gebouwde omgeving Loon op Zand De transitievisie warmte beperkt zich tot de gebouwde omgeving. De energievraag binnen de gebouwde omgeving was in 2019 921 TJ. Hiervan is het overgrote deel voor de woningen (62%). De commerciële dienstverlening en de publieke dienstverlening gebruiken ieder ca. 20% van de benodigde energie. Binnen de commerciële dienstverlening is met name de groot- en detailhandel de grootste afnemer van energie en daarna de horeca. Binnen de publieke dienstverlening is de kunst, amusement en recreatie met name verantwoordelijk voor het energiegebruik in deze sector.
bron: klimaatmonitor.databank.nl
Energiegebruik woningen Loon op Zand: Het energiegebruik van woningen in Loon op Zand is voor 80% door gebruik van aardgas. In 2019 werd 14 miljoen m3 aardgas verbruikt door de woningen in onze gemeente. Ongeveer 75 procent van het totale gasverbruik komt door de verwarming van het huis. De rest wordt verbruikt door verwarming van het water in huis (20 procent) en door het koken (5 procent). Er is groot verschil in het gemiddeld gasverbruik naar woningtype. In appartementen wordt gemiddeld ca. 900 m3 aardgas gebruikt, in vrijstaande woningen gemiddeld 2.380 m3.
Circa de helft van de woningen heeft een officieel geregistreerd energielabel. Van de geregistreerde energie labels in Loon op Zand in 2020 had
40%
31% label A of beter, 18% label B, 30% label C, 11% label D 10% label E of slechter.
20%
Energielabels Loon op Zand 2020
30%
10% 0% A+
B
C
D
E
F
G
Bron klimaatmonitor
19
b. Regionale Structuur Warmte - Loon op Zand Regionaal zijn in de REKS de alternatieve warmtebronnen voor de gebouwde omgeving in beeld gebracht, zoals het aansluiten op het bestaande warmte-aanbod van de Amercentrale (HT=hoge temperatuur), gebruiken van restwarmte van industrie, verbranden in biomassacentrales, aardwarmte, thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) of uit afvalwater (TEA), restwarmte van bedrijven, biogas/groengas uit vergisting van reststromen en individuele bronnen voor warmtepompen en/of zonneboiler. De mogelijke alternatieven bepalen welke temperatuur de woning binnenkomt – hoge temperatuur, midden of lage temperatuur, en daarmee de mate waarin een gebouw aangepast en geïsoleerd moet worden, of verwarming met (grotere) radiatoren mogelijk blijft. In regionaal verband is in totaal voldoende aanbod om na de transitie aan de energievraag te voldoen, uitgaande van 20% energiebesparing. Hierbij is uitgangspunt dat gemeenten de uitwisselbare bronnen niet claimen, zodat een eerlijke verdeling kan worden gemaakt.
Bron: Regionale structuur warmte
In de regionale structuur warmte 4 komt uit onderzoek dat Loon op Zand zelf te weinig bestaande warmtebronnen heeft. Er is geen HT-restwarmtebron. De meest voor de hand liggende oplossing zal een collectieve of individuele warmtepomp zijn. Biogas en biomassa uit andere gemeenten kunnen het aanbod aanvullen en all-electric kan een deel van de oplossing zijn. Deze oplossingsroutes zijn, in tegenstelling tot een warmtenet, meer gericht op individuele stappen en minder van elkaar afhankelijk. Om onze opties verder te verkennen wordt een verdiepend onderzoek uitgevoerd of Loon op Zand kan gaan aansluiten op het regionale warmtenet vanuit de Amer. Op dit moment is hier nog geen duidelijkheid over. In de toekomst is wellicht geothermie kansrijk. Daarbij komt dat er hier al aardgas gewonnen wordt op 2,5 km diepte. Hierdoor is de geschiktheid van de bodem bekend en wellicht zijn de boorputten een mogelijke energiebron. Er is dus nog onzekerheid over de inzetbaarheid van warmtebronnen en de oplossingsrichtingen voor Loon op Zand. Nader onderzoek is nodig om meer helderheid te krijgen. Dit wordt in regionaal verband nader uitgewerkt. 4 regionale-structuur-warmte-hart-van-brabant
20
c. De Efteling De Efteling is een grote organisatie in onze gemeente. Het energieverbruik van dit attractiepark telt ook mee in de gemeentelijke opgave. De Efteling heeft de ambitie om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Deze doelstelling is heel erg positief. Om klimaatneutraal te worden richt de Efteling zich op verschillende thema’s: natuur, energie, afval en mobiliteit. Deze thema’s staan hoog in het vaandel sinds de oprichting van Stichting Natuurpark de Efteling. Bij de transitievisie beperken we ons tot het thema energie. Om energie te besparen gebruikt de Efteling onder andere steeds meer ledverlichting en wordt ook nauwkeurig naar werkwijzen gekeken voor mogelijke energiebesparing. Door middel van zonnepanelen wekt de Efteling zo veel mogelijk energie zelf op. Met de toevoeging van meer dan 12.000 zonnepanelen op het parkeerterrein aankomend jaar, gaat het de goede kant op. Er worden al verschillende gebouwen aardgasloos verwarmd door warmte-koudeopslag zoals het Efteling Hotel, Vogel Rok, restaurant Het Wapen van Raveleijn, het kantoorgebouw Raveleijn en de huisjes in Bosrijk. In Vakantiepark Efteling Loonsche Land wordt gebruik gemaakt van een biomassacentrale om te verwarmen.”
Afbeelding: 800 zonnepanelen op het dak van Symbolica.
21
d. Vaststelling wijken Loon op zand heeft 10.317 woningen met in totaal 23.327 inwoners. Hiervan wonen er 16.550 in de kern Kaatsheuvel, 6.180 in Loon op Zand en 590 in De Moer. Dit is conform de kerncijfers wijken en buurten 2019 van het CBS. In de TVW moet worden vastgelegd wanneer wijken stapsgewijs van het aardgas gaan. Hierbij dienen de wijken te worden vastgesteld. De meeste gemeenten hanteren de CBS-definitie van een wijk met in een wijk 1.500 – 4.000 inwoners. In het aanvalsplan transitievisie warmte is al vastgesteld dat de gebruikelijke indeling van onze gemeente in 3 wijken op basis van de CBS-indeling, voor deze transitie verder wordt opgesplitst in wijken met 2.500 – 3.500 inwoners per wijk zoals aangegeven in onderstaand overzicht. Kaatsheuvel is in 5 wijken verdeeld, Loon op Zand in 2 wijken en De Moer is als een wijk gezien. Zie bijlage 1 voor een gedetailleerd overzicht.
22
5. WAT zijn de alternatieve warmte strategieën De transitievisie warmte is opgedeeld in twee stappen. Stap 1 is gericht op de technischeconomische inventarisatie van WAT aardgasvrije alternatieven in wijken zijn. In stap 2 moet gekozen worden WANNEER welke wijken als eerste van het aardgas gaan. De vraag HOE wijken van het aardgas kunnen gaan, moet worden uitgewerkt in de op te stellen uitvoeringsplannen per wijk. Deze uitvoeringsplannen zijn een uitwerking van deze TVW. Er wordt landelijk onderscheid gemaakt in 5 strategieën. Strategie 1 (S1) zijn de individuele oplossingen met een elektrische warmtepomp, Strategie 2 (S2) zijn de warmtenetten met midden tot hoge temperatuurbron. Strategie 3 (S3) zijn de warmtenetten met een lage temperatuurbron. Strategie 4 (S4) is groen gas en strategie 5 (S5) is waterstofgas. De nationale kosten voor de 5 mogelijke CO2 neutrale strategieën voor alternatieve warmtebronnen per wijk zijn door het planbureau voor de leefomgeving (pbl) per wijk in beeld gebracht in de startanalyse (Leidraad warmte). Per wijk wordt aangegeven wat volgens deze startanalyse de laagste nationale kosten zijn. Hierin worden de totale kosten opgenomen voor de isolatie en de benodigde installaties in de panden, maar ook de kosten voor de aanleg warmtenetten en de verzwaring van het elektriciteitsnet. Per wijk wordt ook beschreven wat de kosten zijn per ton CO2 reductie.
a. De WAT kaart
23
Op basis van de laagste nationale kosten is in alle wijken en buurten van onze gemeente groen gas de goedkoopste strategie. Hiervoor kan het bestaande gasnetwerk gebruikt worden en hoeven de woningen minder extreem te worden geïsoleerd. Groen gas is echter beperkt beschikbaar en moet gereserveerd voor de oudere woningen en monumenten die niet extreem goed te isoleren zijn. Na de strategie groen gas is waterstofgas de strategie met de laagste nationale kosten. Waterstofgas is op zijn vroegst na 2030 beschikbaar en het is nog onduidelijk of hier de gebouwde omgeving gebruik van kan gaan maken. In de voorkeur strategieën wordt in de startanalyse bij een aantal wijken gekozen voor een andere strategie dan groen gas. Deze zijn op de WAT-kaart aangegeven. De kaart laat duidelijk zijn hoe dicht eventuele strategieën bij elkaar liggen op het gebied van laagste nationale kosten en hoe realistisch eventuele alternatieven zijn (uit financieel oogpunt). In de paarse buurten Oud-Loon; Molenwijk Zuid; Pannenhoef Oost, Schrijversbuurt en de Els wordt aangegeven dat het toepassen van individuele (hybride) luchtwarmtepompen de laagste nationale kosten hebben. In de rode en blauwe gebieden Loonse Vaart, Centrum, Heikant, Draaiboom en de Klinkenpolder wordt de aanleg warmtenet als strategie met de laagste nationale kosten aangegeven.
b. Haalbaarheid warmte strategieën Loon op Zand De komende jaren zal verder uitgewerkt moeten worden welke strategieën mogelijk en wenselijk zijn. Het is belangrijk om in de wijken goed te gaan kijken welke warmteoplossing het meest haalbaar is en het meest draagvlak heeft. Dat kan er zomaar toe leiden dat er in een wijk meerdere strategieën naast elkaar gaan lopen of dat toch niet wordt gekozen voor de voorkeursstrategie maar één van de alternatieven. Dit is echt maatwerk. Per strategie wordt beschreven wat op dit moment de haalbaarheid is voor Loon op Zand.
S1 Individuele oplossingen: Elektrische warmtepomp Luchtwarmtepomp Een all-electric luchtwarmtepomp is direct toepasbaar. Schillabel B of beter is noodzakelijk. De woningen moeten dus zeer goed geïsoleerd zijn. Voorkoming van geluidsoverlast een aandachtspunt. Warmtepompen die vanaf april 2021 worden geplaatst mogen op de erfgrens nog maximaal 40 decibel geluid produceren. Een luchtwarmtepomp is een goede alternatieve warmtebron in bijvoorbeeld het buitengebied waar een warmtenet sowieso geen optie zal zijn en in de nieuwere wijken waar de woningen al een goede isolatiewaarde hebben. Bodemwarmtepomp Voor een all-electric bodemwarmtepomp is schillabel B of beter noodzakelijk. Het gebruik van bodemenergie door grondboringen wordt waarschijnlijk door de provincie beperkt om de drinkwatervoorraden te beschermen. Deze drinkwaterlagen zitten in Loon op Zand vrij ondiep, waardoor het gebruik van bodemwarmtepompen waarschijnlijk lastig realiseerbaar wordt. Hybride warmtepompen Een hybride warmtepomp is direct toepasbaar. Schillabel D+ is noodzakelijk. Voor woningen die niet heel erg goed geïsoleerd zijn, kan dit een prima (tijdelijke) optie zijn. Bij een hybride warmtepomp kan de cv-ketel bijspringen als het heel koud is en de warmtepomp niet genoeg warmte kan verzamelen.
Dit is voor een groot deel van de woningen een prima alternatief als voorbereiding op toekomstige vormen van duurzaam gas.
24
S2 Warmtenetten met hoog- of middentemperatuur: Voor een warmtenet met hoog- of midden temperatuur is minimaal schillabel D nodig. Voor wijken met woningen die niet goed te isoleren zijn, kan dit een goede optie zijn. De aanleg van een warmtenet kan niet binnen enkele jaren gerealiseerd worden. Restwarmte: Er wordt regionaal een verdiepend onderzoek uitgevoerd of meerdere gemeenten, waaronder Loon op Zand, kunnen gaan aansluiten op het regionale warmtenet vanuit de Amer. Op dit warmtenet kunnen in de toekomst ook andere bedrijven restwarmte leveren. Geothermie: In onze gemeente wordt al aardgas gewonnen op 2,5 km diepte. Hierdoor is de geschiktheid van de bodem bekend en wellicht zijn de boorputten een mogelijke energiebron. Dit is zeker een optie die nader onderzocht zou moeten worden.
S3 Warmtenetten met laagtemperatuur: Voor een warmtenet met laagtemperatuur is schillabel B of beter noodzakelijk. De schil van de woningen moet erg goed geïsoleerd zijn. Aquathermie: Door onze gemeente loopt een transportleiding voor drinkwater wat een bron kan zijn voor thermische energie voor een woonwijkje of een utiliteitsgebouw zoals bij zwembad Tongelreep. Dit is een duurzame alternatieve warmtebron en dient nader onderzocht te worden.
WKO WKO zijn lage temperatuur netten waar veel bronnen voor beschikbaar zijn en de verliezen lager worden. Dit is een zeer duurzame alternatieve warmtebron en dient nader onderzocht te worden.
S4 Groen gas: Groen gas is vergelijkbaar met het huidige aardgas en voor de schil is minimaal energielabel D nodig. Opties tot meer opwek van groen gas zouden onderzocht en gestimuleerd moeten worden. Groengas is voorlopig maar beperkt beschikbaar en kan alleen toegepast worden in wijken waar alternatieven veel duurder of technisch niet haalbaar zijn. Door de beperkte beschikbaarheid is een massale overschakeling op groengas niet mogelijk. Groen gas moet altijd gecombineerd worden met technieken om het gasgebruik te beperken, zoals energiebesparing en hybride warmtepompen.
S5 Waterstofgas: Voor waterstofgas is minimaal schillabel D nodig. Waterstof heeft voorlopig geen significante rol in de verduurzaming van de gebouwde omgeving.